Blog

De tragische held

Als we in de bioscoop naar een goede film kijken, kunnen we helemaal opgeslokt worden door wat er op het scherm gebeurt. De biochemie die door onze bloedstroom gaat, puur en alleen door onze interpretatie van wat we op het grote scherm zien, is werkelijk wonderbaarlijk. We identificeren ons intens met de hoofdpersoon, en doen gretig mee met de strijd tussen ‘goed’ en ‘kwaad’. En we hebben totaal geen moeite met computertechnieken die de meest ongelooflijke dingen mogelijk laten lijken. Aan het einde van de film besluiten we tevreden dat de strijd die de hoofdpersoon moest leveren, het 100 procent waard was. Heimelijk projecteren we deze conclusie op onze eigen levens: jazeker hebben we 99 problemen, maar uiteindelijk zal onze strijd het waard zijn. Het probleem daarbij is dat juist omdát we ons onbewust de hopeloosheid van het leven in een lichaam wel beseffen, wij voortdurend op zoek zijn naar bevestiging van het nut van onze eigen strijd, steeds weer… en dus blijven we films kijken.

De rage van computerspellen komt eigenlijk op hetzelfde neer. We kennen allemaal de alarmerende verhalen over tieners die uur na uur onafgebroken ‘gamen‘, zonder te eten, te drinken of te bewegen, wat ongetwijfeld bijdraagt aan de huidige epidemie van hersengerelateerde stoornissen. Vooral de meest agressieve vecht- en oorlogsspellen zijn immens populair. Waarom? Omdat ik de held ben! Zo bevestig ik naar mijn ego toe dat het mij tegen een wrede wereld is, waartegen ik mezelf ten koste van alles moet verdedigen. Als ik me dus via het computerspel kan voorstellen dat ik machtig genoeg ben om in deze hel te overleven — of die zelfs te overwinnen en zo volledig almachtig te zijn — heb ik weer een manier gevonden om te vergeten dat ik mezelf onderhuids enorm onzeker, eenzaam en steeds angstig voel. Games zijn dus een welkome afleiding om, nogmaals, de hopeloosheid van het leven in een lichaam te kunnen vergeten. Ik kan mezelf vrolijk vertellen dat ik de held ben die nu misschien met het leven worstelt, maar uiteindelijk zal triomferen. Hoe tragisch!

Feitelijk hebben we helemaal geen bioscopen of computerspellen nodig om deze illusie in stand te houden. Onze welbekende nachtelijke dromen dienen dit doel net zo goed. Terwijl we dromen zien we onszelf als de hoofdpersoon van de droomwereld, waarin de meest bizarre dingen lijken te gebeuren zonder dat we ons daarover ook maar enigszins verbazen. Het mogen ekstatische of angstige dromen zijn, maar in beide gevallen draait de droom om de individuele persoonlijkheid die ik mijn zelf noem. Sigmund Freud stelde dat dromen een uitdrukking van onbewuste verlangens zijn. En dus zien we in onze dromen, net als in de film, een mogelijkheid om de machtige held te zijn in een bevreemdende wereld waar de meest onverwachte dingen kunnen gebeuren. Zoals we lezen in Een cursus in wonderen: “Dromen […] zijn het beste voorbeeld dat je kunt krijgen van de manier waarop waarneming kan worden aangewend om de waarheid door illusies te vervangen. Je neemt ze niet ernstig wanneer je wakker wordt, omdat het feit dat de werkelijkheid zo grof geweld is aangedaan, nu overduidelijk is. […] Dromen laten jou zien dat je de macht hebt een wereld te maken zoals jij die graag wilt, en dat je die ziet omdat je die verlangt. En terwijl je die ziet twijfel je er niet aan dat ze werkelijk is. […] Je lijkt te ontwaken, en de droom is verdwenen.” (T-18.II.2;5).

Het ontluisterende aan Een cursus in wonderen is dat Jezus ons vertelt dat wat wij normaliter als onze dagelijkse realiteit beschouwen, net zo goed een dwaze droom is als wat wij in onze nachtelijke dromen beleven. Jezus vertelt mij dat wanneer ik ’s ochtends wakker word, ik niet de realiteit zie… ik ontwaak in de ‘droomwereld’ van tijd, ruimte, en waarneming. Zoals Jezus overduidelijk stelt: “Waartoe jij lijkt te ontwaken is niets dan een andere vorm van diezelfde wereld die jij ziet in je droom. Al jouw tijd wordt doorgebracht met dromen. Je slaapdromen en je waakdromen hebben verschillende vormen, meer niet.” (T-18.II.5:11-13). Als we hier serieus over nadenken heeft dit dermate ongelooflijke consequenties, dat we het simpelweg niet aanvaarden.

In zijn Cursus is Jezus zich volkomen bewust van onze alleszins begrijpelijke ontkenning, en dus geeft hij ons vele passages waarin hij dit met groot geduld verder uitlegt aan onze koppige denkgeesten. Bijvoorbeeld in (T3.VII.4): “Je kunt jezelf zien als iemand die zichzelf schept, maar je kunt niet meer doen dan dat geloven. Je kunt het niet waar maken. […] De overtuiging dat je dit wel kunt is de hoeksteen van jouw denksysteem. […] Je gelooft nog steeds dat je een beeld bent van eigen makelij.” En ook, uit (T20.III.4): “Bevalt jou wat jij hebt gemaakt? Een wereld van moord en aanval, waardoorheen jij je schuchter een weg baant door constante gevaren, alleen en angstig, hopend dat de dood in het beste geval nog een poosje wachten zal alvorens hij jou overvalt en jij verdwijnt. Jij hebt dit verzonnen. Het is een beeld van wat je denkt dat jij bent, van hoe jij jezelf ziet.”

Deze boodschap over de illusoire droom-aard van wat we gewoonlijk als onze realiteit beschouwen, kan voor ons pas enige betekenis krijgen als we serieus kijken naar de metafysische noties van dualiteit en nondualiteit. Een cursus in wonderen is een strikt nondualistische spiritualiteit, zonder compromis. De voor het ego hoogst frustrerende inleiding begint met de woorden: “Niets werkelijks kan bedreigd worden. Niets onwerkelijks bestaat. Hierin ligt de vrede van God.” Wat Een cursus in wonderen betreft is alles onwaar wat niet liefde is, inclusief het nietig dwaas idee van de afscheiding van God, dat leek te resulteren in een materieel universum met daarin de planeet Aarde. In het Handboek voor Leraren lezen we het volgende over de afscheiding: “In de tijd gebeurde dit heel lang geleden. In werkelijkheid is het helemaal nooit gebeurd.” (H2.2). Net zoals onze nachtelijke dromen, is dit universum en deze wereld helemaal nooit gebeurd! De Hemel, het nonduale Koninkrijk van God, weet er helemaal niets van. “Niet één noot in het lied van de Hemel werd gemist.” (T26.V.5). Uiteraard niet, omdat de Hemel geen tijd en ruimte kent.

Toch geloven jij en ik nog steeds dat we in tijd en ruimte bestaan, zelfs als we de illusoire aard ervan intellectueel kunnen beginnen te aanvaarden. Het feit dat ik deze blog schreef en dat jij die nu leest, betekent dat jij en ik nog steeds ervoor kiezen te geloven dat we in tijd en ruimte leven, en dus blijven slapen in wat we kunnen beschouwen als onze ‘wakende droom’. Jezus, nogmaals, ontmaskert deze illusie, in een uiterst vriendelijk tempo, zodat we meer dan voldoende tijd hebben om het op ons in te laten werken, zonder dat we iets hoeven op te geven wat we nog koesteren. En toch, om blijvende innerlijke vrede te vinden, zullen we uiteindelijk volmondig moeten accepteren dat wij nog steeds voor de dood kiezen, koppig volhoudend dat wat God voor ons wil nooit zal gebeuren, maar dat die koppigheid ons niet gelukkig gaat maken, omdat we blijven geloven dat we zijn wie we niet zijn. “Kun jij die jezelf als een lichaam ziet jezelf kennen als een idee?” (T18.VIII.1:5). “Wat jij ‘leven’ hebt gegeven leeft niet, en symboliseert slechts je wens om los van het Leven te leven, levend in de dood, waarbij de dood als leven wordt gezien, en Leven als de dood.” (T29.II.6:2). Deze aanvankelijk raadselachtige zinnen krijgen pas betekenis zodra we kunnen aanvaarden dat ‘dood’ alles omvat wat niet de liefde van God is of weerspiegelt; ‘Leven’ staat voor het eeuwige onveranderlijke Leven buiten tijd en ruimte.

Een mooie samenvatting van deze verbijsterende notie zien we in werkboekles 167: “Wat het tegendeel van leven schijnt, is alleen in slaap. Wanneer de denkgeest besluit te zijn wat hij niet is, en verkiest een vreemde macht aan te nemen die hij niet heeft, een oneigen toestand waartoe hij niet komen kan, of een kunstmatige gesteldheid die binnen zijn Bron niet bestaat, lijkt hij slechts een poosje te gaan slapen. Hij droomt van de tijd; een interval waarin wat schijnt te gebeuren nooit heeft plaatsgevonden; de teweeggebrachte veranderen geen substantie hebben en alle gebeurtenissen nergens zijn. Wanneer de denkgeest ontwaakt, gaat hij slechts voort zoals hij altijd is geweest.” (Wd1.167.9). Gelukkig hoeven wij niet bang te zijn voor deze droom, omdat “…ideeën verenigd blijven met hun bron. Ze kunnen alles uitbreiden wat hun bron bevat. […] Maar ze kunnen niet het leven schenken aan wat hun nooit gegeven werd.” (Wd1.167.5). En ook, in dezelfde belangrijke les: “De denkgeest kan denken dat hij slaapt, maar dat is alles. […] Wat lijkt te sterven is slechts het teken van de denkgeest in slaap. […] Maar denkgeest is denkgeest, wakker of slapend.” (Wd1.167.6)

Een cursus in wonderen is een leerplan voor het trainen van de denkgeest. Hij leert ons om deze dwaze droom te bezien, die eerlijk en juist te evalueren, en ook — en dat is het mooiste — te leren hoe we de enige beslissing kunnen nemen die ons werkelijk gelukkig zal maken: het aanvaarden van de Verzoening en van onze rol als gelukkige leerling, een Leraar van God, rustig en kalm in de werkelijke wereld, omringd door Gods Genade. “Dit is de gave waarmee God Zich naar ons toebuigt en ons opheft, waarbij Hij Zelf de laatste stap van de verlossing zet.” (Wd1.168.3: 2). Dit is overigens metaforisch bedoeld, omdat God niets doet; het is Jezus’ poëtische manier om ons besluit te verbeelden om weer voor God te kiezen. Dus hoe zouden we dit proces van langzaam ontwaken goed kunnen aanpakken?

Het essentiële ingrediënt in dit ontwaken heet vergeving, maar niet vergeving zoals de wereld dit gewoonlijk ziet. Ware vergeving betekent het vragen om hulp aan de Heilige Geest om te leren te stoppen met zowat alles te veroordelen wat ik om me heen zie. Dit kan ik doen door naar alle verwoesting in mijn denkgeest te kijken, boven het slagveld. Wauw, alles wat buiten mij lijkt te zijn, zit in de denkgeest! De droomwereld dus ook. Met andere woorden: samen met de Heilige Geest kan ik leren om naar deze droomwereld te kijken, zonder gehechtheid, zonder verdediging. Vervolgens kan ik beseffen, zonder oordeel, dat ik, als holografisch deel van de Zoon van God, opzettelijk voor deze droom heb gekozen, en dat dit zo niet hoeft te zijn. Zie jezelf eens (zoals Kenneth Wapnick herhaaldelijk beschreef) in de bioscoop zitten met Jezus naast je, als manifestatie van de Heilige Geest, kijkend naar de film die we onze aardse wereld noemen. Identificeer je niet met de spelers zoals je normaliter in een film doet… kijk alleen. Als je aandachtig genoeg kijkt, doet Jezus je realiseren dat je niet kijkt naar een hoop versplinterde fragmentjes in een dwaze dans op het witte doek; het is Christus, de ene Zoon van God, die slechts afgescheiden lijkt te zijn, en droomt van verbanning in een verdorde woestijn. Zodra je dit beeld werkelijk vergeeft (dus je eigen ‘onjuist gericht denken’ vergeeft), vervaagt het.

Nogmaals, omdat jij en ik dit zitten te lezen, zijn we in de tijd gezien nog niet zover, maar dat geeft niet. Laat je niet meeslepen in het voortdurende ego-gejammer om je er schuldig over te voelen. Blijf de Heilige Geest om hulp vragen, en vergeef jezelf nogmaals voor weer een stukje veroordeling in je denkgeest over iets in de droom. Jij en ik zullen niet onverwacht de Hemel in worden geslingerd; we ontwaken pas wanneer we zeker weten dat we er klaar voor zijn, en niets anders meer willen. En dit blijde besef zal in de tijd gegarandeerd tot elke denkgeest komen. Vergeet de tragische held van de droom, en kies ervoor een gelukkige leerling te worden.

— Jan-Willem van Aalst, november 2016  (vertaling van https://miraclesormurder.wordpress.com/2016/11/05/the-tragic-hero/)

Advertenties

Wat je zaait zul je oogsten

In deze zintuiglijke wereld waarin we leven, liefhebben en leren, lijken we te verliezen wat we weggeven. Als ik jou bijvoorbeeld een boek geef, dan heb ik het niet meer. Als jij mij een boek geeft, heb jij het niet meer. Velen van ons meten het succes in ons leven af aan hoeveel materiële welvaart we bij elkaar kunnen harken. En hoe meer ik heb, hoe minder er voor anderen is. We kennen allemaal de berichtgeving over de groeiende kloof tussen rijk en arm. De wereld wordt zo een venijnig oord waarin we grijpen wat we kunnen pakken, om vooral maar niet te eindigen in de categorie “verliezers” die we heimelijk verachten, of in elk geval wegkijkend negeren.

Echter, meer materiële welvaart betekent niet automatisch meer veiligheid, laat staan meer innerlijke vrede. Veel zeer rijke mensen zijn voortdurend angstig om beroofd te worden van wat ze hebben vergaard. Sommigen zijn zelfs bang om vermoord te worden om hun welvaart. Het merendeel van de mensen klampt zich angstvallig vast aan het beetje dat ze hebben, in de hoop dat een catastrofe ze bespaard blijft voordat het lichtje van hun kaars uitdooft. Dit mag nogal pessimistisch klinken. Je zult misschien zeggen dat jij jezelf niet in dit plaatje herkent. Toch, als je werkelijk ruw uit je ‘comfortzone’ wordt getrokken, bijvoorbeeld na een catastrofale overstroming, wordt de conditionering van “ik heb wat ik ten koste van een ander heb kunnen krijgen” pijnlijk duidelijk.

Hoe volkomen anders is het principe van geven en ontvangen vanuit het oogpunt van Een cursus in wonderen! Als het om deze materiële wereld van tijd en ruimte gaat, ontkent Jezus niet dat ik verlies wat ik weggeef. Maar de psychologische wereld van de denkgeest volgt heel andere wetten. Vanuit de kerngedachte “ideeën verlaten niet hun bron” (bijv. T26.VII.4:7), zien we dat elke gedachte (elk idee) dat jij uit, de denkgeest van de ander onderwijst, en ook die van jezelf. Als ik bijvoorbeeld liefde naar jou uit, dan onderwijs ik jou over liefde, en onderwijs ik mijn eigen denkgeest daar op dat moment ook over, als de primaire focus van dat moment. Als ik jou daarentegen vanuit boosheid aanval over iets wat jij deed (of juist naliet), onderwijs ik jou over haat en aanval, en mijn eigen denkgeest ook. Wat wij ons gewoonlijk niet realiseren is dat telkens als we boos worden, onze hersenen allerlei negatieve chemicaliën (zoals cortisol) in onze bloedbaan pompen; daarom betekent een verbale aanval ook altijd een aanval op ons eigen fysieke lijf. (Dit is een vaak niet-herkende oorzaak van de eerste stadia van ziekte.)

Daarom leert Jezus ons in Een cursus in wonderen dat de universele wet van de kosmos is dat ik zal oogsten wat ik zaai. Als ik aanval, val ik mezelf aan. Letterlijk, zowel mentaal in mijn denkgeest als fysiek in mijn bloedbaan. Om het nog erger te maken: mijn aanval wordt een uitnodiging aan jou, als ‘slachtoffer’, om mij ook aan te vallen, als “begrijpelijke zelfverdediging” (Wd1.153.2). Ik zaai aanval — ik oogst aanval. Jij zaait aanval — jij oogst aanval. Dit is de tragische hartslag van het materiële universum sinds de oerknal. Een zorgvuldige blik op de lange geschiedenis van oorlogen van de mensheid doet je beseffen dat dit zo is. Een cursus in wonderen vertelt ons dat dit een methode van het ego is om onze denkgeest steeds zodanig effectief af te leiden dat we nooit naar binnen zullen kijken en ons realiseren dat dit zo niet hoeft te zijn (T4.IV.1).

Omdat we in deze wereld op elk moment kiezen tussen onjuist gericht denken (ego) en juist gericht denken (liefde) hebben we altijd de mogelijkheid om een andere gids voor onze gedachten te kiezen. En de universele wet Wat je zaait zul je oogsten geldt altijd. Dus als ik liefde uit, versterk ik dat in mezelf. Niet alleen mentaal, maar ook fysiek, omdat mijn hersenen in dat geval ‘positieve’ chemicaliën produceren zoals melatonine, serotonine en dopamine, die weer het natuurlijke herstelproces van het lichaam ondersteunen. Tegelijkertijd is mijn uiting van liefde een uitnodiging aan jou om die boodschap te omarmen en in jezelf te versterken. Mocht je dus vinden dat jij nooit de liefde hebt gehad die je verdient, leer dan de geweldige les dat jij die liefde nooit zult krijgen door die van een ander te eisen; je zult liefde ontvangen door liefdevol te zijn. Iedereen dit dit oprecht heeft geprobeerd, dat wil zeggen, zonder vooropgezette eisen aan de uitkomst, heeft ervaren dat dit werkt. Zoals je liefde zaait zul je liefde oogsten.

Dit zou een enorm schuldgevoel kunnen wakker maken. Want ja, als je jouw plusminus 50.000 gedachten per dag goed bekijkt, zul je merken dat die meestal niet over liefde gaan: ze gaan over zorgen, angsten, twijfels, oordelen, of simpelweg ergernis of depressie. Dus als we ons beseffen dat de universele wet altijd werkt, waarom kiezen we dan niet voortdurend voor louter liefde? Het mooie aan Een cursus in wonderen is dat het ons geduldig uitlegt waarom we de universele wet zo negatief toepassen, dat wil zeggen: aanval zaaien en aanval oogsten; angst zaaien en angst oogsten. Zolang we de voorkeur geven aan het ego als de gids van onze gedachten, is aanval vanuit angst onvermijdelijk, omdat het ego voortkwam uit aanval, dat wil zeggen de wens om afgescheiden te zijn van God. Via ontkenning en projectie vergeten we die oorspronkelijke aanval. En om er zeker van te zijn dat we dit blijven vergeten, richt het ego zich steeds op het aanpakken van problemen en dreigingen om ons heen, en op aanval en verdediging. Zo zal er nooit vrede zijn — niet in de wereld, en niet in je denkgeest.

Vanuit het oogpunt van Een cursus in wonderen is de enige echte uitweg uit deze hel het besef en de aanvaarding dat tijd en ruimte niet werkelijk bestaan; dat onze waarneming ons steeds misleidt, en dat jij en ik geen lichamen zijn, maar louter geest, geschapen als liefde door Liefde, en dat al deze ellende er niet hoeft te zijn. Iedere psychotherapie die geen kraakhelder antwoord kan geven op de kernvragen “Wat ben ik?” en “Wat is het doel van het leven?” blijft onvermijdelijk in het ego-raamwerk, en levert op z’n best slechts tijdelijke verlichting van pijn. Ik ben puur geest, en het doel van mijn leven is om mijzelf te vergeven voor al mijn veroordelende gedachten, en een betere manier te kiezen, met een betere gids. Zo wordt duidelijk waarom Jezus ons in zijn Cursus zo vaak vraagt om waakzaam te zijn op de gedachten die we kiezen. Misschien ken je deze quote uit het tekstboek: “Je bent veel te tolerant tegenover het afdwalen van je denkgeest, en je vergoelijkt stilzwijgend de miscreaties ervan.” (T2.VI.4:6). “Miscreaties” zijn aanvalsgedachten. Dit doen we omdat we ons krampachtig vastklampen aan het ego, omdat we denken dat deze speciale individualiteit alles is wat we hebben, en dat het loslaten daarvan betekent dat we zullen verdwijnen.

Als je jezelf toestaat daarover schuldig te voelen, dan vertel je jezelf eigenlijk dat jij machteloos bent tegenover de macht van het ego. Gelukkig vertelt Jezus ons ook dat deze totale omkering van de denkgeest niet in een wip kan plaatsvinden; dit is een langzaam proces dat vertrouwen, geduld en bereidheid vergt (grote bereidheid) om steeds je gedachten te bemerken, en steeds de Heilige Geest als betere gids te kiezen. Val jezelf nooit aan, telkens als je merkt dat je struikelt in die pogingen, omdat je dan aanval zaait en dus aanval zult oogsten. Juist het ‘zaaien’ van aanvaarding van waar jij nu staat in jouw leerproces als Jezus’ leerling en jongere broeder, zal aanvaarding ‘oogsten’ van de Verzoening in je denkgeest. Blijvende innerlijke vrede is jou gegeven als je blijft oefenen met het zaaien van liefde volgens de universele wet, in vertrouwen en eerlijkheid en met groot geduld. Veel vreugde en vrede gewenst met het oefenen!

— Jan-Willem van Aalst, oktober 2016

Betekenis geven aan je leven

Recent hoorde ik dat een collega bij één van de ondernemingen die ik help, zelfmoord had gepleegd. Hij was pas met pensioen gegaan en had besloten ‘uit het leven te stappen’, zoals het gezegde gaat. Dit was een onverwachte schok voor iedereen die met hem had samengewerkt. Hij was zijn hele leven vrijgezel gebleven en liet dus geen vrouw of kinderen achter, maar hij was altijd heel actief geweest in sociale activiteiten. Blijkbaar was hij tot de conclusie gekomen dat ‘verder leven’ pijnlijker zou zijn dan er simpelweg mee te stoppen. Wat drijft iemand om te menen dat het leven te weinig zin heeft om hier nog langer te blijven?

In Een cursus in wonderen lezen we dat iedereen “onzeker, eenzaam, en in constante angst door de wereld dwaalt” (T31.VIII.7:1). En ja, dat geldt dus ook voor jou en mij. Deze ‘staat van zijn’ komt voort uit de oorspronkelijke wens om los van God te kunnen bestaan, in een nachtmerrie-achtige droom die we de ego-gedachte noemen. In die droom lijken we allemaal op onszelf te zijn. Via de psychologische mechanismen van ontkenning en projectie vergeten we graag dat we dit gedaan leken te hebben. We overtuigden onszelf ervan dat de oorzaak van al onze diepgevoelde eenzaamheid, ellende en hopeloosheid in elk geval niets te maken heeft met onze schuld over die afscheidingskeuze. Nee, iemand anders is daarvoor verantwoordelijk! En ik ben daar een weerloos slachtoffer van. En zo zie ik mezelf als een afgescheiden lichaam; onzeker, eenzaam en in voortdurende angst. Omdat we dit veel te pijnlijk vinden om onder ogen te zien, bedekken we dit met een dun laagje schijnbaar geluk en ‘betekenisvolle’ bezigheden. Jij en ik zijn enorm goed in het voortdurend afleiden van onze denkgeest. Zodra je die afleidingen doorziet, en jezelf realiseert dat deze wereld een façade is waarin uiteindelijk niets werkt, dat de fysieke dood onvermijdelijk is en dat alles uiteindelijk voor niets zal zijn geweest, zou je misschien concluderen dat nog meer tijd doorbrengen in deze ‘droge, stoffige wereld’ (WdII.13.5:1) erger is dan er gewoon een eind aan te maken.

De enige uitweg uit deze depressie is om geluk niet in de wereld te zoeken, maar in je eigen denkgeest. “Zoek niet buiten jezelf. Want dat is tot mislukken gedoemd, en je zult tranen storten elke keer dat een afgod valt.” (T29.VIII.1:1). Dit is zo omdat ‘buiten jezelf zoeken’ neerkomt op een poging jezelf ervan te overtuigen dat het ego werkelijkheid is, dat de afscheiding van God inderdaad heeft plaatsgevonden, en dat het als afgescheiden individu mogelijk is om geluk te vinden; kortom, dat je echt gelukkig kunt zijn los van God. Ik kan duizend afgoden proberen om geluk te vinden: geld; speciale liefdesrelaties; bezit; eten; auto’s; hobby’s, noem maar op — en toch komt dat altijd weer neer op “zoek, maar vind niet” (WdI.71.4). De unieke bijdrage van Een cursus in wonderen als spiritualiteit is dat hij ons helder uitlegt hoe het ego, oftewel het idee van aanval en afscheiding, ons voortdurend doet blijven richten op angst, woede en depressie, als beste bewijs dat de afscheiding van eenheid (liefde, vreugde, vrede) daadwerkelijk is gelukt! Pas als ik dat kan beginnen te aanvaarden, kan ik op zoek gaan naar geluk in de denkgeest, in plaats van in de wereld.

Veel studenten hebben deze boodschap over het trainen van de denkgeest geïnterpreteerd als een oproep om de wereld de rug toe te keren, en er zeker niet actief in bezig te zijn, omdat het toch allemaal illusie is. Dit kan uiteindelijk tot ascetisme leiden: je terugtrekken in een berggrot. Maar dit is beslist niet wat Jezus ons aanraadt. In de Bhagavad Gita, de oeroude nondualistische parel van de Vedische geschriften, adviseert Krishna aan Arjuna om “zeer actief in de wereld te zijn… maar vanuit de kern in jezelf.” (Jezus zou zeggen: “…vanuit je Identiteit als Christus.”). En Christus bevecht het ego niet; Hij ziet het ego niet eens. Geluk proberen te vinden door het ego te onderdrukken of te bevechten garandeert slechts dat, hoewel onbewust, mijn aandacht steeds bij het ego blijft. Kenneth Wapnick zou zeggen dat we daarmee wederom “de vergissing van de afscheiding tot werkelijkheid maken.”

Je realiseren dat de wereld een illusie is opent de mogelijkheid om naar de wereld te kijken, en die te ervaren van boven het slagveld, als een lesruimte om ware vergeving te leren. In die lesruimte is alles wat mij lijkt te overkomen louter een “les in Liefde” die de Heilige Geest mij graag aanbiedt. Iedere situatie en relatie is een kans om “aanval zonder aanval tegemoet te treden” (P2.IV.10), wat mijn eigen verantwoordelijkheid is. Dat principe succesvol van dag tot dag toepassen is het wonder. Jij en ik hebben in onze denkgeest de keuze tot onze beschikking om de wereld te zien als zinnige lesruimte, waarin we onszelf leren een liefdevolle “leraar van God” te zijn, en zo de Liefde van God hier te weerspiegelen. Zo herinneren we andere onzekere, eenzame, en voortdurend angstige zielen waarmee we dagelijks leven en werken eraan dat ook zij deze keuze kunnen maken.

Misschien klinkt dit alles nogal abstract en theoretisch. In het dagelijks leven is dit heus niet zo makkelijk, omdat we zo grondig geconditioneerd zijn vanuit ons verleden. De Cursus mag ons er honderd keer aan herinneren dat het enige dat waar is aan het verleden, is dat het voorbij is… maar onze meeste gedachten gaan toch over het verleden en hoe we daar onze toekomst mee kunnen zekerstellen. Dit zijn slechts ego-afleidingen met als enig doel om onze denkgeest weg te houden uit het nu, de enige tijd die er werkelijk is (W-pI.164.1). Maar iedere ijverige cursusstudent wordt zich vroeg of laat gewaar van de enorme weerstand die Jezus’ lessen oproept, omdat dit de leugen ontmaskert van het ego waarmee we ons identificeren; de leugen van tijd en ruimte, en van bewustzijn en perceptie. En dus ziet het er niet naar uit dat het doorgronden van de metafysica van nondualiteit gegarandeerd tot blijvende innerlijke vrede zal leiden.

Dit zou kunnen leiden tot zelfmoordgedachten. Maar “Er is een risico aan verbonden te denken dat de dood vrede betekent”, zo waarschuwt Jezus ons (T27.VII.10:2). Als ik zelfmoord overweeg, heb ik allereerst deze wereld geëvalueerd als heel echt, en mijzelf bestempeld als weerloos slachtoffer daarvan. Het beëindigen van mijn fysieke leven brengt me dus niet echt dichter bij het aanvaarden van de Verzoening — integendeel, ik zorg er slechts voor dat ik nóg een extra leven nodig heb om de Liefdeslessen van de Heilige Geest te leren. Vanuit het oogpunt van Een cursus in wonderen is zelfmoord dus niet anders dan een tragische vertraging en een onnodige omweg op onze Reis naar Huis. Maar ja, om waarheden te aanvaarden zoals “Er is geen wereld!” (Wd1.132.6:2); “Tijd is een kunstgreep, een goocheltoer, een immense illusie” (Wd1.158.4), en “Ik ben geen lichaam. Ik ben vrij. Want ik blijf wat ik ben, zo Schiep God mij.” (Wp1.201), zullen we toch iets moeten begrijpen van de metafysische grondslag van dualiteit en nondualieit. Voor onze lineair geprogrammeerde hersenen is dat nou eenmaal erg moeilijk.

Als je het lastig vindt om de metafysica van de Cursus in je leven te integreren, zouden de eerdergenoemde Vedische werken misschien kunnen helpen. In deze filosofie, die net als de Cursus uitgaat van nondualiteit, lezen we over het concept “Dharma”. Woorden in het Sanskriet zijn vaak moeilijk om exact te vertalen, maar Dharma komt neer op “het volledig benutten van al wat jou in dit aardse leven gegeven is, om jezelf en anderen gelukkig te maken.” Dit idee werkt ongeveer als volgt: iedereen heeft in dit leven talent, vaak meer dan één. Jij kunt iets beter dan wie ook ter wereld! Hoewel het lijkt alsof sommige mensen meer talent hebben dan anderen, betekent dat eigenlijk dat mensen hun eigen specifieke talenten nog niet hebben ontdekt. Jouw talenten werden jou meegegeven bij je geboorte, met het doel jezelf en anderen gelukkig te maken. Dit doe je niet door je unieke speciaalheid te benadrukken, maar door te onderwijzen (door je talenten in te zetten) dat al het leven één gezamenlijk doel heeft: het (her)vinden van liefde, vreugde en innerlijke vrede. Dat talenten zich in deze wereld in veel verschillende vormen uiten, is daarbij irrelevant. Door je talenten goed te gebruiken (vanuit juist gericht denken), leidt dit altijd tot liefde, vreugde en vrede. En dat is inhoud, niet vorm.

Dus als je nog eens merkt dat je aan zelfmoord denkt, of iemand kent die daarover denkt, overweeg dan eens de notie van Dharma. Ben jij je bewust van je eigen specifieke talenten? De meesten van ons zijn er nog niet echt duidelijk naar op zoek gegaan. Het begint met het besef dat jij weet dat er iets is dat jij beter kunt dan wie ook ter wereld. Ga daar naar op zoek, door mindful te mediteren op wat jij het liefste doet, of heel warm van wordt. Ga dat dan ontwikkelen, en gebruik dat van dag tot dag om te onderwijzen (en zelf te ervaren) dat wat wij met elkaar gemeen hebben, als gezamenlijke Zoon van God, veel krachtiger is dan al die kleine strijdende egootjes die ons onzeker, eenzaam en in voortdurende angst houden. Probeer dit echter niet alleen op jezelf. “Vertrouw niet op je goede voornemens; die zijn niet genoeg.” (T18.IV.2:1). Maar samen met de Heilige Geest, de Stem namens Liefde, hebben jij en ik “de lamp die de duisternis zal verdrijven” (T11.V.1:3).

In de praktijk komt dit neer op het leren luisteren naar je intuïtie (de Stem van de Heilige Geest) en de moed bijeen te schrapen om deze Stem, die je werkelijk wilt horen, ook echt te volgen. Deze Stem roept je altijd op om je natuurlijke rol als Leraar van God te leven, en zo een lichtend voorbeeld te zijn van de weerspiegeling van Gods Liefde. En dankzij jouw unieke talenten bespaar jij jezelf én anderen gegarandeerd een hoop onnodig lijden. Vanuit Dharma bekeken wordt het idee van zelfmoord volstrekt zonder enige waarde. Vanuit Dharma bekeken besef je dat de echte betekenis van het leven ligt in ware vergeving van onze zotte notie van aanval en afscheiding.  Het gaat uiteindelijk om onze eigen keuze om alle veroordeling voorgoed achter ons te laten.

— Jan-Willem van Aalst, oktober 2016

 

Woede uiten

De afgelopen acht jaar ben ik allerlei energetische “opschoningsprogramma”s” tegengekomen die beweren allerlei blokkades in de denkgeest te kunnen oplossen. Door de bank genomen gebeurt dit door uitlaatkleppen te faciliteren voor negatieve energieën. Het algemene idee is dat door tijdelijk de emotionele terughoudendheid die de samenleving nu eenmaal vereist los te laten, de denkgeest eindelijk in staat wordt gesteld om zich te bevrijden van “verstrikkingen” (conditioneringen) die misschien vroeger nodig waren om te overleven, maar ons nu alleen maar hinderen. Dat is nog wat anders dan bijvoorbeeld Janos’ Oerschreeuw therapie die in de jaren zeventig en tachtig populair was, waarin je min of meer alle onderdrukte pijn van kindertrauma’s eruit schreeuwt, of Alexander Lowens’ bio-energetica, waarin je fysiek je trauma eruit trapt en slaat. Modernere varianten hiervan richten zich meer op het energetische lichaam, waaronder de chakra’s en de meridianen, als aanvulling op actief lichaamswerk. In het geval van Ayahuasca (uit Zuid-Amerika), komt er zelfs een vloeistof bij kijken die de emotionele terughoudendheid automatisch uitschakelt, wat het proces van loslaten weer ondersteunt. De woede die daarmee vrijkomt is doorgaans behoorlijk indrukwekkend.

Wat mij opvalt als ik “patiënten” dergelijke therapieën zie doen, is dat hoewel ze zeker een geweldige emotionele bevrijding ervaren, het effect vrijwel nooit langer duurt dan een paar maanden. Steeds opnieuw zie ik deze mensen een volgende “energie-intensieve healing therapie” proberen. Steeds opnieuw vertellen ze over een ervaring die zo fantastisch is dat ze zich compleet herboren voelen. Fysieke en emotionele energieën worden weer in balans gebracht of juist geactiveerd. Totdat ze enkele maanden later ontdekken dat er “een volgende laag” in beeld komt die wederom roept om energetische opschoning. Het lijkt nooit te stoppen. Wat is hier aan de hand?

Een cursus in wonderen onderwijst ons dat de oorsprong van pijn altijd in de denkgeest zit, en alléén daar. We ervaren pijn in het lichaam als iets dat fysiek zeer doet, of als disbalans in energie (dat wil zeggen: negatieve emotie, wat beweging van energie is); maar in alle gevallen volgt het lichaam simpelweg de orders van de denkgeest, als een marionet aan touwtjes. Het lichaam is een effect van de denkgeest. Jezus onderwijst ons als volgt: “Wil je vrede, onderwijs dan vrede om vrede te leren.” (T6.V.B). Maar waar is de vrede in de hierboven genoemde therapieën? Hoewel de focus van de denkgeest lijkt te liggen op het opschonen van innerlijke negativiteit, is het woede wat uit het lichaam komt, en het lichaam is een effect van de denkgeest. Dat betekent dat, in elk geval op dat moment, de denkgeest zich richt op woede. Omdat wij altijd leren wat we zelf onderwijzen (leren en onderwijzen zijn hetzelfde, HvL-in.1), instrueert de denkgeest zichzelf in essentie over woede. Dit garandeert dat de disbalans niet werkelijk opgelost zal worden, wat het ego natuurlijk goed van pas komt.

Jezus zou toelichten dat iedere therapie die zich niet eerst en vooral duidelijk richt op een helder antwoord op de vragen: “Wat ben ik?”, en “Wat is het doel van mijn leven?”, vroeg of laat uiteindelijk zal falen. Uiteraard leidt niet één van de bovengenoemde therapieën tot werkelijk blijvende genezing, omdat ze geworteld zijn en blijven in dualisme. Ze mogen misschien onze perceptie (interpretatie) ter sprake brengen en in twijfel trekken, zoals de Cursus ook vaak doet, maar ze twijfelen nooit echt aan de werkelijkheid van tijd en ruimte. Deze therapieën richten zich niet op de fundamentele metafysica van de realiteit. Hun doel mag in lijn zijn met dat van de Cursus (dat wil zeggen, blijvende innerlijke vrede vinden), maar het je voortdurend richten op het uiten van woede om energetisch en emotioneel op te schonen klinkt niet echt als een overtuigend pad naar een denkstaat van blijvende innerlijke vrede.

Het mag hier opgemerkt worden dat Een cursus in wonderen ons niet vraagt om onze emotionele blokkades en onderdrukte pijn uit de kindertijd te negeren. De Cursus vraagt ons niet om dagelijks affirmaties te prevelen zoals “Er bestaat geen pijn, er bestaat geen pijn, er bestaat geen pijn!”. Integendeel, de Cursus gaat voor een belangrijk deel over het kijken naar pijn — behalve dan dat waar we de bron van pijn zoeken, anders is dan in veel moderne therapieën. Nogmaals, pijn is van de denkgeest. Psychische en emotionele blokkades manifesteren zich allereerst in gedachten. Via onze hersenen uiten deze blokkades zich als emoties, die gepaard gaan met fysieke ongemakken en pijn. Maar voor echte opschoning zouden we altijd in de denkgeest moeten beginnen.

Daarom is het zo belangrijk om te begrijpen dat telkens als Jezus ons vraagt om voortdurend naar de denkgeest te kijken, en alert te zijn op elke gedachte die woede oproept (zie bijv. T2.VI.5), hij ons aanspreekt als keuzemaker. Alléén door bewust te kiezen voor juist gericht denken kunnen we “boven het slagveld” (T23.IV.1) naar onze onderdrukte pijn kijken, zonder oordeel. We ontkennen niet wat we in de denkgeest “zien”; we negeren het niet; we leven het ook niet uit (dat zou alleen maar het ego voeden)… we kijken slechts. Jezus vertelt ons in zijn Cursus dat hij alle vergissingen in onze denkgeest kan corrigeren die het licht verbergen (T5.IV.8), als we hem maar toelaten. Dit doen we door voor de Heilige Geest te kiezen, door ervoor te kiezen niet meer te veroordelen.

Een cursus in wonderen gaat hoofdzakelijk over het trainen van je denkgeest om alert te zijn op elke gedachte die niet louter vrede weerspiegelt, en vervolgens een andere keuze te maken. Nogmaals, niet door woede te negeren of uit te leven, maar door zo snel mogelijk Jezus’ helpende hand te kiezen in de denkgeest, en ons eenvoudigweg te vertellen: “Ik moet de verkeerde keuze hebben gemaakt, want ik ben niet in vrede. Ik heb die keuze zelf gemaakt, maar ik kan ook anders kiezen. Ik wil anders kiezen, omdat ik in vrede wil zijn. Ik voel me niet schuldig, want de Heilige Geest zal alle gevolgen van mijn verkeerde keuze ongedaan maken, als ik Hem laat begaan. Ik kies ervoor Hem te laten begaan, door toe te laten dat Hij voor mij voor God kiest.” (T5.VII.6).

Als je dus de onderdrukte pijn van je kindertrauma’s wilt opschonen met resultaten die blijvend zijn, richt je je dan niet primair op emoties of je fysieke lijf: leg je focus in plaats daarvan eerst op de denkgeest. Het klopt dat wij dergelijke pijn niet op eigen houtje kunnen helen (“Vertrouw niet op je goede voornemens. Die zijn niet genoeg”, T18.IV.2:1), maar samen met Jezus / de Heilige Geest hebben we de lamp die deze pijn voorgoed zal wegschijnen (T11.V.1:3). Het enige wat van ons gevraagd wordt is om waakzaam te zijn, van dag tot dag, van minuut tot minuut, voor gedachten die geen innerlijke vrede weerspiegelen. Dergelijke gedachten hebben we maar een paar miljoen keer per dag. Maar zie het zo: dergelijke momenten van gewaarwording zijn fantastische gelegenheden om weer voor liefde te kiezen (vergeving / niet meer veroordelen). En dan onderwijs jij je denkgeest vrede in plaats van woede, en alleen dat kan ware genezing genoemd worden.

Jan-Willem van Aalst, oktober 2016 

Van Heer naar oudere broeder

Voor veel mensen in de westerse wereld is de Bijbelse Jezus een ietwat problematische figuur. Enerzijds wordt hij voorgesteld als een redder, die ons van onze vroegere zonden bevrijd heeft. Dankzij Jezus, onze ware Heer, de alfa en de omega, hebben we opnieuw een kleine kans weer in de Hemel toegelaten te worden wanneer we dit aardse leven achter ons gelaten hebben, hoewel dat altijd nog afhangt van onze voortdurende bereidheid trouw te blijven aan Jezus’ leringen in de Bijbel. Aan de andere kant versterkt het feit dat Jezus gepresenteerd wordt als Gods enige Zoon – ons achterlatend als enkel ‘geadopteerde kinderen’ – onze onbewuste schuld over dat wij niets meer zijn dan beklagenswaardige zondaars, Gods liefde amper waardig.  De  overtreding van Gods gebod door Adam en Eva, wat symbool staat voor hoe de mensheid God afwees, is een bloedvlek die nimmer verwijderd kan worden. [H17.7:13]. Slechts door een leven vol lijden en boetedoening krijgen we een kans eeuwige bestraffing in het hiernamaals te ontgaan. Het resultaat: alleen al aan Jezus denken herinnert ons continu aan onze onbewuste schuld, en hoe waardeloos we zijn.

Hoe volstrekt anders presenteert Jezus zich in Een cursus in wonderen! Verdwenen zijn al die bijgeluiden die aan zijn verheven status refereren als ‘Heer’. Daarentegen stelt Jezus zich voor als onze liefhebbende oudere broeder, totaal gelijk aan ons in termen van waarde voor God. In de Verklaring van termen lezen we “De naam van Jezus is de naam van iemand die mens was, maar in al zijn broeders het gelaat van Christus zag, en zich God herinnerde. Zo werd hij met Christus vereenzelvigd, een mens niet langer, maar één met God. De mens was een illusie, want hij leek een afgescheiden wezen te zijn, op zichzelf staand, in een lichaam dat zijn zelf leek weg te houden van het Zelf, wat alle illusies doen. […] En Christus had zijn vorm nodig, opdat Hij aan de mensen kon verschijnen en hen van hun illusies kon verlossen. Door zijn volledige vereenzelviging met de Christus – de volmaakte Zoon van God, Zijn enige schepping en Zijn gelukzaligheid, voor eeuwig zoals Hij en één met Hem – werd Jezus wat jullie allen zijn. Hij ging jou voor, zodat je hem kunt volgen. […] Is hij de Christus? Jazeker, samen met jou” [VvT5.2:1-3,6;3:1-2;5:1-2].

Nogmaals, Jezus stelt zich aan ons voor als onze oudere broeder. Onze houding zou er daarom  niet een moeten zijn van ontzag, maar van broederlijk respect, aangezien we gelijken zijn. Zo vroeg als in hoofdstuk één van het tekstboek lezen we: “Er is niets aan mij wat jij niet kunt bereiken. Ik heb niets wat niet van God afkomstig is. Het huidige verschil tussen ons is dat ik niets ánders heb. Daardoor verkeer ik in een toestand die in jou potentieel aanwezig is.” [T1.II.3:10-13]. Hij is onze oudere broeder omdat hij de Hemel al voor honderd procent gekozen heeft, een keuze die wij nog steeds moeten maken: “Jij staat onder mij en ik sta onder God. In het proces van ‘opstijgen’ sta ik hoger, omdat zonder mij de afstand tussen God en mens voor jou te groot zou zijn om te omvatten. Ik overbrug die afstand, als een oudere broer voor jou enerzijds en anderzijds als een Zoon van God.” [T1.II.4:3-5].

Dit betekent nou ook weer niet dat zodra we daadwerkelijk naar de Hemel terugkeren, en daarbij een eind maken aan tijd, ruimte, waarneming, en al het overige in de dualiteit, dat we dan simpelweg door de Hemelpoort wandelen, Jezus begroetend, en zeggen: “Hallo broeder! Hoe gaat het met je? Dat is een tijd geleden! We waren afgedwaald en raakten verdwaald toen we verder gingen. Dank je zeer ons naar Huis geleid te hebben. We hebben besloten hier in alle eeuwigheid te blijven.” In de Hemel bestaat er niet zo iets als individueel bewustzijn: geen tijd, geen waarneming, niemand om mee te praten of mee verbonden te zijn. Wanneer we ontwaken uit de dualistische droom van tijd en ruimte, zijn we helemaal één met Jezus, in die zin dat er geen punt bestaat waar Jezus ophoudt en de overige Zonen van God beginnen. God heeft slechts één Zoon, één uitbreiding van onvoorwaardelijke Liefde, en dit is wat wij in essentie zijn. Of, zoals de Boeddhisten het uitdrukken: “Ik ben Dat, jij bent Dat, en Dat is alles wat er is.”

En dit is precies waar we zo bang voor zijn. “Vertel me niet dat alles wat mij dierbaar is aan mijn unieke speciale zelf, een leugen is!” Juist hierom blijven we die ene beslissing ten gunste van Eenheid maar uitstellen, de enige beslissing die we kunnen en allen zullen maken. “Wees alleen waakzaam voor God en Zijn Koninkrijk”[T6.V.C.2:8] betekent “nee” te zeggen tegen ons dierbare individuele ego; ons speciaal zijn; ons gevoel in relatie tot iets anders te bestaan; onze poging een god te zijn in een universum van onszelf.  Daarentegen nemen we genoegen met een zekere mate van ellende in ons leven, zo lang we maar zelfstandig kunnen bestaan. Totdat… je neergeslagen wordt door een ernstige crisis in je leven, en je je realiseert dat alles vergaat en sterft; niets is blijvend. “Alles gaat voorbij”, zong George Harrison in 1970, te midden van het schrijfproces van de Cursus. Een cursus in wonderen nodigt ons uit eens eerlijk naar deze “woestijn des doods” te kijken, die wij gekozen hebben, en wijst naar een “betere weg” die naar de werkelijke wereld zal voeren, waarin alle waarneming gezuiverd is van oordeel en aanval.

De beste manier om deze juiste manier van denken te oefenen ligt besloten in onze relaties. Jezus dringt er bij ons op aan uitsluitend het gelaat van Christus waar te nemen telkens wanneer we een broeder ontmoeten.  In [T31.VII.8:1-7] lezen we: “Aanschouw je rol in het universum! Aan elk deel van de ware schepping heeft de Heer van Liefde en Leven heel de verlossing uit de ellende van de hel toevertrouwd. En aan elk heeft Hij de genade vergund een verlosser te zijn voor de heiligen die speciaal zijn toevertrouwd aan zijn zorg. En dit leert hij wanneer hij voor het eerst één broeder beziet zoals hij zichzelf ziet, en in hem de spiegel van zichzelf ontwaart. Zo wordt zijn zelfconcept terzijde gelegd, want niets staat tussen zijn zicht en dat waarnaar hij kijkt, om te oordelen over wat hij aanschouwt. En in deze enkelvoudige visie ziet hij het gelaat van Christus, en begrijpt dat hij iedereen beziet zoals hij deze ene aanschouwt. Want er is licht waar eerst duisternis was, en nu is de sluier weggetrokken voor zijn ogen.”

Zodoende bereiken we Eenheid door eerst de gelijkheid te zien in onze broeders en onszelf. De sleutel om de ladder naar Verzoening te bestijgen ligt besloten in het eerlijk kijken naar alle verschillen tussen ons, waarvan we dachten dat ze echt waren, en hun illusoire natuur in te zien. “De sluier over het gelaat van Christus, de angst voor God en voor verlossing, en de liefde voor schuld en dood; het zijn allemaal verschillende namen voor een en dezelfde dwaling: dat er ruimte is tussen jou en je broeder, uit elkaar gehouden door een illusie van  jezelf die hem op een afstand houdt van jou, en jou weghoudt van hem. Het zwaard des oordeels is het wapen dat jij aan de illusie van jezelf geeft, opdat die zou kunnen vechten om de ruimte die je broeder op afstand houdt, door liefde onbezet te laten.” [T31.VII.9:1-2]. Onze taak is dus simpel: vergeef jezelf je niet-vergevende denkgeest, en ga door met je praktijk van het stilletjes zegenen van een broeder telkens als je er een tegenkomt gedurende de dag, of dat nu fysiek of in gedachten gebeurt. Dan ben je aardig op weg om kennis met je oudere broeder te maken –  nee, die te worden, eindelijk!

© Jan-Willem van Aalst, 08 oktober 2016 (vertaling: Robert J Visser)

Het paradijs op aarde kiezen

Een cursus in wonderen biedt zijn studenten een duidelijk beeld van wat het verschil is tussen dualiteit (tijd, ruimte, bewustzijn, concepten, waarneming) en non-dualiteit (eenheid, wat tijd noch ruimte betekent, geen bewustzijn, geen concepten, geen waarneming). Globaal uitgedrukt wordt ‘dualiteit’ in Een cursus in wonderen gelijkgesteld met de hel, en ‘non-dualiteit’ met de Hemel. Daar komt bij dat dualiteit gelijkgesteld wordt met illusie, en non-dualiteit met realiteit. Jezus’ formidabele taak bestaat erin ons allereerst dit fundamentele onderscheid te doen beseffen, en vervolgens ons te overtuigen dat non-dualiteit (Hemel) ons ware Thuis is, als Christus, wat trouwens precies is waar we diep van binnen naar smachten, zodra we die dikke lagen afleidingen van het ego afpellen. De schoonheid van Een cursus in wonderen is dat hij ons tegemoet treedt op het niveau van de hallucinatorische dualistische droom, waarvan we nog steeds geloven dat het onze dagelijkse werkelijkheid is. Voorzichtig onderwijst Jezus ons je niet schuldig te voelen over ons vastklampen aan ons geloof in de illusie van verval en dood, terwijl we – tenminste theoretisch – direct zouden kunnen ontwaken en naar Huis gaan.

Helaas is Jezus niet in staat ons een beeld te geven van hoe ‘Thuis’ eruit ziet, juist omdat dat voorbij alle vorm, alle concepten, alle verbeelding, bestaat. “De werkelijkheid [de Hemel] wordt uiteindelijk gekend zonder vorm, onafgebeeld, en ongezien.” [T-27.III.5:2]. Er wordt ons gezegd dat zodra de Zoon wakker wordt (wat wil zeggen: het dwaze idee van dualiteit eens en voor altijd afdanken, om zo tijd en ruimte ongedaan te maken) wij de Hemel zullen kennen, en ons überhaupt niets meer zullen herinneren van dualiteit. Vanzelfsprekend is dit zo, want je iets herinneren, kost tijd. In non-dualiteit bestaat er niet zo iets als tijd. Ben  je in staat je een gesteldheid van de denkgeest (Denkgeest, eigenlijk) in te denken die onveranderlijk is, onveranderbaar, absoluut zeker, zonder een spoor van twijfel of angst of depressie? Een gesteldheid waarin allesomvattende Liefde het enige ding is, dat er is? Een toestand  waarin volledige communicatie met de Vader bestaat, zonder wat voor inmenging of onzekerheden dan ook? Een situatie bestaande uit pure vrede, vreugde en licht, die in alle eeuwigheid voortduurt? Kortom: de Hemelse staat?

Jezus zegt dat wij allen die herinnering in ons meedragen. Hij gebruikt de metafoor van een lied: “Luister, – misschien vang je wel een vleugje op van een aloude toestand, niet geheel vergeten; vaag, wellicht, en toch niet helemaal onbekend, zoals een lied waarvan de naam allang vergeten is en waarvan jij je de omstandigheden waarin je het hoorde totaal niet meer heugen kan. Niet het hele lied is jou bijgebleven, maar slechts een zweem van een melodie, niet gebonden aan een persoon, een plaats of iets bepaalds. Maar jij herinnert je, alleen al aan dit fragmentje, hoe lieflijk het lied was … als subtiele geheugensteun voor wat jou tot tranen toe bewegen zou, als jij je kon heugen hoe dierbaar het jou was.” [T-21.I.6:1-3;7:2]. Dat is de herinnering aan de Hemel die we allemaal in ons meedragen. Er is alleen één klein probleem: Hemel heeft geen weet van individualiteit. Puur mijn alsmaar voortdurende wens te trachten zelfstandig te leven, als een god in mijn eigen kleine afgescheiden denkgeest, schijnt tijd, ruimte, en waarneming in stand te houden, en derhalve de Hemel op afstand. Daarom zegt Jezus dat het autoriteitsprobleem het enige probleem is dat ik heb. [T-3.VI.10:2]. En iedere brave student van Een cursus in wonderen ontdekt hoe grondig we vastgehecht zitten aan deze individualiteit. Het ego is niet gemakkelijk ongedaan te maken.

Aan de andere kant mag het ego dan dummiedicht*) zijn, maar niet Goddicht. [T-5.VI.10:6]. Gelukkig is ook de stem van de Heilige Geest (die de herinnering van Thuis brengt) alom aanwezig binnen de illusoire droom.  Hoewel we de meeste tijd weigeren naar de Heilige Geest te luisteren, worden we getroost met “Je mag dan veel pijn kunnen verdragen, maar daaraan is een grens. Uiteindelijk begint iedereen in te zien, hoe vaag ook, dat er een betere manier moet zijn.” [T-2.III.3:5-6]. Een zelfs nog grotere troost is het als we ervaren dat uiteindelijk iedereen die keus zal maken. De kwestie is niet of de droom wel of niet zal eindigen; het is slechts de vraag hoe veel meer tijd wij in de hel verkiezen door te brengen. Studenten van Een cursus in wonderen zijn brengers van verlossing, ofwel leraren van God, in die zin dat zij langzaamaan leren hun denkgeesten te trainen er voor te kiezen iedere dag een klein beetje vaker naar de stem van de Heilige Geest te luisteren. De Heilige Geest als gids voor je denkgeest te kiezen betekent in essentie je van oordelen, veroordelen en aanval onthouden, ondertussen zo oprecht mogelijk gadeslaan wat er in je denkgeest gaande is, een stap terugdoen, en vervolgens om advies vragen wat nu te doen. Dit mag er op het eerste gezicht gedwee en zwak uit zien, edoch worden we er vriendelijk aan herinnerd dat we waarachtig niet in de positie zijn wat dan ook betrouwbaar te beoordelen (zie W-151.4:1-4), aangezien onze waarneming zo vertekend is. Het oordelen opgeven dus, en de leiding van de Heilige Geest volgen “… betekent jezelf van schuld te laten vrijwaren. Dat is de essentie van de Verzoening. Dat is de kern van het leerplan.”[H-29.3:3-5]. De gemoedsrust die volgt wordt in Een cursus in wonderen beschreven als de werkelijke wereld. Stapje voor stapje deze werkelijke wereld in je denkgeest manifesteren is de koninklijke route om uit de droom te ontwaken, en de Zoon van God klaar te maken voor zijn terugkeer naar, en herinnering van de Hemel.

Zo gezien, is de werkelijke wereld zo na aan het concept van ons ‘paradijs op aarde’ als we ons maar kunnen voorstellen. Het is het klaarmaken voor de Hemel. Het paradijs op aarde is geen waarneembare staat waarin mensen altijd lief en aardig tegen elkaar zijn, het weer permanent geweldig, oorlog niet bestaat, ziekte verdwenen is, net als hongersnood en gebrek aan wat dan ook. Volgens Een cursus in wonderen bevindt het paradijs zich in de denkgeest, en uitsluitend in de denkgeest. Het is een innerlijke toestand waarin geen oordeel voorkomt, en geen veroordeling van welke soort ook. Het is nog steeds binnen de droomwereld van waarneming, maar het veroorzaakt geen verdere aanvallen en afscheidingen, en daarom geen verdere illusies. Uiterlijkheden veranderen niet: er vindt nog steeds strijd plaats, ziekte, honger en gebrek aan van alles en nog wat. Edoch, wanneer ik naar iemand kijk, en mijn ogen weliswaar nog steeds een lichaam zien, ziet mijn denkgeest alleen maar Christus. Ongeacht bij welk gedrag. Omdat het uiterlijke het innerlijke weerspiegelt, kies ik voor deze werkelijke wereld door de innerlijke te wijzigen. De uiterlijke wereld zal zelf na verloop van tijd verschijnen; eerst in mijn denkgeest, vervolgens in de relaties, en alsmaar wijder uitspreidend, geheel volgens het ‘plan’ van de Heilige Geest. In [T-14.X.1:6-7] lezen we: “Weerspiegel de hemelse vrede hier en breng deze wereld naar de Hemel. Want de weerspiegeling van de waarheid trekt iedereen tot de waarheid aan, en als ze die betreden laten ze alle weerspiegelingen achter.” Dat is visie; zo is het paradijs op aarde.

Dus hoe train ik mijn denkgeest om de werkelijke wereld in mijn denkgeest te manifesteren? Allereerst, moet ik steeds in gedachten houden dat ik geen lichaam ben; ik ben een holografisch deel van de Zoon van God, die alleen maar in dromen kan lijden. Ten tweede kan ik me realiseren dat iedereen en alles wat ik waarneem een projectie van mijn oordelende en niet-vergevende onjuist denkende denkgeest is. Als derde, dien ik me telkens weer te herinneren dat mijn denkgeest een keuzemaker is, die maar twee keuzemogelijkheden heeft: of naar het ego te luisteren, of naar de Heilige Geest te luisteren. Op elk moment kies ik tussen die twee. Welke stem maakt me waarlijk gelukkig? Als ik heel eerlijk met mezelf ben, tja… naar het ego luisteren heeft me niet echt gelukkig gemaakt. Zeker, er waren momenten van extase, maar er zijn als maar meer problemen, en tenslotte vergaat mijn lichaam en sterft. Heb ik daarentegen Een cursus in wonderen als mijn spirituele pad gekozen, bemerk ik dat, elke keer als ik me van een oordeel onthoud, en in plaats daarvan vraag wat te denken en te doen, dingen veel vrediger uitpakken. Bijna iedere student van Een cursus in wonderen kan over zulke ervaringen berichten. En elke dag dat deze ‘kleuter van innerlijke vrede’ innerlijk een klein beetje verder groeit, ben ik toenemend bereid mijn onwil te vergeven, evenals de veroordelingen te beëindigen, en te pauzeren om de Heilige Geest te vragen wat in plaats daarvan te doen. En dan, uiteindelijk, komt de dag wanneer je plotseling beseft dat je veel gelukkiger geweest bent in de laatste paar jaar van je leven dan je ooit daarvoor geweest bent. En dat is een glimp van de werkelijke wereld; de ware verwerkelijking van een paradijs op aarde. Vandaar de laatste oproep van Jezus in het Tekstboek: “Broeder, maak opnieuw je keuze” [T-31.VIII]. Het paradijs is een keuze!

© Jan-Willem van Aalst, 01 oktober 2016 (vertaling: Robert J Visser)

*): De officiële ECIW-vertaling “waterdicht” van het originele “fool-proof” dekt in deze context de lading niet, omdat het hier de betekenis heeft van het Duitse “idiotensicher”, dat geen Nederlands equivalent kent, en het beste nog weergegeven wordt als: “doodsimpel”, of beter “(juist) voor dummies (begrijpelijk)”, of tenslotte “dummiedicht” [om te contrasteren met “Goddicht”].

Help, ik heb een gespleten denkgeest!

Een van de meest pijnlijke gewaarwordingen van veel studenten van Een cursus in wonderen is om de kloof te ervaren tussen ‘het vatten’ van Jezus’ boodschap, het intellectueel accepteren ervan, enerzijds, anderzijds echter in gebreke te blijven die boodschap in het dagelijks leven op te volgen. Dit wordt vaak ervaren als zelf-sabotage, en kan buitengewoon frustrerend zijn. Ik blijf mezelf vertellen dat ik vanzelfsprekend Jezus’ pad van vergeving wil bewandelen, en toch moet ik vaststellen dat ik mezelf boos zie worden, angstig, en/of gedeprimeerd. Zulke teleurstellingen hebben veel serieuze studenten ertoe geleid het boek voor lange tijd terzijde te leggen, of er zelfs helemaal mee op te houden. Alzo, waarom is deze kloof zo volhardend?

Het antwoord op deze vraag wordt duidelijk zodra je in de metafysische onderbouwing van de boodschap van de Cursus duikt. “In de eeuwigheid, waar alles één is, sloop een nietig dwaas idee binnen waarom de Zoon van God vergat te lachen.” [T-27.VIII.6:2]. De Zoon scheen in slaap te vallen, dromend van afscheiding, van ruimte en tijd; kortom: van dualiteit. Het ego is het idee dat afscheiding van Eenheid, van non-dualiteit, mogelijk is, en dat ik, als individu, beter af zal zijn omdat ik nu god in mijn universum kan zijn. Dit kernpunt in mijn leven, terwijl ik op ego-autopiloot leef, is gefocust op mijn eigen overleving en welzijn. Ik mag dan voor mijn eigen soort en anderen in deze wereld zorgen, maar slechts nadat ik voor mijn eigen individuele benodigdheden zorg gedragen heb.

En dan komt die Jezus-knul voorbij met Een cursus in wonderen, bewerend dat tijd, ruimte, waarneming, bewustzijn, het ego – verdorie, zelfs mijn eigen individualiteit! – niets anders zijn dan broze illusies, die elke mogelijke realiteit ontberen. Hij daagt mijn denkgeest uit met vragen als ”Wil je liever gelijk hebben of gelukkig zijn? Want je kunt niet beide zijn” [T-29.VII.1:9]; “Er is geen wereld! Dit is de kerngedachte die de Cursus probeert te onderwijzen” [W-132.6:2-3], en “… aanvaard geen compromis waarin de dood [waarmee alles bedoeld wordt dat niet blijvend is, wat dus voor alles geldt in de dualiteit] een rol speelt.” [H-27.7:1]. Geen wonder dat mijn ego een sterke weerstand ondervindt bij zo’n boodschap! Niemand staat klaar een raadgeving op te volgen, die zeker naar de volledige verdwijning van het universum en zijn eigen wezen zal voeren. Dat ik me realiseer dat ik een gespleten denkgeest bezit, leidt niet automatisch tot de bereidheid de splitsing te helen, door voortaan uitsluitend naar de Heilige Geest te luisteren.

Zelfs in geval we bereid zijn onze ´observerende keuzemaker´ in de denkgeest te trainen, zodat we leren naar onze gedachten te kijken ´van boven het slachtveld´, moeten we ons nog steeds met de onbedwingbare drang bezig houden om Jezus´ waarheid in ons dagelijks leven te introduceren. We zouden kunnen zeggen: “Ja, ik weet dat het lichaam een illusie is, maar als ik mijn dagelijkse affirmaties volhoud, zal ik ziekte op afstand houden”, of “Ja, ik weet dat de wereld een illusie is, maar middels mijn liefdadigheidswerk kan ik wellicht enkele personen meer overtuigen de weg van vrede en vreugde te kiezen.” Zolang als ik nog steeds geloof dat vergeving betekent iemand anders vergeven, en dat relaties bestaan tussen twee overduidelijk gescheiden personen, hoor ik Jezus’ boodschap niet werkelijk. Waar Kenneth Wapnick regelmatig op wijst in zijn “Journey through the workbook van A Course in Miracles”.

Veel Cursus studenten slagen er niet in hun teleurstelling te boven te komen over het falen in het stante pede helen van hun gespleten denkgeest en kiezen de hele tijd de Heilige Geest als hun exclusieve leraar. Ik zou kunnen beseffen dat mijn juiste denkgeest met Een cursus in wonderen wenst te ‘wandelen’, maar mijn onjuiste denkgeest wenst dat die met mij aan de wandel gaat. En als ik me dag in dag uit realiseer, dat, ondanks mijn trouwe studie van de Cursus  en het in de praktijk  brengen van het werkboek, mijn hoogst niet-vergevende denkgeest diepgaand gespleten blijft, ik niet verbaasd moet zijn dat de moed me in de schoenen zinkt en mijn spirituele oefeningen voor lange tijd verwateren.

Jezus begrijpt de omvang van onze weerstand tegen zijn boodschap totaal. En dat is de reden dat hij verschillende keren in het tekstboek, ons zachtjes eraan herinnert dat we spirituele beginnelingen zijn, die “een nieuweling op het verlossingspad” zijn [T-17.V.9:1]: “Dit is jouw taal. Dat je hem nog niet begrijpt, komt alleen doordat je hele communicatie als die van een baby is” [T-22.I.6:2-3]. “Toch is het  in dit kindje dat jouw visie jou wordt teruggegeven, en het zal de taal spreken die jij begrijpen kunt” [T-22.I.7:3]. Jezus kan zich permitteren vriendelijk te zijn, en geduldig, omdat hij de afloop van de droom van dualiteit met absolute zekerheid kent: deze complete droom zal eindigen zoals hij begon – in helemaal niets – en in waarheid zijn we al veilig thuis. “.. we zien mentaal opnieuw wat is voorbijgegaan.”[W-158-4:5]

De betekenis van Jezus’ hardnekkig advies aan ons te kijken naar (wat er in de denkgeest gaande is), moet erg letterlijk genomen worden. Een gespleten denkgeest genezen vereist dat ik naar de tweedeling kijk, zo vaak als ik daartoe bereid ben, van boven het slachtveld. En dat betekent: iedere niet-vergevende gedachte van me gadeslaan zonder mezelf te veroordelen. Dat laatste is cruciaal. In plaats van mezelf op m’n kop te slaan omdat ik weer faalde Jezus’ advies op te volgen, zou ik alleen maar eerlijk  moeten concluderen, dat, wanneer puntje bij paaltje komt, ik nog steeds het ego kies, de onjuist denkende denkgeest. Beoefen dit in het bijzonder met het oog op schijnbaar ‘onbetekenende’ voorkeuren. Bijvoorbeeld, elke keer dat ik merk dat ik een bepaald aspect van iemand of een situatie als onprettig  ervaar, kan ik beseffen dat ik niet met God wens te lopen; Ik wil god zijn. En elke keer dat ik mezelf betrap op hopen van dit of dat, kan ik me bewust worden dat ik eigenlijk wens dat Jezus me steunt om gelukkiger te leven in deze dualistische droom.

Het antwoord op de vraag hoe de gespleten denkgeest geheeld kan worden, vind je niet door spiritueel overijverig te worden, of roekeloos te worden door jezelf te oorvijgen bij iedere niet-vergevende gedachte. De truc is om de metafysische waarheid van Jezus’ boodschap onafgebroken in je achterhoofd te houden, zelfs hoewel je het nog niet echt helemaal gelooft, en “… vertrouw onvoorwaardelijk op je bereidwilligheid [vergeving te blijven praktiseren], wat zich verder ook mag aandienen” [T-18.IV.2:2]. Je keuzemaker trainen om van boven het slachtveld te observeren, blijft de meest productieve oefening. Zoals Jezus ons troost: “Hoe kun jij die zo heilig bent lijden? Heel je verleden is verdwenen op zijn schoonheid na, en niets blijft er over dan een zegen. Ik heb al je vriendelijkheden en elke liefdevolle gedachte die jij ooit had, bewaard. Ik heb ze [je gedachten] gezuiverd van de vergissingen die hun licht verborgen hielden, en ze voor jou in hun eigen volmaakte straling behouden. […] Ze waren afkomstig van de Heilige Geest in jou, en we weten dat wat God schept eeuwig is.”[T-5.IV.8:1-4,6]. Dus sta ik volledig in mijn recht mezelf vriendelijk te vergeven van mijn gehechtheid aan de onjuist denkende denkgeest. Het helen van de gespleten denkgeest is simpel een kwestie van tijd, en Een cursus in wonderen is een perfecte gids me tijd te helpen besparen.

© Jan-Willem van Aalst, 25 september 2016 (vertaling: Robert J Visser)

-o-o-o-o-