Blog

De motivatie voor verandering

In Een cursus in wonderen pleit Jezus er vaak voor om anderen niet te veroordelen. Enkele voorbeelden: “Als je wilt weten of je gebeden verhoord zijn, twijfel dan nooit aan een Zoon van God [d.w.z., een willekeurig mens]. Trek hem niet in twijfel en maak hem niet onzeker.” (T9.II.4:1); “Ik vertrouw mijn broeders [d.w.z, iedereen], zij zijn één met mij.” (WdI.181.6:5; WdI.rIV.201.1:1). Maar telkens als we het journaal zien blijkt dat toch moeilijker dan we dachten. Of we ons er nu bewust van zijn of niet, we hebben snel onze mening klaar over oneerlijke politici; over wéér een gruwelijke aanslag op onschuldige mensen door terroristen. Om dat niet meer te veroordelen lijkt een teken van zwakte, dat allerminst zal bijdragen aan een betere wereld. Dus wat bedoelt Jezus?

Jezus vraagt ons om vrede te leren door dat te onderwijzen. In de “Lessen van de liefde” (Hoofdstuk 6) bespreekt Jezus hoe de motivatie om iets te leren in het algemeen werkt. “[…] iedereen vereenzelvigt zichzelf met zijn denksysteem, en ieder denksysteem draait om wat jij denkt dat je bent. […] Alle goede leraren beseffen dat alleen een fundamentele verandering duurzaam zal zijn, maar ze beginnen niet op dat niveau. Het versterken van de motivatie om te veranderen is hun eerste en voornaamste doel. Het is bovendien hun laatste en definitieve. Het enige wat de leraar hoeft te doen om verandering te garanderen is in de leerling de motivatie om [de denkgeest] te veranderen verhogen.” (T6.V.B.1:9,10). Dus hoe motiveert Jezus zijn studenten, in het licht van alle ellende die we om ons heen ervaren?

De sleutel ligt in het antwoord op de fundamentele vraag: “Wat ben ik?” (W-dII.14). Zolang jij en ik nog steeds geloven dat wij een lichaam zijn waarmee wij een wereld ervaren, zullen onze gedachten zich onvermijdelijk richten op lichamen; of, algemener gezegd, op tijd, ruimte, en waarneming. Te geloven dat ik een lichaam ben, is een teken dat ik het ego-denksysteem van zonde, schuld en angst heb verkozen. Deze dynamiek lijkt inderdaad de wereld te beheersen. Het journaal schotelt ons voortdurend een uitermate beangstigende wereld voor, vol van mensen die schuldig zijn aan een heel scala aan zonden, en die eigenlijk voor de rechter zouden moeten worden gebracht. Kortom, zolang we nog mompelen: “Ik ben een lichaam, ik ben een lichaam”, zullen we de lessen van de liefde niet leren, omdat we niet gemotiveerd zijn om Jezus te geloven wanneer hij ons vraagt onze broeders niet meer te veroordelen.

Een aanzienlijk deel van Een cursus in wonderen richt zich er dan ook op om ons te doen realiseren dat het enige juiste antwoord op de vraag “Wat ben ik?” is dat jij en ik louter geest zijn; de ene Zoon van God, die in slaap leek te vallen en nu een droom lijkt te dromen over hoe het zou zijn om afgescheiden te zijn van God. Zie bijvoorbeeld werkboekles 139: “Er is geen conflict dat niet de ene, eenvoudige vraag behelst: ‘Wat ben ik?’ Maar wie anders zou deze vraag kunnen stellen dan iemand die geweigerd heeft zichzelf te herkennen? Alleen de weigering jezelf te accepteren kan de vraag oprecht doen lijken. Het enige wat door ieder levend wezen met zekerheid kan worden gekend, is wat het is. […] Jij bent jezelf. Daar bestaat geen twijfel over. En toch betwijfel je het. […] En juist voor deze ontkenning heb je Verzoening nodig. Je ontkenning heeft geen verandering gebracht in wat jij bent. Maar je hebt je denkgeest opgesplitst in wat de waarheid kent en wat die niet kent.” (WdI.139.4,5). De les van de Verzoening is: “Ik ben zoals God mij geschapen heeft“, dat wil zeggen: een uitbreiding van Liefde, als louter geest met als enige functie om diezelfde Liefde uit te breiden, zowel in de Hemel alsook op deze denkbeeldige aarde. In de wereld is niets blijvend, behalve oprechte liefde. Er is niemand die dit niet op de één of andere manier heeft ervaren, hoe onbestemd misschien ook.

De Heilige Geest is de Stem namens Liefde die in de denkgeest meekwam toen de Zoon van God in slaap leek te vallen in de ego-droom van tijd en ruimte. Jezus probeert ons te motiveren om steeds vaker te kiezen voor die Stem van de Heilige Geest. Deze stem zal nooit pleiten voor veroordeling. In les 151 lezen we: “Hij zal jou niet zeggen dat je broeder beoordeeld moet worden naar wat jouw ogen in hem zien, de mond van zijn lichaam tot jouw oren spreekt, of de aanraking van jouw vingers over hem vertelt. Hij schenkt geen aandacht aan zulke nietszeggende getuigen die slechts valse getuigenis afleggen over Gods Zoon. Hij merkt alleen op wat God liefheeft, en in het heilig licht van wat Hij ziet, vervliegen alle dromen van het ego over wat jij bent ten overstaan van de pracht die Hij aanschouwt. Laat Hem de Oordelaar zijn van wat jij bent, want Hij heeft zekerheid waarin geen plaats voor twijfel is, omdat ze berust op een Zekerheid zo groot dat twijfel voor Haar aangezicht alle betekenis verliest. Christus kan niet twijfelen aan Zichzelf. De Stem namens God kan Hem alleen maar eer betuigen en zich verheugen in Zijn volmaakte, eeuwigdurende zondeloosheid. Wie Hij geoordeeld heeft kan alleen maar lachen om schuld, en wil niet langer met het speelgoed van de zonde spelen; hij slaat geen acht op de getuigen van het lichaam ten overstaan van de verrukking om Christus’ heilige gelaat. En zo oordeelt Hij jou. Aanvaard Zijn Woord over wat jij bent, want Hij getuigt van de schoonheid van jouw schepping en van de Denkgeest wiens Gedachte jouw werkelijkheid schiep. Wat voor betekenis kan het lichaam hebben voor Hem die de heerlijkheid kent van de Vader en de Zoon? Wat voor fluisteringen van het ego kan Hij horen? Wat zou Hem ervan kunnen overtuigen dat jouw zonden werkelijkheid zijn? Laat Hem eveneens de Oordelaar zijn van alles wat er in deze wereld schijnbaar met jou gebeurt. Zijn lessen zullen maken dat jij de kloof tussen illusies en de waarheid overbruggen kunt.” (WdI.151.7-9).

De volgende keer dat we geneigd zijn om politici en terroristen te veroordelen (of onze echtgenoot, onze buur, onze familie, het maakt niet uit), zouden we ons kunnen realiseren dat we vorm beoordelen. Op dat moment heben we dus de vraag “Wat ben ik?” opnieuw verkeerd beantwoord met “Ik ben een lichaam”. In de wereld van vorm is het zinloos om te ontkennen dat er verschrikkelijke dingen gebeuren, die voor de rechter gebracht zouden moeten worden. Maar gezien vanuit inhoud, zijn onze waarnemingen altijd verkeerd, omdat ze voortkomen uit projectie van zaken in onze denkgeest die we nog weigeren onder ogen te zien. Om innerlijke vrede te vinden, zouden we ons moeten herinneren dat het enige juiste antwoord op de vraag: “Wat ben ik?” is dat jij en ik en iedereen om ons heen dezelfde ene onschuldige Zoon van God is. Zoals we lezen in hoofdstuk 9 over het corrigeren van vergissingen: “Hij is nog altijd juist, omdat hij een Zoon van God is. Zijn ego is altijd mis, wat het ook zegt of doet. Als jij op de fouten van je broeders ego wijst, moet je daar wel met het jouwe naar kijken, want de Heilige Geest neemt zijn vergissingen niet waar.” (T9.III.2).

De werkelijke motivatie voor verandering is het besef dat zolang ik anderen nog veroordeel om wat ik meen dat hun zonden zijn (en zo schuldgevoel versterk), ik mezelf in pijn hou, omdat ik slechts de illusie van mijn eigen waargenomen zonde projecteer. Ik zou daar ook in alle kalmte samen met Jezus (of de Heilige Geest) naar kunnen kijken, en mij realiseren dat er niets is gebeurd — “niet één noot in het lied van de Hemel werd gemist.” (T26.V.5:4). Sterker nog, de Heilige Geest kan van elke waargenomen ‘duisternis’ een les in vergeving maken. Dat is eigenlijk een geweldige leerschool. De volgende keer dat je een politicus domme dingen hoort zeggen, of wanneer je de verwoesting van terrorisme aanschouwt, vraag dan Jezus of de Heilige Geest om hulp bij het beantwoorden van de vraag: “Wat ben ik?”.

Dat wil niet zeggen dat criminelen niet voor de rechter zouden moeten worden gebracht. Maar dat is de illusoire droomwereld van vorm. Vanuit inhoud gezien zijn zij net zo goed een deel van de schijnbaar gespleten denkgeest van de Zoon van God als jij en ik. Alle mensen, inclusief politici, criminelen en terroristen zijn nog altijd holografische uitbreidingen van Gods Liefde, hoewel onze zintuigen dat zo niet waarnemen. Leer dat dergelijke pijnlijke waarneming niet nodig is, en dat we “in plaats hiervan vrede zouden kunnen zien” (WdI.34). “Wil je vrede, onderwijs vrede om vrede te leren” (T6.V.B). Zo motiveert Jezus ons om ons denken te veranderen: zoals ik over mijn broeder oordeel, zo oordeel ik over mezelf. Mensen om ons heen blijven veroordelen is de manier om pijn in onszelf te blijven voeden, en niemand wil in pijn blijven leven. En zo besluit Jezus: “Onderwijs louter liefde, want dat is wat jij bent.” (T6.I.13:1).

— Jan-Willem van Aalst, juli 2017 (vertaling van https://miraclesormurder.wordpress.com/2017/07/15/the-motivation-for-change/)

Toeteren over spiritualiteit

Spiritualiteit is hot. Websites die spiritualiteit verkopen springen als paddenstoelen uit de grond, gevoed door het wijdverbreide verlangen in mensen om echte zingeving in het leven te vinden. Helaas is in menig geval de drijfveer van dergelijke websites niet om vergeving of gedeelde belangen te onderwijzen. Vaker gaat het over geld verdienen, of om het tentoonspreiden van het opgeblazen ego van iemand die ernaar snakt door zoveel mogelijk zoekende zielen aanbeden te worden. Toch zijn er ook genoeg websites met oprechte bedoelingen, die werkelijk mensen uitnodigen om betere keuzes in hun leven te maken, bijvoorbeeld door ze te inspireren om het denken op liefde te richten in plaats van op boosheid en angst. Toch zou Jezus in beide gevallen zeggen dat dit niet is waar zijn Cursus van innerlijke vrede primair over gaat.

De enige verantwoordelijkheid van de wonderdoener is de Verzoening voor zichzelf te aanvaarden“, vertelt Jezus ons maar liefst drie keer in Een cursus in wonderen (T2.V.5:1; T5.V.7:8; M7.3:2). Telkens als je de aandrang voelt om spiritualiteit aan anderen te onderwijzen, zou je jezelf kunnen afvragen: ‘Hoe zou ik iemands denkgeest kunnen helen terwijl ik nog zoveel genezingswerk in mijn eigen denkgeest te doen heb? En is mijn eigen denkgeest al genezen?’ Jezus herinnert ons aan het volgende: “Je bent er nog steeds van overtuigd dat jouw begrip een machtige bijdrage vormt aan de waarheid, en haar maakt tot wat ze is. Toch hebben we benadrukt dat je niets hoeft te begrijpen. Verlossing is makkelijk, juist omdat ze niets vraagt wat je niet nu meteen kunt geven.” (T18.IV.7:5).

Wat we geven is onvoorwaardelijke vergeving. Dit doen we in onze eigen denkgeest. Wanneer we dit toepassen is de uitwerking net zo krachtig op iemand aan de andere kant van de wereld, die je misschien al een decennium niet hebt gezien, als op je eigen echtgenoot of ouders die in de buurt zijn. Je hebt geen workshops of conferenties nodig om iemands denkgeest te helpen helen. Het is zelfs zo dat Jezus over het genezen van anderen zegt: “Als de zieke zijn denken moet veranderen om genezen te worden, wat doet de leraar van God dan? Kan hij het denken van de zieke voor hem veranderen? Beslist niet.” (H5.III.1:1-3). Probeer dus niet om mensen te overtuigen van de noodzaak om spiritueel inzicht te verkrijgen; je hebt nog genoeg werk te doen om de Verzoening voor jezelf te aanvaarden.

Misschien is één van de grootste valkuilen van spirituele websites, cursussen, trainingsprogramma’s, workshops en dergelijke, dat ze de neiging hebben zich uitsluitend op licht en geluk te richten. Op zich is er niets mis met zo’n focus, maar in Een cursus in wonderen benadrukt Jezus herhaaldelijk dat we eerlijk in onze eigen denkgeest naar de duisternis zullen moeten kijken, en dat bezien voor wat het is, willen we ooit het licht ervaren. “Het is niet jouw taak op zoek te gaan naar liefde, maar enkel in jezelf alle hindernissen te zoeken die jij ertegen opgeworpen hebt, en die te vinden. Het is niet nodig te zoeken naar wat waar is, maar wel naar wat onwaar is” (T16.IV.6:1-2). “Niemand kan ontsnappen aan illusies tenzij hij ernaar kijkt, want door er niet naar te kijken worden ze beschermd” (T11.V.1:1). Dit kijken kunnen we niet louter op onszelf doen. Maar samen met Jezus (of de Heilige Geest) hebben we de lamp die het ego zal verdrijven, net zoals duisternis verdwijnt zodra we de lichtschakelaar aanzetten. Je zit dus niet te wachten op workshops waarin je uitsluitend leert om liefde te affirmeren.

Dit alles betekent echter beslist niet dat je jezelf zou moeten opsluiten en nooit over spiritualiteit communiceren, of dit onderwijzen. Jezus benadrukt immers dat de wereld behoefte heeft aan gelukkige leerlingen en leraren van God, want de wereld is “oud en versleten en zonder hoop” (H1.4:5). En waarom zou dat niet over jou gaan? “Een leraar van God is ieder die ervoor kiest er een te zijn.” (H1.1:1). De manier om een goede leraar van God te zijn is om een normaal leven te leiden, en Jezus’ innerlijke vrede uit te stralen terwijl je simpelweg leeft. In het Handboek voor leraren legt Jezus uit hoe je op deze wijze denkgeesten kunt helen van hen die daar nog helemaal niet voor open staan: “Zij komen tot hen als vertegenwoordigers van een andere keuze die zij vergeten waren. De eenvoudige aanwezigheid van een leraar van God is een herinnering. Zijn gedachten vragen het recht om te betwijfelen wat de zieke als waar aangenomen heeft. Als Gods boodschappers zijn Zijn leraren het symbool van verlossing. Ze vragen de zieke om vergeving voor de Zoon van God in diens eigen Naam. Ze vertegenwoordigen het Alternatief. Met Gods Woord in hun gedachten komen zij al zegenend, niet om de zieken te genezen maar om hen de remedie in herinnering te brengen die God hun al gegeven heeft. Het zijn niet hun handen die genezen. Het is niet hun stem die het Woord van God spreekt. Ze geven louter wat hun gegeven is. Heel vriendelijk roepen ze hun broeders op zich af te keren van de dood: ‘Aanschouw, jij Zoon van God, wat het leven jou bieden kan. Zou jij in plaats hiervan ziekte willen kiezen?’” (H5.III.2:2-12). Dit doen ze in het algemeen niet woordelijk zo. Ze doen dit door hun innerlijke vrede te demonstreren, door een kalm gemoed. Niet door iets of iemand te veroordelen; door echte empathie te tonen. En door het vinden van de duistere plekken die zich nog in hun eigen denkgeest bevinden!

Nogmaals, de manier om de Verzoening te onderwijzen is om die in jezelf te aanvaarden, en dit dan te demonstreren in je eigen alledaagse leven. Als je het gevoel hebt dat de Heilige Geest je oproept om workshops of studiegroepen of conferenties te organiseren, of zelfs je hele leven aan Een cursus in wonderen te wijden, dan is dat prima. Verzeker jezelf er wel van dat daar geen ego-drijfveer onder zit om je op de buitenwereld te richten, omdat je het onbewust nog te eng vindt om naar binnen te kijken, omdat de lamp die je samen met Jezus vasthoudt dat ego zou wegschijnen. De genezen denkgeest wordt genezen “…niet door de wil van iemand anders, maar door de vereniging van de ene Wil met zichzelf.” (H5.III.3:8). Zoek en vind daarom altijd de Stem van de Heilige Geest om je gedachten en handelingen te leiden. “De Stem van de Heilige Geest gebiedt niet, want Ze is niet tot arrogantie in staat. Ze eist niet, want Ze is niet uit op controle. Ze overweldigt niet, want Ze valt niet aan. Ze brengt slechts in herinnering.” (T5.II.7:1-4). Een werkelijk effectief spiritueel leven betekent: voortdurend oefenen in het weerspiegelen van Jezus’ innerlijke vrede in je eigen dagelijkse leven in de illusoire waakdroom, terwijl je tegelijkertijd blijft kijken naar alle hindernissen die jij zelf nog tegen liefde opwerpt. Met de leiding van Jezus met zijn zaklamp kun je alle donkere plekken in je denken opruimen, totdat niets meer in de weg staat om het gelaat van Christus in iedereen te zien. Wat wil je nog meer?

— Jan-Willem van Aalst, juli 2017 (vertaling van https://miraclesormurder.wordpress.com/2017/07/08/shouting-about-spirituality/)

De enorme populariteit van geweld

Wie leest er vandaag de dag nog wel eens een boek? Wel, één ding staat vast: het genre van misdaad en horror verkoopt als nooit tevoren. En met films is het niet anders. Filmmakers perfectioneren de ‘kunst’ van het ons zo bloedig mogelijk voorschotelen van de meest gruwelijke scenes — en we verzwelgen er in. In de gaming industrie gaan jaarlijks letterlijk miljarden om aan zeer gewelddadige spellen zoals Call of duty, Thrill kill, Doom, Mortal combat, enzovoorts. Waarom zijn we zo verslaafd aan geweld, moord en aanval, terwijl we tegelijkertijd vinden dat we vriendelijk zouden moeten proberen te zijn? Wat is de bron van onze eindeloze dorst naar geweld, terwijl we eigenlijk graag herinnerd zouden willen worden als een goed mens?

Een cursus in wonderen verschaft ons een kristalhelder antwoord op deze schijnbare paradox, of conflict in de denkgeest. Het gaat uiteindelijk allemaal terug naar het ontologische ogenblik (buiten tijd en ruimte, de metafysische grondslag van Een cursus in wonderen), waarin het nietig, dwaas idee (T-27.VIII.6:2) van het kunnen afscheiden van God serieus leek te worden overwogen in de denkgeest van de Zoon van God. In werkelijkheid is dit nooit gebeurd (H.2.2:8), omdat er in werkelijkheid niet zoiets als tijd bestaat. Maar alleen al de schijnbare overweging van dit ‘ego-idee’, leek de nachtmerrie in gang te zetten van de Oerknal, het universum, en de wereld, waarin tijd en ruimte zich ogenschijnlijk lineair oneindig uitstrekken. In deze dualistische droom wordt de schijnbaar slapende Zoon van God zich bewust van iets buiten hemzelf. Wauw, de afscheiding van God is kennelijk gelukt. Ik heb eenheid aangevallen en ik heb gewonnen. Ik ben op mezelf! Ik besta! Hoera!

De conclusie van dit lachwekkende verzinsel, dat desalniettemin de basis vormt van alles wat wij als ‘echt’ beschouwen in onze droomwereld van tijd en ruimte, is dat dankzij mijn afwijzing, dat wil zeggen mijn aanval op de Eenheid die God is, ik besta. Mijn aanval op de Hemel is hoe ik, als god in mijn eigen persoonlijke koninkrijkje, mijn bestaansrecht vond. Derhalve zal ik steeds afwijzing, aanval en moord moeten ervaren om mijn bestaan te blijven ‘bewijzen’. Waarom moet ik dat steeds weer bevestigen? Omdat ik diep vanbinnen besef dat het niet waar is. Hoe zou ik ooit God hebben kunnen verslaan, de almachtige Schepper? Zeker, ik ervaar dat ik besta, maar God zal mij ongetwijfeld vinden en zwaar bestraffen voor mijn oerzonde van mijn afscheiding. Onbewust projecteer ik mijn schuld over mijn aanval op God. Ik overtuig mezelf ervan dat God (dat wil zeggen, de ego-versie van God) erop uit is mij aan te vallen en te vermoorden, een conclusie die heel begrijpelijk en gerechtvaardigd klinkt. En dus roepen we het ego te hulp. Help!

“Kalm maar,” sust het ego ons. “Kijk naar de wereld om je heen. Veroorzaakte jij alle ellende die je ziet? Natuurlijk niet. Anderen zijn verantwoordelijk voor alle aanval en moord. God zal ongetwijfeld jouw ‘gelaat van onschuld’ herkennen en alleen de slechten in deze wereld straffen. Doe je gewoon voor als vriendelijk en liefdevol, en je zult veilig zijn (nou ja, in elk geval voor de komende tijd, haha).” Dus hoe relateert dit aan onze hang naar geweld in boeken, films en spellen? Deze media bieden mij een uitstekende gelegenheid om te kunnen vingerwijzen. Aanval en moord zitten niet in mij; ze zijn daar! Ik ben onschuldig, want geweld bevindt zich duidelijk buiten mijzelf. Dus, samenvattend: we zijn verslaafd aan geweld (1) omdat dit onmiskenbaar de echtheid van de afscheiding van God bevestigt, wat bewijst dat ik los van God besta; en (2) omdat dit aantoont dat het geweld dat de afscheiding kenmerkt, in anderen zit, en niet in mij. Stel je eens voor wat er in de wereld zou kunnen veranderen als staatshoofden deze onbewuste redenatie zouden inzien!

In Een cursus in wonderen toont Jezus ons op milde wijze de uitweg uit dit drama. Het mooie is dat deze weg niet kan falen, omdat we de liefdevolle aanwezigheid van de Heilige Geest (de stem namens Liefde/eenheid/God) nooit volledig uit ons bewustzijn kunnen wissen, hoewel we die wel steeds proberen te onderdrukken. Aangezien alle aanval die ik waarneem (fysiek of psychisch) mij onbewust doet herinneren aan mijn eigen ‘zondige aanval’, zal de pijn van de door mij ervaren schuld op een gegeven moment dermate ondraaglijk worden dat ik zal uitroepen dat er wel een andere manier moet zijn. Jezus beantwoordt deze roep met de uitnodiging om mijn denkgeest boven het slagveld te verheffen (T23.IV), en aldaar zonder oordeel te bezien wat er nu eigenlijk gaande is. Vanuit dat perspectief, dat wil zeggen, objectief kijkend naar de ‘film’ van de gespleten denkgeest, zonder mezelf er in te verliezen, kom ik er achter dat alles waar ik vroeger zo van overtuigd was simpelweg niet waar is! Het opgeblazen, razende ego blijkt helemaal niets te zijn – een leugen om de illusie in stand te kunnen houden dat de afscheiding van eenheid daadwerkelijk is gelukt. Door samen met Jezus naar deze droom te kijken, ga ik me realiseren dat de vrede in de Hemel nooit verstoord is geweest, dat God helemaal niets van enige afscheiding weet, en dat Hij Zijn Zoon eeuwig liefheeft. Ik ben nog steeds veilig Thuis bij mijn Schepper.

Deze realisatie, hoe mooi en waar ook, is echter niet voldoende om de ego-nachtmerrie ‘als met een vingerknip’ achter je te laten. Ik koos voor het ego, en doe dat blijkbaar het leeuwendeel van de tijd nog steeds. Waarom? Zoals we al in eerdere blogs zagen, is de consequentie van het aanvaarden van de waarheid van Jezus’ boodschap dat ik mijn gekoesterde individuele persoonlijkheid zal kwijtraken. Hoe illusoir dat kleine afgescheiden zelfje ook mag zijn, ik geloof nog steeds dat het alles is wat ik heb. We besteden heel wat aandacht aan het lichaam, de belichaming van het ego. Het duurt even (waarschijnlijk meerdere levens) om het ego-denken ongedaan te maken, en met vreugde te aanvaarden dat het opgeven van individualiteit mij, als holografisch deel van de Zoon van God, eeuwige vrede en onveranderlijke Liefde zal schenken. Daarom is de studie en de beoefening van Een cursus in wonderen een langzaam proces, dat vertrouwen en geduld vergt. Dus hoe doen we dat dan? Je raadt het: vergeving. Dat wil zeggen, niet vergeving in de zin dat ik spiritueel verder gevorderd ben dan al die andere miserabele zielen, maar de erkenning dat iedereen Gods Liefde waardig is, en dat wij allemaal uiteindelijk het liefst weer één met elkaar willen worden in  onze reis-zonder-afstand terug naar God. Het is de verschuiving in de denkgeest van “de één of de ander” van het ego naar “samen, of in het geheel niet” van de Heilige Geest (T19.IV-D.12:8).

Vergeving betekent het kiezen voor de interpretatie van de Heilige Geest van wat wij om ons heen lijken te ervaren. Het betekent onze aandacht richten op het nu, in plaats van voortdurend op het zondige verleden en de angstwekkende toekomst. Als ik ervoor kies een vergeven wereld te zien (omdat ik de zottigheid van de ego-illusie doorzie; er is in werkelijkheid niets gebeurd!) dan sta ik mijn denkgeest toe genezen te worden door de correctie van de Heilige Geest, de Stem namens Liefde. Wat betekent dit voor mijn bewustzijn? “Er is niets om je heen dat geen deel van jou is. Kijk er vol liefde naar en zie er het licht van de Hemel in. Zo zul je gaan inzien wat jou allemaal gegeven is. In zachtmoedige vergeving zal de wereld sprankelen en stralen, en alles wat jij eens zondig achtte, krijgt nu een nieuwe interpretatie als deel van de Hemel. Hoe schitterend is het om zuiver, verlost en gelukkig door een wereld te gaan die zo deerlijk de verlossing nodig heeft die jouw onschuld haar verleent!” (T23.in.6:1-5).

Een laatste punt: de eerstvolgende keer dat je jouw echtgenoot of kinderen ‘betrapt’ op het kijken naar gewelddadige films of het spelen van gruwelijke spellen, terwijl je je nu ten volste beseft wat hier gaande is, probeer ze dan niet te bekeren. Telkens wanneer je die drang voelt, realiseer je dan dat je in de valkuil stapt van het proberen te corrigeren van een illusie, en dat jij verantwoordelijk bent voor de correctie daarvan. Dat is wat Kenneth Wapnick bedoelt met “de vergissing tot realiteit maken.” Mensen proberen te veranderen betekent eigenlijk hen afwijzen en aanvallen, wat de Stem van de Heilige Geest in jouw eigen denkgeest doet verstommen. Jouw enige functie is het aanvaarden van de Verzoening voor jezelf (T2.V.5:1; T5.V.7:8; M7.3:2). Probeer gewoon mild en liefdevol voor ze te zijn. Dat is de beste manier om ze te doen herinneren aan de mildheid en vriendelijkheid in hun eigen denkgeest. Laat het oplossen van het conflict in hun denkgeest over aan de Heilige Geest. Wanneer zij daar aan toe zijn is niet aan jou, en tijd bestaat feitelijk toch niet in werkelijkheid. Blijf gewoon oefenen met onvoorwaardelijke vergeving, dat wil zeggen: blijf onvoorwaardelijk liefde uiten. Dat brengt de vrede van God waar jij en ik werkelijk naar hunkeren.

— Jan-Willem van Aalst, juli 2017 (vertaling van: https://miraclesormurder.wordpress.com/2017/07/01/the-immense-popularity-of-violence/)

 

Vaarwel titanische God

Wat associeer jij met het woord “God”? Aangezien onze hersenen in beelden denken, is het haast onvermijdelijk één of ander beeld voor je te zien. En meestal heeft dat beeld iets menselijks. Duizenden jaren lang is God afgebeeld als een soort gigantische, almachtige koning die alles wat in het universum gebeurt gadeslaat en beoordeelt. De Franse filosoof Voltaire merkte ooit op: “God schiep de mens naar zijn evenbeeld, en de mens bedankte God door hetzelfde met Hem te doen.” Zelfs als je niet over God in termen van iets menselijks denkt, zie je nog steeds een beeld, bijvoorbeeld een bol van licht. In Een cursus in wonderen vertelt Jezus ons dat wij “niet eens aan God kunnen denken zonder een lichaam, of in een of andere vorm die we denken te herkennen” (T18.VIII.1:7).

Deze drang om iets buiten ons te willen visualiseren is juist het probleem, zou Jezus zeggen. Door een beeld te willen maken van God, proberen we Hem naar de volstrekt denkbeeldige wereld van tijd en ruimte om ons heen te brengen. Dat is niet de weg om God te bereiken. De metafysische grondslag van Een cursus in wonderen is dat nondualiteit (“niet-twee”) de enige werkelijkheid is. Alles wat wij in tijd en ruimte menen waar te nemen is een illusie. Het is de illusie van de slapende Zoon van God  met als doel om te kunnen schuilen voor een ingebeelde wraakzuchtige Schepper, die ons wil straffen omdat wij Hem hebben verlaten (de oerzonde). Zeker, ook in Een cursus in wonderen wordt God vaak beschreven als een Iemand die “eenzaam is zonder Zijn kinderen” (T2.III.5:11), die ons de Heilige Geest stuurt om ons terug naar Huis te leiden (T5.II.2:5), en die zelfs traanbuizen heeft omdat hij kennelijk “weent over het offer van zijn kinderen” (T5.VII.4:5).

Maar zoals Kenneth Wapnick herhaaldelijk toelichtte, moet je dit zien in de context van de pedagogische wijsheid van Jezus, die zijn studenten aanspreekt op het niveau waar zij denken te zijn, dat wil zeggen: in een wereld van tijd en ruimte. Om ons te motiveren moet Jezus de taal gebruiken die wij nu kunnen begrijpen en waarderen. Naarmate we vorderen met de Cursus, zullen we steeds beter beseffen wat werkelijk waar is: “Een wonder, wil het zijn maximale effect sorteren, moet worden uitgedrukt in een taal die de ontvanger zonder angst kan verstaan. Dit betekent niet noodzakelijkerwijs dat dit het hoogste niveau van communicatie is waartoe hij in staat is. Het betekent echter wel dat dit het hoogste niveau van communicatie is waartoe hij nu in staat is.” (T2.IV.5:3). En dus gebruikt Jezus symbolen en metaforen die wij met ons huidige niveau van denken kunnen bevatten. Het zou echter een vergissing zijn om die symbolen als de letterlijke waarheid te zien, louter omdat ons dat de afgelopen tweeduizend jaar zo is verteld.

Dus wat is God eigenlijk, en waarom zouden we een wraakzuchtig beeld van onze Schepper maken terwijl we zijn Liefde zo graag willen? Om in te gaan op de eerste vraag: in Een cursus in wonderen worden we uitgenodigd om een volstrekt ander beeld van ons zelf te aanvaarden. Samengevat is deze boodschap: “God is louter Liefde, en dus ben ik dat ook” (Wd1.171-180). In hoofdstuk 28 lezen we: “Deze wereld was lang geleden al voorbij. De gedachten die haar hebben gemaakt, zijn niet meer in de denkgeest die ze gedacht heeft en een tijdje liefhad.” (T28.I.1:6). Hoewel onze hersenen niet in staat zijn zich iets zonder vorm of concept in te beelden, is dat wel precies wat Jezus bedoelt: jij en ik zijn een holografisch deel van dezelfde pure geest die eeuwig en onveranderlijk in God huist. God is letterlijk liefde, en uitsluitend liefde. De wereld waarin jij en ik betekenisvolle activiteiten proberen te vinden zoals het redden van het klimaat is slechts een na-ijlend beeld (Ken Wapnick zegt “afterimage”) van de tijd-ruimte droom die feitelijk al voorbij is. Zodra wij onze ware Identiteit als geest van pure Liefde omarmen, zal deze hele droomwereld van tijd en ruimte simpelweg verdwijnen in de eeuwigheid, zonder een spoor achter te laten, omdat ze nooit in werkelijkheid heeft bestaan.

Intellectueel kunnen we zo’n redenatie misschien tot op zekere hoogte volgen, zeker als je je verdiept in spiritualiteit of kwantumfysica. Tegelijkertijd is dat onze ergste angst: als individu volledig te verdwijnen. “Je meent in Gods Tegenwoordigheid hulpeloos te zijn, en jij wilt jezelf van Zijn Liefde verlossen omdat je denkt dat die jou tot niets vermalen zou. Je bent bang dat ze jou van jezelf weg zou vagen en jou nietig zou maken, omdat je gelooft dat grootheid in verzet besloten ligt, en aanval allure heeft. Jij denkt dat je een wereld hebt gemaakt die God zou willen vernietigen, en dat je door Hem lief te hebben, wat je doet, die wereld weg zou werpen, wat je ook zou doen. […] En juist dit jaagt jou angst aan.” (T13.III.4) Ik weet dat ik deze alinea vaak citeer, en ik denk dat die niet vaak genoeg herhaald kan worden. Dit is precies het besef dat het ego koortsachtig probeert te verbergen voor de denkgeest, want dit luidt het einde van het ego zelf in, waar we ons nog zo innig mee identificeren.

Het ego-deel van onze denkgeest schreeuwt natuurlijk dat een staat van pure geest buiten tijd en ruimte belachelijk is. En we zouden nooit de sluwe hatelijkheid van het ego moeten onderschatten. Het ego redeneert ongeveer als volgt: “Is het niet simpelweg dom om voortdurend de pijn te blijven ontkennen die je buiten jezelf en in jezelf bemerkt? Je kunt naïef verzwelgen in lieflijke scènes van gelukzaligheid, maar uiteindelijk takel je af — net alles alles om je heen — en zul je sterven. Maar vóórdat dat gebeurt zul je veel eenzaamheid ervaren, en twijfels, zorgen en angsten, hoezeer je ook probeert je hoofd in het zand te stoppen. En die ‘God’ van je gaat je hier niet helpen. Hij zal over je oordelen zodra je sterft, maar verwacht beslist geen verlossing van hem. Ha!” En inderdaad, zolang wij ons nog als ons lichaam zien, lijkt deze beschrijving van het leven aardig te kloppen. Pas als we de innerlijke vrede van onze uitingen van liefde bewust ervaren (d.w.z, ‘wonderen’), zullen we steeds iets meer gaan beseffen dat wij niet een lichaam zijn. Jij en ik zijn één geest. “God is louter liefde, en dus ben ik dat ook.”

Probeer de last van alle kleine zorgen in je leven steeds wat meer achter je te laten. Het maakt niet uit als je autorit vertraging oploopt door file. Het maakt niet uit dat mensen je oneerlijk lijken te behandelen. Het maakt niet uit als de beurs instort. Het maakt niet uit als je partner je verlaat. Het maakt niet uit dat je lichaam aftakelt en sterft. Waarschijnlijk hebben jij en ik al honderden, misschien wel duizenden levens (‘incarnaties’) hier meegemaakt met dergelijke ervaringen. Voor je verlossing maakt dit allemaal niet uit. Wat uitmaakt is vergeving – van je broeder, en dus uiteindelijk van jezelf, omdat alles om je heen feitelijk slechts een projectie is van iets dat we in onszelf hebben onderdrukt. Besef dat je jezelf waarneemt in deze wereld, maar dat je niet van deze wereld bent. Leer te vergeven waar je voorheen steeds veroordeelde. Word een gelukkige leerling van de Heilige Geest, en je zult de weerspiegeling van Gods Liefde in deze wereld ervaren. “De leraren van God hebben vertrouwen in de wereld, omdat ze hebben geleerd dat die niet wordt geregeerd door wetten die de wereld heeft ontworpen. Ze wordt geregeerd door een kracht die in hen maar niet van hen is.” (H4.I.1:4). Dit is de kracht van Liefde ( = God = nondualiteit), ons werkelijke Thuis, hoewel wij dit besef uit ons bewustzijn hebben verbannen.

Aanvaard de hulp van de Heilige Geest om je volledig gewaar te worden van dit armetierige surrogaat voor Liefde, en sta Hem toe je denkgeest te laten veranderen voor jouzelf. Liefde ( = God) zal zich melden in je denkgeest. Aan het einde van deze reis van ontwaken verzekert Jezus ons dat wij “Samen zullen verdwijnen in de Tegenwoordigheid achter de sluier, om niet verloren te zijn maar gevonden; om niet gezien te worden maar gekend.” (T19.IV-D.19:1). Neem vooral je tijd voor dit leerproces. Geduld is een belangrijke eigenschap van een leraar van God. In les 184 lezen we: “Het zou inderdaad vreemd zijn als jou gevraagd werd aan alle symbolen van de wereld voorbij te gaan en ze voor altijd te vergeten, en jou toch werd gevraagd een onderwijzende functie op je te nemen. Het is voor jou nodig de symbolen van de wereld een tijdje te gebruiken. Maar laat je er niet tevens door misleiden. Ze staan helemaal nergens voor, en tijdens je oefeningen is het deze gedachte die jou ervan zal bevrijden. Ze worden slechts middelen waardoor je kunt communiceren op een manier die de wereld begrijpen kan, maar waarvan jij inziet dat het niet de eenheid is waar ware communicatie kan worden gevonden.”

“Wat je dus nodig hebt, zijn elke dag tussenpozen waarin het leren-in-de-wereld een voorbijgaande fase wordt, een gevangenis vanwaaruit je het zonlicht ingaat en de duisternis vergeet. Hier begrijp jij het Woord, de Naam die God jou gegeven heeft, de ene Identiteit die alle dingen gemeen hebben, de ene erkenning van wat waar is. En stap dan terug in de duisternis, niet omdat je meent dat die werkelijkheid is, maar alleen om de onwerkelijkheid ervan te verkondigen in termen die nog steeds betekenis hebben in de wereld die door duisternis wordt beheerst. Gebruik alle onbeduidende namen en symbolen die de wereld van de duisternis kenschetsen. Maar aanvaard ze niet als jouw werkelijkheid. De Heilige Geest gebruikt ze allemaal, maar Hij vergeet niet dat de schepping één Naam heeft, één betekenis en één enkele Bron, die alle dingen in Zichzelf verenigt. Gebruik alle namen die de wereld aan ze geeft slechts voor het gemak, maar vergeet niet dat ze met jou de Naam van God delen. God heeft geen naam. En toch wordt Zijn Naam de definitieve les dat alle dingen één zijn, en met deze les eindigt elke vorm van leren.” (Wd1.184.9:1-12:1).

— Jan-Willem van Aalst, juni 2017 (vertaling van https://miraclesormurder.wordpress.com/2017/06/24/goodbye-gargantuan-god/)

Recept voor innerlijke vrede

Het valt veel lezers van Een cursus in wonderen de eerste leesrondes op dat elk hoofdstuk in het Tekstboek min of meer hetzelfde lijkt te zeggen. Naarmate je langer werkt met de Cursus, wordt het duidelijk dat Jezus inderdaad in elk hoofdstuk inhoudelijk steeds dezelfde boodschap heeft. Hij zegt het alleen telkens iets anders, en hij varieert met de thema’s zoals in een symfonie gebeurt. Herhaling is tenslotte de essentie van leren. Eén bijzonder lieflijke samenvatting van de boodschap van de Cursus zien we in lessen 281 tot en met 284. De titels van deze lessen gaan als volgt: (281) “Niets kan mij pijn doen behalve mijn gedachten”; (282) “Ik zal vandaag niet bang voor liefde zijn”; dit kan ik veilig doen, want (283) “Mijn ware Identiteit woont in U”, wat betekent (284) “Ik kan kiezen alle gedachten die pijn doen te veranderen.” Dit is een recept voor innerlijke vrede; een recept dat je altijd kunt toepassen, ongeacht de situatie of gebeurtenis. Hoe werken die vier stappen? Hoe leiden ze tot innerlijke vrede?

Hoewel de eerste les, “Niets kan mij pijn doen behalve mijn gedachten”, een kernprincipe is in veel spiritualiteiten, lijkt dit allerminst het geval te zijn zolang ik mezelf nog als lichaam ervaar in een bedreigende wereld. Want ja, ik kan zomaar levenslang in een rolstoel belanden als een auto mij schept. Daarom begint Jezus deze les met een gebed dat ons laat herinneren dat wij geen lichaam zijn: “Wanneer ik denk dat ik op enigerlei wijze ben gekwetst, komt dat doordat ik ben vergeten wie ik ben en dat ik ben zoals U mij hebt geschapen” (Wd2.281.1:2). Dit ‘kwetsuur’ kan fysiek of geestelijk zijn, inclusief scheldpartijen en aanvalsgedachten. Als iemand mij opzettelijk beledigt, dan is het aan mij, en uitsluitend aan mij, om te besluiten of die aanval wel of niet mijn humeur beïnvloedt. Denk hier ook weer eens aan werkboekles 34: “Ik zou in plaats hiervan vrede kunnen zien.” Die uitspraak is waar omdat jij en ik puur geest zijn, nog steeds veilig Thuis in God. Alle pijn die ik ervaar, in mezelf of buiten mezelf, is uiteindelijk een projectie van mijn dwaze wens om los van God te zijn en te bewijzen dat dat is gelukt. Een groot deel van Een cursus in wonderen gaat over het leren inzien van dat principe, om ons vervolgens uit te nodigen de “betere manier” te kiezen, zoals Bill Thetford tegen Helen Schucman zei, wat het begin inluidde van het optekenen van de Cursus in 1965.

Door voor deze ‘betere manier’ te kiezen zullen we ons uiteindelijk realiseren dat de nondualistische Liefde van God niet betekent dat we zonder ego in het niets zullen verdwijnen; integendeel: zonder het ego zijn we in eeuwige vrede. Daarom spoort Jezus ons aan in les 282 om “Vandaag niet bang te zijn voor liefde”. In hoofdstuk 13 van het Tekstboek legt Jezus uit dat we misschien bang zijn voor pijn en de dood (hij symboliseert dat met de term ‘jezelf kruisigen’), maar die angst is niets vergeleken met onze angst voor Gods Liefde: “Je bent niet werkelijk bang voor de kruisiging. Je echte doodsangst betreft de verlossing.” (T13.III.1:10-11). Iets verderop verklaart Jezus waarom dat zo is: “Je meent in Gods Tegenwoordigheid hulpeloos te zijn, en jij wilt jezelf van Zijn Liefde verlossen omdat je denkt dat die jou tot niets vermalen zou. Je bent bang dat ze jou van jezelf weg zou vagen en jou nietig zou maken. […] Jij denkt dat je een wereld hebt gemaakt die God zou willen vernietigen, en dat je door Hem lief te hebben, wat je doet, die wereld weg zou werpen, wat je ook zou doen. […] En juist dit jaagt jou angst aan.” (T13.III.4:1-3;5). In Een cursus in wonderen ontmaskert Jezus deze ego-verdediging tegen Gods Liefde, en hij laat ons tegen onszelf zeggen: “God is louter Liefde, en dus ben ik dat ook” (Wp1.171-180).

Door de werkboeklessen toe te passen in mijn leven (d.w.z., vergevingslessen) kan ik de weerspiegeling van Gods Wet van Liefde in mijn aardse leven ervaren. Dit versterkt mijn overtuiging dat ik inderdaad niet een lichaam ben, maar puur geest: “Hij zal tot je spreken en je eraan herinneren dat jij geest bent, één met Hem en God, met je broeders en je Zelf. Luister naar Zijn verzekering, elke keer dat jij de woorden spreekt die Hij je vandaag geeft, en laat Hem je denkgeest vertellen dat ze waar zijn.” (Wd1.97.8:2). Dus juist door het ervaren van de weerspiegeling van Gods Liefde (door onze eigen vergeving), kunnen we les 283 aanvaarden die stelt: “Mijn ware Identiteit woont in U”. Jezus begint deze les wederom met een gebed: “Vader, ik heb een beeld van mezelf gemaakt [d.w.z., een afgescheiden lichaam] en dat noem ik de Zoon van God. Toch is de schepping zoals ze altijd is geweest, want Uw schepping is onveranderlijk. Laat me geen afgoden aanbidden. Ik [als geest] ben degene van wie mijn Vader houdt.” (Wp2.283:1). Met “afgoden” bedoelt Jezus zo ongeveer alles in tijd en ruimte waar we nog aan hechten, vooral het lichaam; en de “ik” van wie mijn Vader houdt is de Zoon van God – als geest, die we in onze droomwereld van tijd en ruimte als afgescheiden wezens ervaren, terwijl die feitelijk in geest allemaal als één verbonden zijn.

Werkboekles 96 vertelt ons: “Als jij geest bent, kan het lichaam voor jouw werkelijkheid geen enkele betekenis hebben.” (Wd1.96.3:7). De bereidheid om dat geleidelijk aan te aanvaarden is randvoorwaardelijk om les 284 toe te kunnen passen: “Ik kan kiezen alle gedachten die pijn doen te veranderen.” Of, nogmaals werkboekles 34: “Ik zou in plaats hiervan vrede kunnen zien.” Dit lijkt bepaald niet altijd het geval in een wereld waar we ziekte, hongersnood, armoede, oorlog en sterven overal om ons heen zien. Jezus merkt op dat we om dergelijke waarnemingen kunnen lachen (Wd1.187.6:4), niet uit leedvermaak, maar omdat dit alles slechts de dwaasheid weerspiegelt die we hebben bedacht om te ‘bewijzen’ dat de afscheiding van God (perfectie) daadwerkelijk is gelukt. Ik kan kiezen alle gedachten die pijn doen te veranderen omdat “Alles een les is die God mij graag ziet leren.” (Wd1.193). Als ik ervoor kies een ‘gelukkige leerling’ te zijn in de lesruimte van de liefde die de Heilige Geest mij biedt, dan zou ik inderdaad vrede in plaats van wreedheid kunnen zien.

Jezus weet natuurlijk best dat niemand deze schakelaar in de denkgeest in één keer omzet (hoewel dit in theorie wel zou kunnen). Direct verlicht raken is uiterst zeldzaam! Daarom troost Jezus ons in les 284 met de volgende woorden: “Dit is de waarheid, die eerst alleen wordt uitgesproken en dan veelvuldig herhaald [veel-veel-veelvuldig, zoals Ken Wapnick opmerkte], om vervolgens – onder veel voorbehoud – maar gedeeltelijk als waar te worden aanvaard. Om daarna steeds serieuzer te worden overwogen en uiteindelijk als de waarheid aangenomen.” (Wd2.284.1:5). Het mooie hieraan is dat zodra ik bereid ben de waarheid van deze vier lessen te aanvaarden, ik alles wat ik in mijn leven denk en ervaar als nuttige les kan zien in Jezus’ leerplan voor de terugkeer naar liefde. In het Handboek voor leraren merkt Jezus op dat “…het plan soms veranderingen zal vragen in wat uiterlijke omstandigheden lijken te zijn. Deze veranderingen zijn altijd behulpzaam.” (H.4.I.A.3). Vaak ervaren we dergelijke veranderingen helemaal niet als behulpzaam, maar als gelukkige leerling kan ik er voor kiezen mijn interpretatie te veranderen.

Welke reden heb ik dan nog om mij angstig, boos of depressief te voelen, wanneer ik mij realiseer dat (a) “Niets mij pijn kan doen behalve mijn gedachten”, (b) “Ik vandaag niet bang hoef te zijn voor Liefde”, want “Mijn ware Identiteit woont in God”; en daarom “Kan ik kiezen alle gedachten die pijn doen te veranderen.”? Telkens als je geneigd bent iets te veroordelen, doe dan snel een stapje terug en vraag jezelf: “Wie vergezelt mij?” Jezus raadt ons aan om onszelf deze vraag “duizend keer per dag” te stellen (Wd1.156.8). Telkens wanneer je innerlijke vrede mist, is dat een teken dat het ego je vergezelt, en dat je Jezus de deur uit hebt geduwd. Het je herinneren van deze vier lestitels kunnen je helpen om sneller van gedachten te veranderen en Jezus’ liefdevol uitgereikte hand wederom te nemen. Wees vandaag niet bang voor liefde! Aangezien jij en ik en iedereen in essentie dezelfde pure geest zijn, kunnen we inderdaad alleen onze eigen gedachten ons pijn bezorgen.

— Jan-Willem van Aalst, juni 2017 (vertaling van https://miraclesormurder.wordpress.com/2017/06/17/a-recipe-for-inner-peace/)

Je onderwijst wat je wilt geloven

Als je terugdenkt aan de leraren die je in je kindertijd hebt meegemaakt, weet je vast niet meer precies welke onderwerpen ze allemaal behandeld hebben. Maar je weet ongetwijfeld nog wél welke leraren vriendelijkheid en veiligheid uitstraalden, en welke leraren voornamelijk boos of nerveus waren. We weten, met andere woorden, in het algemeen nog goed hoe ze onderwezen. Velen onder ons kunnen zich nog wel een bijzonder wijze, markante leraar herinneren die misschien zelfs aanzienlijk heeft bijgedragen aan ons eigen zelfbeeld en hoe we in de wereld staan.

In Een cursus in wonderen bedoelt Jezus met het begrip ‘onderwijzen’ iets heel anders dan hoe we dit gewoonlijk zien. In de inleiding van het Handboek voor Leraren licht Jezus toe: “Onderwijzen is een doorgaand proces: het gaat ieder moment van de dag verder en zet zich bovendien voort in de gedachten tijdens de slaap. Onderwijzen is demonstreren. […] Van wat jij demonstreert leren anderen, en ook jij. De kwestie is niet óf je wilt onderwijzen, want daarin is geen keus. […] Onderwijzen is slechts het oproepen van getuigen om te getuigen van wat jij gelooft. […] In dit verband doet de woordelijke inhoud van wat je onderwijst geheel niet ter zake. Het kan ermee samenvallen, of niet. […] Wat je onderwijst versterkt slechts wat je over jezelf gelooft.” (H.In.1:6-2:1;3:2-7).

Zo bekeken zijn ‘onderwijzen’ en ‘leren’ niet speciale perioden waarin een leerling en leraar maar heel even met elkaar omgaan. Iedereen onderwijst de hele tijd. Als onderwijzen werkelijk bestaat uit het ‘oproepen van getuigen om te getuigen van wat jij gelooft’, dan zijn jij en ik en iedereen voortdurend aan het onderwijzen, bij elke ontmoeting, bijeenkomst, feestje, noem maar op, hoewel we dit niet bewust zo ervaren. Waarom doen we dat? We demonstreren om aan anderen te benadrukken wat wij denken dat belangrijk is. Jezus benadrukt dat onderwijzen “een methode van bekering” is (H.In.2:8). Alles wat ik dus tegen jou zeg is een demonstratie van wat ik meen dat belangrijk en waar is; en natuurlijk wens ik dat jij het daar mee eens bent.

Jezus herinnert ons er bovendien aan dat wat wij aan anderen demonstreren, we net zo goed in onszelf versterken, omdat er in werkelijkheid helemaal geen anderen zijn — eenieder die we ontmoeten is een projectie van een deel van de onbewuste denkgeest. “Je kunt niet aan iemand anders geven, maar uitsluitend aan jezelf en dat leer je door te onderwijzen. […] Het primaire doel ervan is twijfel aan jezelf te verminderen.” (H-In.2:6;3:8). Met andere woorden, elke interactie met jou dient als bevestiging en versterking van mijn eigen overtuigingen — naar mijzelf toe — over wat de wereld is, over wat ik ben, en over wat jij voor mij betekent (M-In.2:9). Cognitieve onderwerpen doen er in dit proces niet toe. Het gaat louter om wat ik wens dat waar is. Aangezien Een cursus in wonderen benadrukt dat er slechts twee denksystemen zijn, onderwijs ik voortdurend ofwel vanuit het ego denksysteem van speciaalheid, ofwel vanuit het eenheids-denksysteem van de Heilige Geest.

Kenneth Wapnick gebruikte in zijn workshops soms de metafoor van de dansvloer om het denksysteem van het ego te verbeelden. Aangezien het doel van het ego is om te demonstreren dat afscheiding en verschillen werkelijk en begerenswaardig zijn, nodig ik jou steeds uit op deze ‘dansvloer van speciaalheid’ om te demonstreren dat jij en ik enorm verschillen, en dat dat geweldig is, omdat dit ons respectievelijke ‘unieke zelf’ benadrukt. Het is een ‘dansvloer’ omdat, in lijn met de wetten van de chaos (T23.II.2), jij en ik er onbewust steeds op uit zijn om van de ander weg te graaien wat we in onszelf denken te missen om vervuld te kunnen raken. Mijn behoeften kunnen alleen bevredigd worden ten koste van anderen. Ik ben er steeds op uit om gelegenheden te vinden om anderen te kunnen beschuldigen van hun roofaanval op mij om mijn waarde, zodat ik mijzelf gerechtigd kan voelen om in de tegenaanval te gaan. Er zijn dus altijd slachtoffers en daders. Het maakt niet uit of we speciale haat of speciale liefde naar elkaar uiten. In het denksysteem van het ego zullen we alles doen om te onderwijzen (demonstreren) dat de afscheiding werkelijk is, en aanval gerechtvaardigd.

Deze ‘dansvloer van de dood’ is één groot rookgordijn om de illusie in stand te kunnen houden dat de dualistische ego-wereld van tijd, ruimte en waarneming — altijd los van God — heel echt is. Jezus licht toe: “Ieder die het leerplan van de wereld volgt, en iedereen hier volgt dat tot hij zijn denken verandert, onderwijst uitsluitend om zichzelf ervan te overtuigen dat hij is wat hij niet is. Dit is het doel van de wereld. Hoe kan haar leerplan iets anders zijn? In deze hopeloze en gesloten leersituatie die niets dan wanhoop en dood onderwijst, zendt God Zijn leraren.” (M-In.4:4-7). Jezus zegt hier simpelweg, net zoals we in de drieduizend jaar oude Bhagavad Gita lezen, dat je leven volstrekt verspild is zolang je je nog richt op zelfzuchtige verlangens. Het enige dat we betekenisvol in dit leven kunnen demonstreren, is onze keuze voor het denksysteem van de Heilige Geest. Al het andere doet er niet toe, in termen van onze verlossing.

Telkens wanneer ik ervoor kies om mij te laten leiden door het denksysteem van de Heilige Geest, wordt wat ik onderwijs — dat wil zeggen, van minuut tot minuut demonstreer — heel anders. Vanuit juist-gericht denken beantwoord ik angst en aanval alleen nog maar met oordeelloze vriendelijkheid en liefde. Ik dans niet meer met jou op de dansvloer van de dood — in tegendeel, ik nodig je uit om ook te kiezen voor de innerlijke vrede die ik zelf ervaar. Ik onderwijs dat jij en ik niet zoveel van elkaar verschillen als we altijd dachten. Door dit te doen versterk ik die overtuiging ook in mezelf. Ik train mijn denkgeest om wederom de innerlijke vrede van de Heilige Geest te verkiezen boven het venijn van het ego. Dit betekent overigens niet dat ik de spreekwoordelijke voetveeg word. In de praktijk kan mijn stem best wel eens assertief overkomen, maar zolang ik dat vanuit juist-gericht denken doe, zal de Heilige Geest daar altijd in doorschijnen. Je herinnert je vast nog wel een leraar die soms heel streng kon zijn, maar die tegelijkertijd een soort universele liefde voor het kind uitstraalde.

Een cursus in wonderen biedt ons een kristalheldere manier om bewust te kiezen wat we willen onderwijzen — aan anderen, en uiteindelijk aan onszelf — over de aard van de wereld, over de aard van ons wezen, en de betekenis van het leven. Bovenal moet ik kiezen welk denksysteem ik prefereer om mijn gedachten te leiden; de rest volgt vanzelf. Het lijkt een eenvoudige keuze. Maar wat deze ‘eenvoudige keuze’ bepaald niet gemakkelijk maakt is dat die keuze een besluit inhoudt over wat ik wil dat ik ben. Het gaat over mijn antwoord op vragen zoals: “Wat ben ik?”, “Wat is leven?”, “Waarom ben ik hier?” Het komt er op neer dat ik het script van mijn leven schrijf. “Het leerplan dat je opstelt wordt dan ook uitsluitend bepaald door wat jij denkt dat jij bent en door wat jij meent dat de relatie met anderen voor jou is.” (H-In.3:1).

Zolang ik kies voor het denksysteem van het ego vertel ik mezelf dat ik een afgescheiden individu wil zijn met een speciale unieke persoonlijkheid, zelfs als dat betekent dat mijn geluk afhangt van wat ik anderen kan ontnemen. Pas als ik bewust besluit dat individualiteit blijkbaar niet de verlossing brengt waar ik op hoopte — sterker nog, het zorgt er alleen maar voor dat ik “onzeker, eenzaam, en in voortdurende angst” leef (T31.VIII.7:1), en dat het alternatief van de Heilige Geest veel beter is, worden geluk en verlossing onvermijdelijk. “De Heilige Geest heeft een gelukkige leerling nodig, in wie Zijn opdracht op een gelukkige manier kan worden volbracht.” (T14.II.1). Zodra ik er voor kies die gelukkige leerling te zijn, kan ik aan anderen onderwijzen (demonstreren) dat zij dezelfde keuze zouden kunnen maken: de innerlijke vrede die ik uitstraal zou ook jouw innerlijke vrede kunnen zijn. Ik hoef kortom niets te doen; ik hoef er alleen maar voor te kiezen alle veroordeling achter me te laten, en mijn gedachten te laten leiden door de Heilige Geest.

“Zouden Gods leraren er niet zijn, dan zou er weinig hoop zijn op verlossing, want de wereld van zonde zou voor altijd werkelijk schijnen. […] Het is hun missie om hier volmaakt te worden, en dus onderwijzen ze volmaaktheid, keer op keer en op vele, vele manieren, totdat ze dit hebben geleerd.” (M-In.5:1). Juist daarom biedt Jezus een ‘Handboek voor leraren’ in zijn leerplan voor innerlijke vrede. Als je je genegen voelt die gelukkige leerling te worden, neem dan vooral tijd om dat Handboek door te nemen, naast het doen van de vergevingslessen in het werkboek. Je zult merken dat niet alleen jouw eigen dagen steeds vrediger zullen aanvoelen, maar die van de mensen om je heen ook, omdat ze ontegenzeggelijk jouw onweerstaanbare oproep bemerken om te kiezen voor de oordeelloze liefde van de Heilige Geest, de Stem namens Liefde, wat het diepste verlangen in ons allemaal weerspiegelt.

— Jan-Willem van Aalst, juni 2017 (vertaling van https://miraclesormurder.wordpress.com/2017/06/10/you-teach-what-you-want-to-believe/)

Leven naar de wetten van de chaos

Ondanks onze goede intenties om vriendelijk en liefdevol te zijn, hebben we allemaal last van negatieve gedachten en ervaringen die we liever niet zouden hebben. Zelfs wanneer we ons ten diepste realiseren dat alle beroering in het leven uiteindelijk voortkomt uit keuzes (interpretaties) van de denkgeest, mag degene die echt nooit meer voor enige vorm van veroordeling kiest de eerste steen werpen. In hoofdstuk 23 van het Tekstboek van Een cursus in wonderen neemt Jezus ons mee in zijn uitleg van “De wetten van de chaos”. In niet mis te verstane bewoordingen beschrijft Jezus hoe deze onzinnige ‘wetten’ het onbewuste deel van onze denkgeest aansporen tot voortdurende afwijzing en veroordeling, en ook waarom wij ons koppig aan deze wetten blijven vastklampen; nogmaals, in weerwil van onze beste bedoelingen om vriendelijk en liefdevol te zijn. Als je “De wetten van de chaos” slechts oppervlakkig leest, is er een goede kans dat je er ronduit depressief van wordt. Om aan deze onzinnige wetten voorbij te kunnen gaan, moeten we ze kalm en aandachtig bekijken (T23.II.1:4). Je kunt je denkgeest immers niet veranderen als je niet weet waartussen je kunt kiezen. Laten we daarom deze wetten, die eigenlijk geen wetten zijn maar slechts overtuigingen, eens nader bekijken.

De eerste chaotische wet is dat de waarheid voor iedereen anders is. (T23.II.2:1). Even afgezien van wiskundige logica, kunnen we stellen dat ‘waarheid’ in deze wereld altijd verbonden is met normen en waarden. Deze wet stelt koppig dat afgescheidenheid en verschillen altijd waar zijn. ‘Waarheid’ betekent daarom voor iedereen wat anders. Jouw waarheid is anders dan mijn waarheid. Dit ontkent het eerste wonderprincipe (T1.I.1:1) dat wonderen geen rangorde naar moeilijkheid kennen omdat alle illusies inhoudelijk hetzelfde zijn. Deze eerste chaotische wet stelt dat de ene illusie waardevoller is dan de andere, en dat elk levend wezen voor zichzelf vaststelt wat ‘waar’ is op basis van wat als waardevol of belangrijk wordt beschouwd. Deze ‘wet’ kwam voort uit het ‘nietig, dwaas idee’ dat wij los van God onze eigen waarheid zouden kunnen bepalen. “Eenheid is onzin — verschillen zijn waar, zoals je zult beamen als je goed om je heenkijkt”, trompettert het ego luidkeels.

De tweede chaotische wet volgt ‘logischerwijs’ uit de eerste. Als jouw waarheid anders is dan de mijne, en jij zit fout, dan verdien jij het om afgewezen en gestraft te worden. Achter de beleefde uitspraak “ik zie dat anders” schuilt uiteindelijk altijd haat. Omdat jouw waarheid anders is dan de mijne, moet jij wel fout zijn. Dit de wortel van alle woede en aanval, die — nogmaals — slechts het oorspronkelijke ‘nietig, dwaas idee’ weerspiegelt dat God fout is en ik goed. God en ik (als ego) verschillen van elkaar en zijn dus voor eeuwig elkaars vijanden. “Angst voor God en voor elkaar lijkt nu zinnig, tot werkelijkheid gemaakt door wat Gods Zoon zowel zichzelf als zijn Schepper heeft aangedaan” (T23.II.5:7). Merk op dat deze chaotische wet uitsluit dat dit alles misschien wel slechts een vergissing is. We zien in alles en iedereen kenmerken die anders zijn dan wij, God incluis, wat onbewust altijd leidt tot angst en haat.

Dit leidt automatisch tot de derde absurde chaotische wet dat God Zijn Zoon wel moet haten. Aangezien God en wij van elkaar verschillen en dus vijanden zijn, is God om hulp vragen volstrekt zinloos. “nu is conflict tot iets onvermijdelijks gemaakt, buiten het bereik van Gods hulp. Want nu moet verlossing wel onmogelijk blijven, omdat de Verlosser de vijand geworden is. Er is geen bevrijding en geen ontsnapping mogelijk. Verzoening wordt zo een mythe, en wraak, en niet vergeving, is de Wil van God” (T23.II.7:5). Dit verwijst natuurlijk naar het beeld dat het ego van God heeft gemaakt. En aangezien waarneming voortkomt uit projectie (T-13.V.3:5), zullen we de wereld ervaren zoals we God ervaren.

Op dit punt aangekomen geloven we rotsvast dat we in een gevaarlijke en uiterst bedreigende wereld leven, waarmee we de vierde chaotisch wet omarmen, namelijk de overtuiging dat je slechts bezit wat je genomen hebt. Wat ik van jou neem heb jij niet meer, en vice versa. Zoals Jezus uitlegt: “Alle andere wetten moeten hiertoe leiden. Want vijanden geven elkaar niet vrijwillig, en streven er evenmin naar de dingen waaraan ze waarde hechten met elkaar te delen. En wat jouw vijanden je willen onthouden moet wel begerenswaard zijn, want ze houden het voor jou verborgen” (T23.II.9:5-7). Als je niet aanvalt, zal alles wat je hebt van je worden afgenomen, wordt het mantra van onjuist-gericht denken: aanval is de beste verdediging. Ik voel me daarom gedwongen om zowel aan te vallen als te verdedigen, opdat ik alles wat ik heb niet zal verliezen.

Wat deze wet zo venijnig maakt is dat we heimelijk al ons ‘verlies’ toedichten aan een zondige aanval op ons door onze vijanden. En wat hebben we verloren? Onze innerlijke vrede; uiteindelijk onze onschuld als een kind van God. Mijn vijanden hebben dat door hun wrede aanval van mij ontnomen. Dit moet ik terug zien te krijgen, en daartoe ben ik volstrekt gerechtvaardigd. Dit leidt tot de vijfde en finale chaotische wet: verlossing kan slechts gevonden worden door de mij ontnomen onschuld weer terug te graaien uit andere lichamen. Dit resulteert in ofwel een speciale haatrelatie (waarin ik jou botweg aanval, om jou “in een naamloze afgrond te storten”, T24.V.4:3), ofwel in een speciale liefdesrelatie, waarin ik jou en je lichaam hartstochtelijk bemin zolang jij me geeft wat ik denk dat ik nodig heb voor vervulling.

Jezus concludeert: “Nooit wordt je bezit compleet. En nooit zal je broeder zijn aanval op jou staken voor wat jij gestolen hebt. En evenmin zal God Zijn wraak tegen jullie beiden beëindigen, want in Zijn waanzin wil Hij beslist dit substituut voor liefde hebben en jullie beiden doden” (T23.II.13:1-3). Aangezien elk lichaam onvermijdelijk sterft, worden we er door het ego voortdurend aan herinnerd dat deze wetten van de chaos de waarheid zijn, en niet ontkend kunnen worden. Door deze ‘wetten’ af te pellen heeft Jezus onze onbewuste onjuist-gerichte denkwijze naar het bewuste gebracht: “Jij die gelooft dat je innerlijk gezond, met beide voeten op vaste grond door een wereld gaat waarin betekenis kan worden gevonden, overweeg dit eens: dit zijn de wetten waarop je ‘innerlijke gezondheid’ lijkt te berusten. Dit zijn de principes die jou vaste grond onder je voeten lijken te geven. En juist hier zoek jij naar betekenis” (T23.II.13:4-6). Op dit punt wordt het ego benauwd voor zijn eigen ontmaskering, en stelt daarop met veel omhaal dat wij deze onzinnige wetten natuurlijk niet geloven, er evenmin naar handelen. Waarop Jezus kalm antwoordt: “Broeder, je gelooft ze. Want hoe zou je anders de vorm die ze aannemen kunnen waarnemen, met een dergelijke inhoud?” (T23.II.18:3).

We hoeven slechts aandachtig de interpersoonlijke wisselwerking tussen mensen op een feestje te observeren om in te zien hoe onwrikbaar deze wetten opereren, achter alle beleefdheden en vertier. Heimelijk vergelijkt iedereen zijn of haar ‘staat van geluk’ met die van alle anderen: fysiek, geestelijk, emotioneel, sociaal, financieel, noem maar op. Hoeveel heb ik ten opzichte van anderen hier? Zelfs wanneer ik iemand feliciteer met een bepaald behaald succesresultaat, voel ik heimelijk een steek van pijn (of haat), omdat ik eigenlijk vind dat succes mij toebehoort, omdat ik gelijk heb in wat waardevol en waar is. En zo houden we voortdurend het mechanisme van afwijzing en aanval in stand, waarmee we natuurlijk uiteindelijk het afgescheiden ego in stand blijven houden. En hoewel het leven uiteindelijk eindigt in de dood, bewijs ik wel dat ik als uniek individu in elk geval besta.

Zoals altijd bij Een cursus in wonderen is de uitweg uit deze hel gelegen in vergeving. Omdat al deze wetten uitgaan van de aanname dat er een rangorde in illusies is, ligt het ongedaan maken van deze ‘wetten’ (oftewel overtuigingen) in onze aanvaarding van het simpele feit dat alle illusies inhoudelijk hetzelfde zijn, inclusief de illusie dat wij ons hebben afgescheiden van God. Waarheid verandert niet van moment op moment, en het is beslist niet aan ons om vast te stellen wat waarheid is. Waarheid is van God. Als de collectieve ene Zoon van God, zijn wij in essentie louter een uitbreiding van de Liefde die God is. In werkelijkheid kunnen wij ‘slechts’ deze zelfde Liefde uitbreiden; al het andere is illusoir. Zelfs in deze ‘waakdroom’ in tijd en ruimte is dit waar: een idee dat je deelt, versterk je. Hoe meer liefde je geeft, hoe meer liefde je zult ontvangen (hoewel misschien niet direct, en langs een onverwachte weg). Dit draait de vierde en vijfde wetten van de chaos om: ik bezit de liefde die ik met anderen heb gedeeld.

Dit betekent niet dat ik al mijn aardse bezittingen zou moeten weggeven, in de verwachting dat er ik er veel meer voor terugkrijg. Gods wetten werken op het nondualistische niveau I. Op niveau II, de dualistische droom in tijd en ruimte waarin we lichamen, verschillen en afscheiding ervaren, heeft “zelfs een gevorderde therapeut enige aardse noden terwijl hij hier is” (P3.III.3). Hierin zal automatisch voorzien worden zolang we ervoor kiezen om niveau II als een lesruimte te zien; een proces waarin we geleidelijk leren om onze Goddelijke essentie (als Christus) te zien in alles en iedereen die we waarnemen, en ons door Liefde te laten leiden. Aangezien alles wat we waarnemen voortkomt uit projectie (of uitbreiding), is dit ook de manier om ons ware Zelf weer te herinneren. Dat stelt ons uiteindelijk in staat om onszelf te vergeven voor ons geloof in het ‘nietig, dwaas idee’ van afscheiding, wat in werkelijkheid nooit heeft plaatsgevonden.

We bevechten de wetten van de chaos niet; we kijken er slechts in kalmte aan voorbij. Zoals Jezus zegt: “Vergeving is stil en doet in alle rust niets. […] Ze kijkt alleen, en wacht, en oordeelt niet” (Wd2.1.4:1;3). Probeer je dus elke dag gewaar te worden van hoe deze chaotische wetten in de wereld lijken te werken, en vergeef jezelf dan voor die waarneming, in het besef dat “God anders denkt” (T23.I.2:7). Aangezien de wetten van de chaos al zo’n veertien miljard jaar feilloos lijken te werken, is het niet zo vreemd als je niet morgen ineens volstrekt verlicht bent — het is een traag leerproces. Maar telkens als het je lukt om je te laten leiden door het liefdevolle advies van de Heilige Geest, bespaar je jezelf misschien wel duizend jaar aan reïncarnaties (WdI.97.3). En wie zou dat niet willen?

— Jan-Willem van Aalst, mei 2017 (vertaling van: https://miraclesormurder.wordpress.com/2017/05/27/living-by-the-laws-of-chaos/)