Blog

De enige keuze van betekenis

In Een cursus in wonderen vertelt Jezus ons dat hoewel wij hier elke dag duizenden keuzes lijken te maken over verschillende vormen in deze dualistische droomwereld, elke keuze qua inhoud altijd neerkomt op de keuze tussen God en het ego. Vanuit inhoud bezien gaat het altijd om de keuze tussen angst of liefde, tussen illusie of waarheid: “De keuze om je met de waarheid of met illusie te verbinden is nog steeds aan jou. Maar bedenk wel dat de ene kiezen betekent de andere los te laten. Die welke je kiest, die zul jij met schoonheid en werkelijkheid begiftigen, want jouw keuze hangt af van welke je het meest waardeert. […] Want je kunt nooit anders kiezen dan tussen God en het ego” (T17.III.9:1-3;5).

Een grote frustratie van vrijwel alle Cursusstudenten is dat hoewel zij zich er nadrukkelijk van vergewissen dat ze werkelijk het ego ongedaan willen laten maken en alleen nog maar voor God willen kiezen, ze onvermijdelijk elke dag weer merken dat ze toch voor het ego blijven kiezen, in het volle besef van de pijn die dat met zich meebrengt. Veel studenten voelen zich kortom verslaafd aan het ego. Maar Jezus biedt ons hierover een psychologische eye-opener van de bovenste plank: “Onder het donkere fundament van het ego ligt de Godsherinnering, en juist hiervoor ben je werkelijk bang. Want door deze herinnering zou jij terstond je eigen plaats [in nondualiteit] hervinden, en juist deze plaats heb je proberen te verlaten. […] Je beseft dat door de donkere wolk weg te nemen die haar aan het oog onttrekt, jouw liefde voor je Vader jou ertoe zou aanzetten Zijn Roep te beantwoorden en met een vreugdesprong de Hemel binnen te gaan. […] Want dieper nog dan het fundament van het ego, en veel sterker dan dat ooit zal zijn, brandt jouw intense liefde voor God, en die van Hem voor jou. Dit nu is wat jij werkelijk wilt verbergen” (T13.III.2:1-9).

Dus zeker willen we uiteindelijk niets liever dan de Liefde van God, maar tegelijkertijd zijn we daar onbewust doodsbenauwd voor, omdat dit zou betekenen dat we onze gekoesterde individualiteit kwijtraken. De angst wordt verder aangewakkerd door het ego, dat ons tamelijk vilein verzekert dat God ons zwaar zou straffen voor de onuitwisbare zonde van de afscheiding. Kortom, Een cursus in wonderen legt ons uit dat we allemaal een gespleten denkgeest hebben. Dit conflict is altijd geworteld in de fundamentele twijfel over wie we in essentie zijn: “Er is geen conflict dat niet de ene, eenvoudige vraag behelst: ‘Wat ben ik?’ […] Onzekerheid over wat jij wel mag zijn is zelfmisleiding op zo’n enorme schaal dat de omvang ervan nauwelijks te bevatten is. […] En juist voor deze ontkenning heb je Verzoening nodig.” (Wd1.139.1:6;3:1;5:2).

Dus de keuze tussen God en het ego – tussen Liefde en angst, tussen de Hemel de de hel – lijkt alleen moeilijk omdat we koppig willen blijven vasthouden aan onze speciale afgescheiden individualiteit, plaats van onze ware realiteit als Christus te omarmen, de Ene Zoon van God. En toch verzekert Jezus ons, aangezien tijd en ruimte zelf volstrekt illusoir zijn, dat deze schijnbaar moeilijke keuze eigenlijk niet werkelijk een keuze is, als we eenmaal helder zien waartussen we kiezen: “De Hemel wordt bewust gekozen. De keuze kan niet worden gemaakt zolang de alternatieven niet nauwkeurig bekeken en begrepen zijn. Alles wat in schaduwen is gehuld, moet tot begrip worden gebracht om opnieuw te worden beoordeeld, ditmaal met behulp van de Hemel. En alle beoordelingsfouten die de denkgeest in het verleden heeft gemaakt, staan open voor correctie, nu de waarheid ze als oorzaakloos verwerpt. […] Nu wordt onderkend dat ze niets zijn” (Wd1.138.9:1-4;6).

Jezus vertelt ons eigenlijk: ‘De enige reden dat je nog niet louter voor de Hemel kiest, is dat je je keuze-opties nog niet in alle eerlijkheid bekijkt en het ego doorziet voor wat het is.’ Daarom komen we uitspraken tegen zoals: “Het is niet jouw taak op zoek te gaan naar liefde, maar enkel in jezelf alle hindernissen te zoeken die jij ertegen opgeworpen hebt, en die te vinden” (T16.IV.6:1-2). En in hoofdstuk 11: “Niemand kan ontsnappen aan illusies tenzij hij ernaar kijkt, want door er niet naar te kijken worden ze beschermd. […] De ‘dynamiek’ van het ego zal een tijd onze les zijn, want we moeten hier eerst naar kijken om erdoorheen te kunnen zien, aangezien jij het werkelijkheid hebt verleend. […] Hoe kan men illusies anders verdrijven dan door ze direct onder ogen te zien, zonder ze in bescherming te nemen?” (T11.V.1:1;1:5;2:2).

Maar hoe consequent zijn wij eigenlijk in het ‘direct onder ogen zien’ van de ‘dynamiek’ van het ego? Kijken we daar werkelijk elk moment van de dag naar, met Jezus bij ons? Niet echt. Als ik bijvoorbeeld een fietstochtje ga maken, kan ik me voornemen om van elke ontmoeting een heilig ogenblik te maken, hoe vluchtig ook. Ik kan me in alle eerlijkheid voornemen om geen broeder achter me te laten zonder een stille zegening. In de eerste tien minuten ben ik een lichtbaken van vrede en zegen iedereen die ik zie, in elk geval in gedachten. Maar na een halfuur bemerk ik dat ik dat al een poosje niet meer heb volgehouden. Ongemerkt viel ik toch weer terug in het gedachteloos veroordelen van vormen; in vrijwel iedereen vond ik wel iets dat me niet helemaal beviel, hoe onbeduidend het ook was.

Daarom benadrukken leraren zoals Kenneth Wapnick steeds weer opnieuw het belang van het blijven oefenen met kijken, kijken, kijken naar wat er in de denkgeest gebeurt, zonder oordeel. Zo herinnert Jezus ons liefdevol: “Elke dag, elk uur en elke minuut, ja zelfs elke seconde, kies je tussen de kruisiging en de opstanding, tussen het ego en de Heilige Geest” (T14.III.4:1). En precies daarom merk ik dat ik niet vaak genoeg Jezus’ centrale vraag aan jezelf kan herhalen, uit les 156: “Wie vergezelt mij? Deze vraag moet duizend keer per dag worden gesteld, tot zekerheid een eind aan twijfel heeft gemaakt en vrede tot stand heeft gebracht. Laat vandaag twijfel ophouden.” (Ws1.156.8:1-3). Dit is de enige manier om ons volledig bewust te worden van het belang van de enige betekenisvolle keuze die we in dit leven kunnen maken: de keuze tussen het ego en God.

Het ego is en blijft honderd procent veroordeling, haat, aanval en afscheiding. De enige reden dat ik nog niet honderd procent voor de Hemel kies is dat ik nog steeds een sprankje hoop heb dat ik als individu god kan zijn in mijn eigen wereld, en zo iets van blijvend geluk hier kan vinden. Voeg daar het schrikbeeld aan toe van de wraakzuchtige God, dat het ego ons steeds gretig voorhoudt, en het lijkt erop dat we voor altijd ‘bewusteloos’ (mindless) zijn geworden. Totdat we in alle eerlijkheid naar binnen kijken, en daar tot onze verrassing bemerken dat er geen zonde is. Het ego-verhaal over zonde, schuld en angst is gefabriceerd. Juist daarom kan Jezus stellen dat de keuze tussen God en het ego feitelijk helemaal geen keuze is: “Je neemt maar één keuze. En wanneer die ene is genomen, zul je merken dat het helemaal geen keuze was. Want waarheid is waar, en niets anders is waar. Er is geen tegendeel om in plaats daarvan te kiezen. Er is niets in tegenspraak met de waarheid” (Wd1.138.4:4-8).

Dus door consequent en in alle eerlijkheid, zonder boos op je zelf te worden, te kijken naar wat er in de denkgeest gebeurt, ondersteunen we ons eigen proces van het leren om steeds vaker de enige betekenisvolle keuze te maken, zoals we lezen in werkboekles 138: “Maar wie kan nalaten zijn keus uit alternatieven te maken wanneer er maar één als waardevol wordt gezien, en de ander als iets volkomen waardeloos, een louter ingebeelde bron van schuld en pijn? Wie aarzelt om een dergelijke keuze te maken? En zullen wij aarzelen om vandaag te kiezen?” (Wd1.138.10:3-6). Of, zoals Jezus hoofdstuk 23 van het Tekstboek afrondt: “Wie, die zich door Gods Liefde gedragen weet, kan de keuze tussen wonderen en moord moeilijk vinden?” (T23.IV.9:8). Veel inspiratie gewenst met oefenen!

— Jan-Willem van Aalst

Allerlei soorten liefde

We zijn allemaal grootgebracht met het onwrikbare idee dat er veel schillende soorten liefde bestaan. Zo vinden we het bijvoorbeeld vanzelfsprekend dat de liefde tussen een getrouwd stel beslist anders is dan de liefde tussen vrienden. De liefde die ouders voelen voor hun kinderen is anders dan de liefde die we voelen voor, laten we zeggen, de planeet. En de liefde die we wellicht voelen voor Jezus of God is natuurlijk weer van een heel andere orde. Althans, zo is ons denken geconditioneerd.

Hoe vreemd lijkt het dan om in werkboekles 127 van Een cursus in wonderen te lezen dat er geen liefde is dan die van God. In die les licht Jezus dit als volgt toe: “Liefde is één. Ze kent geen afzonderlijke delen en geen gradaties, geen soorten of niveaus, geen verschillen en geen onderscheidingen. Ze is zichzelf gelijk, volkomen onveranderlijk. Ze verandert nooit naar gelang de persoon of de omstandigheid. Ze is het Hart van God en tevens van Zijn Zoon” (Wd1.1:3-7). Dat is een behoorlijk compromisloze definitie van liefde. Hoe zou dat praktisch gezien mogelijk kunnen zijn in deze wereld? Moet ik dan mijn levenspartner vertellen dat ik net zo van haar hou als ik van iedereen hou, omdat liefde één is?

Wat hier belangrijk is om je te herinneren is dat Jezus het hierboven over de inhoud van liefde heeft vanuit een nondualistisch oogpunt, terwijl de daarboven genoemde voorbeelden de verschillende vormen weergeven waarin we liefde ervaren of uiten, aangezien wij onszelf nu eenmaal in de tijd en ruimte van een dualistische wereld wanen. Kenneth Wapnick benadrukte altijd het verschil tussen speciale liefde, die inherent is aan deze dualistische droomwereld, en de Eenheidsliefde die jij en ik en iedereen zowel heeft als is, als onze werkelijke realiteit in het nondualistische rijk van de Hemel. Jij en ik en iedereen zijn daar nu nog steeds, maar we kiezen ervoor dat een poosje te “vergeten”.

In dezelfde werkboekles legt Jezus ons ook uit waarom wij, als de schijnbaar afgescheiden Zoon van God, de voorkeur geven aan speciale liefde in plaats van aan de Eenheidsliefde van God. Door een rangorde in vormen van liefde te zien (en daarmee dus het eerste principe van wonderen te ontkennen dat stelt dat er geen rangorde naar moeilijkheid in wonderen is, T1.I.1:1), kunnen jij en ik nu wijzen naar waar liefdeloosheid lijkt te bestaan. En dat is natuurlijk altijd ergens buiten onszelf. Nu kunnen we ons ‘gelaat van onschuld’ opzetten en anderen verantwoordelijk houden voor alles wat liefdeloos lijkt te zijn; we kunnen zo zelfs onze eigen aanvallen rechtvaardigen: “Het gezicht van de onschuld, dat door het zelfconcept zo trots wordt vertoond, kan een aanval als zelfverdediging wel gedogen, want is het geen welbekend feit dat de wereld ruw omspringt met weerloze onschuld?” (T31.V.4:1).

In Een cursus in wonderen nodigt Jezus zijn studenten uit om hun idee over de veranderlijkheid van liefde anders te bezien, en voortaan consequent het juist gericht denken te beoefenen, wat betekent: louter liefde waarnemen en uiten. Dat wil zeggen, de onveranderlijke inhoud van liefde. Hij beschrijft dat als volgt: “Je kunt niet onderdelen van de werkelijkheid liefhebben én begrijpen wat liefde betekent. Hoe kun je dit begrijpen als je anders wilt liefhebben dan God, die geen speciale liefde kent? Geloven dat speciale relaties, met speciale liefde, jou verlossing kunnen bieden, is geloven dat afscheiding verlossing is. Want juist in de volstrekte gelijkheid van de Verzoening wordt verlossing gevonden. Hoe kun je nu besluiten dat speciale aspecten van het Zoonschap jou meer kunnen geven dan andere?” (T15.V.3:1-5).

Hoewel Jezus’ pleidooi duidelijk is om consequent de aandacht te richten op de inhoud van liefde, betekent dat beslist niet dat jij en ik die liefde niet in allerlei vormen in ons dagelijks leven zullen uiten. Zo is het hier niet behulpzaam om je echtgenote te vertellen dat je net zoveel van haar houdt als van ieder ander, omdat ‘alle liefde één is’. Vooral met echtgenotes die niet bekend zijn met de twee niveaus van onderwijs in Een cursus in wonderen, gaat dit niet echt helpen, om het zacht uit te drukken. Evenmin zou het erg praktisch zijn om de zelfde vorm van liefde naar iedereen te uiten die je tegenkomt gedurende de dag, omdat Jezus nu eenmaal heeft gezegd dat alle liefde één is, en dus op iedereen van toepassing.

Jezus ziet dus graag dat we op beide niveaus van zijn onderricht oefenen. Op het nondualistische niveau I oefen je met hetzelfde ‘witte licht’ te zien in iedereen. Het middel hiertoe heet vergeving, oftewel het loslaten van veroordeling, en ervoor kiezen een betere Stem als Gids van je gedachten te kiezen, zoals Jezus toelicht: “Wanneer jij je met mij verenigt, verenig jij je zonder het ego, want ik heb het ego in mezelf opgegeven en kan me daarom niet met dat van jou verenigen. Onze vereniging is daarom dé manier om het ego in jou op te geven” (T8.V.4:1-2). Tegelijkertijd oefen je in het dualistische niveau II van deze droomwereld om die liefde in de vorm te uiten die het beste bij die situatie of persoon past.

En dus uit je de speciale liefde die je voor die speciale levenspartner voelt op een heel andere manier dan de speciale liefde die je voelt voor je vrienden, je sportmaatjes, familieleden, enzovoorts. In alle gevallen zal de inhoud van Eenheidsliefde in je gedachten zijn en subtiel merkbaar in hoe jij je uit. Dus terwijl jij je levenspartner vol passie vertelt dat hij/zij het allermooiste is wat jou ooit is overkomen (de vorm), kun je tegelijkertijd, in alle eerlijkheid, die persoon (en iedereen) zegenen voor het hebben en zijn van Gods Liefde. Werkboekles 127 bevat daartoe het volgende prachtige gebed: “Ik zegen jou, broeder, met de Liefde van God, die ik met jou delen wil. Want ik wil de vreugdevolle les leren dat er geen liefde is dan die van God, van jou, van mij, van iedereen.” (Wd1.127.12:4-5). Dus uit vandaag liefde zonder voorbehoud, steeds in een passende vorm!

— Jan-Willem van Aalst

Je lichaam als vriend

Een cursus in wonderen wordt vaak gezien als een erg intellectueel ingestoken spiritueel pad. Het gaat steeds over de denkgeest en het veranderen van je gedachten. Niet alleen dat, maar in de Cursus lezen we ook dat het lichaam niets is: het is slechts de uiterlijke vorm van de innerlijke wens tot afscheiding (Zie bijv. WdI.68.1:3). Alles wat mis lijkt te gaan met het lichaam is, zo lezen we, slechts een weerspiegeling van onze gehechtheid aan de oorspronkelijke keuze om het idee van afscheiding serieus te nemen. Alle lichamelijke pijn ‘bewijst’ dat de afscheiding daadwerkelijk heeft plaatsgevonden en dat ik als autonoom individu besta, en speciaal ben.

Vervolgens ontstaat bij veel Cursusstudenten de begrijpelijke neiging om het eigen lichaam af te wijzen als een vervelende herinnering aan een vergissing die ongedaan gemaakt zou moeten worden. Elke pijn herinnert me er aan dat ik nog vergevingswerk te doen heb om de innerlijke vrede van Gods Eenheid weer te mogen ervaren. Toch is juist deze afwijzing van het lichaam de feitelijke vergissing. Voor Jezus is het lichaam volkomen neutraal; het kan slechts willoos de instructies van de denkgeest volgen (T28.VI.2). Sterker, in het Tekstboek verzekert Jezus ons: “Het lichaam werd niet door liefde gemaakt. Toch veroordeelt de liefde het niet en kan ze het liefdevol gebruiken, omdat ze respect heeft voor wat de Zoon van God heeft gemaakt en dit aanwendt om hem van illusies te verlossen” (T18.VI.4:7-9).

We hebben welbeschouwd dus geen reden om ons eigen lichaam af te wijzen. Kenneth Wapnick benadrukt dat het in feite gaat om het doel dat we geven aan het lichaam: het kan een middel zijn om schuldgevoel te versterken in jezelf en anderen (onjuist gericht denken), of een middel om de weerspiegeling van de Liefde van de Heilige Geest ongehinderd door je heen te laten stromen om innerlijke vrede te bewerkstelligen in jezelf en in anderen (juist gericht denken). Zoals Jezus zegt: “Zou je niet willen dat de werktuigen van de afscheiding werden geherinterpreteerd als middel tot verlossing, en voor de doeleinden van de liefde gebruikt? Zou je de omslag van wraakfantasieën naar de bevrijding daarvan niet verwelkomen en ondersteunen?” (T-18.VI.5:1-2).

Hoe gebruik je dan het lichaam als middel tot verlossing? Door er liefdevol aandacht voor te hebben, en goed te luisteren naar de signalen die het geeft. Door een symptoom niet gelijk te veroordelen als een lastpak, maar te zien als een nuttig signaal dat jou wil vertellen waar er in je denken nog een blokkade zit. Als je bijvoorbeeld met regelmaat rugpijn voelt, ga je misschien gebukt onder overmatige serieusheid over deze droomwereld. Als je een maagzweer hebt of galstenen, zit er misschien teveel bitterheid in je denken. Als je schildklier te traag werkt, vind je het misschien nog te eng om de volgende stap te nemen in je spiritueel ontwaken. Als die te snel werkt, wil je misschien teveel tegelijk controleren om grip te kunnen blijven houden op je leven. Enzovoorts.

Er zijn legio boeken over integrale of holistische geneeskunde die de diepere boodschap van fysieke symptomen tamelijk precies kunnen duiden. De waarde van Een cursus in wonderen is dat die ons wijst op de uiteindelijke bronoorzaak van het symptoom: een blijvende gehechtheid aan het super-serieuze idee om afgescheiden te blijven van God. Of, heel subtiel: wél de Eenheidsliefde van God weer willen ervaren, maar dan wel als autonoom individu. Dat gaat niet, en dát is de ultieme angst. Er is overigens wat Jezus betreft beslist niets op tegen om symptomen te verzachten met ‘magie’ zoals medicijnen, zalfjes of kruiden (zie T2.IV.4), (omdat dit kan helpen de rust te vinden die je nodig hebt om naar de bronoorzaak te kijken), maar het symptoom zal pas werkelijk verdwijnen als je de betreffende vergevingsles in je denkgeest hebt aanvaard.

Een veel voorkomende misvatting is de “eis” dat symptomen direct moeten verdwijnen zodra een vergevingsles is geleerd. Hoofdstuk 6 van het Handboek voor Leraren begint immers met “Genezing staat altijd vast. Het is onmogelijk illusies naar de waarheid te laten brengen en de illusies alsnog te behouden” (H6.1). Maar even verderop zegt Jezus ook: “Het is niet de functie van Gods leraren om het resultaat van hun geschenken te beoordelen. Het is slechts hun functie ze te geven” (H6.3). Hoed je er dus voor om eisen te stellen aan het direct verdwijnen van symptomen. Feitelijk speel je daarmee alsnog het spel van goddelijke controle willen hebben over je autonome leven hier in de waakdroom, wat betekent dat je de eenheidsliefde van God onbewust nog steeds als bedreiging ziet.

Probeer je lichaam dus meer als je vriend te zien, en oefen tegelijkertijd je vertrouwen in je bereidwilligheid om oordeelloos naar je eigen niet-vergevingen te kijken, een stapje terug te doen en de Heilige Geest te vragen om hulp om je functie hier in de waakdroom beter te bezien. Elk lichaam dat we in de waakdroom ervaren kan liefdevol gebruikt worden om de volgende liefdesles te zien waar we kennelijk aan toe zijn op ons pad naar de aanvaarding van de verzoening. Dus neem bij rugpijn gerust een paracetamol en bedenk tegelijkertijd met opluchting: “Ik hoef niets te doen (T18.VII). Ik ben veilig. Ik word geleid in wat ik hier te doen heb, als ik ervoor kies die leiding te horen.” En misschien verdwijnt de rugpijn niet subiet, maar afhankelijk van hoezeer je dit “loslaten – toelaten” principe werkelijk omarmt, zul je met verbazing de toename van vrede in je lijf voelen. Wat uiteraard louter de vrede in je denkgeest weerspiegelt. Hou vandaag van je lichaam!

— Jan-Willem van Aalst, mei 2021

Hoe serieus wil je de wereld nemen?

In de nieuwste uitgave van één van Kenneth Wapnicks Cursus-workshops, ditmaal getiteld “Strengthening the Mind’s Immune System”, gaat hij ondermeer in op wat het betekent om vooruitgang te boeken in Jezus’ leerplan voor blijvende Innerlijke Vrede. Veel Cursusstudenten zijn onbewust voortdurend bezig met het bevechten van hun ego, hoe onopgemerkt ook. Omdat we onszelf nog zo identificeren met onze eigen unieke autonome persoonlijkheid, denken we dat het ego werkelijk is (anders zouden wij zelf immers niet bestaan…!) en dat het hard werken is om dat ego ‘onder de duim te krijgen’. Toch verzekert Jezus ons dat wij vanuit onszelf niets hoeven te doen (T18.VII); sterker nog, dat wij ons pad naar onze eigen verlossing (of verlichting) niet kúnnen overzien, en dat dat ook niet hoeft (H10.2). Maar wat betekent “voortgang boeken” volgens Jezus dan wel?

Kenneth stelt dat we maar één ding elke dag zouden moeten oefenen: zonder oordeel kijken naar wat we denken en doen. “Zonder oordeel” wil zeggen: boven het slagveld (T23.IV). Je slaat jezelf gade van een afstandje. Je beziet hoe je boos wordt op het weer. Je beziet hoe je teleurgesteld raakt over je financiën. Je beziet hoe bezorgd je wordt om mogelijke ziektes. Je ziet hoe je over alles en iedereen een mening hebt gedurende de dag. Zodra je naar al deze dingen kunt kijken zonder oordeel, dan kun je – telkens weer – een betere keuze maken, dat wil zeggen, een liefdevoller interpretatie kiezen van wat je ziet. De denkgeest als observator is dus tegelijk de denkgeest als keuzemaker. Zodra ik als observator zie dat mijn negatieve interpretaties mij geen innerlijke vrede brengen kan ik, als keuzemaker voorbij het ego, ervoor kiezen om mijn denken en handelen te laten leiden door de Stem namens Liefde in plaats van het ego.

Het ego heeft daar uiteraard allerlei bezwaren tegen. Want als fragiel en behoeftig wezen moeten we ons toch wapenen tegen de talloze zaken die fout kunnen gaan! “Als je alle controle loslaat, beland je in chaos”, zo waarschuwt het ego ons. Jezus verzekert ons echter dat als je alle controle loslaat, alles louter liefde wordt. (T-15.V.1:5-6). Dit kunnen we echter pas begrijpen als we de metafysica van Een cursus in wonderen tot op zekere hoogte vatten. Die stelt dat tijd, ruimte, de wereld en alle afgescheiden levensvormen in de wereld in werkelijkheid helemaal niet bestaan. Het hele universum is als een droom. In deze “waakdroom” van tijd en ruimte ervaart iedereen zichzelf als autonoom individu. Onze vormen verschillen enorm, maar qua inhoud delen alle levende wezens dezelfde denkgeest, dat wil zeggen hetzelfde ego, en ook dezelfde Stem namens Liefde.

Dus alle zorgen die we hebben over allemaal fout zou kunnen gaan, zijn qua ernst niet anders dan de zorgen die we in onze nachtelijke dromen hebben. Dat zet alles wat ons lijkt te overkomen in een heel ander perspectief. Tegelijkertijd is het beslist niet zo dat Jezus ons aanspoort de wereld om ons heen te ontkennen. Zolang we nog geloven dat we hier als individu leven, zouden we goed voor onszelf moeten zorgen, ook al is het maar een droom. Maar hoe serieus neem je een droom zodra je ontwaakt? Zo is het volgens Jezus ook met deze waakdroom.

Alle genoemde zorgen kunnen in deze wereld van perceptie en interpretatie zeker ernstige gevolgen hebben. In deze wereld is het zinloos dat te ontkennen. Dus als het slecht weer is, dan zorg je voor passende kleding als je naar buiten gaat. Als je geldzorgen hebt, dan organiseer je inkomen. Als je bezorgd bent om ziektes, dan doe je er goed aan een gezondere leefstijl te omarmen. Maar al deze zaken hebben niets te maken met je essentie als pure denkgeest. Die bevindt zich namelijk buiten tijd en ruimte. Je perceptie (eigenlijk: interpretatie van perceptie) gaat altijd over de waakdroom, die metafysisch gezien al voorbij is. Je hoeft wat in de droom gebeurt dus niet langer zo serieus te nemen.

Dat wil ook weer niet zeggen dat je alles in de wereld je koud laat, “omdat het allemaal toch illusoir is”. Maar het betekent wel dat je alles wat in de waakdroom op je levenspad komt niet al bij voorbaat al de kracht geeft om je denkgeest van je innerlijke vrede te beroven. Je hebt maar één probleem in je leven, namelijk de vergissing om de verleiding van het ego-idee van afscheiding serieus te nemen. En dat ene probleem kent één oplossing: er zonder oordeel naar kijken als observator, glimlachen om je eigen serieusheid over je ego, en vragen: “Wat zou Liefde doen?” Het antwoord zal zich aandienen als een vredige impuls. Het volgen van die intuïtieve impuls zal altijd tot de beste uitkomst voor alle betrokkenen leiden.

Wat een opluchting dat we alleen maar oordeelloos hoeven te kijken naar hoe serieus we onze vermeende zorgen over ons leven nemen. Telkens als we merken dat we iets veroordelen, kunnen we leren die gedachte zonder oordeel te bezien. De serieusheid er vanaf halen. Meer hoeven we niet te doen om voortgang te boeken in Jezus’ leerplan. Les 243, getiteld “Vandaag zal ik over geen enkel voorval een oordeel vellen” vat dit mooi samen: “Ik zal vandaag eerlijk zijn met mezelf. Ik zal niet denken dat ik al weet wat mijn huidige begrip beslist nog steeds te boven gaat. Ik zal niet denken dat ik het geheel begrijp op basis van brokstukken van mijn waarneming, wat alles is wat ik kan zien. Vandaag erken ik dat dit zo is. En zo word ik ontlast van oordelen die ik niet vellen kan. Aldus bevrijd ik mezelf en dat waarnaar ik kijk, om in vrede te zijn zoals God ons geschapen heeft.” De les sluit af met een gebed: “Vader, vandaag laat ik de schepping vrij om zichzelf te zijn. Ik eer al haar onderdelen, waarin ik inbegrepen ben. Wij zijn één omdat elk deel de herinnering van U bevat, en de waarheid wel als één in ieder van ons moet stralen.” (Wd2.243).

— Jan-Willem van Aalst, april 2021

Het wordt tijd om opnieuw te kiezen

In het geheel van tijd en ruimte waarin we menen onze levens te leven, zijn we miljoenen jaren behoorlijk ‘bewustzijnsloos’ geweest. Waarschijnlijk zijn we pas zo’n 100.000 jaar geleden onszelf gaan kleden tegen de kou. Pas zo’n 4.000 jaar geleden hadden de eerste groepen mensen hun basis overlevingsbehoeften dusdanig op orde dat ze konden gaan nadenken over de zin van het bestaan hier, wat het betekent om mens te zijn. Dat is dus maar de laatste 4% van de afgelopen 100.000 jaar, en dan nog slechts bij enkele grote denkers. Pas de laatste 200 jaar geeft onze welvaart ons de ruimte om op een groter collectief niveau een spiritueel ontwaken te mogen ontdekken en ervaren. Dat is dus maar 0,2% van ons bestaan als enigszins denkende wezens! En de laatste 20 jaar zien we steeds vaker opmerkelijke ‘nieuwetijdskinderen’ in beeld komen: zeer jonge mensen die al bij geboorte over een enorme wijsheid lijken te beschikken. Er is kortom iets bijzonders aan de hand in deze tijd waarin letterlijk alles enorm versnelt.

Ook al lijken wij onszelf hier en nu te ervaren in deze hectische tijd van transformatie en ontwaken, en niet in een andere eeuw, toch gebeurt metafysisch bekeken alles in de tijd nu. Hoewel Een cursus in wonderen geen standpunt inneemt over reïncarnatie, omdat volgens zijn nondualistische grondslag alles in de dualistische tijd/ruimte een illusie is, zijn er vele passages te vinden die er op lijken te wijzen dat dit leven zeker niet ons eerste leven is. Zie bijvoorbeeld (T-X.V.13:3-4): “Zo is elk leven: een ogenschijnlijk interval van geboorte naar dood en opnieuw naar leven, een herhaling van een ogenblik dat lang geleden al voorbij was en niet kan worden herbeleefd. En alle tijd is niets anders dan de waanzinnige overtuiging dat wat voorbij is nog steeds hier is en nu.” Die laatste zin verwijst naar de oorspronkelijke keuze van de Zoon van God, vlak vóór de Oerknal, om de afscheiding van Eenheid te proberen, iets dat in werkelijkheid nooit zou kunnen gebeuren, maar wat we nog steeds – ieder leven opnieuw – koppig willen blijven geloven, omdat we zo graag zélf een autonoom individu willen zijn en blijven.

Vanuit Een cursus in wonderen bezien is elke geboorte weinig anders dan wederom een poging om te zien of de afscheiding van Eenheid misschien, heel misschien, deze keer wél wil lukken. Zo hebben jij en ik al vele honderden malen geprobeerd om opnieuw geboren te worden en deze hopeloze poging opnieuw te ondernemen om liefde te vinden in een plek (droom) waar geen liefde te vinden is. Zeker vinden we prettige momenten van genot, maar uiteindelijk zien we ons lichaam aftakelen en beseffen we dat alles in deze wereld geregeerd wordt door strijd, verval en dood. “All things must pass” (Alles moet voorbijgaan), zong George Harrison al in 1970. Wie de boeken van Gary Renard over de Cursus heeft gelezen, zal herkennen dat ook Arten en Pursah met regelmaat het thema ‘reïncarnatie’ bespreken, enerzijds om ons de hopeloosheid ervan te doen beseffen, maar anderzijds ook om dit puur als nuttig leerproces te zien om te leren ontwaken uit deze dwaze droom.

Het goede nieuws is namelijk dat er in elk leven dat we leven vooruitgang is. In elk leven leren we iets meer over de Lessen van de Liefde (T-6). Een cursus in wonderen is in zekere zin bedoeld om ons te helpen juist dat leerproces te versnellen. Zoals we lezen in bijv. Hoofdstuk 4 van het Tekstboek: “Volledig in beslag genomen worden door opzettelijk onoplosbare problemen is een lievelingslist van het ego om de voortgang van je leerproces te hinderen. Maar bij al deze afleidingsmanoeuvres luidt de enige vraag, die nooit door degenen die ze bedrijven wordt gesteld: ‘Waartoe?’ Dit is de vraag die jij in relatie tot alles moet leren stellen. Wat is het doel? Wat het ook is, het zal jouw inspanningen automatisch richting geven. Wanneer je dan tot een doel besluit, heb je een besluit genomen over je toekomstige inspanningen, een besluit dat van kracht blijft tenzij jij van gedachten verandert.” (T4-V.6:6-11).

Ons enige doel in elk leven dat we lijken te leven is om de Verzoening voor onszelf te aanvaarden. Honderden levens hebben we koppig geprobeerd om onszelf ervan te overtuigen dat het ego het beter weet dan de Stem namens Liefde. We zijn echter nu in een tijdperk gekomen waarin het steeds duidelijker wordt dat we inderdaad van gedachten kunnen veranderen over onszelf. En niet niet alleen dat: we zijn nu ook zover dat we ons gaan beseffen dat ons kleine zelfje (dit lichaam) niet is wie jij en ik in essentie zijn. We beginnen ons langzaamaan gewaar te worden van ons oorspronkelijke collectieve Zelf als de Ene Zoon van God, buiten tijd en ruimte. Steeds meer mensen met adembenemende “bijna-dood ervaringen” vinden nu een podium om hun ervaringen buiten tijd en ruimte met steeds meer mensen te delen (zie bijv. het YouTube kanaal van Anthony Chene).

Het collectieve ego begint het overduidelijk behoorlijk benauwd te krijgen. De wereld verkeert in een maatschappelijke, economische en politieke wervelwind zoals nog niet eerder is vertoond. Niemand weet hoe lang dit nog zal duren, en dat hoeft ook niet. Wat ons van dag tot dag te doen staat is het bewust worden van de keuzes die wij maken in ons eigen ontwakingsproces: kiezen we voor angst, afscheiding, polarisatie en strijd (ego), of kiezen we ervoor de leiding van de Stem namens Liefde te aanvaarden? Als jij op de media al die angst en aanval ziet langskomen, welke keuze ben jij dan geneigd te maken? Ga je er op de automatische piloot in mee, of ben je al bereid de inherente eenheid (liefde) te zien die voorbij alle verwrongen vormen (percepties/interpretaties) in iedereen onveranderlijk blijft?

Elk leven draait dus om het steeds beter leren kiezen. Een cursus in wonderen leert ons dat we voor deze fundamentele keuze – de enige betekenisvolle keuze die we in elk leven kunnen maken – onszelf moeten oefenen in het observeren van het slagveld dat deze wereld is. Als je deze “observator” aanzet, dan stijg je boven het slagveld uit. Op dat moment word je de keuzemaker, een belangrijk concept in de Cursus. En deze keuzemaker heeft steeds opnieuw maar één keuze te maken: ofwel om het denken te laten leiden door de Stem namens afscheiding (ego), of door de Stem namens Liefde (de Heilige Geest of Jezus).

Jij en ik hebben inmiddels honderden levens achter de rug waarin we koppig bleven proberen om het beter te weten dan de Stem namens Liefde, die ons onophoudelijk terugroept naar ons ware Thuis (waar we in werkelijkheid nu al zijn). Alleen onze angst om onze gekoesterde autonome individualiteit kwijt te raken, heeft ons verhinderd de juiste keuze te maken. Het is hoog tijd om opnieuw te kiezen, elke dag weer. Ga niet mee in de polarisatie, afscheiding, angst en strijd. Train dagelijks de observator in jezelf en leer het slagveld van deze wereld met mildheid en zonder oordeel gade te slaan, in het besef dat dit louter je eigen staat van denken weerspiegelt, die je nu bewust kunt veranderen. En kies dan opnieuw.

Observeer hoe je ego direct met bezwaren komt in dit proces. Het is tenslotte moeilijk om het loslaten van je autonome individualiteit als iets aanlokkelijks te beschouwen. Toch zullen we merken dat zodra we deze angsten durven loslaten en de liefde durven toelaten, ons ontwaken in exact het juiste tempo zal gebeuren: “Vrees niet dat je opeens zult worden opgetild en de werkelijkheid in geslingerd. De tijd is mild, en als je hem ten behoeve van de werkelijkheid benut zal hij bij jouw overgang zachtjes gelijke tred met je houden. De dringende noodzaak bestaat alleen hierin dat jij je denkgeest loswrikt uit zijn verstarde positie hier. Je zult hierdoor niet ontheemd of zonder referentiekader raken.” (T16.VI.8:1-4) Kies dus vandaag nog opnieuw voor Liefde. En de dag erna. Duizend keer per dag, “…tot zekerheid een eind aan twijfel heeft gemaakt en vrede tot stand heeft gebracht. Laat vandaag twijfel eindigen. God spreekt voor jou en geeft met deze woorden antwoord: “Ik ga met God in volmaakte heiligheid. Ik verlicht de wereld, ik verlicht mijn denkgeest en alle denkgeesten die God als één met mij geschapen heeft.” (WdI.156.8).

— Jan-Willem van Aalst, april 2021

Je innerlijke licht zien

Schrijver en spreker Gary Renard ontvangt leiding en verheldering over de aard en de staat van deze droomwereld, over het pad van de Verzoening, en over hoe we steeds meer juist-gericht kunnen gaan denken, via een opzienbarende manifestatie van de Heilige Geest genaamd Arten en Pursah. Vele studenten van Een cursus in wonderen kennen Gary’s boeken al, dus hier ga ik daar niet in detail op in. Want ik bijzonder fascinerend vind is dat zij Gary een versie van het Evangelie van Thomas hebben gegeven met daarin uitspraken van Jezus die Didymus Judas Thomas heeft vastgelegd. Deze versie is dus niet ‘geredigeerd’ door de stichters van de christelijke kerk. Hoewel elk van deze uitspraken een blog in zichzelf waard zou zijn, beperk ik me hier tot de laatste, waarin Thomas het volgende schrijft: “De discipelen vroegen hem: ‘Wanneer zal het Koninkrijk komen?’ Hij [Jezus] antwoordde: ‘Het zal niet komen door er naar uit te kijken. Er zal niet gezegd worden: ‘Kijk hier’, of ‘Kijk daar’. Het Koninkrijk van de Vader bedekt de hele wereld, en de mensen zien het niet.” (PgoTh 113, Engelse versie).

Het is eerst en vooral van belang om op te merken dat ‘het Koninkrijk van de Vader’ een symbool is voor een staat of toestand zonder angst, zonder oorlog, zonder gebrek aan wat dan ook. Het is, kortom, min of meer de staat van het paradijs van de Hof van Eden vóór de erfzonde. Of, meer vanuit de metafysica bezien is het de staat waarin de droom van dualiteit is beëindigd en de Zoon van God is ontwaakt in zijn natuurlijke nondualistische staat, Thuis in het Hart van God. Daar ervaart en is de Zoon van God het innerlijke Licht van de Hemel. Daar is de Zoon tevreden met zijn enige functie: het eindeloos uitbreiden van Liefde. In het Thomas evangelie zegt Jezus dat dit niet iets is om op te wachten ergens in de toekomst. En het is niet een plaats waar we naar kunnen wijzen. Integendeel; deze staat van leven (d.w.z, deze staat van de denkgeest) is hier en nu. Deze staat is overal; in ons en om ons heen. We zien dit echter niet. Hoe kan dat, en, voor nu even aannemend dat dit klopt, waarom zien we dit niet?

Naast de lezer te stimuleren om zich op het licht en de liefde in zichzelf te richten, legt Een cursus in wonderen diepgaand uit wat dit innerlijke Licht van de Hemel (“het Koninkrijk”) eigenlijk is, en ook waarom wij dit niet zien, of beter, waarom wij dit niet willen zien. Zolang jij en ik nog geloven dat wij een lichaam zijn, geboren in tijd en ruimte, met de onvermijdelijke dood als het einde van het flakkerende kaarsje dat we ons leven noemen, zo lang zullen wij dit innerlijke Licht van de Hemel dat wij allen delen niet ervaren; we zullen het Koninkrijk niet zien. Zoals Jezus uitlegt in zijn Cursus zijn wij allen één geest, die lijkt te dromen over fragmentatie in tijd en ruimte. Elk fragment droomt dat het een autonoom lichaam is, los van de Schepper. Het schuldgevoel over de afscheiding van God (die in werkelijkheid nooit is gebeurd), heeft geleid tot een bittere angst voor het Licht van God. We zoeken verlossing uit deze hel middels een leven van lijden en opoffering, om te bewijzen dat wij het waard zijn terug naar de Hemel te keren. Binnen deze droom ervaren we Jezus niet langer als de Stem van onvoorwaardelijke Liefde; eerder als een godheid die onze zielen misschien toegang verleent tot de Hemel als we de rest van ons leven braaf zijn.

Laten we niet in de valkuil trappen om Jezus te bezien als een soort wezen buiten ons dat alle naar verlossing smachtende zielen zal komen redden als ze maar voldoende lijden. Jezus is simpelweg een symbool voor de Liefde van God, het innerlijke Licht van de Hemel dat de essentie is van al wat leeft. In uitspraak 91 van het Thomas evangelie horen we de discipelen aan Jezus vragen: “Vertel ons wie je bent, zodat we in je kunnen geloven.” Jezus antwoordde: “Je onderzoekt van alles over de Hemel en de aarde, maar je hebt nog niet ontdekt wie degenen in jouw aanwezigheid eigenlijk zijn, en je hebt nog niet ontdekt hoe je het huidige moment, het nu kunt leren kennen.” (PgoTh 91, Engelse versie). In onze tijd zou Jezus het mogelijk als volgt verwoorden: “Je kunt je verdiepen in spiritualiteit zoveel je wilt, maar je blijft alles en iedereen om je heen veroordelen, of je je daar bewust van bent of niet. Je richt je nog steeds niet echt op het Licht van de Hemel dat nu in iedereen schijnt. Dit Licht kun je nu aanschouwen, door je denkgeest te ontdoen van alle duistere gedachten die je steeds kiest, en zo ruimte te maken voor het nu, de enige tijd die er werkelijk is.”

Jezus is in feite het symbool van wat jij en ik en iedereen in essentie zijn, en deze staat zullen we ten volste kennen zodra wij ontwaken uit de droom. Zoals hij ons verzekert in het allereerste hoofdstuk van het Tekstboek van Een cursus in wonderen: “Gelijken behoren geen ontzag voor elkaar te koesteren, daar ontzag ongelijkheid veronderstelt. Daarom is het een misplaatste reactie tegenover mij. Een oudere broer verdient respect vanwege zijn grotere ervaring, en gehoorzaamheid vanwege zijn grotere wijsheid. Hem komt ook liefde toe omdat hij een broer is, en toewijding als hij is toegewijd. Slechts op grond van mijn toewijding heb ik recht op de jouwe. Er is niets aan mij wat jij niet kunt bereiken. Ik heb niets wat niet van God afkomstig is. Het huidige verschil tussen ons is dat ik niets ánders heb. Daardoor verkeer ik in een toestand die in jou alleen potentieel aanwezig is. ‘Niemand komt tot de Vader dan door mij’ betekent niet dat ik op enigerlei wijze van jou gescheiden ben of verschil, anders dan in tijd, en tijd bestaat niet werkelijk.” (T1.II.3:5-4:1). Dus uiteindelijk zullen jij en ik en iedereen terugkeren naar het eeuwige licht van de nondualiteit, waar we de inherente eenheid van Jezus en onszelf zullen kennen, aangezien in nondualiteit alles één is.

Jezus probeert ons in zijn Cursus te doen beseffen dat te proberen een betere droomwereld te maken, niet de weg naar verlossing is. Er is niets mis mee om je kinderen zorgzaam om te voeden, om de gezondheidszorg te verbeteren, om de energietransitie te helpen vormgeven, maar dit alles in zichzelf leidt niet tot de blijvende ervaring van ‘het Koninkrijk van de Vader’. Jezus probeert ons uit te leggen dat we binnen deze wereld geen verlossing zullen vinden, want er is geen wereld: “Geef de wereld op! Maar niet als offer. Je hebt haar nooit gewild. Welk geluk heb je hier gezocht dat jou géén pijn heeft gebracht? Welk moment van voldoening werd niet voor een vreselijke prijs met pijngeld betaald? […] Als je iets kiest dat niet voor altijd blijft bestaan, heeft wat je gekozen hebt geen waarde. Een tijdelijke waarde is zonder enige waarde. Tijd kan nooit een waarde wegnemen die werkelijk is. Wat vervluchtigt en sterft, is er nooit geweest en heeft niets te bieden aan degene die het kiest.” (T30.V.9:4-8; WdI.133.6:1-4).

Een cursus in wonderen is een leerplan voor het trainen van de denkgeest. Het is nooit de wereld zelf die het probleem is; het probleem is ons geloof in een wereld die macht over ons kan hebben. De oplossing is dus gelegen in een verandering van gedachten over het doel van de wereld, en dus het doel van je leven hier. Dit houdt een verandering van denken in van onjuist gericht denken (“Verlossing ligt buiten mijzelf”) naar juist gericht denken (“Mijn verlossing komt van mijzelf”). Een cursus in wonderen leert ons dat vergeving het middel is om deze verandering van denken te bewerkstelligen. De genezen denkgeest, vrij van elke vorm van veroordeling, ervaart de werkelijke wereld, oftewel de aankondiging van het einde van dualiteit. In het Koninkrijk van de Vader (nondualiteit) worden de velen weer één. Binnen deze droomwereld oefenen we ons bewustzijn daarover door ons in gedachten te verbinden met al onze broeders: “Als je wilt weten of je gebeden verhoord zijn, twijfel dan nooit aan een Zoon van God. Trek hem niet in twijfel en maak hem niet onzeker, want jouw geloof in hem is jouw geloof in jezelf. Als je God en Zijn Antwoord wilt kennen, geloof dan in mij wiens geloof in jou niet aan het wankelen kan worden gebracht. Kun jij oprecht iets aan de Heilige Geest vragen en toch aan jouw broeder twijfelen? Geloof dat zijn woorden waar zijn vanwege de waarheid die in hem is. Jij zult je met de waarheid in hem verenigen, en zijn woorden zullen waar zijn. Wanneer je hem hoort, zul je mij horen. Luisteren naar de waarheid is de enige manier waarop jij die nu kunt horen en uiteindelijk kunt kennen” (T9.II.4).

Dus toen Jezus zei: “Het Koninkrijk van de Vader bedekt de hele wereld, en de mensen zien het niet”, bedoelde hij dat we dit niet zien omdat wij iedereen om ons heen nog niet zien zoals ze werkelijk zijn: de Ene Zoon van God, wat wij zelf ook zijn. Alleen door onszelf te vergeven voor die zotte maar doelbewuste keuze om Eenheid vér van ons te houden, staan we de Heilige Geest toe om al deze zotte afgescheidenheid ongedaan te laten maken – in de denkgeest. Dit is de denkgeest-training die Jezus ons graag ziet doen, van dag tot dag. En naarmate je vordert op deze reis-zonder-afstand, zul je merken dat je dagen steeds wat vrediger worden. Je bent onderweg naar de werkelijke wereld. Je bent op weg om ten langen leste het Koninkrijk van de Vader hier en nu alles te zien bedekken, omdat je je nu richt op het innerlijke Licht van de Hemel dat in iedereen schijnt. De dwaze drukte van de wereld gaat steeds wat meer naar de achtergrond. Je leeft in de droom nog steeds een actief leven, waarbij je bijdraagt aan betere wereld, maar in al je bezigheden schenk je het wonder van de uitbreiding van het Licht van de Hemel vanuit jezelf naar alles en iedereen. En dat is het enige dat telt.

— Jan-Willem van Aalst, mei 2018 (vertaling van https://miraclesormurder.wordpress.com/2018/05/20/seeing-the-inner-light-of-heaven/)

Vrijheid of gevangenschap?

Een cursus in wonderen als spiritueel leerplan voor het trainen van de denkgeest wordt vaak gezien als erg intellectueel en moeilijk te volgen. Veel studenten houden het bij het af en toe bladeren door het Tekstboek om te zien of ze een lieflijke passage tegenkomen die ze als affirmatie voor de dag kunnen gebruiken. Maar het feit dat deze studenten zich daarmee niet bewust worden van de psychologische en metafysische grondslag van de Cursus, heeft weinig van doen met intellectueel vermogen. Meestal worden de wat diepgaander (of confronterender) passages overgeslagen omdat er weerstand aan het werk is. In zekere zin is de boodschap van Een cursus in wonderen enorm bedreigend voor het ego, en leidt dus tot grote innerlijke onrust. Hoe zit dat?

Ten eerste is het goed om op te merken dat Jezus op veel plaatsen in het boek benadrukt hoe eenvoudig en helder zijn Cursus is. Al in de inleiding van het Tekstboek lezen we: “Niets werkelijks kan bedreigd worden. Niets onwerkelijks bestaat. Hierin ligt de vrede van God.” (T-In.2:2-4). Verderop zegt Jezus: “Dit is een heel eenvoudige cursus. […] De reden dat deze cursus simpel is, is dat de waarheid simpel is.” (T11.VIII.1:1; T-15.IV.6:1). En in hoofdstuk 9 verzekert hij ons: “Deze cursus biedt een heel directe en een heel eenvoudige leersituatie en verschaft de Gids die jou zegt wat te doen. Als je dat doet, zul je zien dat hij werkt.” (T9.V.9:1-2). Dit gaat echter wel uit van de aanname dat we zeer gemotiveerd zijn om deze Gids te horen, en daadwerkelijk te doen wat Hij vraagt! Maar zijn we dat wel, en doen we dat wel? Het antwoord is uiteraard “Nee”, en de reden ligt al net zo voor de hand: hoewel we beslist innerlijke vrede willen ervaren, willen we daartoe niet ons gekoesterde speciale ego opgeven. Maar dat is nou precies waar deze specifieke Cursus met deze specifieke Gids om gaat.

Daarom stelt Jezus mild, maar toch vermanend: “Deze cursus is volkomen helder. Als je hem niet helder ziet, komt dit doordat je er een interpretatie aan geeft die ertegen indruist, waardoor je hem niet gelooft. […] Deze cursus vergt nagenoeg niets van jou. Het is onmogelijk je een cursus voor te stellen die zo weinig vraagt, of die meer te bieden heeft. […] En als je nu ertegen kiest, zal dat niet zijn omdat hij duister is, maar eerder omdat deze geringe prijs naar jouw oordeel te hoog leek om voor vrede te betalen.” (T11.VI.3:1-2; T20.VII.1:7-8; T21.II.1:5). Dit is in het algemeen niet hoe wij dit zelf zien. Want ja, we zijn toch oprecht op zoek naar blijvende innerlijke vrede… Een belangrijk uitgangspunt van Een cursus in wonderen is dat, om die diep verlangde blijvende innerlijke vrede te bereiken, we alle duistere plekken in onze denkgeest moeten opsporen en aankijken. En we kijken daarbij feitelijk naar de denkgeest van het collectieve Zoonschap, omdat wij allen verbonden zijn, zowel in het Koninkrijk van de Hemel buiten tijd en ruimte, alsook in de waakdroom die we de wereld noemen.

Wanneer Een cursus in wonderen oprecht bestudeerd en beoefend wordt, is het volledig ongedaan maken van het ego onvermijdelijk. Dat moet wel zo zijn, omdat de Hemel – Eenheid – ons ware Thuis is als de ene Zoon van God, terwijl het ego de gedachte van afscheiding van Eenheid is. De eerste is werkelijk, de tweede is onwerkelijk, en niets onwerkelijks bestaat, zoals we al zagen. Maar omdat we ons nog allemaal zo innig identificeren met ons lichaam, onze unieke persoonlijkheid, ons speciale ego, is het niet verwonderlijk dat er ergens diep van binnen enorme angst komt opborrelen: “Deze cursus heeft uitdrukkelijk gesteld dat hij vrede en geluk voor jou beoogt. Toch ben je er bang voor. Er is je telkens weer gezegd dat hij je zal bevrijden, en toch reageer jij soms alsof hij je tot gevangene probeert te maken. Je zet hem vaak makkelijker aan de kant dan het denksysteem van het ego. Tot op zekere hoogte moet je dus wel geloven dat jij jezelf beschermt door deze cursus niet te leren.” (T13.II.7:1-5). Wat wij denken te beschermen is uiteraard onze individuele autonomie als een lichaam met een persoonlijkheid, in tijd en ruimte. We verwarren de werkelijkheid nog steeds met wat onwerkelijk is.

In zijn Cursus vertelt Jezus ons dat wij niet zijn wie wij denken te zijn. Als je Een cursus in wonderen leest in de overtuiging dat jij een autonoom lichaam bent, op zoek naar meer geluk in dat lichaam, dan staan je de nodige verrassingen te wachten. Bijvoorbeeld: het lichaam werd door de schijnbaar slapende Zoon van God gemaakt om zich voor God te kunnen verstoppen en te kunnen bestaan los van alles en iedereen; de “wereld was bedoeld als een plek waar God niet binnen kon gaan” (Wd2.3.2:4); Jezus stelt zelfs dat “De wereld werd gemaakt als een aanval op God.” (Wd2.3.2:1). Dus mocht je jezelf nog zien als een oprechte, liefdevolle spirituele leerling, kijk dan wat beter: er is nog duisternis in de denkgeest om op te ruimen. Dit kijken leidt tot angst, en Jezus benoemt dat ook in hoofdstuk 9 van het Tekstboek: “Het is onmogelijk in een paniektoestand iets op een consistente wijze te leren. Als het de bedoeling van deze cursus is jou te helpen herinneren wat jij bent, en als je gelooft dat wat jij bent beangstigend is, dan kan daar alleen maar uit volgen dat jij deze cursus niet zult leren. Maar de bestaansreden van deze cursus is juist dat je niet weet wat jij bent.” (T9.I.2:3-5).

Dus dat is de kern: jij en ik denken dat we volstrekt afgescheiden persoonlijkheden zijn die elk in een lichaam leven; maar Jezus vertelt ons dat jij en ik puur dezelfde geest zijn, en nu al veilig in het Hart van God; we dromen echter over verbanning in een woestijn van afscheiding, genaamd de materiële wereld. Uit deze nachtmerrie ontwaken betekent “niet nee zeggen” tegen de roep van de Heilige Geest om de Verzoening te aanvaarden, dat wil zeggen onze terugkeer naar Eenheid. Jezus realiseert zich echter maar al te goed dat we zo’n radicale keuze niet van vandaag op morgen zullen maken. Hij licht dit toe aan de hand van de oude parabel van Plato over de grot, waarin gevangenen zó lang in het donker zijn opgesloten dat ze elke vorm van licht zijn gaan schuwen: “Gevangenen die jarenlang in zware ketenen lagen, uitgehongerd en uitgemergeld, zwak en uitgeput, en wier ogen zo lang in het donker neergeslagen waren geweest dat zij zich het licht niet meer herinneren, springen niet op van vreugde op het moment dat ze worden bevrijd. Het kost hun een tijdje om te begrijpen wat vrijheid is. […] {Hun] ogen raken gewend aan het duister, en het felle daglicht schijnt pijnlijk voor ogen die lang gewoon zijn aan de schimmige effecten die in het schemerdonker worden waargenomen. En ze wenden zich af van het zonlicht en van de helderheid die dit brengt voor dat waarnaar ze kijken. Halfdonker lijkt beter…” (T20.III.9:1; T25.VI.2:1-2).

Daarom is Een cursus in wonderen niet een spiritualiteit om je direct beter te doen voelen. Deze Cursus is hier om je zorgvuldig uit de nachtmerrie van tijd en ruimte le leiden, terug naar het gewaarzijn van Eenheid. En dit vergt inderdaad een volledige omkering van alles in je denkgeest, en dat kost tijd – veel tijd. Vandaar dat Een cursus in wonderen ons gegeven is als een gestructureerd leerproces dat ons langs alle stapjes meeneemt, en we kunnen geen enkele stap overslaan. Om voor de Heilige Geest als gids voor de denkgeest te kiezen, wat neerkomt op een keuze om te vergeven in plaats van te veroordelen, betekent dat we uiteindelijk een staat van ware waarneming zullen bereiken, in een proces met een tempo dat wij kunnen volgen en aanvaarden: “Vrees niet dat je opeens zult worden opgetild en de werkelijkheid in geslingerd. De tijd is mild, en als je hem ten behoeve van de werkelijkheid benut zal hij bij jouw overgang zachtjes gelijke tred met je houden. De dringende noodzaak bestaat alleen hierin dat jij je denkgeest loswrikt uit zijn verstarde positie hier. Je zult hierdoor niet ontheemd of zonder referentiekader raken” (T16.VI.8:1-4).

Waarin eindigt de reis zodra we deze werkelijke wereld, de staat van ware waarneming, ontdaan van elke veroordeling, zullen hebben bereikt? Hoe zal de terugkeer naar Eenheid plaatsvinden? In het Handboek voor leraren geeft Jezus ons een ‘peptalk’, om onze motivatie nog wat verder op te krikken: “Het pad wordt heel anders naarmate men verdergaat. En evenmin kunnen al de grootsheid, de indrukwekkendheid van het tafereel en de geweldige zich openende vergezichten die zich aan iemand voordoen wanneer hij de reis voortzet, al bij aanvang worden voorspeld. Maar zelfs dit alles, waarvan de pracht naarmate men voortgaat onbeschrijfelijke hoogten bereikt, valt zonder meer in het niet bij alles wat wacht wanneer het pad ophoudt en de tijd samen ermee eindigt. Maar men moet ergens beginnen.” (H19.2:5-8). Dat ‘begin’ is het langzame maar vastberaden proces van een volledige ommekeer van het denken: te leren inzien dat onze individuele autonomie eigenlijk een gevangenis in een nachtmerrie is, en te leren inzien dat onze staat van Eenheid, buiten tijd en ruimte, ons Thuis en onze ware vrijheid is. De Heilige Geest leidt ons gegarandeerd door deze transitie heen, zolang wij onze bereidheid oefenen Hem dat toe te staan. Een vreugdevolle beoefening gewenst!

Jan-Willem van Aalst, april 2018 (vertaling van: https://miraclesormurder.wordpress.com/2018/04/28/freedom-or-imprisonment/)

Hoe kom ik aan het veroordelen voorbij?

Als Cursusstudenten weten we dat onze belangrijkste taak hier in dit leven is om te leren vergeven. Toch merken we allemaal dat we elke dag mensen en situaties afwijzen; dat we willen dat dingen anders zijn. Hoezeer we ook proberen positief te denken en te leven, het ego lijkt onverslaanbaar. Zeer frustrerend. Hoe komen we aan het veroordelen voorbij, zodat we de blijvende innerlijke vrede gaan ervaren die we allemaal zo verlangen?

Op 7 februari jl. heb ik over dit thema een online lezing verzorgd voor Miracles in contact (MiC), de Nederlandse Cursus-community. De lezing duurt 50 minuten, met aansluitend 40 minuten interactie met de deelnemers over het toepassen hiervan in de dagelijkse praktijk. De video toont verwijzingen naar gebruikte Cursus-citaten, en bevat ook Engelstalige ondertiteling. Op YouTube is de lezing te bekijken:

“Hoe kom ik aan het veroordelen voorbij?” MIC lezing, 7 februari 2021.

Veel kijkplezier gewenst! Laat gerust op YouTube een reactie achter, of stel je vraag onderaan deze blog.

— Jan-Willem van Aalst

Oefenen met de werkboeklessen

Veel studenten van Een cursus in wonderen hebben een dubbel gevoel over hoe goed ze de werkboeklessen doen, of zouden moeten doen. Zodra ze er van overtuigd raken dat een gedisciplineerde dagelijkse beoefening van Jezus’ lessen de manier is om de ‘werkelijke wereld’ te bereiken, dat wil zeggen: de innerlijke ervaring van ware waarneming, is er volop motivatie om zijn instructies op te volgen. Maar zodra ze merken dat het niet eens lukt om drie keer per dag zelfs maar vijf minuten concentratie op te brengen, krijgen gevoelens van teleurstelling, schuld, en ontoereikendheid al snel de overhand. Vervolgens zetten ze de Cursus voor een poosje in de kast (soms voor een lange poos), of ze nemen zichzelf verbeten voor om het voortaan nóg gedisciplineerder te proberen, waarmee het een zwaar, veeleisend ritueel wordt, als een donkere wolk in de denkgeest.

Jezus wil natuurlijk geen van beide. In de allereerste werkboekles probeert hij studenten te behoeden voor de laatstgenoemde valkuil: “[…] deze oefeningen moeten geen ritueel worden.” (Wd1.I.3:5). In het Handboek voor Leraren komt Jezus hier nog een keer op terug: “Een vaste routine is als zodanig gevaarlijk, omdat ze gemakkelijk zelf tot een god kan worden, en dan juist een bedreiging vormt voor de doelen waarvoor ze is opgesteld” (H16.2:5). Elders in het werkboek verzoekt Jezus zijn studenten om zich te richten op de algehele boodschap van een les, en niet dwangmatig naar exacte formulering te kijken: “Het is niet noodzakelijk om in de oefenperioden de toelichting na elk idee woordelijk of grondig te repeteren. Probeer liever de nadruk te leggen op de kern ervan…” (Wd1.R1.3:1-2).

Of we nou vergeetachtig of dwangmatig worden, in beide gevallen weet Jezus dat er ego-weerstand aan het werk is. En dat is niet zo vreemd, want de reis naar de werkelijke wereld betekent de teloorgang van het ego. Elke werkboekles die je goed oefent, brengt het ego ietsje verder naar de achtergrond. Natuurlijk zal er bij het oefenen dan weerstand ontstaan, zolang we ons nog identificeren met onze ego-identiteit. Jezus is heel mild en open naar ons toe over dit fenomeen: “Het is in deze fase moeilijk, als je je denkgeest lang oefent, om die niet te laten afdwalen. Dat heb je inmiddels vast wel ontdekt. Je hebt gezien hoe groot je gebrek aan mentale discipline is en hoezeer je denkgeest training behoeft. […] Daarom is structuur voor jou op dit moment onontbeerlijk, opgezet met veelvuldige herinneringen aan je doel en regelmatige pogingen dat te bereiken” (Wd1.95.4:2-4;6:1). Kortom, hoewel onze oefenperioden geen starre rituelen zouden moeten worden, zijn vaste oefenperioden wel degelijk behulpzaam.

Voor wie de neiging heeft regelmatig oefenperiodes te vergeten (en dat geldt voor zo’n beetje elke Cursusstudent), leidt Jezus die ‘vriendelijk doch dringend’ terug naar het juiste pad, zodat er weer voortgang geboekt kan worden: “Gebruik de keren dat je verzuimt niet als een uitvlucht om niet naar het tijdsschema terug te keren zodra je dat kunt. Je zult wellicht in de verleiding raken de dag als verloren te beschouwen omdat het je toch al niet gelukt is te doen wat werd gevraagd. Dit moet je echter gewoon zien als wat het is: een weigering je fout te laten corrigeren en onwil om het opnieuw te proberen” (Wd1.95.7:3-5). En ook in werkboekles 40: “Je wordt ernstig aangeraden je op dit tijdschema toe te leggen en waar enigszins mogelijk je eraan te houden. Mocht je het vergeten, probeer het opnieuw. Mochten er lange onderbrekingen zijn, probeer het opnieuw. Telkens wanneer het je weer te binnen schiet, probeer het opnieuw” (Wd1.40.1:3-7). Met andere woorden: vergeetachtigheid is geen zonde en maakt jou niet ontoereikend. Het is slechts een vergissing, geboren uit de genoemde ego-weerstand. Dit vraagt om correctie, niet om depressie of boosheid op jezelf.

Echter, zodra dat besef eenmaal goed is doorgedrongen, dan is de volgende stap het besef dat we zouden moeten proberen de lessen toe te passen op alle situaties die we van dag tot dag tegenkomen. In zekere zin kunnen we zeggen dat het werkboek twee modi van oefenen kent. De eerste modus gebeurt gewoonlijk thuis in stilte, waar je de instructies aandachtig tot je neemt en vervolgens tijd neemt om ze te oefenen. De tweede modus echter, omvatten juist ook de dagelijkse situaties in ons leven die ons van streek maken: bij angst, woede, depressie, en wanhoop; en telkens wanneer we ons verliezen in speciale haat- en liefde-relaties. Dat zijn de moeilijkste momenten om aan een werkboekles te denken, maar het zijn juist die gebeurtenissen waar we de werkboeklessen werkelijk mee leren.

Aanvankelijk lijkt dit in tegenspraak met Jezus’ herhaalde oproep in meerdere werkboeklessen om juist te oefenen in rust, en de stilte te zoeken, zoals bijvoorbeeld in werkboekles 44: “Probeer dan in je denkgeest te verzinken, waarbij je alle mogelijke afleiding en storing loslaat door daar voorbij rustig dieper te verzinken. Jouw denkgeest kan hierin niet worden tegengehouden, tenzij jij dat verkiest. Hij volgt slechts zijn natuurlijke koers. […] Wanneer je op deze manier oefent, laat je alles wat jij nu gelooft plus alle gedachten die jij bedacht hebt achter je. In eigenlijke zin is dit de bevrijding uit de hel” (Wd1.44.7:2-4;5:4-5). Dat lijkt toch te suggereren dat we vooral in een meditatieve setting zouden moeten oefenen. Echter, het doel van die ‘meditatieve oefening’ is om je in staat te stellen die vrede altijd te voelen, ongeacht hoe ellendig de situatie ook mag zijn: “Je zult hoe dan ook leren dat vrede deel van jou is en slechts van je vraagt dat je elke situatie waarin je je bevindt, omhelst” (Wd1.R1.5:1). Dit houdt dus ook de situaties in waarin we onszelf dreigen te verliezen in discussies, beschuldigingen, ziekte, terreur, angst, enzovoorts.

Jezus’ meditatieve instructies zijn dus bedoeld om ons, als keuzemaker, in staat te stellen om voor vrede te kiezen ongedacht wat er gebeurt. Meditatie is daarom een middel, niet een doel op zich. Menig student maakt van het meditatieproces een afgod, met een speciaal altaar, speciale kaarsen, en/of speciale muziek. Met een beetje pech wordt dat uiteindelijk de enige plek waar ze denken de vrede van God te kunnen ervaren. Het doel van het werkboek is echter om ons vermogen te trainen deze innerlijke vrede altijd en in elke situatie te ervaren. “En uiteindelijk zul je leren dat er geen grens is aan waar jij bent, zodat jouw vrede overal is, net als jij” (Wd1.R1.5:2). Zolang we zo’n gevorderd niveau nog niet hebben bereikt, hebben we vaste oefenperioden van stille oefening nodig. We kunnen ons leerproces vervolgens behoorlijk versnellen door ook in emotionele omstandigheden die innerlijke stilte te omarmen, wetende dat de beschreven ego-weerstand er ook nog is. Probeer dit vandaag eens!

— Jan-Willem van Aalst, maart 2018 (Vertaling van https://miraclesormurder.wordpress.com/2018/03/31/a-successful-workbook-practice/)

Ik weet het beter!

Eén van Frank Sinatra’s bekendste nummers is ongetwijfeld “My way”, een single uit 1969 met tekst van Paul Anka op een melodie van Jacques Revaux en Claude François. Dit nummer stond maar liefst 75 achtereenvolgende weken in de Engelse Top-40, nog steeds een record. Je zou dit nummer het ultieme ego-lied kunnen noemen, in elk geval vanuit het oogpunt van Een cursus in wonderen. Het ego wijst God immers voortdurend af, omdat het meent alles altijd beter te weten. Wikipedia meldt trouwens dat Frank Sinatra dit lied eigenlijk verafschuwde, omdat hij vreesde dat het publiek dit als grootheidswaan zou beschouwen, iets wat hij in het algemeen sterk afkeurde. Niettemin is de duidelijke verheerlijking van het ego ongetwijfeld één van de hoofdredenen van het succes van deze hit. Het gaat over het geloven in je eigen kracht, in de overtuiging dat dat zal leiden tot vervulling in het leven. Maar is dat ook zo?

In Een cursus in wonderen gaat werkboekles 47 op precies die overtuiging in: “Als jij op je eigen kracht vertrouwt, heb je alle reden om ongerust, bezorgd en bang te zijn. Wat kun jij voorspellen of beheersen? Wat is er in jou waarop jij rekenen kunt? Wat kan jou het vermogen verschaffen je van alle facetten van een probleem bewust te zijn en ze zo op te lossen dat er alleen iets goeds van komen kan? Wat is er in jou dat jou de juiste oplossing als zodanig doet herkennen en jou de garantie geeft dat die zal worden bereikt?” (Wd1.47.1). Als je daar wat langer over nadenkt, dan is de vraag stellen ‘m beantwoorden, zoals Jezus ook direct vervolgt: “Vanuit jezelf kun je niets van dit alles. Geloven dat je dit wel kunt, is je vertrouwen schenken waar vertrouwen ongegrond is, en angst, verontrusting, depressiviteit, kwaadheid en verdriet rechtvaardigen. Wie kan zijn vertrouwen stellen in zwakheid en zich veilig voelen?” (Wd1.47.2:1-3).

Het probleem is dat wij aannemen dat wij überhaupt in staat zijn om ook maar iets te beoordelen. Dit begon allemaal met het oorspronkelijke oordeel van de Zoon van God dat hij heel goed los van Zijn Bron en Schepper zou kunnen bestaan, wat in feite de denkbeeldige afwijzing van de Liefde is die de Zoon zowel heeft als is. Hiermee begon de illusoire droom (nou ja, nachtmerrie eigenlijk) van tijd en ruimte, die uitsluitend in stand wordt gehouden door voortdurend te veroordelen. Alle gedachten die niet louter liefde zijn, komen neer op afwijzing en veroordeling. Daarom maakt Een cursus in wonderen ons duidelijk dat de denkgeest, ondanks zijn schijnbare ingewikkeldheid, altijd slechts “kiest uit twee stemmen” (VvT-1.7): ofwel de stem van het ego, die over afscheiding en individualiteit schreeuwt, ofwel de Heilige Geest, de Stem namens Liefde, die ons zachtjes uitnodigt om ons Erfgoed als Liefde en Eenheid wederom te aanvaarden. “Het ego analyseert, de Heilige Geest accepteert.” (T11.V.13:1). Kortom, de Cursus onderwijst ons dat ‘te denken het beter te weten’ juist niet zal leiden tot geluk en vervulling.

In het Handboek voor Leraren lezen we in hoofdstuk 10 iets soortgelijks: “Het is noodzakelijk dat de leraar van God beseft, niet dat hij niet mag oordelen, maar dat hij dat niet kán. […] Wat ons leerplan beoogt, in tegenstelling tot het doel van al het leren in de wereld, is het inzicht dat oordelen in de gebruikelijke zin onmogelijk is. […] Om iets correct te beoordelen, moet men zich ten volle bewust zijn van een onvoorstelbaar breed scala van zaken: uit verleden, heden en toekomst. Men zou van tevoren alle gevolgen van zijn oordeel moeten overzien ten aanzien van alles en iedereen daarbij op een of andere manier betrokken. En men zou er zeker van moeten zijn dat zijn waarneming niet vervormd is, zodat zijn oordeel volkomen rechtvaardig kan zijn tegenover ieder op wie dat nu en in de toekomst rust. Wie is in de positie dat te doen?” (H10.2:1;3:1,3-6). Het antwoord is overduidelijk: helemaal niemand.

Je zou hier natuurlijk tegenin kunnen brengen dat het onmogelijk is om in deze wereld van tijd en ruimte te leven zonder te oordelen. Niet alleen zou je de spreekwoordelijke voetveeg worden, maar je zou waarschijnlijk zelfs niet erg lang overleven. Met andere woorden, het opgeven van de ego-dynamiek zonder een alternatieve gids zou volstrekt hopeloos zijn. Gelukkig hebben we allemaal de keuze om een andere stem dan het ego te horen, dat wil zeggen de Heilige Geest, de Stem namens Liefde. Dat is in het algemeen niet een hoorbare stem. De Heilige Geest meldt zich meestal als een vredig gevoel, vanuit intuïtie, of wat ook wel genoemd wordt “Innerlijke Leraar”, of “Grote Geest”. Het goede nieuws is dat die Stem er altijd is, zodra we de keuze maken om even niet naar het ego-gebabbel te luisteren, en ons op de stilte richten die daar onder ligt. Zoals Jezus in hoofdstukken 12 en 28 zegt, in een combi-citaat dat Ken Wapnick vaak gebruikte: “Neem nu ontslag als je eigen leraar […] want je werd slecht onderwezen.” (T12.V.8:3; T28.I.7:1).

In hoofdstuk 27 van het Tekstboek vat Jezus dit als volgt samen: “Het geheim van verlossing is slechts dit: dat jij dit [d.w.z., al je ellende] jezelf aandoet.” (T27.VIII.10:1). Nogmaals, zonder een veel beter alternatief zou dit alleen maar tot depressie leiden. Daarom legt Jezus ons uit in werkboek 47: “God is je veiligheid in elke omstandigheid. Zijn Stem [d.w.z., de Heilige Geest] spreekt namens Hem in alle situaties en in elk aspect van alle situaties, en zegt je precies wat jou te doen staat om een beroep te doen op Zijn bescherming en Zijn kracht. Er zijn geen uitzonderingen, want God kent geen uitzonderingen.” (Wd1.47.3:1-3). En ook in het slothoofdstuk van het Tekstboek: “Je kiest altijd tussen jouw zwakheid en de kracht van Christus in jou. En wat je kiest is wat je voor werkelijk houdt. Door zwakheid eenvoudig nooit als leidraad voor je handelingen te gebruiken, heb je haar geen kracht gegeven. En het licht van Christus in jou heeft de leiding gekregen over alles wat jij doet.” (T31.VIII.2:3-6).

Een cursus in wonderen is een leerplan in het trainen van je denkgeest. Dus zodra je weer merkt dat je denkt “Ik weet het beter!”, zou je steeds wat sneller direct moeten beseffen dat dat alleen maar zal leiden tot teleurstelling, eenzaamheid en angst. In plaats daarvan zouden we juist de moed moeten vinden om een stapje terug te doen, te “vergeten wat we menen nodig te hebben” (LvG1.1.4:1) en de hulp van de Heilige Geest te vragen bij het loslaten van al onze oordelen (d.w.z. veroordelingen). Zoals Jezus ooit tegen Helen zei: “Je kunt niet vragen ‘Wat zal ik hem [d.w.z, een specifiek iemand] zeggen?’ en Gods antwoord horen. Vraag liever in plaats daarvan: ‘Help mij om mijn broeder te zien door de ogen van waarheid en niet die van veroordeling’, en God en al Zijn Engelen zullen jouw roep beantwoorden” (uit: Een leven geen geluk). Maak er een gewoonte van om uitsluitend dit te vragen. Wacht op de vredige intuïtieve impuls van de Heilige Geest. Vervolgens zul je automatisch het meest liefdevolle doen: “Als ze [deze impuls] waarachtig wordt benut, zal ze onvermijdelijk worden uitgedrukt op de manier die de ontvanger het meest zal helpen” (T2.IV.5:2). En hoewel het ego direct bezwaar zal maken, en ons waarschuwen dat dit ‘loslaten’ onvermijdelijk tot chaos zal leiden, zul je naderhand tot je verbazing bemerken dat de situatie inderdaad het beste uitpakte voor alle betrokkenen.

Een vaak gehoord bezwaar hierbij is dat dit allemaal wel erg leuk klinkt, maar dat het bijzonder moeilijk is om de Stem van de Heilige Geest überhaupt op te merken, omdat de denkgeest zo vol zit met gedachte-impulsen. Daarom nodigt Jezus ons (al tamelijk vroeg in het Werkboek) uit om de denkgeest te trainen regelmatig de stilte in te gaan, voorbij het gebabbel (nadat je het gebabbel hebt leren opmerken). Een goed voorbeeld van deze zeer belangrijke oefening vinden we in werkboekles 47: “Neem een minuut of twee om naar situaties in je leven te zoeken die jij met angst beladen hebt, en zet ze een voor een van je af door tegen jezelf te zeggen: “God is de kracht waarop ik vertrouw.” Probeer nu aan alle zorgen die verband houden met je eigen gevoel van ontoereikendheid te ontsnappen. Het is duidelijk dat elke situatie die jou zorgen baart, gepaard gaat met gevoelens van ontoereikendheid, want anders zou je geloven dat je de situatie met succes het hoofd kon bieden. Niet door op jezelf te vertrouwen zul je vertrouwen krijgen. Maar de kracht van God in jou slaagt in alles. […] Probeer in de laatste fase van de oefenperiode diep in je denkgeest een plek van ware veiligheid te bereiken. Je zult weten dat je die hebt bereikt als je een gevoel van diepe vrede ervaart, hoe kort ook. Laat alle onbenulligheden los die aan de oppervlakte van je denkgeest borrelen en kolken, en reik in de diepte daaronder naar het Koninkrijk der Hemelen. Er is een plaats in jou waar volmaakte vrede heerst” (Wd1.47.4:4-7:5). Een vuistregel (uit het boeddhisme) om deze training effectief te maken, is dat je deze minimaal 15 minuten, twee keer per dag doet. En merk dan je ego op dat direct klaagt dat dat te lang, te moeilijk of onmogelijk is. Probeer daarover mild te glimlachen, en neem jezelf voor juist deze oefening één van de belangrijkste onderdelen van je dagritme te maken. Elke dag weer. En zo besluit je voor jezelf: “Ik weet het niet beter; ik laat me liever leiden door de Stem namens Liefde.” En dat is de ‘koninklijke weg’ naar blijvende innerlijke vrede.

— Jan-Willem van Aalst, maart 2018 (vertaling van https://miraclesormurder.wordpress.com/2018/03/24/ill-do-it-my-way/)