Blog

Gekruisigd in de supermarkt

Wat verbindt een supermarkt met een kruisiging? Niets, zouden de meesten van ons zeggen. Maar vanuit het gezichtspunt van Een Cursus in Wonderen is er een duidelijke verbinding. Net als met al zulke beschrijvingen heeft ‘kruisiging’, volgens Een Cursus in Wonderen niets te maken met een lichaam. Het slaat uitsluitend op wat de denkgeest beslist, omdat het lichaam een gevolg van die denkgeest is. Kruisiging staat gelijk aan veroordeling. Onszelf kruisigen is iets dat jij en ik dagelijks doen, en ook nog eens vrijwillig – we zijn het ons meestal niet bewust. Daarom is Een Cursus in Wonderen een cursus in gedachtetraining. Laten we eens even bekijken hoe dit werkt, en hoe je kunt stoppen jezelf te kruisigen.

Laten we eens aannemen dat je je in een supermarkt bevindt om wat te eten en drinken te halen. Ongelukkigerwijze staan er bij de kassa niet minder dan drie mensen voor jou in de rij te wachten. Natuurlijk gaan de andere kassa’s niet open. De contante betaling van de oudere dame vooraan lijkt wel eindeloos te duren, omdat ze moeite heeft de muntjes van elkaar te onderscheiden. De klant na haar doet alsof hij twaalf dingen heeft af te rekenen (het maximum voor de snelle rij), terwijl jij er vrij zeker van bent dat het er dertien zijn. Kort samengevat, jij voelt de irritatie zich langzaam in je bloedbaan opbouwen. Biochemisch gesproken ben je bezig je bloed te vergiftigen met adrenaline en cortisol, wat je normaal gesproken niet zou willen doen… maar al die vreselijke mensen laten je geen keus, is het niet?

Als een student van Een Cursus in Wonderen leer je je denkgeest te trainen veel sneller een stap terug te doen, om dan de innerlijke waarnemer in te schakelen, en dan oprecht naar je gedachten te kijken. Niet met de bedoeling je schuldig te gaan voelen over je gebrek te kunnen vergeven, maar om je duidelijk te maken hoe ongelofelijk je met je eigen speciale kleine zelf verbonden bent. Dat oprecht te beseffen vormt de basisvoorwaarde om in staat te zijn “opnieuw te kiezen” voor het wonder van vergeving dat we gewoonlijk in de denkgeest verstoppen. Een Cursus in Wonderen doet ons inzien dat we niet heen en weer geslingerd worden in een wereld die aan onze controle ontgaat, maar dat we bereidwillig alle pijn kiezen die we ervaren (maar dan wel alle anderen daarvoor de schuld geven). Dit “bewijst” niet alleen dat de afscheiding van Eenheid daadwerkelijk gebeurde (bij de Oerknal), maar het toont ook duidelijk aan dat God iemand anders ervoor zal straffen, niet mij. Natuurlijk gaat dit niet werken, omdat mijn onophoudelijk oordelen alleen maar toevoegt aan mijn eigen schuld. Kort gezegd: elke keer dat ik veroordeel, kruisig ik slechts mezelf, omdat ik de pijn ervaar.

Om ons te helpen deze denk-waanzin te ontmantelen, leidt Jezus ons op zachtaardige wijze naar het ongedaan maken van ´ons dubbele schild van vergetelheid” (W-pI.136.5:2) dat we opgeworpen hebben om onszelf in de onjuiste denkgeest te houden, ofwel de “ego-modus”. Allereerst kan ik mezelf eraan herinneren dat ik nooit onvrede voel om de reden die ik denk (W-pI.5). Niet alleen ben ik het die kiest hoe ik de langzame betaling van de oudere dame en het valse gedrag van de man interpreteer, maar deze mensen zijn zelf projecties van de ego-denkgeest. Ik heb voor mezelf een ego bedacht net als voor iedereen die ik tegenkom. Ik ben gewoon bezig te projecteren! Hetzelfde moment dat ik de projectie terugneem, besef ik dat mijn werkelijke verstoring ontstond omdat ik mijzelf stiekem aanklaag zo krom te denken. Ik raakte de overtuiging kwijt dat ik een miserabele zondaar ben, door die angst op de anderen om me heen te projecteren. Als ik die projectie terugneem kan ik plots zien dat ik al die tijd slechts bezig was mezelf aan te vallen, echter zonder me dat te realiseren. Zoals we in de Cursus lezen: “Wil ik mezelf hiervan beschuldigen?” (W-pI.134.9:3). Want dat is wat ik aan het doen ben.

Nu moet de tweede stap (het ongedaan maken van het tweede schild van vergetelheid) snel volgen, want anders zal ik ernstig depressief raken. In Een Cursus in Wonderen legt Jezus uit dat ik helemaal geen lichaam ben, dat er in feite geen materiële wereld en tijd bestaan (W-pI.132.6). Ik heb mezelf abusievelijk geïdentificeerd met een hoopje stof, een bergje klei, lichaam genaamd (T-19.IV.B.4), in een nachtmerrie van de slapende Zoon van God. Daarom betekent die tweede stap dat je beseft dat je lichaam geenszins je ware wezen is. Mijn essentie is zuivere geest. Ik ben en zal te allen tijde veilig bij God thuis zijn. In zekere zin is dit ook het terugnemen van een projectie: en wel die van de ontologische schuld in een myriade van gefragmenteerde materie en “levende” lichamen. In waarheid heeft God slechts één Zoon, zelfs in de droom van tijd en ruimte. Dus zelfs in de supermarkt kan ik alleen maar mijzelf aanvallen, of zegenen, de verschijningsvormen ten spijt. Door deze tweede projectie terug te nemen ga ik me realiseren dat “Wat ik denk [interpreteer] is niet de waarheid” (W-pI.134.7:5). Ik heb mezelf gekruisigd: ten eerste mijn denkgeest, door mezelf te veroordelen, wat meteen daarna verdrongen wordt, gevolgd door het beoordelen van andere mensen; en ten tweede mijn lichaam, door cortisol in mijn bloedbaan te injecteren. Totdat ik zulke dwaasheid besef, ben ik vrij mezelf te kruisigen zo vaak ik dat maar wil (T-4.In.3:9), me daarbij genotvol wentelend in mijn speciale ego-identiteit. Zodra dat te pijnlijk wordt, kan ik het alternatief kiezen dat naar blijvende innerlijke vrede leidt: vergeving.

Dus, de volgende keer dat ik de supermarkt bezoek en mezelf aan het eind van de rij klanten zie staan wachten, die me schijnbaar beginnen te irriteren, kan ik nu snel mijn juiste manier van denken kiezen, vriendelijk glimlachen, en tot mezelf zeggen: “Ah, ik ken dit. Ik doe het weer. Natuurlijk doe ik het, omdat ik nog steeds enorm geïdentificeerd ben met mijn ego en mijn fysieke lichaam. Ik zie overal domheid en kwaad om me heen omdat ik dat niet in mijzelf wens waar te nemen. Maar ik ben niet een lichaam. Ik ben vrij. Want ik blijf wat ik ben, zo schiep God mij (W-pI.205). Dus ik zou in plaats hiervan vrede kunnen zien (W-pI.34). Ik heb simpelweg verkeerd gekozen. Natuurlijk deed ik dat, omdat de besluiten van het ego altijd verkeerd zijn. Ik wens anders te beslissen, omdat ik in vrede wens te zijn. Ik voel me niet schuldig, want de Heilige Geest zal alle gevolgen van mijn verkeerde keuze ongedaan maken als ik Hem laat begaan. Ik kies ervoor Hem te laten begaan, door toe te laten dat Hij voor mij voor God kiest.” (T-5.VII.6:10-11). Het geheim van de verlossing is slechts dit: dat jij dit jezelf aandoet (T-27.VIII.10:1).

De vervelende valkuil is om ontmoedigd te raken met je oefenen, omdat je er maar in blijft trappen, opnieuw en opnieuw. Besef echter, dat dit onvermijdelijk is. Daarom ben je in deze wereld gekomen (T-16.V.3), om te leren dat ze opnieuw geïnterpreteerd kan worden als een nuttige lesruimte. Als je niet alsmaar in die valkuil zou struikelen, zou je niet hier zijn – je zou al in de Hemel zijn. Feitelijk ben je al in de Hemel, maar nu bezig in de droom te leren ontslag te nemen als je eigen leraar (omdat je slecht onderwijs kreeg, T-28.VII.1), en om ervoor te kiezen de Heilige Geest steeds vaker te vragen hoe de omstandigheden en mensen in deze wereld van tijd en ruimte opnieuw te interpreteren. En het antwoord komt steeds weer neer op het kiezen van een wonder door oordelen tegen te houden, en jezelf te vergeven voor je niet vergevende denkgeest. Gun jezelf wat ruimte. Verlichting komt zelden van de ene op de andere dag. Door geduldig de leiding van de Heilige Geest te volgen, ben je aardig op weg te ontwaken uit deze dualistische nachtmerrieachtige hel van tijd en ruimte.

© Jan-Willem van Aalst, augustus 2016 (vertaling: Robert J Visser)

Advertenties

In Godsnaam

De uitroep boven is meestal een schreeuw uit frustratie of woede over een bepaalde persoon. Het is bepaald geen subtiele poging iemand te overtuigen z’n gedrag te wijzigen. Gezien vanuit Een Cursus in Wonderen krijgt dit taalgebruik beslist een andere betekenis. Hoewel de meeste mensen aan ‘Jezus’ denken telkens als ze “Christus” lezen, in ECIW verwijst de term ‘Christus’ naar al het leven bij elkaar, jou en mij incluis, en zelfs de meest vreselijke moordenaar. Christus is de slapende Zoon van God, het gezamenlijke Zoonschap, voor eeuwig schuldeloos en voor eeuwig veilig. Jij en ik die onszelf als individuen ervaren, hallucineren slechts over fragmentatie en afscheiding in een droom van tijd en ruimte. Een Cursus in Wonderen is tot ons gekomen in dit psychologisch geavanceerde tijdperk, als een pleidooi vanuit Jezus om oprecht te kijken naar deze wereld van gedachten, die we onze eigen individuele persoonlijkheid noemen. Jezus nodigt ons uit om illusies te doorzien voor wat ze zijn, en over onvoorwaardelijke vergeving te leren als de enige functie in ons leven. Het is een leergang in gedachtetraining, met blijvende innerlijke vrede als diens onvermijdelijke uitkomst door het aanvaarden van de Verzoening..

In het denksysteem van Een Cursus in Wonderen is “In Godsnaam” gelijkwaardig met “voor je eigen goed”, wat betekent “voor blijvend geluk, je eigen net zo goed als dat van ieder ander”. Dit is Jezus’ oproep aan ons in ieder hoofdstuk van het tekstboek, en elke les in het werkboek, evenals het handboek voor leraren. Het kan nuttig zijn dit in gedachten te houden elke keer dat je een ander hoofdstuk of les leest waarin Jezus je niets minder dan een totale omkering van je gehele denksysteem vraagt, nog afgezien van het opgeven van zelfs je individualiteit! In les 133 lezen we dat we niets dat niet blijvend is waarde zouden moeten toekennen (W-pI.133.6), wat zo ongeveer alles insluit dat ons dagelijks bezig houdt. Veel ECIW lezers hebben het gevoel dat Jezus een te groot offer van ons verlangt. Wat we geloven, onze verlangens, plannen, en hartstochten lijken wenselijker te zijn dan een of ander vage belofte dat dit alles opgeven ons beter zal doen voelen. En dus lezen we een beetje over spiritualiteit zo nu en dan, maar blijven lekker op de automatische piloot leven. Tot de pijn te veel wordt. Uiteindelijk zul je het punt bereiken waar leegheid zo ondragelijk wordt dat je uitroept “Er moet een betere weg zijn!”. Door in Een Cursus in Wonderen te lezen, begin je enkele sleutelbegrippen te heroverwegen die je zo’n lange tijd aan het dromen gehouden hebben. Hier zijn er een paar:

Als Jezus ons oproept “in Godsnaam” (voor je eigen bestwil), begin dan het idee te overwegen dat je je leven niet op de autopiloot moet leven. Je hebt een koninkrijk te regeren, dat je denkgeest genoemd wordt (W-pI.236,1). Je bent volledig tot respons in staat. En dat betekent, dat je actief kunt kiezen hoe je in welke situatie dan ook wilt reageren. Elke keer dat je merkt uit balans te raken, kun je beseffen dat je “in deze situatie vrede zou kunnen zien in plaats van wat ik er nu in zie” (W-pI.-34.6). Waarna je nimmer meer totaal gedachteloos in je leven hoeft te zijn. Alles wat nodig is te doen, is beginnen te kijken naar je eigen oordelen en jezelf af te vragen “gaat dit me vrede bezorgen?” Zodra je dit vaker oefent zul je vaststellen dat de lijst van zaken die je vroeger in verwarring brachten, maar die je nu een glimlach bezorgen, steeds langer wordt. Wat een vreugde!

In Godsnaam (voor het geluk van allen, het jouwe incluis), word je bewust van de universele wet die zegt: “zoals je zaait, zo zal je oogsten”. Met oordeel en aanval reageren op een als zodanig ervaren aanslag zal uitlopen op meer oordeel en aanval, wat tienduizenden jaren menselijke geschiedenis duidelijk illustreren. Wil je liefde? Geef het! Hoe meer liefde je in je gedachten en daden investeert, des te meer liefde zal in je leven terugstromen. Toegegeven, meestal komt dat niet van de mensen of op ogenblikken waarvan je het verwacht, maar op een of andere manier of weg komt het tienvoudig naar je terug! Gezien vanuit ECIW is dit overduidelijk, omdat er niemand anders is: er is slechts één Zoon van God, en we delen ook nog eens hetzelfde ego. Je kan alleen aan jezelf geven (W-pI.108). En dat is de reden dat er slechts één nodig is om deze wereld te redden: jij.

In Godsnaam (voor je eigen en ieders geluk), denk nu na over welke soort gedachten je zou willen kiezen voor de rest van je dagen op deze planeet. Aan het eind van je aardse leven zullen je bezittingen en verworvenheden (of het ontbreken ervan) niet belangrijk zijn. Wat belangrijk zal zijn, is hoeveel liefde je jezelf toegestaan hebt tot uitdrukking te brengen. Hoe zou je herinnerd willen worden? Het moment om plannen te maken voor de volgende twintig jaar van je leven is nu, niet twintig jaar later. Om een Leraar van God te zijn, is het niet eens nodig in God te geloven, maar het vereist beslist dat je vergeving zonder uitzondering verkiest boven veroordeling. Kan dat een moeilijke keuze om te maken zijn, in Godsnaam?

Welnu…, in de praktijk: ja, het is drommels moeilijk elke waarde die je erop na houdt te heroverwegen en om je volledige goed geconditioneerde denksysteem om te keren. Dus, hoe doen we dat? Beslist niet door jezelf te bevechten (T-30.II.1). Eén praktisch antwoord is dermate simpel dat het velen van ons ontgaat. De sleutel is namelijk je te realiseren dat je niets hoeft te doen. Je hoeft alleen maar je bereidwilligheid te oefenen je denkgeest te laten veranderen voor jezelf. In les 132 lezen we (W-pI.132.15): “Rust dan alleen maar, alert, maar zonder inspanning, en laat in stilte je denken zo worden veranderd dat deze wereld wordt bevrijd, samen met jou. Je hoeft niet te merken dat er genezing optreedt bij vele broeders in verre delen van de wereld, alsook bij hen die jij dichtbij je ziet, wanneer jij deze gedachten uitzendt om deze wereld te zegenen.”

Stilheid doet het ego-denksysteem verstommen, daarbij plaats makend voor de Heilige Geest (je ware intuïtie) om gehoord te worden. Dit is de stem die jou gegarandeerd naar blijvende innerlijke vrede leidt. Neem zo nu en dan tijd om van je drukdoenerij afstand te nemen, om stil te zijn. Rust en stilte in praktijk brengen is een vaardigheid die velen van ons in deze hectische maatschappij vergeten zijn, maar feitelijk is het de meest waardevolle tijd die je ooit doorbrengt. Dus, in Godsnaam, blijf je ervaring met stilheid verdiepen – het is de sleutel om je denkgeest op zachtaardige wijze te transformeren, voor je eigen bestwil…

© Jan-Willem van Aalst, juli 2016 (vertaling: Robert J Visser)

Het spijt me dat ik besta

In een onlangs gehouden therapiesessie met familie-opstelling, waarin ik één van de representanten was, vatte de dame in kwestie dat wat ze in de kern over zichzelf voelde, samen als “Het spijt me dat ik besta”. Direct nadat ze dit zei, kon je letterlijk de pijn en de herkenning voelen die door de hele groep heen trok. Ze gaf weliswaar toe dat er ook nog een ander klein stemmetje was dat zei “Het is zo fijn dat ik besta”, maar die stem kon de depressieve kernovertuiging dat haar komst in deze wereld een zonde was, nooit helemaal uitwissen.

Als ze met Een Cursus in Wonderen vertrouwd geweest was, zou ze ogenblikkelijk geweten hebben wat er aan de hand was. Het raakt de kern van de existentiële schuld die wij allemaal ervaren over het feit dat we God, onze Schepper, klaarblijkelijk afgewezen hebben. Jij en ik projecteren deze schuld effectief naar buiten, op deze wereld, zodat we haar uit de gewaarwording kunnen wissen, en ons voor God kunnen verstoppen, én voor onze denkgeest. Op het ontologische moment waarin de Zoon van God het concept van afscheiding (‘het kleine dwaze idee’) overwoog, en hallucineerde dat het warempel gelukt was, overstroomde ondraaglijke schuld de denkgeest. Wij, de slapende Zoon van God, ontstaken naar ‘t schijnt de Oerknal, daarmee een droom van tijd en ruimte in gang zettend, om op die manier ons als het ware te kunnen verstoppen voor de vermeende wraakzuchtige vergelding door God, en daarmee alle andere opgesplitste delen blijvend te demonstreren dat voortdurende afscheiding in tijd en ruimte bewijst dat jij en ik bestaan.

De meeste goedbedoelende professionele psychotherapeuten zullen waarschijnlijk proberen het zelfbeeld van hun patiënten te verbeteren. Ze zullen hun patiënten uitnodigen hun eigenwaarde nogmaals te heroverwegen en hun bijzondere talenten te onderzoeken. Ze zullen pogen de denkgeest van hun patiënt te ‘herstellen’ door het tellen van hun speciale zegeningen in het leven, in plaats van op depressieve gedachten te blijven hangen. De patiënt ondersteunt dit maar al te graag, omdat zij/hij dringend een meer welwillend concept van zichzelf nodig heeft, zonder de vermeende identiteit van zichzelf te moeten opgeven. In Een Cursus in Wonderen legt Jezus uit, in het bijzonder in het pamflet “Psychotherapie”, dat dergelijke therapeuten de fout begaan te geloven dat zij de leiding hebben in het therapeutische proces en daarom verantwoordelijk zijn voor het eindresultaat. (P-2.VII.4:4). Dit gaat niet lukken, omdat de vergissingen van de patiënt nu de mislukkingen van de therapeut worden. Jezus merkt op dat de aardse psychotherapie methode weinig tot niets onderricht over de werkelijke principes van genezing – in tegendeel, ze onderwijst je hoe je genezing onmogelijk maakt. Waarom is dat zo?

Als iemand de noodzaak voelt een ander te genezen (of door die ander genezen te worden), trappen beiden steeds weer in de ego-val van afscheiding. Genezing gebeurt zodra òf de therapeut òf de patiënt in begint te zien dat het enige probleem ‘niet-vergeven’ is. Genezing is niets anders dan het onderkennen van gezamenlijke belangen, en het vergeven van alle gedachten die iets anders rondbazuinen. Genezing begint zodra tenminste één van hen onze gedeelde Identiteit als zuivere geest begint te onderkennen. Zoals Jezus zegt in (P-2.VII.1): “Wie is nu de therapeut, en wie de patiënt? Uiteindelijk is iedereen beide. Hij die genezing behoeft, dient anderen te genezen. Geneesheer, genees uzelf. Wie anders valt er te genezen? En wie anders heeft genezing nodig? Elke patiënt die bij een therapeut komt biedt hem de gelegenheid zichzelf te genezen. […] God heeft geen weet van afscheiding. Het enige wat Hij weet is dat Hij één Zoon heeft. Zijn kennis wordt weerspiegeld in de ideale patiënt-therapeutrelatie.”

Dus, wat moet een psychotherapeut nu dan doen? De patiënt alleen maar voorhouden dat “Welnu, als ik eerlijk ben, bestaan jij en ik eigenlijk helemaal niet, en liefde kan in deze wereld niet gevonden worden”, gaat geen grote hulp zijn, hoezeer het de waarheid ook mag zijn. In tegendeel; waarschijnlijk gaat het alleen maar het gevoel van depressie versterken in de patiënt, wellicht leidend naar gedachten over zelfdoding. Maar lees werkboekles 129, “Voorbij deze wereld is een wereld die ik verlang”. We zullen alleen dan gemotiveerd worden een betere keuze te maken als we een beter alternatief zien! Lessen als deze illustreren het belang de metafysische grondslag van Een Cursus in Wonderen tot op zekere hoogte te vatten. In deze les verwijst Jezus naar de werkelijke wereld, wat natuurlijk geen andere fysieke wereld betekent, maar slechts een verandering in de waarneming van onze wereld van tijd en ruimte waarin wij geloven als een individu te bestaan. Door de werkelijke wereld, of juist gericht denken te kiezen wordt het einde van alle andere illusies ingeluid, en daarmee van alle ziekte (P-2.VI.5).

Vanuit een juist denkende gemoedstoestand, ontstaan uit onvoorwaardelijke vergeving, neem ik mijzelf in de werkelijke wereld nog steeds waar als een individu, maar tevens vereend met al mijn broeders omdat dat de wil van God is, én de waarheid. Al mijn handelen in de tijd-illusie dient er alleen maar toe de behoefte aan meer tijd overbodig te maken. Nu het me gelukt is me te realiseren dat mijn wezen geen lichaam maar zuivere geest is, mag ik waarachtig dankbaar zijn me te realiseren dat ik überhaupt niet werkelijk besta, als een individu. Iedere verstoring weerspiegelt mijn angst dat ik niet één ben met mijn Schepper. Iedere keer dat ik erin slaag waarachtig te vergeven wat me van streek schijnt te maken, wordt me de vanzelfsprekendheid van gedeelde Identiteit nog duidelijker, precies als de ervaring van innerlijke vrede dat doet. En het is de ervaring die motivatie aanvuurt. Wij ervaren de weerschijn van de Hemel op momenten dat we oefenen stil te luisteren: “Wees stil en weet dat Ik God ben”(T-4.In.2).

Dus, hoe kan het therapeutische proces effectiever opgezet worden? De therapeut begint met naar zijn eigen zelfoordeel te kijken, en nodigt de patiënt uit hetzelfde te doen. Beiden worden uitgenodigd te leren kijken en te luisteren. Beiden kunnen zo leren in de ander waar te nemen wat zij bij zichzelf nog niet vergeven hebben (P-2.VI.6). Door het (zelf)oordeel los te laten, wordt de Heilige Geest binnen genodigd. Hij zal het therapeutische proces op de best mogelijke manier richting geven, zodra we ons toestaan Hem te horen. Een wonder is binnen getreden waar daarvoor oordeel en afscheiding heersten. En het zachtaardig vergeven van het kleine zelf maakte dit mogelijk.

© Jan-Willem van Aalst, juli 2016 (vertaling: Robert J Visser)

Je bent al ver gekomen, lieverd

Een Cursus in Wonderen is een trainingsprogramma voor jouw denkgeest met als doel jouw complete denksysteem om te keren. In hoofdstuk 24 van het tekstboek lezen we: “Om deze cursus te leren dien je bereid te zijn iedere waarde die jij er op na houdt in twijfel te trekken. Niet één kan er verborgen en in het duister gehouden worden, of het zal je leerproces in gevaar brengen.” (T-24.In.2). De motivatie ECIW te leren ligt besloten in het besef dat hier niets werkt. Niets blijft. Individualiteit, het idee dat we totaal gescheiden van onze Schepper kunnen bestaan, was een onnozele vergissing. Het verbaast dan ook niet dat het accepteren van Jezus’ boodschap in Een Cursus in Wonderen heel wat weerstand oproept, omdat we gevraagd worden toe te staan ons dierbare ego totaal ongedaan te laten maken. We worden gevraagd om oprecht naar die weerstand te kijken, zonder oordeel, en dan bereid te zijn “opnieuw te kiezen”. Het werkboek richt zich op het faciliteren van het proces om intellectueel begrip naar deugdelijke ervaring om te zetten. Vele, zo niet de meeste studenten ervaren op een zeker moment teleurstelling over hun klaarblijkelijk gebrek aan voortgang in het accepteren en toepassen van Jezus zijn boodschap. “Na al mijn ijverig studeren in de Cursus en het in praktijk brengen ervan, waarom ontgaat vrede me nog steeds?”, verzuchten we.

Meer dan eens echter herinnert Jezus ons eraan dat we werkelijk geen flauw idee hebben over onze vooruitgang in zijn lesprogramma. In het tekstboek lezen we (T-18.V.1.5): “… jij kunt het onderscheid niet maken tussen vooruitgang en achteruitgang. Sommige van je grootste vorderingen heb jij als mislukking aangemerkt, terwijl je sommige van je diepste inzinkingen als succes hebt bestempeld.” En ook in werkboek les 123 lezen we een soortgelijke herinnering, op een wat bemoedigender manier (W-pI.123.1): ”Laten we dankbaar zijn vandaag. We zijn op lichtere en makkelijker wegen terechtgekomen. Omkeren is het laatste waaraan we denken, en er is geen onverbiddelijke weerstand tegen de waarheid. Er rest nog enige weifeling, enkele geringe bezwaren en een lichte aarzeling, maar je kunt met recht dankbaar zijn voor wat je gewonnen hebt, want dat is veel meer dan jij beseft.” Dat is nu juist het punt hier. Enkel omdat we de hele tijd nog geen onwankelbare innerlijke vrede ervaren, betekent niet dat we überhaupt nog niet veel gedaan hebben in Jezus z’n leerproces. We neigen ertoe alleen te zien wat we nog niet bereikt hebben, in plaats van, veel beter, de blik te richten op wat we wel hebben bereikt.

Bedenk eens: 99 procent van alle mensen om je heen raken nog steeds van streek van de kleinste dingetjes zonder te weten waarom. Dat zou zelfs, als voorbeeld, alleen maar een afkeurende blik van wie dan ook kunnen zijn. In plaats van je rot te voelen door zo iets, besef je nu dat dit slechts een waarneming is, een interpretatie, die volgt uit een projectie van iets in jezelf dat je als onacceptabel beschouwt. Op z’n minst weet je nu dat mensen nooit van streek raken om de reden die ze denken. Natuurlijk raak je zelf gedurende de dag ook van streek om verschillende dingen, maar nu realiseer je je dat elke verstoring een opzettelijke keuze van het ego is om verschillen en afscheiding te beklemtonen. Je beseft nu dat je “vrede zou kunnen zien in plaats hiervan” (W-pI.34.). Terwijl de meeste mensen die je kent nog steeds “onzeker rondlopen, eenzaam en in constante angst” (T-31.VIII.7:1) in een wereld vol roofdieren die erop uit zijn jou te pakken te krijgen, zal jij je nimmer meer als een hulpeloos slachtoffer voelen in je leven. Je hebt de macht van onvoorwaardelijke vergeving ervaren. Je hebt de ervaring van ware kalmte geproefd, een zekerheid dat we allemaal de geliefde Zoon van God zijn. Je beseft dat alle resterende perikelen in je leven slechts lessen zijn die jij nog gemist hebt te leren, en die je opnieuw voorgeschoteld krijgt door de Heilige Geest, opdat je een betere keuze kunt maken.

Dus, in plaats van te blijven rondhangen bij je schijnbare gebrek aan voortgang, besteed wat tijd blij en dankbaar te zijn voor je vooruitgang tot nu toe, door je bereidheid Jezus zijn boodschap te horen. In diezelfde les 123 zegt Jezus: “Dank aan jou die gehoord hebt, want jij wordt de boodschapper die Zijn Stem met je meedraagt, en Die over heel deze wereld laat weerklinken. […] Hij zal jouw gaven zegenen door die met jou te delen. En zo nemen we ze toe in macht en in kracht, tot ze deze wereld vullen met blijdschap en met dankbaarheid.”(W-pI.123.6). Je hebt geen idee van het effect dat jouw oefenen kan hebben op mensen waar je mee werkt en mee leeft. Iedere keer dat jij er in slaagt vergeving te beoefenen, herinner jij iemand anders aan de mogelijkheid om net zo’n betere keuze te maken. Iedere keer dat je vergeeft nodig je iemand anders uit de juiste manier van denken te kiezen. Je hoeft niemand daar buiten te overtuigen noch te bekeren (want in waarheid is er niemand daar buiten; we zijn allen projecties van dezelfde ego-denkgeest).

Je hoeft waarachtig niets te doen om Jezus zijn leergang te leren. Blijf gewoon vast en zeker herinneren dat je één bent met God, veilig Thuis in de werkelijkheid. Blijf oprecht van boven het strijdtoneel kijken, naar al dat onjuiste denken dat je nog steeds schijnt te kiezen. Bij elke moeilijkheid, alle onrust, en elke verbijstering die je tegemoet treedt, roept Christus je, en zegt zachtjes, “Mijn broeder, kies opnieuw.” En in de wetenschap dat jij de Zoon van God bent die niet kan lijden, zul je een betere keuze maken. En wees niet terneergeslagen als je vreest dat je de top van de ladder naar de Verzoening niet in dit leven zult halen. Bedenk, tijd is sowieso een immense illusie. Hoeveel meer levens we nog nodig mochten hebben doet vanuit Jezus zijn standpunt gezien, niet ter zake. Zoals hij ons verzekert in les 124: “Je bent er misschien niet klaar voor om de winst vandaag in ontvangst te nemen. Toch zal die ergens eenmaal tot jou komen, en jij zult haar beslist herkennen wanneer ze met zekerheid in je denkgeest daagt.” (W-pI.124.9.2-3). In een persoonlijk aan Helen gerichte notitie, voegde hij toe: “Je zult geen moeite hebben het eindexamen te halen. Er tussen gemaakte opmerkingen moeten niet in de eindversie opgenomen worden.” (Een leven geen geluk, p.240). Dus, heb vertrouwen in je eigen voortgang, door de dagelijkse praktijk van zonder oordeel naar je ego kijken vol te houden, en heel voorzichtig de Heilige Geest zijn werk te laten doen, met behulp van onvoorwaardelijke vergeving.

Je bent echt al heel ver gekomen, schattebout!

© Jan-Willem van Aalst, juli 2016 (vertaling: Robert J Visser)

Volslagen verspild

De Bhagavad Gita is een erg oude filosofische verhandeling over de aard van de denkgeest, over deze wereld, en onze essentie als geest. Waarschijnlijk dateert het op z’n minst uit een tijd drie of vier duizend jaar geleden. Haar boodschap wordt als een verhaal gepresenteerd, waarin twee legers op het punt staan op het slagveld oorlog te voeren. Opvallend symboliseert dit slagveld het slagveld van de denkgeest. Een van de vechtersbazen heet Arjuna, die zich op dat  moment afvraagt wat de bedoeling van dit alles is. Hij begint een gesprek met zijn wagenmenner, die de reïncarnatie van Heer Krishna blijkt te zijn, een avatar van de hoogste god Vishnu. De gesprekspunten die hun conversatie aansnijdt komen opmerkelijk overeen met Jezus’ zijn boodschap in Een Cursus in Wonderen, in het bijzonder wat betreft de illusoire aard van al wat onze zintuigen aanschouwen. Vreugde, vrede en verlossing zijn een keuze van de denkgeest, aangezien er buiten de denkgeest niets is. Overigens, alle schijnbaar gescheiden denkgeesten zijn in feite vereend, en hallucineren alleen maar over afscheiding. Dit hele onzinnige idee van verschillende belangen wordt in de Gita uitvoerig besproken. Op een zeker moment verzekert Krishna Arjuna dat “Zolang je denkgeest bezig blijft met zelfzuchtige verlangens, heb je je leven volslagen verspild. Dat is een behoorlijk gedurfd standpunt. Wat betekent het eigenlijk?

Aangezien we ons allemaal nauw vereenzelvigen met ons ego, moet de bewering van Krishna direct een steek in het ego-deel van onze denkgeest toebrengen door middel van een zich inwrijvend schuldgevoel. Heb ik ‘t mis – of, preciezer: ben ik zondig – om steeds maar eerst aan mezelf te denken? Kom nou! Ik moet voor mezelf zorgen in deze beangstigende wereld, nietwaar? Word ik verondersteld er voor te kiezen als de spreekwoordelijke voetveeg behandeld te worden, omdat, als ik eerst aan mijn eigen belangen denk, dat een concentreren op zelfzuchtige verlangens zou betekenen? Zulke overwegingen zijn voor het ego volslagen onaanvaardbaar, dus onderdrukken we dat schuldgevoel snel. Vervolgens projecteren we die schuld naar buiten, zodat al ons egoïsme nu buiten ons gezien wordt: ”Ja, iedereen handelt onophoudelijk vanuit egoïstische verlangens. Ik moet mijzelf verdedigen wil ik kunnen overleven”. Soms wordt dit gevolgd door een door het ego gestimuleerd spiritueel voorwendsel: “Ik, die toch een trouwe, ijverige spirituele aspirant ben, zal me niet door deze zelfzuchtige ego-tirannie van mijn stuk laten brengen, en me concentreren op mijn wettige plaats in de Hemel”.

Dit is natuurlijk absoluut niet wat Krishna bedoelt als hij het over de denkgeest heeft die in beslag genomen wordt door egoïstische verlangens. Het punt is dat een zelfzuchtige denkgeest zich toespitst op veroordeling, haat en aanval van en op alles buiten zichzelf. Een dergelijk boosaardige geesteshouding wordt onherroepelijk uit angst geboren, overtuigd dat het in een wereld vol strijdtonelen leeft, waar slechts één regel geldt: dood of word gedood. Vriendelijk, genereus en behulpzaam kan ik slechts in dat geval zijn dat mijn eigen persoonlijke veiligheid gewaarborgd is, en omdat alles daar buiten er tenslotte op uit is dat van me af te pakken wat ze menen zelf te vermissen, kan ik nooit onvoorwaardelijk op waarachtige wijze geven. Een  dergelijk tragische kijk op het leven volgt uit de overtuiging dat er werkelijk miljarden met elkaar wedijverende levensvormen daar buiten bestaan. En omdat de eindbestemming van leven de dood moet zijn, is de enige reden om niet iets zelfzuchtigs te doen, dat God me wellicht terug in de Hemel zal toelaten, en iemand anders zal straffen.

Krishna legt Arjuna geduldig uit, net zoals Jezus ons met engelengeduld uitlegt in Een Cursus in Wonderen, dat we een vergissing hebben begaan door te geloven dat leven opgesplitst werd in met elkaar wedijverende levensvormen. Er is maar één leven, en dat is de uitbreiding van God als Bron van het leven. De denkgeest kan denken dat hij slaapt (en dromen van fragmentatie en een wereld vol van met elkaar strijdende levensvormen), maar dat is dan ook alles (W-pI.167.6). De werkelijkheid van jou en mij is één gedeelde denkgeest, die pure geest is. Alle denkgeesten zijn als één verenigd. Dit beginnen we ons te realiseren zodra we leren de denkgeest “van boven het slagveld” te bekijken (T-23.V.1). Zo gezien, wat heeft het dan voor  zin je te concentreren op zelfzuchtige verlangens? Zo’n focus is volslagen verspilling, alleen al omdat het probeert deze droomwereld van afscheiding en opsplitsing in stand te houden. Deze keuze van gedachten zal niet leiden tot de “vrede die alle begrip te boven gaat”, wat ons ware verlangen vormt als we volkomen eerlijk zijn.

Op het moment dat we de illusoire aard van gefragmenteerde, wedijverende ego’s compleet doorzien, is ons eigen ego niet direct buitenspel, zacht uitgedrukt. Het ego bezit een indrukwekkend arsenaal subtiele technieken om een piepklein achterdeurtje in onze denkgeest te vinden om weer naar binnen te kruipen. Het is cruciaal je besef van dergelijke ego-tactieken te ontwikkelen, als je oprecht de Heilige Geest wilt toestaan jou te helpen. Hier is het kardinale criterium: zolang als je oprecht probeert voor het algemeen belang te handelen, voor de collectief hoogste belangen, uit een holistische houding van compassie en broederliefde, verwacht je daar dan stiekem iets voor terug? Veel zogenaamde ‘liefdadige’ acties worden gevoed door een opofferend verlangen erkenning te ontvangen, lof, of applaus. Dat zou Krishna een ‘zelfzuchtig verlangen’ noemen. Het ego is dan weer terug op de bühne!

Opnieuw, hiermee is niet gezegd dat je jezelf als voetveeg laat behandelen, maar het roept zeker het beslissende deel van je denkgeest op, je te realiseren, dat iedereen daar buiten eenvoudig een projectie is van een of ander niet vergevend deel van je denkgeest. Projecties komen voort uit niet vergeven, wat wil zeggen dat we ons verzetten tegen de Wil van God om eeuwig Eén met al het leven te zijn. Dit vereist vergeving, en niets anders. En daarom vertelt Krishna Arjuna: “Zij leven in wijsheid die zichzelf in alles waarnemen, en alles in henzelf, die ieder zelfzuchtig verlangen en kwellend hartzeer afgezworen hebben”. Maar dit betekent nu ook weer niet dat we niet actief in deze denkbeeldige wereld bezig zouden moeten zijn, als Krishna dan vervolgt: “Verricht werk in deze wereld, Arjuna, als een in jezelf gevestigd man – zonder zelfzuchtige gehechtheden, en blijf dezelfde bij succes en nederlaag. Zij, die alle egoïstische verlangens afwijzen en zich losmaken van de ego gevangenis van het “ik”, het “mij”, en het “mijn”, zijn voor alle tijden vrij om met de Heer verenigd te worden. Dit is de hoogste staat. Verwerf dit, en overstijg de dood naar onsterfelijkheid”.

© Jan-Willem van Aalst, juli 2016 (vertaling: Robert J Visser)

Beeldschone façades

Anna Freud, de dochter van de beroemde pionier op het gebied van psychotherapie, Sigmund Freud, herinnerde zich een gesprek met haar vader tijdens een wandeling door een district vol grote herenhuizen in het centrum van Wenen. “Zie je die prachtige huizen met hun heerlijke gevels?” merkte hij op. “Achter die gevels zijn dingen niet perse zo lieflijk. En zo is het ook bij mensen”. Freud verwees naar de uitzonderlijk dunne laag beschaving die onze giftige zelfzuchtige drang bedekt, om over vrijwel alles buiten ons te oordelen, het af te wijzen, het aan te vallen, zo niet te vermoorden en seksueel leeg te ruimen. Naar buiten toe en in de openbare ruimte doen we ons best om vriendelijk, bedachtzaam, behulpzaam te zijn, en aan ieders voornaamste belangen bij te dragen. Achter de voordeur daarentegen, in het bijzonder wanneer niet aan alle door Maslow beschreven basislevensbehoeftes voorzien is, is het beest daarbinnen geneigd zijn kop op te steken zodra onze egoïstische belangen in gevaar dreigen te zijn. Wij zijn allemaal bekend met verhalen vol pijn en gruwel achter de voordeuren van sommige gezinnen in onze buurt. En hoewel we onszelf bewust vertellen dat wij zo iets beslist nooit zouden doen, weten we ergens diep van binnen dat datzelfde beest in ons allen op de loer ligt.

In Een Cursus in Wonderen bevestigt Jezus de opvatting dat het ego 100% haat en aanval is. We mogen dan ons gezicht vol onschuld opzetten, en al de veroordelende neigingen, die we weigeren in onszelf waar te nemen, naar buiten toe projecteren, zodat alle kwaad nu buiten ons waargenomen wordt; maar, zolang we alsmaar de onjuiste denkgeest kiezen, zullen onze gedachten onontkoombaar de afscheiding versterken, en in haar kielzog veroordeling en aanval, wat de vorm ook mag zijn. Lichtjes ineenkrimpen door irritatie is niets anders dan een sluier die intense woede bedekt. Maar terwijl Freud pessimistisch bleef over het vooruitzicht van de mensheid, omdat hij geen uitweg voor het ego kon ontdekken, verzekert Jezus ons in ECIW blijmoedig dat het ego zelf niets anders is dan een flinterdunne sluier, simpelweg op te heffen, zodra we ervoor kiezen om, met Jezus aan onze zijde, te kijken naar al z’n donkere onnozelheid, wat betekent, vanuit een positie ‘boven het slagveld’, kalm, en zonder oordeel. Freud was hier niet toe in staat omdat hij ‘in z’n lichaam gevangen’ bleef – hij kon zich onze essentie als pure geest buiten tijd en ruimte niet voorstellen, laat staan het begrip van dualiteit – kortom, alles wat wij waarnemen – als de illusoire droom van een slapende Zoon van God.

Opnieuw zien we het belang van het snappen van het metafysische fundament waar Jezus over uitweidt in Een Cursus in Wonderen. We geven onze volledige identificatie met het ego slechts dan pas op, als we er door en door van overtuigd zijn dat er een veel beter alternatief bestaat. Jezus zal niet veel studenten overtuigen door alleen maar te beweren dat we ons beduidend beter zullen voelen wanneer we onze individualiteit laten varen en Huiswaarts keren als pure geest in het hart van God, daarbij tijd en ruimte en alle concepten voor altijd achter ons latend. We kunnen niet bevatten hoe dat zou zijn, dus gaan we dat niet doen. We hebben de ervaring van de werkelijke wereld nodig, de weerklank van Gods Liefde hier op aarde, in onze dagelijkse bezigheden in ons leven hier op deze planeet, hoe illusoir die ook mag zijn. Om te ontwaken uit de droom is een langzaam zich ontvouwend leerprogramma van denkgeesttraining nodig (M-9.1), waarin we leren om onszelf toe te staan de geloofsovertuigingen van ons ego stap voor stap ongedaan te maken. Elke keer dat we erin slagen het oordelen tegen te houden, en in plaats daarvan het advies van de Heilige Geest, waargenomen als wat we ‘ware intuïtie’ noemen, op te volgen, versterkt het daaruit ontstane gevoel van innerlijke vrede onze vastberadenheid vaker te wisselen in onze denkgeest. We glimlachen vaker als we beetje bij beetje leren de illusoire aard te doorzien van alles wat onze zintuigen oppikken.

Wat deze ontmaskering van onze waarneming zo moeilijk maakt zijn de lieflijke vormen die het vaak schijnt aan te nemen. Wie wordt nou niet ademloos bij het zien van magnifieke berglandschappen, prachtige bloemenvelden, indrukwekkende architectuur en idyllische eilanden? Zo bezien, is het heel moeilijk om Jezus te horen zeggen in ECIW dat deze wereld gemaakt werd als een aanval op God (W-pII.3.2). Zeker, we weten dat  het allemaal voorbijgaand is – alles vervaagt en sterft uiteindelijk, maar er is iets onweerlegbaar glorieus aan alle leven dat we ervaren, dat onverwoestbaar is, toch? Nee, zegt Jezus, alles wat we hier als leven beschouwen is een illusie van leven, omdat er geen leven bestaat buiten God, die geen weet heeft van dualiteit. Op soortgelijke wijze verzekert Jezus ons dat ware Liefde niet gevonden kan worden in tijd en ruimte. Welnu, ik kan toch zeggen: “ illustreert het feit dat mensen zorg dragen voor elkaar, niet de werkelijkheid van liefde hier op aarde, in de droom”? Op dit punt wordt de leiding van Jezus subtieler, maar nog steeds consistent. Nee, we zijn geen miserabele zondaars die onszelf voor de gek houden wat liefde betreft, we zijn eenvoudig in de war door een denkgeest die ogenschijnlijk in conflict is (T-6.V.B.3-8). Een van de kerngedachten in Een Cursus in Wonderen is dat we zowel een onjuiste denkgeest als een juiste denkgeest hebben, plus een keuzemaker die onophoudelijk tussen die twee kiest. Een Cursus in Wonderen is in wezen een leerplan om die keuzemaker te trainen vaker de juist denkende denkgeest te kiezen.

Dat is de reden dat Jezus benadrukt dat de wereld die we waarnemen niet intrinsiek slecht is, zoals Freud concludeerde; ze is per definitie niets (W-pI.132.4). De enige te vragen vraag bij alles wat we waarnemen, luidt: “Waar dient het toe?” (T-4.V.6). Bedoeling is alles, zoals we allemaal zullen toegeven. Zie ik mijn relatie met jou, met mijn bezittingen, met de plaatsen die ik bezoek, als middelen om mijn eigen bijzonderheid te onderstrepen (het standpunt van het ego), of zie ik zulke relaties als lessen van liefde, me vriendelijk aangeboden door de Heilige Geest, omdat ik ze tot nu toe niet had weten te leren? Alle tegenspoed en beproevingen in ons leven zijn niets anders dan gelegenheden een liefdesles te leren die je tot nu toe weigerde te leren (T-31.VIII.3). Zodra we de innerlijke vrede ervaren die uiteindelijk voortvloeit uit het achterhouden van oordelen, en uit het opvolgen van het advies van de Heilige Geest (d.w.z. het wonder kiezen middels vergeving), bemerken we dat onze ego waarnemingen voorschoven zijn naar ware waarnemingen. Nog steeds nemen we illusies waar in tijd en ruimte, maar ware waarneming broedt geen nieuwe illusies uit. We zijn gelukkig op onze weg naar de werkelijke wereld, die zich eveneens nog steeds in de waarneembare wereld van de dualiteit bevindt, maar daarentegen zo dicht bij de Hemel, dat de brug makkelijk overgestoken wordt. Tot het zover is, is onvoorwaardelijke vergeving alles wat we moeten doen om de weg te bewandelen naar blijvende vrede, die Freud niet waarnam.

© Jan-Willem van Aalst, juli 2016 (vertaling: Robert J Visser)

Een horrorverhaal

Op een online forum gerelateerd aan Een Cursus in Wonderen, bracht iemand een gesprek in herinnering tussen Cursus-wetenschapper Kenneth Wapnick en één van zijn workshop-deelnemers. Deze man merkte op dat hij graag een exemplaar van Een Cursus in Wonderen aan een paar van zijn vrienden wilde geven, als geschenk. Kenneth reageerde: “Waarom zou je dat willen doen? Vind je hen niet aardig? Het is een horrorverhaal!” Je kunt je de verbazing voorstellen in de ogen van deze betreffende kerel toen hij deze verbluffende visie op ECIW overwoog.

Dus, waarom is Een Cursus in Wonderen een gruwelijk verhaal? Is dit niet de leerstof par excellence die “het doel èn de middelen” levert op weg naar blijvende innerlijke vrede? De fundamentele voortdrijvende kracht welke Een Cursus in Wonderen onderwijst, is ware vergeving, allereerst van je broeder en dan van jezelf (wat natuurlijk in werkelijkheid hetzelfde is). Daarbij komt het besef dat deze nachtmerrieachtige droom van tijd en ruimte in werkelijkheid nooit is gebeurd. En niet alleen dat; we worden op overtuigende wijze door Jezus onderwezen dat God niet kwaad is. In tegendeel, Hij heeft het gehele Zoonschap lief. We hoeven slechts op eerlijke wijze naar de werkwijzen van het ego te kijken, en er opnieuw voor te kiezen de Heilige Geest, de “Stem namens God”, te horen – en te volgen. God is Liefde, en verlossing is gegarandeerd! Dat klinkt nou niet direct als een horrorverhaal, is ’t wel?

Wat weerzinwekkend aan Een Cursus in Wonderen is, is, dat het het einde van het ego aankondigt, waar we zo hopeloos aan vast zitten. Ieder die deze aarde bewandelt, is er stellig van overtuigd dat hij in wezen een lichaam is, geboren met een unieke, bijzondere persoonlijkheid. We beschouwen een “sterk en gezond ego” als een basisvereiste om te overleven. De vaststelling dat we ertoe neigen ziek, gemanipuleerd en gekwetst te worden, en onvermijdelijk sterven, wordt gewoonlijk onder het wateroppervlak van de ijsberg die we onze denkgeest noemen, verdrongen. De meeste mensen leven hun leven op de automatische piloot, met pieken en dalen, want dat is “de aard van het leven”, is het niet?

In Een Cursus in Wonderen lezen we dat alles in tijd en ruimte wat we koesteren (of haten) volslagen illusoir is. En daar komt nog bij, dat zelfs onze dierbare individuele persoonlijkheid slechts een krachteloze bevlieging blijkt te zijn. We zijn als de zonnestraal die denkt de zon te zijn; of als het golfje dat hallucineert de oceaan te zijn (T-18.VI.9.3). Dit symboliseert natuurlijk onze schijnbare afscheiding van onze Schepper – ik heb me tegen God verzet en nu geloof ik dat ik god ben; de ultieme zonde; de bron van al onze schuldgevoelens en al onze angsten. De gruwel voor het ego is dat, als we oprecht binnen in onze denkgeesten zouden rondneuzen, we helemaal geen zonde zouden zien – en bijgevolg geen grondslag voor het bestaan van het ego.

Ai! Voor het ego is ons mogelijke besef dat we het zonder het ego zouden kunnen stellen, en er zelfs veel beter aan toe zouden zijn, pure horror. “Jij vraagt niet te veel van het leven, maar veel te weinig”, spoort Jezus ons aan (W-pI.133.2), ons vriendelijk uitnodigend om van leraar te wisselen voor onze denkgeest. De keuze voor de juiste manier van denken stelt ons in staat aan de kannibalistische wetten van chaos te ontsnappen (T-23.II), die deze wereld van tijd en ruimte van het ego besturen, een wereld die er precies toe dient om de denkgeest voor eeuwig gedachteloos te houden. Op een of andere manier beseffen we diep verborgen in ons dat alles hier tenslotte faalt, verdort en sterft, maar het alternatief (zo verzekert het ego ons) betekent het verlies van onze individualiteit, wat we zworen nimmer op te geven, door zich voor alle tijden op deze wijze tegen de Wil van God te verzetten. (T-24.IV.4).

We hebben onszelf verbannen naar een woestijn, “waar hongerende en dorstende schepsels komen sterven” (W-pII.13.5). Een woestijn kan niet bevochten worden. Wat gedaan moet worden, is de woestijn verlaten, wat Jezus Helen ooit persoonlijk vertelde (zie: Een leven lang geen geluk, pagina 259). Nochtans, zo lang we ons niet volledig bewust zijn van een veel beter alternatief, zullen we het simpelweg gewoon niet doen. Als voorbeeld, jij en ik vinden het buitengewoon moeilijk om slechte gewoontes die zelf-saboterend zijn, op te geven, omdat de pijn die we daarbij ondervinden nu juist ons speciale individuele zelf bepaalt. Verstandelijk gezien proberen we het, maar in onze onderbuik zijn we te bang om de verandering van denken die Jezus ons uitnodigt te bewerkstelligen, werkelijk uit te voeren, omdat we daarbij uitsluitend het alternatief van ongedaan maken waarnemen dat ons ego ons voorhoudt. Wie zouden we zijn zonder onze problemen (d.w.z. zonder ons ego)? Dit is precies het punt waarom het zo belangrijk is de combinatie van het Tekstboek en het Werkboek te doorgronden. Het Tekstboek levert een samenhangende en overtuigende verhandeling over wat we werkelijk zijn, wat het ego bekokstooft, waarom het alternatief veel beter is, en hoe daar mee om te gaan. Het Werkboek levert de middelen hoe dit intellectuele begrip in ervaring om te zetten is. Het is juist deze persoonlijke ervaring van innerlijke vrede die ons, blij verrast, in staat stelt tegen onze vrienden te zeggen, dat Een Cursus in Wonderen werkelijk werkt.

Het is begrijpelijk dat iedere student die op overtuigende wijze deze beloofde innerlijke vrede ervaren heeft, hoe kort ook, de drang voelt om de boodschap van Een Cursus in Wonderen vrienden, familie en andere geliefden, “op te dringen”. Het is verleidelijk jezelf als een gelukkige leerling te beschouwen, een Leraar van God, en brenger van de verlossingsboodschap van de Heilige Geest. Helaas is dit geenszins wat Jezus in Een Cursus in Wonderen bepleit. In tegendeel – als je deze verleiding van dichtbij bekijkt, zal je beseffen dat het ego subtiel via de achterdeur weer naar binnen gekropen is. Als ECIW student vraagt Jezus me slechts de Verzoening voor mijzelf te aanvaarden. Elke keer dat ik waarlijk vergeef, doe ik dat voor het gehele Zoonschap, daar denkgeesten verbonden zijn,. Wanneer anderen er voor kiezen deze vorm van vergeven te accepteren, is niet aan ons om te beslissen. Dat bepaalt de Heilige Geest, die weet dat tijd sowieso illusoir is.

We zullen mensen altijd met respect moeten accepteren, waar die zich op dat ogenblik ook bevinden, een beroemd coaching axioma parafraserend. Leven als een Leraar van God betekent dat je je ego ontslagen hebt als jouw Leraar, en dat je nu bereid bent de Heilige Geest al je dagelijkse bezigheden zachtmoedig te laten leiden. Alleen op deze manier zullen de (quasi afgescheiden) personen je pad kruisen van wie het de bedoeling is dat ze jou tegenkomen, en omgekeerd. Alleen de Heilige Geest weet hoe tijd perfect te gebruiken om haar tenslotte ongedaan te maken. Een gelukkige leerling evangeliseert Een Cursus in Wonderen niet, maar laat simpelweg de Heilige Geest alle gedachten en bezigheden op zachtaardige wijze leiden. Je kunt of je kunt niet geroepen worden uitdrukkelijk over Een Cursus in Wonderen te onderwijzen, maar in beide gevallen blijft je eigen ware vergeving, geboren uit een houding van loslaten, op je af laten komen, de sleutel.

© Jan-Willem van Aalst, juni 2016, (vertaling: Robert J Visser)