Blog

Wij maken de tijd

Eén van de dingen die aan Een cursus in wonderen als spiritueel leerplan zo moeilijk te begrijpen zijn, is zijn visie op de volstrekt illusoire aard van tijd, ruimte en waarneming. Het voelt gewoon niet logisch om te lezen dat iedereen met wie je praat, samenwoont en werkt volstrekt denkbeeldig zijn omdat tijd, ruimte en zintuigen illusoir zijn. Toen acteur Jim Carrey een aantal jaar geleden in een interview zei dat hij niet meer in afgescheiden persoonlijkheden gelooft, werd hij cynisch uitgelachen. Hij kreeg veel reacties in de trant van ‘iemand die niet meer gelooft wat zijn ogen zien, heeft overduidelijk zijn verstand verloren’, zoals op veel YouTube reactievideo’s te zien was.

Wij zijn er allemaal van overtuigd dat de tijd vanzelf verstrijkt, ongeacht wat wij denken, zeggen of doen; van onze eerste ademtocht tot onze laatste en daarna. Zolang wij onszelf ervaren in een lichaam, worden onze gedachten en handelingen geleid door wat wij in de tijd waarnemen. Zelfs als toegewijde studenten van Een cursus in wonderen twijfelen we er vaak aan of we in dit leven wel genoeg tijd hebben om van bereidheid naar meesterschap te gaan als het gaat om het aanvaarden van de Verzoening. Het is dan ook erg intrigerend om in hoofdstuk 7 van het Tekstboek te lezen: “Je denkt misschien dat dit [het totale vertrouwen dat ontstaat uit meesterschap] inhoudt dat er een enorme hoeveelheid tijd nodig is tussen gereedheid en meesterschap, maar laat me je eraan herinneren dat tijd en ruimte onder mijn beheer staan.” (T2.VII.7:9). Wat bedoelt Jezus?

Jezus bedoelt in elk geval niet dat hij onze handel en wandel van ergens hoog in de Hemel in de gaten houdt en ons eraan herinnert dat hij dat met een knip van z’n vingers kan beëindigen (als hij al vingers zou hebben). Dat zou volstrekt tegengesteld zijn aan zijn liefdesboodschap dat wij allemaal Christus zijn, hemzelf en jou en mij incluis. Jezus zegt daarover in het hoofdstuk ervoor: “Er is niets aan mij wat jij niet kunt bereiken. Ik heb niets wat niet van God afkomstig is. Het huidige verschil tussen ons is dat ik niets ánders heb.” (T1.II.4:10-12). Jezus onderwijst ons dat tijd, in tegenstelling tot wat wij geloven, niet lineair verloopt: tijd verloopt holografisch, wat betekent dat het geheel van de tijd vervat is in elk deel ervan, in elk geval qua inhoud. Jezus zegt het zo: “Elke dag, en iedere minuut van elke dag, en elk ogenblik dat iedere minuut bevat, herbeleef je slechts het ene ogenblik waarop de tijd van verschrikking de plaats van de liefde innam.” (T26.V.13:1). We vertellen Jezus dus voortdurend om op te rotten, zodat het ego ons een toekomst kan voorschotelen die op het verleden lijkt, waarmee het logisch lijkt dat de tijd lineair verloopt, beginnend met de Oerknal zo’n 14 miljard jaar geleden.

Aangezien Jezus stelt dat hij en jij en ik in essentie gelijkwaardige broeders zijn, die allemaal dezelfde juist-gerichte denkgeest van Christus bevatten, zegt hij daarmee impliciet dat wij ook de tijd zouden kunnen beheersen, hoe absurd dat ook mag klinken. Op sommige plekken is hij haar zelfs tamelijk expliciet over: “Elke keer dat je [vergeving] oefent, komt het bewustzijn daarvan op zijn minst een beetje dichterbij; menigmaal wordt duizend jaar of meer bespaard. De minuten die jij geeft, worden vele malen vermenigvuldigd, want het wonder bedient zich wel van tijd, maar is er niet aan onderhevig.” (WdI.97.3:2). En uit het Handboek voor leraren, over de “Leraren van God”, dat wil zeggen iedereen die ervoor kiest Jezus’ leerplan te volgen: “Hun functie is tijd te besparen. […] En ieder bespaart naar wereldse maatstaven gemeten wel duizend jaar tijd.” (H1.2:11,13).

Hoewel Jezus de uitdrukking “duizend jaar” natuurlijk vooral poëtisch en metaforisch bedoelt, vertelt hij ons twee belangrijke dingen. Ten eerste zouden we geen enkele stress moeten hebben over onze twijfel of we in dit leven wel voldoende snel Verlossing zouden kunnen bereiken. Hoewel Jezus in de Cursus geen duidelijk standpunt inneemt over reïncarnatie, impliceert hij op meerdere plekken dat jij en ik hier niet voor het eerst zijn, en dat er nog vele levens zullen volgen. In Een leven geen geluk (Absence from felicity) lezen we zelfs over de scene dat Helen in de buurt van haar eigen graf kwam van zo’n 2000 jaar geleden (lees dat boek!). Zodra ze de neiging voelt daar heen te gaan, krijgt ze overduidelijk van Jezus te horen: “Nee. Laat de doden de doden begraven.”

Ten tweede zegt Jezus duidelijk dat het volledig aan ons is om te bepalen wanneer wij de Verzoening willen aanvaarden. Telkens als het ons lukt om voor vergeving te kiezen, heft het wonder de noodzaak op voor meer tijd om te leren het ego ongedaan te maken, en dus om tijd en ruimte ongedaan te maken. Zoals Jezus zegt in hoofdstuk 4 van het Tekstboek: “De enige boodschap van de kruisiging is dat je het kruis overwinnen kunt. Tot dat moment staat het jou vrij jezelf te kruisigen zo vaak je maar wilt.” (T4.In.3:8-9). En uit de inleiding van het Tekstboek: “Vrije wil betekent niet dat jij het leerplan kunt vaststellen. Het betekent alleen dat je kunt kiezen wat je op een gegeven moment wilt doen.” (T-In.1:4). Het is daarom niet de vraag of wij zullen ontwaken uit tijd en ruimte (dat zullen we allemaal doen); het gaat erom wanneer wij ervoor kiezen te ontwaken. “In deze wereld is de enige resterende vrijheid de vrijheid van keuze: steeds tussen twee keuzen of twee stemmen.” (VvT-1.7:1).

Nu kunnen we beter begrijpen waarom Jezus ons eraan herinnert dat “tijd en ruimte onder mijn beheer staan.”. Jij en ik kunnen onze behoefte aan meer tijd transformeren (via vergeving) naar liefde, maar dat kunnen we niet zonder Jezus’ hulp: “Vertrouw niet op je goede voornemens. Die zijn niet genoeg.”  (T18.IV.2:1-2). Het opheffen van tijd vergt van ons dat wij toegeven dat wij, als afgescheiden ego, het over werkelijk alles bij het verkeerde eind hadden, inclusief ons kennelijke bestaan in de tijd, en dat Jezus gelijk heeft als hij zegt dat wij nu al veilig Thuis zijn in het Hart van God, zonder individuele persoonlijkheid. Nogmaals, zolang wij nog geloven dat wij ons lichaam zijn in de wereld die we waarnemen, bezorgt Jezus’ boodschap ons angstzweet en weigeren we die te aanvaarden. Totdat de pijn, ellende en alle mislukking ons teveel wordt en wij uitroepen dat er een betere manier moet zijn. Pas als wij de vredige gevolgen van ware vergeving ervaren, zijn we echt bezig met het oefenen van onze bereidwilligheid de Verzoening te aanvaarden. Jezus onderwijst ons in de Cursus dat telkens als het ons lukt om voor het wonder van vergeving te kiezen, wij de noodzaak voor meer tijd opheffen, soms wel duizend jaar: “Het doel van de tijd is jou de gelegenheid te geven te leren de tijd constructief te gebruiken. […] De tijd zal ophouden wanneer hij niet langer van nut is om het leerproces te vergemakkelijken.” (TI.1:15).

“Wat betekent honderd jaar voor Hen [het gelaat van Christus en de Godsherinnering], of duizend, of tienduizenden?” (T26.IX.4:1). Zodra ik waarlijk het pad van de vreugde van Christus kies, wordt tijd volstrekt irrelevant, behalve om de behoefte aan nog meer tijd op te heffen, met Jezus’ hulp. Probeer dagelijks met dat uiterst waardevolle inzicht te oefenen, in de meest triviale situaties. Als ik bijvoorbeeld bij de supermarkt merk dat de rij voor de kassa mij irriteert, zou ik me kunnen realiseren dat ik een waardevolle vergevingsles voorgeschoteld krijg. Tijd is van geen belang! Dus als student van Een cursus in wonderen, dat wil zeggen als een Leraar van God, hoef ik geen zorgen te hebben dat ik de top van de ladder van de Verzoening niet in dit leven zal bereiken. Jij en ik zijn hier al vaak geweest en we zullen hier nog terugkomen. Uiteindelijk zullen jij en ik de Verzoening aanvaarden. Het is slechts de mate van onze bereidheid om ons denken te laten leiden door Jezus en de Heilige Geest die bepaalt hoe lang we erover doen om tot die aanvaarding te komen. Vraag jezelf dus regelmatig: “Hoe lang wil ik nog in de hel van tijd leven? Zou ik vandaag niet liever kiezen voor de tijdloze hulp van Jezus (of de Heilige Geest)?”

— Jan-Willem van Aalst, september 2017 (vertaling van: https://miraclesormurder.wordpress.com/2017/09/30/we-control-time/)

  • Nu beschikbaar bij uitgeverij Inner Peace Publications: Jan-Willems vertaling van Kenneth Wapnicks “De boodschap van Een cursus in wonderen“, deel I: “Allen zijn geroepen”, deel II: “Weinigen verkiezen te luisteren.” €39,95 boek; €19,95 e-book.

Leef zonder spijt

Vrijwel iedereen heeft wel eens mensen ontmoet die alleen nog maar cynisch lijken te kunnen zijn over zo’n beetje alles in de wereld. Veel van dergelijke ongelukkige mensen lijken behoorlijk verbitterd te zijn geworden over wat ze ooit van het leven hadden verwacht. Ze vinden dat ze oneerlijk zijn behandeld door een reeks externe factoren; hetzij door mensen, hetzij door het lot. Dat weerspiegelt natuurlijk hun onbewuste overtuiging dat ze oneerlijk zijn behandeld door God, die blijkbaar niet onder de indruk was van alles wat ze probeerden, laat staan van hun bestaan. Ze kijken met spijt terug op hun leven en zouden, terugblikkend, allerlei dingen anders hebben willen doen. Maar ja, gefaald is gefaald, en het verleden kan niet worden uitgewist. Toch?

Spijt lijkt te gaan over de hoop om meer geluk te vinden als de aanpak maar anders was geweest; maar eigenlijk komt dit er op neer dat ze zouden willen proberen een betere droomwereld te maken, wat vanuit Jezus’ perspectief in Een cursus in wonderen een hopeloze zaak is. Een klaagzang zoals “Als ik dit of dat nou maar anders had gedaan, dan zou mijn leven zoveel beter zijn…” is een ego-truc om de denkgeest gericht te houden op zoeken, zoeken en nooit vinden, waarmee het eigen bestaan wordt gegarandeerd. Dergelijk denken houdt de denkgeest weg van een eerlijke evaluatie van de hele situatie van de wereld en onze kennelijke rol daarin, om vervolgens weer voor de eeuwige Liefde van God te kiezen.

Als jij en ik eerlijk onze denkgeest zouden afspeuren op enig moment van de dag, dan zouden we ongetwijfeld ontdekken dat meer dan 90% van onze gedachten over de toekomst of het verleden gaan. Hoewel het in deze droomwereld waarin we nog steeds rotsvast menen te leven zeker nodig is om plannen voor de toekomst te maken op basis van wat we in het verleden hebben geleerd, zouden we ervoor kunnen kiezen steeds iets meer tijd in het nu door te brengen. We zouden een stapje terug kunnen doen en de Heilige Geest eerlijk om hulp vragen over wat te doen (en wat niet), waarheen te gaan (en waarheen niet), en wat we zouden moeten zeggen en denken (en wat niet). Werkelijk meer geluk in je leven ervaren vraagt van ons een gedisciplineerde focus op wondergericht denken, steeds iets vaker.

Wondergerichtheid is meer dan een vaak herhaalde affirmatie dat wij onze focus zouden moeten richten op (de Stem namens) Liefde in het huidige hier en nu, hoe waardevol die houding in zichzelf ook is. We zouden ons steeds beter moeten leren herinneren wie en wat wij zijn en wat deze wereld is. Een cursus in wonderen staat vol met inspirerende passages die hier licht op werpen, bijvoorbeeld: “Al je moeilijkheden komen voort uit het feit dat jij jezelf, jouw broeder en God niet herkent. […] De Bijbel zegt je jezelf te kennen, of zeker te zijn. Zekerheid komt altijd van God.” (T3.III.2:1;5:1-2). “Het wonder stelt vast dat je een droom droomt waarvan de inhoud niet waar is. Dit is een cruciale stap in het omgaan met illusies.” (T28.II.7:1-2). En uit het werkboek: “Een wonder is een correctie. Het schept niet, en het brengt in werkelijkheid allerminst verandering. Het slaat slechts verwoesting gade, en herinnert de denkgeest eraan dat wat die ziet onwaar is.” (Wd2.13:1-3). En, als laatste voorbeeld: “Wonderen […] staan in stralende stilte naast elke droom van pijn en lijden, van zonde en schuld. Ze zijn het alternatief voor de droom, de keuze om liever de dromer te zijn dan de actieve rol in het verzinnen van de droom te ontkennen.” (T28.II.12:1-3). Dit doet licht schijnen op wie en wat wij zijn en waar deze wereld over gaat. Pas met dat besef kunnen we waarlijk vergeving beoefenen.

In Een cursus in wonderen behandelt Jezus het wonder en vergeving als min of meer synoniem: “Vergeven is het genezen van de waarneming van afgescheidenheid. Een juiste waarneming van jouw broeder is noodzakelijk, omdat denkgeesten ervoor gekozen hebben zichzelf als afgescheiden te zien. […] Maar Gods wonderen zijn even totaal als Zijn Gedachten, omdat ze Zijn Gedachten zijn.” (T3.V.9:1-2,7). Met andere woorden, het wonder heelt onze interpretatie van onze waarneming dat alles fout loopt door zaken waar we geen invloed op hebben. Mensen zijn niet “tegen” ons; we zijn als één met elkaar verbonden, en hoe ik een ander zie is uiteindelijk hoe ik mezelf zie: “Een wonder is een daad van een Zoon van God die alle valse goden terzijde heeft gelegd, en zijn broeders oproept hetzelfde te doen. Het is een daad van vertrouwen, want het is de erkenning dat zijn broeder het kan.” (T10.IV.7:1-2).

Spijt getuigt dus van onjuist-gericht denken, en dient geen ander doel dan het bestendigen van de ego-focus op de toekomst en het verleden, en dat die hetzelfde zullen zijn: zoeken, zoeken, maar niet vinden. Toen Kenneth Wapnick ooit in één van zijn workshops werd gevraagd of hij iets heel anders zou doen als hij de kans zou krijgen, antwoordde hij: “Nee, ik zou niet het kleinste dingetje anders hebben gedaan, want alles wat ik deed droeg op een bepaalde manier bij aan waar ik nu ben in mijn leven.” Zodra je leert om “ontslag te nemen als je eigen leraar” (T12.V.8:3), in het besef dat je “slecht werd onderwezen” (T28.I.7:1), leer je dat onder leiding van de Heilige Geest alles in dit leven een nuttige les is; falen wordt zo feitelijk onmogelijk. Spijt dient dus geen enkel doel, anders dan het springlevend houden van het ego. Wonderen, aan de andere kant, “vallen als helende druppels regen uit de Hemel op een droge en stoffige wereld, waar hongerende en dorstende schepsels komen sterven. Nu hebben ze water. Nu is de wereld groen. En overal schieten er tekenen van leven op, die laten zien dat wat geboren is nooit dood kan gaan, want wat leven bezit, bezit onsterfelijkheid.” (Wd2.13:5).

Dus telkens als je merkt dat je teleurgesteld bent over wat dan ook in het verleden, realiseer je dan dat alle spijt uitsluitend duisternis in de denkgeest is. Het doel ervan is om Jezus en de Heilige Geest ver weg te houden, maar het dient jou niet. Duisternis vraagt om vergeving, niet om verzwelging in spijt. Kies snel voor een wonder in plaats van moord (T23.IV.6:5), en bedenk weer dat “nu de dichtst mogelijke benadering van de eeuwigheid is die deze wereld biedt” (T13.IV.7:5), niet het verleden. Als je je depressieve gevoelens van een afstandje kunt observeren, en zonder vooringenomenheid de Heilige Geest durft te vragen wat te doen, zal dat zonder twijfel leiden tot de vreugdige vrede die jij en ik en iedereen altijd zou willen hebben. Jij en ik hebben beslist alle reden om te leven zonder enige spijt, want alles wat ooit gebeurde droeg bij aan waar we nu staan, in het besef dat elke situatie ons de mogelijkheid biedt om weer voor juist-gericht denken te kiezen; om het leven steeds vaker in handen te geven van de Heilige Geest, of wat ik ware intuïtie noem. Vergeving beoefenen maakt het verleden ongedaan, donker plekje na donker plekje. Uiteindelijk zul je merken dat er niets meer overblijft om nog spijt over te voelen.

— Jan-Willem van Aalst, september 2017 (vertaling van https://miraclesormurder.wordpress.com/2017/09/24/live-with-no-regrets/)

 

Hoe natuurlijk is mitose?

Het biologische proces dat we mitose of celdeling noemen, waarin een cel zich in tweeën deelt, de twee vier worden, de vier acht, enzovoorts, blijft voor veel wetenschappers een wonderlijk mysterie. Blijkbaar is er iets dat dit proces ongezien orkestreert: de zestien miljoenste cel is niet anders dan de eerste, en toch resulteert de celdeling in een volstrekt unieke en karakteristieke levensvorm, die een poosje opbloeit, en na verloop van tijd weer verwelkt en onvermijdelijk sterft. Wetenschappers vragen zich af waarom dat op die manier gebeurt, en wat precies de werking en de evolutie van het DNA bepaalt.

Studenten van Een cursus in wonderen realiseren zich dat dit hele afscheiding-en-opsplitsingsproces de kerndynamiek is van wat we het ego noemen. Het ego is per slot van rekening het idee van afscheiding en afsplitsing. Want zie: toen het ‘nietig, dwaas idee’ leek te ontstaan in de denkgeest van de Zoon van God, vroeg de Zoon zich af wat er zou gebeuren als Hij dat idee serieus zou nemen. Die vergissing, de eerste en enige die ooit werd gemaakt (T27.VIII.6:2), leidde tot de eerste splitsing: de ontologische afscheiding (dit is nog vóórdat er zoiets als tijd ten tonele verscheen). Afscheiding werkt! De Zoon lijkt nu autonoom, en los van zijn ware Identiteit als Christus, de Zoon van God.

Met deze gewaarwording komt het besef dat voor deze autonomie een aanzienlijke prijs betaald moest worden: de vernietiging van de eeuwige vrede van de Hemel. God is klaarblijkelijk van de troon gestoten, omdat hij niet meer “al in alles” is. De aanvankelijke extase wordt al snel doodsangst, als de Zoon zich schuldbewust realiseert dat deze afscheiding een zonde was die nooit ongedaan kan worden gemaakt, en waarvoor hij ongetwijfeld zwaar gestraft zal worden door de wraakzuchtige Schepper die het van Hem gestolen leven weer terug wil graaien. Het ego verschijnt om de Zoon te redden door hem te adviseren de zonde en schuld weg te projecteren naar een ander zelf. De Zoon, die nu — volkomen vrijwillig — een verdoofde slaaf van het ego is geworden, volgt het advies op en splitst nogmaals. Nu lijkt hij zelf onschuldig en zondeloos, terwijl de zonde en schuld in het afgescheiden andere zelf zitten. Nu is hij nog steeds op zichzelf, met een verwoeste Hemel, maar daar kan hij niet verantwoordelijk voor worden gehouden, omdat de schuld overduidelijk in die ander zit.

De angst is daarmee echter niet weg: de zoon wordt nu doodsbenauwd voor deze nieuw verzonnen dader, die hij verwart met de wraakzuchtige God, die koste wat kost zijn zondige Zoon wil terugpakken. En weer verschijnt het ego als ‘redder’, trouw aan zijn aard: afscheiding en afsplitsing. Het ego adviseert de Zoon om zich op te splitsen in miljarden fragmentjes, om zo onvindbaar te worden. En weer gehoorzaamt de Zoon slaafs, waarmee wat we de Oerknal noemen in gang wordt gezet, en daarmee het begin van tijd en ruimte. Het proces van het fragmenteren van materie in het universum verschilt in essentie niet van die van de celdeling van mitose: we leven (of beter: lijken te leven) in het huis van het ego, dat louter weet heeft van afscheiding en afsplitsing. Maar is dat natuurlijk? Nauwelijks. Zoals Jezus ons onderwijst in de Cursus: “De wereld druist in tegen je natuur, omdat ze niet met Gods wetten overeenstemt.” (T7.XI.1:5).

Kenneth Wapnick merkte wel eens met humor op dat “DNA” eigenlijk staat voor “Do Not Accept” (“Aanvaard niet“), dat wil zeggen: aanvaard niet ons ware erfgoed als de ene Zoon van God, veilig Thuis in het Koninkrijk van de Hemel, het Hart van God. In werkboekles 95 gaat Jezus in op deze zelfverkozen verdoving: “Jij bent één in jezelf, en één met Hem. Aan jou is de eenheid van de hele schepping. Je volmaakte eenheid maakt verandering in jou onmogelijk. Je aanvaardt dit niet en slaagt er niet in te begrijpen dat het zo moet zijn, alleen maar omdat jij gelooft dat je jezelf al veranderd hebt. […] Jij bent één Zelf, in volmaakte harmonie met al wat is en al wat zijn zal. Jij bent één Zelf, de heilige Zoon van God, verenigd met jouw broeders in dat Zelf, verenigd met jouw Vader in Zijn Wil. Voel dit ene Zelf in jou en laat Het al je illusies en al je twijfels wegschijnen.” (WdI.95.1:2;13:2-3). Wij denken echter deze eenheid niet te willen, omdat dit ten koste zou gaan van onze gekoesterde afgescheiden individualiteit.

Gary Renard heeft van Pursah het Evangelie van Thomas gedicteerd gekregen, met daarin de letterlijke boodschappen die Jezus zijn discipelen zo’n tweeduizend jaar geleden heeft meegegeven. Het is interessant leesvoer, vooral als je dit in combinatie leest met de uitstekende analyse van Rogier Fentener van Vlissingen in zijn boek “Closing the circle” (“De cirkel rondmaken”). In de context van dit blog is vooral gezegde 79 interessant. Dat gaat als volgt: Een vrouw in de menigte zei tot hem [Jezus], “Zalig zijn de baarmoeder en de borsten die jou hebben gevoed.” Hij richtte zich tot haar en zei: “Zalig zijn zij die het woord van de Vader gehoord, begrepen en gevolgd hebben. Want de dagen zullen komen waarop men zal zeggen: “Zalig is de baarmoeder die niet heeft gebaard en de borsten die geen melk hebben gegeven.””

Vanuit het ego bezien is dit volstrekt krankzinnig. Want ja, “geen kinderen meer” betekent uiteindelijk totale uitsterving. En het is beslist niet wat we denken en voelen als onze harten smelten bij het zien van een schattige nieuwgeboren zuigeling. Toch onderwijst Jezus ons ongeveer als volgt: “Ook dit is in feite nog steeds afscheiding. Je aanvaardt nog steeds niet jouw erfgoed als geest, thuis in het Hart van God. Voel je hier niet schuldig over, maar realiseer je wel dat de essentie van fysieke reproductie neerkomt op een keuze voor het ego.” Jezus zou ons overigens nooit adviseren met het stoppen van het maken van baby’s, omdat het lichaam niet het probleem is; het lichaam is volstrekt neutraal (WdI.294), en kan gebruikt worden — door de denkgeest — voor ofwel afscheiding van, of vereniging met onze broeders. De keuze is aan ons.

En dat is natuurlijk de werkelijke boodschap van Jezus voor ons: evalueer wat werkelijk de blijvende innerlijke vrede brengt “die alle begrip te boven gaat” (Paulus in Fil. 4:7). Verschuif de focus van je gedachten van afscheiding en angst naar verbinding en liefde, en volg het advies van de Heilige Geest. Alleen dán zal het proces van mitose juist kunnen worden geëvalueerd en uiteindelijk terzijde worden geschoven; niet met spijt, maar met een zucht van dankbaarheid. Tot dat moment, dat inderdaad heel ver weg lijkt te zijn, hoeven we voor verlossing niets te doen (T18.VII) behalve het blijven oefenen met het vergeven van onze eigen denkgeest, die vergat te lachen om het nietig, dwaas idee van veroordeling van eenheid, alleen maar om individuele autonomie te kunnen proberen. Vergeving doet ons inzien dat het niet uitmaakt. Het enige dat telt is het consequent leren kiezen voor het Koninkrijk, de enige manier om “Do Not Accept” te transformeren naar “Maak opnieuw je keuze voor de betere weg”. Veel inspiratie gewenst!

— Jan-Willem van Aalst, september 2017 (Vertaling van https://miraclesormurder.wordpress.com/2017/09/17/is-mitosis-natural/)

Wat de dood ons kost

In de buurt waar ik woon zag ik jarenlang een ouder echtpaar een paar keer per dag wandelend hun herdershond uitlaten. Hun hond had overduidelijk ook al de pensioengerechtigde leeftijd bereikt: elk jaar liep hij wat trager. Op een gegeven moment begon hij behoorlijk te hinken op zijn achterbenen. Het jaar daarop zag ik het echtpaar wandelen zonder hond. Maar zelf werden zij ook steeds ouder. Nog voordat hun hond overleed raakte zij al gekluisterd aan een rolstoel. Dat duurde een jaar of vier. Uiteindelijk wandelde de man alleen in de buurt, en dit jaar overleed hij zelf ook. Het huis werd verkocht, en de overgebleven bezittingen belandden bij het afvaldepot.

Dit alles deed me weer de nutteloosheid van mijn eigen zorgen doen inzien, de kleine en de ‘grote’. Over zestig jaar loop ik ook niet meer op deze aarde rond. Angsten over mijn lichamelijke gezondheid, over of mensen me wel of niet aardig zullen vinden, over dierbare bezittingen die ik misschien in een brand kwijt zou kunnen raken, verliezen hun belang als je ze in dat licht beziet. Frustraties over mensen die zich kennelijk niets aantrekken van wat dan ook in hum omgeving; dingen die anders lopen dan ik ze had gepland… het is zinloze stress. Als ‘lesruimte’ vormen ze mooie gelegenheden voor vergeving, maar dergelijke lessen herinneren me er ook weer aan hoeveel sporten op de ladder ik nog te gaan heb voordat ik bereik wat Een cursus in wonderen de ‘werkelijke wereld’ noemt.

Als mensheid klampen we ons wanhopig vast aan ons korte bestaan in de tijd. We proberen dingen te construeren die blijven. En toch weten we dat zelfs ‘wereldwonderen’ zoals de Taj Mahal en de piramides bij Giza over een paar duizend jaar waarschijnlijk verdwenen zullen zijn. “All things must pass” (Alle dingen moeten voorbijgaan), zong George Harrison al in 1970, middenin de periode van het optekenen van Een cursus in wonderen door Helen Schucman en Bill Thetford. We weten dat alles en iedereen aftakelt, wegkwijnt en sterft. Omdat we niet beter weten, aanvaarden we verval als een onontkoombare kosmische wet; we proberen het beste te maken van de korte tijd die ons gegeven is. Op z’n best hopen we op een nieuwe kans in een volgend leven.

Het is Jezus’ formidabele taak om zijn studenten ervan te overtuigen dat niet alleen deze hele wereld en het hele universum tragische vergissingen zijn, letterlijk een koortsachtige nachtmerrie, maar ook dat er iets veel, veel beters is dat onze dagelijkse ervaring zou kunnen zijn, als we ervoor zouden kiezen een ander doel in het leven te zien. Hoewel Jezus weet dat deze keuze in werkelijkheid allang is gemaakt, omdat hij buiten de droom van tijd en ruimte staat, geloven alle slapende broeders in de tijd nog steeds dat dit aftakelende lichaam alles is wat ze hebben. Hun ervaring, zoals Jezus het beeldend verwoordt in hoofdstuk 13, is dat “hun groei gepaard [gaat] met lijden, en ze leren wat leed is, afscheiding en dood. Hun denkgeest lijkt opgesloten in hun hersenen, en de krachten daarvan lijken af te nemen wanneer hun lichaam pijn lijdt. Ze lijken lief te hebben, maar ze verlaten en worden zelf verlaten. Wat ze liefhebben, schijnen ze te verliezen, wellicht de meest krankzinnige overtuiging van al. En hun lichamen kwijnen weg, hun adem stopt en ze worden onder de grond gelegd, en zijn niet meer. Niet één van hen die niet gedacht heeft dat God wreed is.” (T13.In.2:6).

Een belangrijke kwaliteit van Een cursus in wonderen is ongetwijfeld dat hij zijn studenten bewust maakt van de alles doordringende kracht van projectie: de dynamiek van het buiten jezelf zien van allerlei vormen van pijn in jezelf, daarmee hopend er zo vanaf te zijn. Deze wereld begon vanuit de ontologische veronderstelling dat we los van onze Schepper zouden kunnen leven, en Hem dus zouden kunnen verlaten. Omdat het schuldgevoel over deze ‘kardinale zonde’ te erg is om onder ogen te zien, projecteren we deze weg, in de magische hoop dat als we die schuld onderdrukken, die ook verdwenen zal zijn (wat natuurlijk allerminst het geval is). Dus door projectie lijkt het nu dat God ons verlaten heeft. Vervolgens vertellen we onszelf ofwel dat God waarschijnlijk niet bestaat, ofwel dat we ontzettend zondig zijn, en smeken we ons Schepper om genade als we sterven, omdat we onszelf ons hele leven zo hebben opgeofferd. Maar wat we ook verkiezen te denken: zolang we nog geloven dat we een lichaam zijn regeert het ego, waarmee we ons pijnlijke voortbestaan in de tijd en de ruimte en in afgescheidenheid zekerstellen.

Veel in deel 2 van het Werkboek van Een cursus in wonderen is erop gericht ons te helpen een andere keuze te maken, zodra we eenmaal de tragische vergissing inzien van het vergeten te lachen om het ‘nietig, dwaas idee’ (T27.VIII.6:2) van het autonoom op onszelf willen zijn. Zoals les 327 ons belooft: “Er wordt mij niet gevraagd om verlossing aan te nemen op grond van een ongefundeerd geloof. Want God heeft beloofd dat Hij mijn roep zal horen en mij Zelf antwoord geven. Laat me slechts op grond van mijn ervaring leren dat dit waar is, en vertrouwen in Hem zal zeker tot me komen. Dit is het vertrouwen dat stand zal houden en me steeds verder en verder zal brengen op de weg die tot Hem leidt.” (Wd2.327.1:1). We moeten echter wel willen roepen en het antwoord willen horen. Om in alle eerlijkheid een dergelijke bereidheid te cultiveren kost tijd, zoals de metaforische passage “de weg die tot Hem leidt” duidelijk benadrukt.

In Een cursus in wonderen onderwijst Jezus ons dat God ons niet heeft verlaten. Het Laatste “Oordeel” van onze Schepper is slechts dit: “Jij bent nog altijd Mijn heilige Zoon, voor immer onschuldig, eeuwig liefdevol en eeuwig geliefd, even onbegrensd als jouw Schepper, totaal onveranderlijk en voor altijd zuiver. Ontwaak daarom en keer terug tot Mij. Ik ben jouw Vader en jij bent Mijn Zoon.” (Wd2.10.5:1-3). Waar Jezus aan toevoegt: “Wijs Liefde niet af. Onthoud dit: wat je ook over jezelf denkt, wat je ook over de wereld denkt, jouw Vader heeft jou nodig en zal je roepen tot jij ten langen leste in vrede tot Hem komt.” (LvG3.IV.10:6-7). Dat is geen oproep uit een soort hoge Hemel, want God  (Liefde) is nu al aanwezig in ieders denkgeest, hoewel diep begraven: “Want dieper nog dan het fundament van het ego, en veel sterker dan dat ooit zal zijn, brandt jouw intense liefde voor God, en die van Hem voor jou.” (T13.III.2:8). Dit is wat het ego voortdurend probeert te onderdrukken.

Een cursus in wonderen is een leerplan voor het trainen van onze gedachten. De Cursus bekommert zich niet om theologische spinsels: “Deze cursus is altijd praktisch.” (H16.4:1). Jezus realiseert zich maar al te goed dat wij echt niet ons denken zullen veranderen enkel en alleen omdat hij ons vraagt hem op zijn blauwe ogen te geloven (als hij die al zou hebben). Veel van zijn curriculum gaat over het elke dag weer eerlijk leren kijken naar alle pijn in de denkgeest, zonder onszelf te veroordelen, om vervolgens de Heilige Geest om hulp te vragen in het maken van een betere keuze, één die tot blijvende innerlijke vrede leidt. De belofte van God is het gevoel van innerlijke vrede dat we ervaren doordat we niet meer veroordelen: “Je hebt geen idee van de geweldige bevrijding en de diepe vrede die ontstaan wanneer jij jezelf en je broeders totaal zonder oordeel tegemoet treedt.” (T3.VI.3:1).

Eigenlijk is de uitnodiging van Jezus aan ons zoiets als: “Kijk eens goed naar jouw keuze om het ego te volgen. Laten we eerlijk zijn: die leidt steeds weer tot teleurstelling. Waarom zou je mijn alternatief niet eens proberen? Doe de test [d.w.z., het oefenen in onvoorwaardelijke vergeving]. Ervaar hoeveel beter je je voelt. Je kunt altijd weer terug naar veroordeling; niemand dwingt je. Maar het kan beslist geen kwaad om mijn weg naar geluk te proberen.” En inderdaad, veel studenten merken dat hoewel de tekst nogal vaag en abstract overkomt, de ervaring van innerlijke die volgt op ware vergeving onmiskenbaar en onweerstaanbaar is. En dat is wat hen doet blijven oefenen met de Cursus. Aangezien de enige vrijheid van de slapende Zoon van God bestaat uit de vrije keuze wanneer hij besluit in vreugde te ontwaken uit de droom, waarom dan niet vroeger dan later? Probeer Jezus’ advies over het stoppen met veroordelen vandaag nog, en ervaar de innerlijke vrede die blijvend is; de overtuigende vrede die het einde aankondigt van alle geloof in zoiets als de dood.

— Jan-Willem van Aalst, september 2017 (vertaling van: https://miraclesormurder.wordpress.com/2017/09/02/the-price-of-death/)

 

Het vreugdevolle Laatste Oordeel

In de Bijbel wordt het Laatste Oordeel gebracht als een angstwekkend gebeuren, waarin God de ‘goede’ zielen scheidt van de ‘slechte’. Zowat iedereen vreest dit concept, zelfs degenen die zichzelf niet als religieus beschouwen. Je kunt jezelf intellectueel wel vertellen dat er waarschijnlijk geen God is en dus geen Laatste Oordeel, maar diep van binnen zijn we allemaal onzeker over wat met ons gebeurt nadat we sterven, hoezeer we dat ook buiten het bewustzijn proberen te houden. In het denksysteem van het ego is angst voor een onvermijdelijke bestraffing nooit ver weg.

Hoe anders is dan het beeld van het Laatste Oordeel dat Jezus schetst in Een cursus in wonderen! Het Laatste Oordeel zal beslist plaatsvinden, maar alleen in die zin dat het letterlijk het laatste oordeel zal zijn… door de schijnbaar slapende Zoon van God zelf. Zoals Jezus al vrij vroeg in het Tekstboek zegt: “Het Laatste Oordeel wordt algemeen gezien als een handeling die door God voltrokken wordt. In werkelijkheid zal ze met mijn hulp door mijn broeders worden voltrokken. Het is een definitieve genezing […] Het Laatste Oordeel kan een proces van juiste waardebepaling worden genoemd. Het betekent eenvoudig dat eenieder uiteindelijk zal gaan begrijpen wat waarde heeft en wat niet.” (T2.VIII.3:1). Dit verwijst naar het onderscheid tussen dualiteit (d.w.z., tijd, ruimte, en waarneming) en nondualiteit (waarin uitsluitend God=Liefde bestaat). Het Laatste Oordeel verwelkomt de Wederkomst van de Zoon van God terug naar nondualiteit, wat het einde van het universum betekent: het einde van tijd en ruimte, en het einde van alle illusies van afscheiding. Het Laatste Oordeel betekent dat de Zoon van God beseft dat “[…] wat nooit waar was nu niet waar is, en dat nooit zal zijn. Het onmogelijke is niet gebeurd, en kan geen gevolgen hebben. En dat is alles.” (T31.1:1).

Het Laatste Oordeel door de Zoon van God is derhalve een verklaring van bevrijding van illusies. Het betekent dat we aanvaarden dat we ons hebben vergist in ons nietig, dwaas idee over onze wens om ons af te scheiden van onze Schepper, daarmee een universum van tijd en ruimte makend waarin we kunnen fantaseren over individuele macht. Het doet denken aan de volgende passage: “Wat als je inzag dat deze wereld een hallucinatie is? En wat als je werkelijk begreep dat jij haar hebt bedacht? Wat als je besefte dat degenen die erin lijken rond te lopen om te zondigen en te sterven, aan te vallen en te moorden en zichzelf te vernietigen, totaal onwerkelijk zijn? Zou je vertrouwen kunnen hebben in hetgeen je ziet, als je dit aanvaardde? En zou je het dan zien? Hallucinaties verdwijnen als ze worden gezien als wat ze zijn. Dit is de genezing en de remedie.” (T20.VIII.7:3). Het Laatste Oordeel betekent dat de Zoon van God inziet dat perceptie louter illusie is, en dat de aanname dat we gelukkiger kunnen zijn zonder God een pijnlijke vergissing is (hoewel geen zonde, want zonde is onmogelijk). Het Laatste Oordeel is ook het blije besef dat er iets veel, veel beters is, wat het erfgoed is van de Zoon: eeuwige vrede, Thuis in Zijn Schepper.

Een aandachtige studie van wat Een cursus in wonderen over het Laatste Oordeel zegt zou alle angst voor dat concept moeten doen verdwijnen. En toch, hoewel we het misschien intellectueel kunnen aanvaarden… zolang we nog geloven dat we van dag tot dag leven, werken en ademen in tijd en ruimte, zijn we er nog niet klaar voor om dat ook daadwerkelijk te manifesteren. Jezus weet dit heel goed, en stelt ons gerust: “[…] We zijn vooralsnog niet erop voorbereid [nondualiteit] met vreugde te verwelkomen. Zolang er nog één denkgeest bezeten blijft door kwade dromen, is het idee van een hel werkelijk. Het doel van Gods leraren is de denkgeest van hen die in slaap zijn te doen ontwaken, en daar de visie van Christus’ gelaat te zien om in de plaats te komen van wat zij dromen. Het idee van moord wordt vervangen door zegening. Het oordelen wordt afgelegd en aan Hem [d.w.z., de Heilige Geest] gegeven wiens functie oordelen is. En in Zijn Laatste Oordeel wordt de waarheid over de heilige Zoon van God hersteld. […] En allen die hij eerder heeft proberen te kruisigen, worden samen met hem opgewekt, aan zijn zijde, wanneer hij zich samen met hen voorbereidt op de ontmoeting met zijn God.” (H28.6).

De bovenstaande passage is overigens door veel Cursusstudenten begrepen als dat ze het Woord zouden moeten gaan verkondigen, om zoveel mogelijk zielen te bekeren tot de boodschap van de Cursus. Dit is wat Kenneth Wapnick betitelde als “de vergissing tot werkelijkheid maken“. Waarom? Omdat een dergelijke drang inhoudt dat je tijd en ruimte als heel echt beschouwt, en dat dingen alsnog slecht zouden kunnen aflopen als niemand iets onderneemt. Deze focus op het externe werkt niet, omdat het probleem intern is, dat wil zeggen, in de denkgeest. Deze goedbedoelende mensen zouden sectie 12 in het Handboek voor leraren nog eens kunnen lezen: die herinnert ons eraan dat het aantal leraren dat nodig is om de wereld te redden één is, namelijk: jezelf. Zoals Ken Wapnick uitlegt: “Het gaat er niet om het Woord de wereld in te brengen. Je aanvaardt het Woord in jezelf.” Uiteindelijk is er helemaal niemand daarbuiten. Wij zijn allen een integraal deel van de ene Zoon van God. Dus als jij, als dromende Zoon van God, je denkgeest transformeert naar een heilig ogenblik — buiten tijd en ruimte — dan volstaat dat. Verlossing is gekomen.

Hoewel jij en ik dat in theorie op elk moment zouden kunnen doen, ervaren we dit allemaal als een bijzonder traag leerproces. Dit komt vooral door de schijnbaar enorme omvang van de consequenties van deze keuze: want ja, zonder oordeel heeft de wereld geen oorzaak meer, en dus geen bestaansrecht. Of, preciezer gezegd: mijn lichaam en mijn individualiteit hebben geen oorzaak en geen bestaansrecht meer. Zoals Jezus toelicht: “Zonder oorzaak en nu zonder functie in de visie van Christus verglijdt [de wereld] eenvoudig in het niets. […] Lichamen zijn nu onbruikbaar en zullen dan ook oplossen in het niets, want de Zoon van God is onbegrensd. […]” (Wd2.10.2:3,6). Uh, dat betekent dat ik (als persoonlijkheid) zal oplossen in het niets. Denk daar eens een minuutje over na. Slik eens, en adem diep in. Ben ik er al klaar voor om, zonder aarzeling, te aanvaarden dat daarin mijn verlossing gelegen is? Als jij en ik heel eerlijk zijn, dan is het antwoord: “Nee!” Geen wonder dat we wat mildheid nodig hebben. Veroordeling voedt het doorgaan van de tijd, wat we nodig hebben zolang we ons als speciaal zelf willen blijven ervaren.

Een begrijpelijke maar verkeerde verdediging die we vaak kiezen is het afdoen van Jezus’ notie van het Laatste Oordeel als onhaalbaar: “Dus het Laatste Oordeel is wanneer de allerlaatste slapende Zoon van God aanvaardt dat alleen Eenheidsliefde waarde heeft? Wauw, dat gaat nog heeeel lang duren. Dit kunnen we net zo goed vergeten; laten we nog een glaasje wijn nemen.” We zouden echter de metafysica van de Cursus nooit te ver achter ons moeten laten. Voor onze hersenen lijkt de tijd lineair te verlopen, maar tijd is in werkelijkheid holografisch, wat betekent dat het geheel is vervat in elk deeltje, hoe klein ook. Alles in de tijd gebeurt nu. Elke liefdevolle gedachte vibreert nu in elke denkgeest in het universum. Er is slechts één leraar nodig om de wereld te redden, omdat er slechts één denkgeest is, omdat er slechts één Zoon is. Dat is waarom Jezus herhaaldelijk benadrukt dat we ons er niet op zouden moeten richten om te proberen de wereld te veranderen, aangezien de wereld slechts een gevolg is van de denkgeest. Het enige wat we hebben te ‘doen’ is naar binnen kijken naar de duisternis die we verkiezen feitelijk het oorspronkelijke ontologische oordeel dat we gelukkiger zullen zijn afgescheiden van God en dan het magere succes daarvan inzien, om vervolgens opnieuw te kiezen voor Liefde.

De keuze om niet meer te veroordelen lost dus het autoriteitsprobleem op, waarvan Jezus zegt dat dat in feite het enige probleem is dat we hebben (T11.In.2:3). Het opgeven van veroordeling betekent in blijdschap aanvaarden dat Jezus gelijk heeft, en dat wij ons hebben vergist – in alles. Niet dat we zondig zijn geweest, maar we hebben ons wel danig vergist (T10.V.6:1). Het opgeven van veroordeling betekent dat we bereid zijn een stapje terug te doen, om de denkgeest te laten leiden door Jezus / De Heilige Geest, in het vertrouwen dat alleen zij weten wat ons werkelijk gelukkig zal maken. Zoals Jezus concludeert in zijn werkboek essay 10 over het Laatste Oordeel: “Jij die geloofde dat het Laatste Oordeel van God de wereld samen met jou zou veroordelen tot de hel, aanvaard  […] Gods eindoordeel: ‘Jij bent nog altijd Mijn heilige Zoon, voor immer onschuldig, eeuwig liefdevol en eeuwig geliefd, even onbegrensd als jouw Schepper, totaal onveranderlijk en voor altijd zuiver. Ontwaak daarom en keer terug tot Mij. Ik ben jouw Vader en jij bent Mijn Zoon.’” (Wd2.10.3:1,5).

Het kan erg behulpzaam zijn om dat in het achterhoofd te houden zodra je jezelf van streek voelt, of angstig, of depressief. De volgende keer dat je merkt dat je je niet meer vredig voelt, om wat voor reden ook, probeer dan de film van je leven even te pauzeren. Observeer jezelf, en zeg zoiets als: “Ah, daar ga ik weer. Lekker veroordelen. Ik doe dat omdat het ego zo mijn speciale individuele zelf in stand houdt. Maar hoe belangrijk is dat eigenlijk? Maakt het werkelijk uit? Wat in de wereld is eigenlijk werkelijk belangrijk? Hoe ik de wereld zie weerspiegelt mijn eigen denkgeest, die ik kennelijk veroordeel. Hm, dat is geen vrede. En geen vrede betekent pijn ervaren. Ik wil geen pijn. Wat wil ik: gelijk of geluk? Koppig volhouden dat ik gelijk heb, heeft me nog nooit werkelijk gelukkig gemaakt. Hmm, ik zou in plaats hiervan vrede kunnen zien, door een stapje terug te doen en de Heilige Geest te vragen, via mijn intuïtie, wat ik het beste kan denken, zeggen of doen. Dat is niet zwak, dat is gewoon eerlijk. Waarom zou ik dat niet nu proberen?”

Dit is vaak een geweldig recept om de denkgeest snel terug te krijgen in de staat van innerlijke vrede. En als het je vandaag niet lukt om weer vredig te worden, dan kun je er in elk geval blij om zijn dat je je nu realiseert hoe de denkgeest werkt. Je kunt het dan morgen nog eens proberen. Uiteindelijk kan niemand hierin blijvend falen, aangezien het Laatste Oordeel van de Zoon van God al heeft plaatsgevonden: we kijken eenvoudigweg terug op een reis die al voorbij is gegaan (Wd1.158.4:5). Het ligt in onze macht om te besluiten hoe lang we er nog over willen doen om dat laatste moment opnieuw te bereiken. Zoals Jezus zegt: “Vrees het Laatste Oordeel niet, maar verwelkom het en wacht niet, want de tijd van het ego is ‘geleend’ van jouw eeuwigheid.” (T9.IV.9:2). En, heel puntig: “De bedoeling van tijd is enkel en alleen jou ‘de tijd te geven’ om tot dit [laatste] oordeel te komen.” (T2.VIII.5:8). Het ligt, nogmaals, in onze macht om de tijd te gebruiken voor elk doel dat we er aan willen geven. Een uitstekende reden om goedgemutst te zijn!

— Jan-Willem van Aalst, augustus 2017 (vertaling van https://miraclesormurder.wordpress.com/2017/08/19/the-joyful-last-judgment/)

Van angst naar rede

Een cursus in wonderen definieert het ego als de gedachte dat ik blijvend geluk zou kunnen vinden als een speciaal individu, volstrekt los van de Eenheidsliefde (die we gewoonlijk ‘God’ noemen) die mij heeft geschapen. De metafysica van de Cursus stelt dat dit in werkelijkheid niet mogelijk is, omdat ‘Eenheid’ nu eenmaal betekent dat er niets anders is, maar mijn denkgeest heeft de vrijheid om een droom van tijd en ruimte in te beelden, waarin ik deze afgescheiden ego-staat lijk te ervaren. Deze hallucinatie-droom kan echter alleen in stand worden gehouden door voortdurend te ‘bewijzen’ dat deze daadwerkelijk verschilt van de Eenheidsliefde die we afwezen; en dus is niets hier blijvend; niets is ooit perfect.

Het ego voelt bovendien aan dat de Zoon (d.w.z., al het leven samen), die willens en wetens ervoor koos deze droomwereld in een imperfect universum te dromen, van gedachten zou kunnen veranderen en opnieuw voor Eenheidsliefde kiezen, wat de gehele droom van tijd en ruimte subiet zou beëindigen. Om dit te voorkómen, moet de denkgeest voortdurend gevoed worden met angst voor een ingebeelde wraakzuchtige God, die erop uit is ons te straffen omdat wij hem hebben afgewezen. Zolang we een lange lijst met beangstigende zaken hebben, zal de denkgeest geen gelegenheid nemen om eerlijk naar binnen te kijken, en daar de illusoire aard van de droomwereld van tijd en ruimte te doorzien. En dus lijkt er altijd iets te zijn om te vrezen in deze droomwereld. De vormen zijn oneindig: gemanipuleerd worden door hypocriete politici; een natuurramp; een burgeroorlog; een nieuw kwaadaardig virus.

Ongeacht de vorm van de dreiging, is de ego-boodschap altijd dezelfde: wees bang. Wees heel bang, want je leven kan op elk moment zomaar als een kaarsje uitgeblazen worden. En dit geloven alle schijnbaar afgescheiden zielen inderdaad, zoals we lezen in hoofdstuk 21 van de tekst: “De blinden raken aan hun wereld gewend door zich eraan aan te passen. Ze denken dat ze hun weg erin kennen. Ze hebben die geleerd, niet door vreugdevolle lessen, maar door de harde noodzaak van beperkingen die ze meenden niet te kunnen overwinnen. En doordat ze dit nog altijd geloven, zijn die lessen hun dierbaar en klampen zij zich eraan vast, omdat ze niet kunnen zien. Ze begrijpen niet dat die lessen hen blind houden. Dat geloven ze niet. En dus houden ze de wereld die ze hebben leren ‘zien’ in hun verbeelding vast, in de overtuiging dat hun keuze is: dit of niets. Ze haten de wereld die ze door pijn hebben leren kennen. En alles wat ze menen dat zich daarin bevindt, dient om hen eraan te herinneren dat ze incompleet zijn en bitterlijk misdeeld. En aldus bakenen zij hun leven en hun leefruimte af, en passen zich eraan aan zoals ze menen te moeten doen, bang om het weinige dat ze hebben te verliezen.” (T-21.I.4:1-5:1).

Zolang ik nog geloof dat ik een kwetsbaar lichaam ben, zal geen enkel redelijk argument in staat zijn mijn angst te verhelpen dat mijn leven ‘op elk moment als een kaarsje uitgeblazen kan worden’. Het maakt niet uit dat het sterftepercentage van het nieuwe virus nog steeds vergelijkbaar is met het sterftepercentage van andere griepvirussen waar we ons nauwelijks druk om maken. Het maakt niet uit dat economen zeggen dat de gevolgen van een ‘lock-down’ van de samenleving misschien wel veel erger zijn dan simpelweg het sterftepercentage te aanvaarden en door te gaan met handelen en leven. Het maakt niet uit als integrale gezondheidscoaches de formidabele kracht van ons immuunsysteem benadrukken. Angst houdt onze notie als uniek, speciaal afgescheiden individueel lichaam in stand, en dus kiest de denkgeest ervoor om bijna in paniek te blijven: “Zie je wel? Daar is het bewijs! Ik kan aangevallen en gedood worden door een virus; iets dat ik niet eens kan zien. De afscheiding van God heeft daadwerkelijk plaatsgevonden!”

Een cursus in wonderen berispt ons niet omdat we nog steeds spirituele beginners zijn, en Jezus vertelt ons nergens dat we alles wat we waarnemen koppig zouden moeten ontkennen. Het lichaam is niet slecht; het is neutraal, en als zodanig zouden we daar gewoon goed voor moeten zorgen. Al in hoofdstuk 2 van het Tekstboek zegt Jezus expliciet dat het gebruik van ‘magie’ (de Cursusterm voor alles wat stoffelijk is, medicijnen incluis) ten behoeve van het lichaam niet zondig is (T2.IV.4:4-10). Dus als je hoofdpijn hebt, neem dan vooral een aspirientje! In het licht van een virusdreiging is het altijd een goed idee om lifestyle medicine te beoefenen: eet voedzame voeding; zorg voor voldoende beweging; slaap goed, en raak minder snel in de stress. En dat laatste aspect is natuurlijk de sleutel. Ik ervaar alleen maar stress door bepaalde overtuigingen over wat mis zou kunnen gaan en hoe mij dat zou kunnen raken; dat is, hoe dat mijn lichaam zou kunnen raken. En het is ontegenzeggelijk waar dat het lichaam door vele zaken geraakt kan worden die buiten mijn invloedssfeer liggen.

Nogmaals, de enige uitweg uit deze misère en angst is het veranderen van je denkgeest over wat de wereld is en wat ik zelf ben. In het werkboek lezen we: “De wereld werd gemaakt als een aanval op God. Ze symboliseert angst. En wat is angst anders dan de afwezigheid van liefde? De wereld was aldus bedoeld als een plaats waar God niet binnen kon gaan en waar Zijn Zoon van Hem gescheiden kon zijn.” (Wd2.3.2:1-4). Werkboekles 97 stelt duidelijk: “Ik ben geest”. Zou een virus inderdaad mijn lichaam overwinnen omdat ik nog teveel angst heb, dan zal ik onvermijdelijk opnieuw reïncarneren in een lichaam, zo vaak als ik nodig heb om eindelijk de ‘les van liefde’ (Hoofdstuk 6) te leren dat Gods Zoon één is, niet in staat om een universum van tijd en ruimte tot werkelijkheid te maken.

Angst is altijd een slechte raadgever. De oplossing voor welke dreiging dan ook die op ons afkomt, zij het een manipulatieve manager, een overstroming, of een virus, is nooit om het angstniveau op te schroeven, maar altijd om angst te verminderen. Een cursus in wonderen helpt mij om mijn angst te verminderen door het verschil duidelijk te maken tussen wat waar is en wat niet waar is. Van angst naar rede. En als effectieve Cursusstudent preek ik niet naar mijn vrienden, familie en anderen dat ze zouden moeten stoppen met te geloven dat ze een lichaam zijn, en dat ze in werkelijkheid onkwetsbaar zijn. In tegendeel: effectieve Cursusstudenten ontmoeten anderen op het niveau waar zij zich bevinden. Zij keren dus eerst naar binnen en vragen de Heilige Geest wat te denken wat te zeggen. Hoogstwaarschijnlijk komt er iets in hen op wat die anderen kunnen begrijpen en waarderen. Bijvoorbeeld over het versterken van het immuunsysteem door voedzaam eten, voldoende beweging en een regelmatig slaapritme. Als het je lukt om volstrekt vriendelijk en liefdevol te blijven, kun je jezelf met recht een ‘Leraar van God’ noemen. Een fijne beoefening gewenst!

— Jan-Willem van Aalst, maart 2020 (vertaling van https://miraclesormurder.wordpress.com/2020/03/21/from-fear-to-reason/)

 

De motivatie voor verandering

In Een cursus in wonderen pleit Jezus er vaak voor om anderen niet te veroordelen. Enkele voorbeelden: “Als je wilt weten of je gebeden verhoord zijn, twijfel dan nooit aan een Zoon van God [d.w.z., een willekeurig mens]. Trek hem niet in twijfel en maak hem niet onzeker.” (T9.II.4:1); “Ik vertrouw mijn broeders [d.w.z, iedereen], zij zijn één met mij.” (WdI.181.6:5; WdI.rIV.201.1:1). Maar telkens als we het journaal zien blijkt dat toch moeilijker dan we dachten. Of we ons er nu bewust van zijn of niet, we hebben snel onze mening klaar over oneerlijke politici; over wéér een gruwelijke aanslag op onschuldige mensen door terroristen. Om dat niet meer te veroordelen lijkt een teken van zwakte, dat allerminst zal bijdragen aan een betere wereld. Dus wat bedoelt Jezus?

Jezus vraagt ons om vrede te leren door dat te onderwijzen. In de “Lessen van de liefde” (Hoofdstuk 6) bespreekt Jezus hoe de motivatie om iets te leren in het algemeen werkt. “[…] iedereen vereenzelvigt zichzelf met zijn denksysteem, en ieder denksysteem draait om wat jij denkt dat je bent. […] Alle goede leraren beseffen dat alleen een fundamentele verandering duurzaam zal zijn, maar ze beginnen niet op dat niveau. Het versterken van de motivatie om te veranderen is hun eerste en voornaamste doel. Het is bovendien hun laatste en definitieve. Het enige wat de leraar hoeft te doen om verandering te garanderen is in de leerling de motivatie om [de denkgeest] te veranderen verhogen.” (T6.V.B.1:9,10). Dus hoe motiveert Jezus zijn studenten, in het licht van alle ellende die we om ons heen ervaren?

De sleutel ligt in het antwoord op de fundamentele vraag: “Wat ben ik?” (W-dII.14). Zolang jij en ik nog steeds geloven dat wij een lichaam zijn waarmee wij een wereld ervaren, zullen onze gedachten zich onvermijdelijk richten op lichamen; of, algemener gezegd, op tijd, ruimte, en waarneming. Te geloven dat ik een lichaam ben, is een teken dat ik het ego-denksysteem van zonde, schuld en angst heb verkozen. Deze dynamiek lijkt inderdaad de wereld te beheersen. Het journaal schotelt ons voortdurend een uitermate beangstigende wereld voor, vol van mensen die schuldig zijn aan een heel scala aan zonden, en die eigenlijk voor de rechter zouden moeten worden gebracht. Kortom, zolang we nog mompelen: “Ik ben een lichaam, ik ben een lichaam”, zullen we de lessen van de liefde niet leren, omdat we niet gemotiveerd zijn om Jezus te geloven wanneer hij ons vraagt onze broeders niet meer te veroordelen.

Een aanzienlijk deel van Een cursus in wonderen richt zich er dan ook op om ons te doen realiseren dat het enige juiste antwoord op de vraag “Wat ben ik?” is dat jij en ik louter geest zijn; de ene Zoon van God, die in slaap leek te vallen en nu een droom lijkt te dromen over hoe het zou zijn om afgescheiden te zijn van God. Zie bijvoorbeeld werkboekles 139: “Er is geen conflict dat niet de ene, eenvoudige vraag behelst: ‘Wat ben ik?’ Maar wie anders zou deze vraag kunnen stellen dan iemand die geweigerd heeft zichzelf te herkennen? Alleen de weigering jezelf te accepteren kan de vraag oprecht doen lijken. Het enige wat door ieder levend wezen met zekerheid kan worden gekend, is wat het is. […] Jij bent jezelf. Daar bestaat geen twijfel over. En toch betwijfel je het. […] En juist voor deze ontkenning heb je Verzoening nodig. Je ontkenning heeft geen verandering gebracht in wat jij bent. Maar je hebt je denkgeest opgesplitst in wat de waarheid kent en wat die niet kent.” (WdI.139.4,5). De les van de Verzoening is: “Ik ben zoals God mij geschapen heeft“, dat wil zeggen: een uitbreiding van Liefde, als louter geest met als enige functie om diezelfde Liefde uit te breiden, zowel in de Hemel alsook op deze denkbeeldige aarde. In de wereld is niets blijvend, behalve oprechte liefde. Er is niemand die dit niet op de één of andere manier heeft ervaren, hoe onbestemd misschien ook.

De Heilige Geest is de Stem namens Liefde die in de denkgeest meekwam toen de Zoon van God in slaap leek te vallen in de ego-droom van tijd en ruimte. Jezus probeert ons te motiveren om steeds vaker te kiezen voor die Stem van de Heilige Geest. Deze stem zal nooit pleiten voor veroordeling. In les 151 lezen we: “Hij zal jou niet zeggen dat je broeder beoordeeld moet worden naar wat jouw ogen in hem zien, de mond van zijn lichaam tot jouw oren spreekt, of de aanraking van jouw vingers over hem vertelt. Hij schenkt geen aandacht aan zulke nietszeggende getuigen die slechts valse getuigenis afleggen over Gods Zoon. Hij merkt alleen op wat God liefheeft, en in het heilig licht van wat Hij ziet, vervliegen alle dromen van het ego over wat jij bent ten overstaan van de pracht die Hij aanschouwt. Laat Hem de Oordelaar zijn van wat jij bent, want Hij heeft zekerheid waarin geen plaats voor twijfel is, omdat ze berust op een Zekerheid zo groot dat twijfel voor Haar aangezicht alle betekenis verliest. Christus kan niet twijfelen aan Zichzelf. De Stem namens God kan Hem alleen maar eer betuigen en zich verheugen in Zijn volmaakte, eeuwigdurende zondeloosheid. Wie Hij geoordeeld heeft kan alleen maar lachen om schuld, en wil niet langer met het speelgoed van de zonde spelen; hij slaat geen acht op de getuigen van het lichaam ten overstaan van de verrukking om Christus’ heilige gelaat. En zo oordeelt Hij jou. Aanvaard Zijn Woord over wat jij bent, want Hij getuigt van de schoonheid van jouw schepping en van de Denkgeest wiens Gedachte jouw werkelijkheid schiep. Wat voor betekenis kan het lichaam hebben voor Hem die de heerlijkheid kent van de Vader en de Zoon? Wat voor fluisteringen van het ego kan Hij horen? Wat zou Hem ervan kunnen overtuigen dat jouw zonden werkelijkheid zijn? Laat Hem eveneens de Oordelaar zijn van alles wat er in deze wereld schijnbaar met jou gebeurt. Zijn lessen zullen maken dat jij de kloof tussen illusies en de waarheid overbruggen kunt.” (WdI.151.7-9).

De volgende keer dat we geneigd zijn om politici en terroristen te veroordelen (of onze echtgenoot, onze buur, onze familie, het maakt niet uit), zouden we ons kunnen realiseren dat we vorm beoordelen. Op dat moment heben we dus de vraag “Wat ben ik?” opnieuw verkeerd beantwoord met “Ik ben een lichaam”. In de wereld van vorm is het zinloos om te ontkennen dat er verschrikkelijke dingen gebeuren, die voor de rechter gebracht zouden moeten worden. Maar gezien vanuit inhoud, zijn onze waarnemingen altijd verkeerd, omdat ze voortkomen uit projectie van zaken in onze denkgeest die we nog weigeren onder ogen te zien. Om innerlijke vrede te vinden, zouden we ons moeten herinneren dat het enige juiste antwoord op de vraag: “Wat ben ik?” is dat jij en ik en iedereen om ons heen dezelfde ene onschuldige Zoon van God is. Zoals we lezen in hoofdstuk 9 over het corrigeren van vergissingen: “Hij is nog altijd juist, omdat hij een Zoon van God is. Zijn ego is altijd mis, wat het ook zegt of doet. Als jij op de fouten van je broeders ego wijst, moet je daar wel met het jouwe naar kijken, want de Heilige Geest neemt zijn vergissingen niet waar.” (T9.III.2).

De werkelijke motivatie voor verandering is het besef dat zolang ik anderen nog veroordeel om wat ik meen dat hun zonden zijn (en zo schuldgevoel versterk), ik mezelf in pijn hou, omdat ik slechts de illusie van mijn eigen waargenomen zonde projecteer. Ik zou daar ook in alle kalmte samen met Jezus (of de Heilige Geest) naar kunnen kijken, en mij realiseren dat er niets is gebeurd — “niet één noot in het lied van de Hemel werd gemist.” (T26.V.5:4). Sterker nog, de Heilige Geest kan van elke waargenomen ‘duisternis’ een les in vergeving maken. Dat is eigenlijk een geweldige leerschool. De volgende keer dat je een politicus domme dingen hoort zeggen, of wanneer je de verwoesting van terrorisme aanschouwt, vraag dan Jezus of de Heilige Geest om hulp bij het beantwoorden van de vraag: “Wat ben ik?”.

Dat wil niet zeggen dat criminelen niet voor de rechter zouden moeten worden gebracht. Maar dat is de illusoire droomwereld van vorm. Vanuit inhoud gezien zijn zij net zo goed een deel van de schijnbaar gespleten denkgeest van de Zoon van God als jij en ik. Alle mensen, inclusief politici, criminelen en terroristen zijn nog altijd holografische uitbreidingen van Gods Liefde, hoewel onze zintuigen dat zo niet waarnemen. Leer dat dergelijke pijnlijke waarneming niet nodig is, en dat we “in plaats hiervan vrede zouden kunnen zien” (WdI.34). “Wil je vrede, onderwijs vrede om vrede te leren” (T6.V.B). Zo motiveert Jezus ons om ons denken te veranderen: zoals ik over mijn broeder oordeel, zo oordeel ik over mezelf. Mensen om ons heen blijven veroordelen is de manier om pijn in onszelf te blijven voeden, en niemand wil in pijn blijven leven. En zo besluit Jezus: “Onderwijs louter liefde, want dat is wat jij bent.” (T6.I.13:1).

— Jan-Willem van Aalst, juli 2017 (vertaling van https://miraclesormurder.wordpress.com/2017/07/15/the-motivation-for-change/)

Toeteren over spiritualiteit

Spiritualiteit is hot. Websites die spiritualiteit verkopen springen als paddenstoelen uit de grond, gevoed door het wijdverbreide verlangen in mensen om echte zingeving in het leven te vinden. Helaas is in menig geval de drijfveer van dergelijke websites niet om vergeving of gedeelde belangen te onderwijzen. Vaker gaat het over geld verdienen, of om het tentoonspreiden van het opgeblazen ego van iemand die ernaar snakt door zoveel mogelijk zoekende zielen aanbeden te worden. Toch zijn er ook genoeg websites met oprechte bedoelingen, die werkelijk mensen uitnodigen om betere keuzes in hun leven te maken, bijvoorbeeld door ze te inspireren om het denken op liefde te richten in plaats van op boosheid en angst. Toch zou Jezus in beide gevallen zeggen dat dit niet is waar zijn Cursus van innerlijke vrede primair over gaat.

De enige verantwoordelijkheid van de wonderdoener is de Verzoening voor zichzelf te aanvaarden“, vertelt Jezus ons maar liefst drie keer in Een cursus in wonderen (T2.V.5:1; T5.V.7:8; M7.3:2). Telkens als je de aandrang voelt om spiritualiteit aan anderen te onderwijzen, zou je jezelf kunnen afvragen: ‘Hoe zou ik iemands denkgeest kunnen helen terwijl ik nog zoveel genezingswerk in mijn eigen denkgeest te doen heb? En is mijn eigen denkgeest al genezen?’ Jezus herinnert ons aan het volgende: “Je bent er nog steeds van overtuigd dat jouw begrip een machtige bijdrage vormt aan de waarheid, en haar maakt tot wat ze is. Toch hebben we benadrukt dat je niets hoeft te begrijpen. Verlossing is makkelijk, juist omdat ze niets vraagt wat je niet nu meteen kunt geven.” (T18.IV.7:5).

Wat we geven is onvoorwaardelijke vergeving. Dit doen we in onze eigen denkgeest. Wanneer we dit toepassen is de uitwerking net zo krachtig op iemand aan de andere kant van de wereld, die je misschien al een decennium niet hebt gezien, als op je eigen echtgenoot of ouders die in de buurt zijn. Je hebt geen workshops of conferenties nodig om iemands denkgeest te helpen helen. Het is zelfs zo dat Jezus over het genezen van anderen zegt: “Als de zieke zijn denken moet veranderen om genezen te worden, wat doet de leraar van God dan? Kan hij het denken van de zieke voor hem veranderen? Beslist niet.” (H5.III.1:1-3). Probeer dus niet om mensen te overtuigen van de noodzaak om spiritueel inzicht te verkrijgen; je hebt nog genoeg werk te doen om de Verzoening voor jezelf te aanvaarden.

Misschien is één van de grootste valkuilen van spirituele websites, cursussen, trainingsprogramma’s, workshops en dergelijke, dat ze de neiging hebben zich uitsluitend op licht en geluk te richten. Op zich is er niets mis met zo’n focus, maar in Een cursus in wonderen benadrukt Jezus herhaaldelijk dat we eerlijk in onze eigen denkgeest naar de duisternis zullen moeten kijken, en dat bezien voor wat het is, willen we ooit het licht ervaren. “Het is niet jouw taak op zoek te gaan naar liefde, maar enkel in jezelf alle hindernissen te zoeken die jij ertegen opgeworpen hebt, en die te vinden. Het is niet nodig te zoeken naar wat waar is, maar wel naar wat onwaar is” (T16.IV.6:1-2). “Niemand kan ontsnappen aan illusies tenzij hij ernaar kijkt, want door er niet naar te kijken worden ze beschermd” (T11.V.1:1). Dit kijken kunnen we niet louter op onszelf doen. Maar samen met Jezus (of de Heilige Geest) hebben we de lamp die het ego zal verdrijven, net zoals duisternis verdwijnt zodra we de lichtschakelaar aanzetten. Je zit dus niet te wachten op workshops waarin je uitsluitend leert om liefde te affirmeren.

Dit alles betekent echter beslist niet dat je jezelf zou moeten opsluiten en nooit over spiritualiteit communiceren, of dit onderwijzen. Jezus benadrukt immers dat de wereld behoefte heeft aan gelukkige leerlingen en leraren van God, want de wereld is “oud en versleten en zonder hoop” (H1.4:5). En waarom zou dat niet over jou gaan? “Een leraar van God is ieder die ervoor kiest er een te zijn.” (H1.1:1). De manier om een goede leraar van God te zijn is om een normaal leven te leiden, en Jezus’ innerlijke vrede uit te stralen terwijl je simpelweg leeft. In het Handboek voor leraren legt Jezus uit hoe je op deze wijze denkgeesten kunt helen van hen die daar nog helemaal niet voor open staan: “Zij komen tot hen als vertegenwoordigers van een andere keuze die zij vergeten waren. De eenvoudige aanwezigheid van een leraar van God is een herinnering. Zijn gedachten vragen het recht om te betwijfelen wat de zieke als waar aangenomen heeft. Als Gods boodschappers zijn Zijn leraren het symbool van verlossing. Ze vragen de zieke om vergeving voor de Zoon van God in diens eigen Naam. Ze vertegenwoordigen het Alternatief. Met Gods Woord in hun gedachten komen zij al zegenend, niet om de zieken te genezen maar om hen de remedie in herinnering te brengen die God hun al gegeven heeft. Het zijn niet hun handen die genezen. Het is niet hun stem die het Woord van God spreekt. Ze geven louter wat hun gegeven is. Heel vriendelijk roepen ze hun broeders op zich af te keren van de dood: ‘Aanschouw, jij Zoon van God, wat het leven jou bieden kan. Zou jij in plaats hiervan ziekte willen kiezen?’” (H5.III.2:2-12). Dit doen ze in het algemeen niet woordelijk zo. Ze doen dit door hun innerlijke vrede te demonstreren, door een kalm gemoed. Niet door iets of iemand te veroordelen; door echte empathie te tonen. En door het vinden van de duistere plekken die zich nog in hun eigen denkgeest bevinden!

Nogmaals, de manier om de Verzoening te onderwijzen is om die in jezelf te aanvaarden, en dit dan te demonstreren in je eigen alledaagse leven. Als je het gevoel hebt dat de Heilige Geest je oproept om workshops of studiegroepen of conferenties te organiseren, of zelfs je hele leven aan Een cursus in wonderen te wijden, dan is dat prima. Verzeker jezelf er wel van dat daar geen ego-drijfveer onder zit om je op de buitenwereld te richten, omdat je het onbewust nog te eng vindt om naar binnen te kijken, omdat de lamp die je samen met Jezus vasthoudt dat ego zou wegschijnen. De genezen denkgeest wordt genezen “…niet door de wil van iemand anders, maar door de vereniging van de ene Wil met zichzelf.” (H5.III.3:8). Zoek en vind daarom altijd de Stem van de Heilige Geest om je gedachten en handelingen te leiden. “De Stem van de Heilige Geest gebiedt niet, want Ze is niet tot arrogantie in staat. Ze eist niet, want Ze is niet uit op controle. Ze overweldigt niet, want Ze valt niet aan. Ze brengt slechts in herinnering.” (T5.II.7:1-4). Een werkelijk effectief spiritueel leven betekent: voortdurend oefenen in het weerspiegelen van Jezus’ innerlijke vrede in je eigen dagelijkse leven in de illusoire waakdroom, terwijl je tegelijkertijd blijft kijken naar alle hindernissen die jij zelf nog tegen liefde opwerpt. Met de leiding van Jezus met zijn zaklamp kun je alle donkere plekken in je denken opruimen, totdat niets meer in de weg staat om het gelaat van Christus in iedereen te zien. Wat wil je nog meer?

— Jan-Willem van Aalst, juli 2017 (vertaling van https://miraclesormurder.wordpress.com/2017/07/08/shouting-about-spirituality/)

De enorme populariteit van geweld

Wie leest er vandaag de dag nog wel eens een boek? Wel, één ding staat vast: het genre van misdaad en horror verkoopt als nooit tevoren. En met films is het niet anders. Filmmakers perfectioneren de ‘kunst’ van het ons zo bloedig mogelijk voorschotelen van de meest gruwelijke scenes — en we verzwelgen er in. In de gaming industrie gaan jaarlijks letterlijk miljarden om aan zeer gewelddadige spellen zoals Call of duty, Thrill kill, Doom, Mortal combat, enzovoorts. Waarom zijn we zo verslaafd aan geweld, moord en aanval, terwijl we tegelijkertijd vinden dat we vriendelijk zouden moeten proberen te zijn? Wat is de bron van onze eindeloze dorst naar geweld, terwijl we eigenlijk graag herinnerd zouden willen worden als een goed mens?

Een cursus in wonderen verschaft ons een kristalhelder antwoord op deze schijnbare paradox, of conflict in de denkgeest. Het gaat uiteindelijk allemaal terug naar het ontologische ogenblik (buiten tijd en ruimte, de metafysische grondslag van Een cursus in wonderen), waarin het nietig, dwaas idee (T-27.VIII.6:2) van het kunnen afscheiden van God serieus leek te worden overwogen in de denkgeest van de Zoon van God. In werkelijkheid is dit nooit gebeurd (H.2.2:8), omdat er in werkelijkheid niet zoiets als tijd bestaat. Maar alleen al de schijnbare overweging van dit ‘ego-idee’, leek de nachtmerrie in gang te zetten van de Oerknal, het universum, en de wereld, waarin tijd en ruimte zich ogenschijnlijk lineair oneindig uitstrekken. In deze dualistische droom wordt de schijnbaar slapende Zoon van God zich bewust van iets buiten hemzelf. Wauw, de afscheiding van God is kennelijk gelukt. Ik heb eenheid aangevallen en ik heb gewonnen. Ik ben op mezelf! Ik besta! Hoera!

De conclusie van dit lachwekkende verzinsel, dat desalniettemin de basis vormt van alles wat wij als ‘echt’ beschouwen in onze droomwereld van tijd en ruimte, is dat dankzij mijn afwijzing, dat wil zeggen mijn aanval op de Eenheid die God is, ik besta. Mijn aanval op de Hemel is hoe ik, als god in mijn eigen persoonlijke koninkrijkje, mijn bestaansrecht vond. Derhalve zal ik steeds afwijzing, aanval en moord moeten ervaren om mijn bestaan te blijven ‘bewijzen’. Waarom moet ik dat steeds weer bevestigen? Omdat ik diep vanbinnen besef dat het niet waar is. Hoe zou ik ooit God hebben kunnen verslaan, de almachtige Schepper? Zeker, ik ervaar dat ik besta, maar God zal mij ongetwijfeld vinden en zwaar bestraffen voor mijn oerzonde van mijn afscheiding. Onbewust projecteer ik mijn schuld over mijn aanval op God. Ik overtuig mezelf ervan dat God (dat wil zeggen, de ego-versie van God) erop uit is mij aan te vallen en te vermoorden, een conclusie die heel begrijpelijk en gerechtvaardigd klinkt. En dus roepen we het ego te hulp. Help!

“Kalm maar,” sust het ego ons. “Kijk naar de wereld om je heen. Veroorzaakte jij alle ellende die je ziet? Natuurlijk niet. Anderen zijn verantwoordelijk voor alle aanval en moord. God zal ongetwijfeld jouw ‘gelaat van onschuld’ herkennen en alleen de slechten in deze wereld straffen. Doe je gewoon voor als vriendelijk en liefdevol, en je zult veilig zijn (nou ja, in elk geval voor de komende tijd, haha).” Dus hoe relateert dit aan onze hang naar geweld in boeken, films en spellen? Deze media bieden mij een uitstekende gelegenheid om te kunnen vingerwijzen. Aanval en moord zitten niet in mij; ze zijn daar! Ik ben onschuldig, want geweld bevindt zich duidelijk buiten mijzelf. Dus, samenvattend: we zijn verslaafd aan geweld (1) omdat dit onmiskenbaar de echtheid van de afscheiding van God bevestigt, wat bewijst dat ik los van God besta; en (2) omdat dit aantoont dat het geweld dat de afscheiding kenmerkt, in anderen zit, en niet in mij. Stel je eens voor wat er in de wereld zou kunnen veranderen als staatshoofden deze onbewuste redenatie zouden inzien!

In Een cursus in wonderen toont Jezus ons op milde wijze de uitweg uit dit drama. Het mooie is dat deze weg niet kan falen, omdat we de liefdevolle aanwezigheid van de Heilige Geest (de stem namens Liefde/eenheid/God) nooit volledig uit ons bewustzijn kunnen wissen, hoewel we die wel steeds proberen te onderdrukken. Aangezien alle aanval die ik waarneem (fysiek of psychisch) mij onbewust doet herinneren aan mijn eigen ‘zondige aanval’, zal de pijn van de door mij ervaren schuld op een gegeven moment dermate ondraaglijk worden dat ik zal uitroepen dat er wel een andere manier moet zijn. Jezus beantwoordt deze roep met de uitnodiging om mijn denkgeest boven het slagveld te verheffen (T23.IV), en aldaar zonder oordeel te bezien wat er nu eigenlijk gaande is. Vanuit dat perspectief, dat wil zeggen, objectief kijkend naar de ‘film’ van de gespleten denkgeest, zonder mezelf er in te verliezen, kom ik er achter dat alles waar ik vroeger zo van overtuigd was simpelweg niet waar is! Het opgeblazen, razende ego blijkt helemaal niets te zijn – een leugen om de illusie in stand te kunnen houden dat de afscheiding van eenheid daadwerkelijk is gelukt. Door samen met Jezus naar deze droom te kijken, ga ik me realiseren dat de vrede in de Hemel nooit verstoord is geweest, dat God helemaal niets van enige afscheiding weet, en dat Hij Zijn Zoon eeuwig liefheeft. Ik ben nog steeds veilig Thuis bij mijn Schepper.

Deze realisatie, hoe mooi en waar ook, is echter niet voldoende om de ego-nachtmerrie ‘als met een vingerknip’ achter je te laten. Ik koos voor het ego, en doe dat blijkbaar het leeuwendeel van de tijd nog steeds. Waarom? Zoals we al in eerdere blogs zagen, is de consequentie van het aanvaarden van de waarheid van Jezus’ boodschap dat ik mijn gekoesterde individuele persoonlijkheid zal kwijtraken. Hoe illusoir dat kleine afgescheiden zelfje ook mag zijn, ik geloof nog steeds dat het alles is wat ik heb. We besteden heel wat aandacht aan het lichaam, de belichaming van het ego. Het duurt even (waarschijnlijk meerdere levens) om het ego-denken ongedaan te maken, en met vreugde te aanvaarden dat het opgeven van individualiteit mij, als holografisch deel van de Zoon van God, eeuwige vrede en onveranderlijke Liefde zal schenken. Daarom is de studie en de beoefening van Een cursus in wonderen een langzaam proces, dat vertrouwen en geduld vergt. Dus hoe doen we dat dan? Je raadt het: vergeving. Dat wil zeggen, niet vergeving in de zin dat ik spiritueel verder gevorderd ben dan al die andere miserabele zielen, maar de erkenning dat iedereen Gods Liefde waardig is, en dat wij allemaal uiteindelijk het liefst weer één met elkaar willen worden in  onze reis-zonder-afstand terug naar God. Het is de verschuiving in de denkgeest van “de één of de ander” van het ego naar “samen, of in het geheel niet” van de Heilige Geest (T19.IV-D.12:8).

Vergeving betekent het kiezen voor de interpretatie van de Heilige Geest van wat wij om ons heen lijken te ervaren. Het betekent onze aandacht richten op het nu, in plaats van voortdurend op het zondige verleden en de angstwekkende toekomst. Als ik ervoor kies een vergeven wereld te zien (omdat ik de zottigheid van de ego-illusie doorzie; er is in werkelijkheid niets gebeurd!) dan sta ik mijn denkgeest toe genezen te worden door de correctie van de Heilige Geest, de Stem namens Liefde. Wat betekent dit voor mijn bewustzijn? “Er is niets om je heen dat geen deel van jou is. Kijk er vol liefde naar en zie er het licht van de Hemel in. Zo zul je gaan inzien wat jou allemaal gegeven is. In zachtmoedige vergeving zal de wereld sprankelen en stralen, en alles wat jij eens zondig achtte, krijgt nu een nieuwe interpretatie als deel van de Hemel. Hoe schitterend is het om zuiver, verlost en gelukkig door een wereld te gaan die zo deerlijk de verlossing nodig heeft die jouw onschuld haar verleent!” (T23.in.6:1-5).

Een laatste punt: de eerstvolgende keer dat je jouw echtgenoot of kinderen ‘betrapt’ op het kijken naar gewelddadige films of het spelen van gruwelijke spellen, terwijl je je nu ten volste beseft wat hier gaande is, probeer ze dan niet te bekeren. Telkens wanneer je die drang voelt, realiseer je dan dat je in de valkuil stapt van het proberen te corrigeren van een illusie, en dat jij verantwoordelijk bent voor de correctie daarvan. Dat is wat Kenneth Wapnick bedoelt met “de vergissing tot realiteit maken.” Mensen proberen te veranderen betekent eigenlijk hen afwijzen en aanvallen, wat de Stem van de Heilige Geest in jouw eigen denkgeest doet verstommen. Jouw enige functie is het aanvaarden van de Verzoening voor jezelf (T2.V.5:1; T5.V.7:8; M7.3:2). Probeer gewoon mild en liefdevol voor ze te zijn. Dat is de beste manier om ze te doen herinneren aan de mildheid en vriendelijkheid in hun eigen denkgeest. Laat het oplossen van het conflict in hun denkgeest over aan de Heilige Geest. Wanneer zij daar aan toe zijn is niet aan jou, en tijd bestaat feitelijk toch niet in werkelijkheid. Blijf gewoon oefenen met onvoorwaardelijke vergeving, dat wil zeggen: blijf onvoorwaardelijk liefde uiten. Dat brengt de vrede van God waar jij en ik werkelijk naar hunkeren.

— Jan-Willem van Aalst, juli 2017 (vertaling van: https://miraclesormurder.wordpress.com/2017/07/01/the-immense-popularity-of-violence/)