Blog

Het wordt tijd om opnieuw te kiezen

In het geheel van tijd en ruimte waarin we menen onze levens te leven, zijn we miljoenen jaren behoorlijk ‘bewustzijnsloos’ geweest. Waarschijnlijk zijn we pas zo’n 100.000 jaar geleden onszelf gaan kleden tegen de kou. Pas zo’n 4.000 jaar geleden hadden de eerste groepen mensen hun basis overlevingsbehoeften dusdanig op orde dat ze konden gaan nadenken over de zin van het bestaan hier, wat het betekent om mens te zijn. Dat is dus maar de laatste 4% van de afgelopen 100.000 jaar, en dan nog slechts bij enkele grote denkers. Pas de laatste 200 jaar geeft onze welvaart ons de ruimte om op een groter collectief niveau een spiritueel ontwaken te mogen ontdekken en ervaren. Dat is dus maar 0,2% van ons bestaan als enigszins denkende wezens! En de laatste 20 jaar zien we steeds vaker opmerkelijke ‘nieuwetijdskinderen’ in beeld komen: zeer jonge mensen die al bij geboorte over een enorme wijsheid lijken te beschikken. Er is kortom iets bijzonders aan de hand in deze tijd waarin letterlijk alles enorm versnelt.

Ook al lijken wij onszelf hier en nu te ervaren in deze hectische tijd van transformatie en ontwaken, en niet in een andere eeuw, toch gebeurt metafysisch bekeken alles in de tijd nu. Hoewel Een cursus in wonderen geen standpunt inneemt over reïncarnatie, omdat volgens zijn nondualistische grondslag alles in de dualistische tijd/ruimte een illusie is, zijn er vele passages te vinden die er op lijken te wijzen dat dit leven zeker niet ons eerste leven is. Zie bijvoorbeeld (T-X.V.13:3-4): “Zo is elk leven: een ogenschijnlijk interval van geboorte naar dood en opnieuw naar leven, een herhaling van een ogenblik dat lang geleden al voorbij was en niet kan worden herbeleefd. En alle tijd is niets anders dan de waanzinnige overtuiging dat wat voorbij is nog steeds hier is en nu.” Die laatste zin verwijst naar de oorspronkelijke keuze van de Zoon van God, vlak vóór de Oerknal, om de afscheiding van Eenheid te proberen, iets dat in werkelijkheid nooit zou kunnen gebeuren, maar wat we nog steeds – ieder leven opnieuw – koppig willen blijven geloven, omdat we zo graag zélf een autonoom individu willen zijn en blijven.

Vanuit Een cursus in wonderen bezien is elke geboorte weinig anders dan wederom een poging om te zien of de afscheiding van Eenheid misschien, heel misschien, deze keer wél wil lukken. Zo hebben jij en ik al vele honderden malen geprobeerd om opnieuw geboren te worden en deze hopeloze poging opnieuw te ondernemen om liefde te vinden in een plek (droom) waar geen liefde te vinden is. Zeker vinden we prettige momenten van genot, maar uiteindelijk zien we ons lichaam aftakelen en beseffen we dat alles in deze wereld geregeerd wordt door strijd, verval en dood. “All things must pass” (Alles moet voorbijgaan), zong George Harrison al in 1970. Wie de boeken van Gary Renard over de Cursus heeft gelezen, zal herkennen dat ook Arten en Pursah met regelmaat het thema ‘reïncarnatie’ bespreken, enerzijds om ons de hopeloosheid ervan te doen beseffen, maar anderzijds ook om dit puur als nuttig leerproces te zien om te leren ontwaken uit deze dwaze droom.

Het goede nieuws is namelijk dat er in elk leven dat we leven vooruitgang is. In elk leven leren we iets meer over de Lessen van de Liefde (T-6). Een cursus in wonderen is in zekere zin bedoeld om ons te helpen juist dat leerproces te versnellen. Zoals we lezen in bijv. Hoofdstuk 4 van het Tekstboek: “Volledig in beslag genomen worden door opzettelijk onoplosbare problemen is een lievelingslist van het ego om de voortgang van je leerproces te hinderen. Maar bij al deze afleidingsmanoeuvres luidt de enige vraag, die nooit door degenen die ze bedrijven wordt gesteld: ‘Waartoe?’ Dit is de vraag die jij in relatie tot alles moet leren stellen. Wat is het doel? Wat het ook is, het zal jouw inspanningen automatisch richting geven. Wanneer je dan tot een doel besluit, heb je een besluit genomen over je toekomstige inspanningen, een besluit dat van kracht blijft tenzij jij van gedachten verandert.” (T4-V.6:6-11).

Ons enige doel in elk leven dat we lijken te leven is om de Verzoening voor onszelf te aanvaarden. Honderden levens hebben we koppig geprobeerd om onszelf ervan te overtuigen dat het ego het beter weet dan de Stem namens Liefde. We zijn echter nu in een tijdperk gekomen waarin het steeds duidelijker wordt dat we inderdaad van gedachten kunnen veranderen over onszelf. En niet niet alleen dat: we zijn nu ook zover dat we ons gaan beseffen dat ons kleine zelfje (dit lichaam) niet is wie jij en ik in essentie zijn. We beginnen ons langzaamaan gewaar te worden van ons oorspronkelijke collectieve Zelf als de Ene Zoon van God, buiten tijd en ruimte. Steeds meer mensen met adembenemende “bijna-dood ervaringen” vinden nu een podium om hun ervaringen buiten tijd en ruimte met steeds meer mensen te delen (zie bijv. het YouTube kanaal van Anthony Chene).

Het collectieve ego begint het overduidelijk behoorlijk benauwd te krijgen. De wereld verkeert in een maatschappelijke, economische en politieke wervelwind zoals nog niet eerder is vertoond. Niemand weet hoe lang dit nog zal duren, en dat hoeft ook niet. Wat ons van dag tot dag te doen staat is het bewust worden van de keuzes die wij maken in ons eigen ontwakingsproces: kiezen we voor angst, afscheiding, polarisatie en strijd (ego), of kiezen we ervoor de leiding van de Stem namens Liefde te aanvaarden? Als jij op de media al die angst en aanval ziet langskomen, welke keuze ben jij dan geneigd te maken? Ga je er op de automatische piloot in mee, of ben je al bereid de inherente eenheid (liefde) te zien die voorbij alle verwrongen vormen (percepties/interpretaties) in iedereen onveranderlijk blijft?

Elk leven draait dus om het steeds beter leren kiezen. Een cursus in wonderen leert ons dat we voor deze fundamentele keuze – de enige betekenisvolle keuze die we in elk leven kunnen maken – onszelf moeten oefenen in het observeren van het slagveld dat deze wereld is. Als je deze “observator” aanzet, dan stijg je boven het slagveld uit. Op dat moment word je de keuzemaker, een belangrijk concept in de Cursus. En deze keuzemaker heeft steeds opnieuw maar één keuze te maken: ofwel om het denken te laten leiden door de Stem namens afscheiding (ego), of door de Stem namens Liefde (de Heilige Geest of Jezus).

Jij en ik hebben inmiddels honderden levens achter de rug waarin we koppig bleven proberen om het beter te weten dan de Stem namens Liefde, die ons onophoudelijk terugroept naar ons ware Thuis (waar we in werkelijkheid nu al zijn). Alleen onze angst om onze gekoesterde autonome individualiteit kwijt te raken, heeft ons verhinderd de juiste keuze te maken. Het is hoog tijd om opnieuw te kiezen, elke dag weer. Ga niet mee in de polarisatie, afscheiding, angst en strijd. Train dagelijks de observator in jezelf en leer het slagveld van deze wereld met mildheid en zonder oordeel gade te slaan, in het besef dat dit louter je eigen staat van denken weerspiegelt, die je nu bewust kunt veranderen. En kies dan opnieuw.

Observeer hoe je ego direct met bezwaren komt in dit proces. Het is tenslotte moeilijk om het loslaten van je autonome individualiteit als iets aanlokkelijks te beschouwen. Toch zullen we merken dat zodra we deze angsten durven loslaten en de liefde durven toelaten, ons ontwaken in exact het juiste tempo zal gebeuren: “Vrees niet dat je opeens zult worden opgetild en de werkelijkheid in geslingerd. De tijd is mild, en als je hem ten behoeve van de werkelijkheid benut zal hij bij jouw overgang zachtjes gelijke tred met je houden. De dringende noodzaak bestaat alleen hierin dat jij je denkgeest loswrikt uit zijn verstarde positie hier. Je zult hierdoor niet ontheemd of zonder referentiekader raken.” (T16.VI.8:1-4) Kies dus vandaag nog opnieuw voor Liefde. En de dag erna. Duizend keer per dag, “…tot zekerheid een eind aan twijfel heeft gemaakt en vrede tot stand heeft gebracht. Laat vandaag twijfel eindigen. God spreekt voor jou en geeft met deze woorden antwoord: “Ik ga met God in volmaakte heiligheid. Ik verlicht de wereld, ik verlicht mijn denkgeest en alle denkgeesten die God als één met mij geschapen heeft.” (WdI.156.8).

— Jan-Willem van Aalst, april 2021

Je innerlijke licht zien

Schrijver en spreker Gary Renard ontvangt leiding en verheldering over de aard en de staat van deze droomwereld, over het pad van de Verzoening, en over hoe we steeds meer juist-gericht kunnen gaan denken, via een opzienbarende manifestatie van de Heilige Geest genaamd Arten en Pursah. Vele studenten van Een cursus in wonderen kennen Gary’s boeken al, dus hier ga ik daar niet in detail op in. Want ik bijzonder fascinerend vind is dat zij Gary een versie van het Evangelie van Thomas hebben gegeven met daarin uitspraken van Jezus die Didymus Judas Thomas heeft vastgelegd. Deze versie is dus niet ‘geredigeerd’ door de stichters van de christelijke kerk. Hoewel elk van deze uitspraken een blog in zichzelf waard zou zijn, beperk ik me hier tot de laatste, waarin Thomas het volgende schrijft: “De discipelen vroegen hem: ‘Wanneer zal het Koninkrijk komen?’ Hij [Jezus] antwoordde: ‘Het zal niet komen door er naar uit te kijken. Er zal niet gezegd worden: ‘Kijk hier’, of ‘Kijk daar’. Het Koninkrijk van de Vader bedekt de hele wereld, en de mensen zien het niet.” (PgoTh 113, Engelse versie).

Het is eerst en vooral van belang om op te merken dat ‘het Koninkrijk van de Vader’ een symbool is voor een staat of toestand zonder angst, zonder oorlog, zonder gebrek aan wat dan ook. Het is, kortom, min of meer de staat van het paradijs van de Hof van Eden vóór de erfzonde. Of, meer vanuit de metafysica bezien is het de staat waarin de droom van dualiteit is beëindigd en de Zoon van God is ontwaakt in zijn natuurlijke nondualistische staat, Thuis in het Hart van God. Daar ervaart en is de Zoon van God het innerlijke Licht van de Hemel. Daar is de Zoon tevreden met zijn enige functie: het eindeloos uitbreiden van Liefde. In het Thomas evangelie zegt Jezus dat dit niet iets is om op te wachten ergens in de toekomst. En het is niet een plaats waar we naar kunnen wijzen. Integendeel; deze staat van leven (d.w.z, deze staat van de denkgeest) is hier en nu. Deze staat is overal; in ons en om ons heen. We zien dit echter niet. Hoe kan dat, en, voor nu even aannemend dat dit klopt, waarom zien we dit niet?

Naast de lezer te stimuleren om zich op het licht en de liefde in zichzelf te richten, legt Een cursus in wonderen diepgaand uit wat dit innerlijke Licht van de Hemel (“het Koninkrijk”) eigenlijk is, en ook waarom wij dit niet zien, of beter, waarom wij dit niet willen zien. Zolang jij en ik nog geloven dat wij een lichaam zijn, geboren in tijd en ruimte, met de onvermijdelijke dood als het einde van het flakkerende kaarsje dat we ons leven noemen, zo lang zullen wij dit innerlijke Licht van de Hemel dat wij allen delen niet ervaren; we zullen het Koninkrijk niet zien. Zoals Jezus uitlegt in zijn Cursus zijn wij allen één geest, die lijkt te dromen over fragmentatie in tijd en ruimte. Elk fragment droomt dat het een autonoom lichaam is, los van de Schepper. Het schuldgevoel over de afscheiding van God (die in werkelijkheid nooit is gebeurd), heeft geleid tot een bittere angst voor het Licht van God. We zoeken verlossing uit deze hel middels een leven van lijden en opoffering, om te bewijzen dat wij het waard zijn terug naar de Hemel te keren. Binnen deze droom ervaren we Jezus niet langer als de Stem van onvoorwaardelijke Liefde; eerder als een godheid die onze zielen misschien toegang verleent tot de Hemel als we de rest van ons leven braaf zijn.

Laten we niet in de valkuil trappen om Jezus te bezien als een soort wezen buiten ons dat alle naar verlossing smachtende zielen zal komen redden als ze maar voldoende lijden. Jezus is simpelweg een symbool voor de Liefde van God, het innerlijke Licht van de Hemel dat de essentie is van al wat leeft. In uitspraak 91 van het Thomas evangelie horen we de discipelen aan Jezus vragen: “Vertel ons wie je bent, zodat we in je kunnen geloven.” Jezus antwoordde: “Je onderzoekt van alles over de Hemel en de aarde, maar je hebt nog niet ontdekt wie degenen in jouw aanwezigheid eigenlijk zijn, en je hebt nog niet ontdekt hoe je het huidige moment, het nu kunt leren kennen.” (PgoTh 91, Engelse versie). In onze tijd zou Jezus het mogelijk als volgt verwoorden: “Je kunt je verdiepen in spiritualiteit zoveel je wilt, maar je blijft alles en iedereen om je heen veroordelen, of je je daar bewust van bent of niet. Je richt je nog steeds niet echt op het Licht van de Hemel dat nu in iedereen schijnt. Dit Licht kun je nu aanschouwen, door je denkgeest te ontdoen van alle duistere gedachten die je steeds kiest, en zo ruimte te maken voor het nu, de enige tijd die er werkelijk is.”

Jezus is in feite het symbool van wat jij en ik en iedereen in essentie zijn, en deze staat zullen we ten volste kennen zodra wij ontwaken uit de droom. Zoals hij ons verzekert in het allereerste hoofdstuk van het Tekstboek van Een cursus in wonderen: “Gelijken behoren geen ontzag voor elkaar te koesteren, daar ontzag ongelijkheid veronderstelt. Daarom is het een misplaatste reactie tegenover mij. Een oudere broer verdient respect vanwege zijn grotere ervaring, en gehoorzaamheid vanwege zijn grotere wijsheid. Hem komt ook liefde toe omdat hij een broer is, en toewijding als hij is toegewijd. Slechts op grond van mijn toewijding heb ik recht op de jouwe. Er is niets aan mij wat jij niet kunt bereiken. Ik heb niets wat niet van God afkomstig is. Het huidige verschil tussen ons is dat ik niets ánders heb. Daardoor verkeer ik in een toestand die in jou alleen potentieel aanwezig is. ‘Niemand komt tot de Vader dan door mij’ betekent niet dat ik op enigerlei wijze van jou gescheiden ben of verschil, anders dan in tijd, en tijd bestaat niet werkelijk.” (T1.II.3:5-4:1). Dus uiteindelijk zullen jij en ik en iedereen terugkeren naar het eeuwige licht van de nondualiteit, waar we de inherente eenheid van Jezus en onszelf zullen kennen, aangezien in nondualiteit alles één is.

Jezus probeert ons in zijn Cursus te doen beseffen dat te proberen een betere droomwereld te maken, niet de weg naar verlossing is. Er is niets mis mee om je kinderen zorgzaam om te voeden, om de gezondheidszorg te verbeteren, om de energietransitie te helpen vormgeven, maar dit alles in zichzelf leidt niet tot de blijvende ervaring van ‘het Koninkrijk van de Vader’. Jezus probeert ons uit te leggen dat we binnen deze wereld geen verlossing zullen vinden, want er is geen wereld: “Geef de wereld op! Maar niet als offer. Je hebt haar nooit gewild. Welk geluk heb je hier gezocht dat jou géén pijn heeft gebracht? Welk moment van voldoening werd niet voor een vreselijke prijs met pijngeld betaald? […] Als je iets kiest dat niet voor altijd blijft bestaan, heeft wat je gekozen hebt geen waarde. Een tijdelijke waarde is zonder enige waarde. Tijd kan nooit een waarde wegnemen die werkelijk is. Wat vervluchtigt en sterft, is er nooit geweest en heeft niets te bieden aan degene die het kiest.” (T30.V.9:4-8; WdI.133.6:1-4).

Een cursus in wonderen is een leerplan voor het trainen van de denkgeest. Het is nooit de wereld zelf die het probleem is; het probleem is ons geloof in een wereld die macht over ons kan hebben. De oplossing is dus gelegen in een verandering van gedachten over het doel van de wereld, en dus het doel van je leven hier. Dit houdt een verandering van denken in van onjuist gericht denken (“Verlossing ligt buiten mijzelf”) naar juist gericht denken (“Mijn verlossing komt van mijzelf”). Een cursus in wonderen leert ons dat vergeving het middel is om deze verandering van denken te bewerkstelligen. De genezen denkgeest, vrij van elke vorm van veroordeling, ervaart de werkelijke wereld, oftewel de aankondiging van het einde van dualiteit. In het Koninkrijk van de Vader (nondualiteit) worden de velen weer één. Binnen deze droomwereld oefenen we ons bewustzijn daarover door ons in gedachten te verbinden met al onze broeders: “Als je wilt weten of je gebeden verhoord zijn, twijfel dan nooit aan een Zoon van God. Trek hem niet in twijfel en maak hem niet onzeker, want jouw geloof in hem is jouw geloof in jezelf. Als je God en Zijn Antwoord wilt kennen, geloof dan in mij wiens geloof in jou niet aan het wankelen kan worden gebracht. Kun jij oprecht iets aan de Heilige Geest vragen en toch aan jouw broeder twijfelen? Geloof dat zijn woorden waar zijn vanwege de waarheid die in hem is. Jij zult je met de waarheid in hem verenigen, en zijn woorden zullen waar zijn. Wanneer je hem hoort, zul je mij horen. Luisteren naar de waarheid is de enige manier waarop jij die nu kunt horen en uiteindelijk kunt kennen” (T9.II.4).

Dus toen Jezus zei: “Het Koninkrijk van de Vader bedekt de hele wereld, en de mensen zien het niet”, bedoelde hij dat we dit niet zien omdat wij iedereen om ons heen nog niet zien zoals ze werkelijk zijn: de Ene Zoon van God, wat wij zelf ook zijn. Alleen door onszelf te vergeven voor die zotte maar doelbewuste keuze om Eenheid vér van ons te houden, staan we de Heilige Geest toe om al deze zotte afgescheidenheid ongedaan te laten maken – in de denkgeest. Dit is de denkgeest-training die Jezus ons graag ziet doen, van dag tot dag. En naarmate je vordert op deze reis-zonder-afstand, zul je merken dat je dagen steeds wat vrediger worden. Je bent onderweg naar de werkelijke wereld. Je bent op weg om ten langen leste het Koninkrijk van de Vader hier en nu alles te zien bedekken, omdat je je nu richt op het innerlijke Licht van de Hemel dat in iedereen schijnt. De dwaze drukte van de wereld gaat steeds wat meer naar de achtergrond. Je leeft in de droom nog steeds een actief leven, waarbij je bijdraagt aan betere wereld, maar in al je bezigheden schenk je het wonder van de uitbreiding van het Licht van de Hemel vanuit jezelf naar alles en iedereen. En dat is het enige dat telt.

— Jan-Willem van Aalst, mei 2018 (vertaling van https://miraclesormurder.wordpress.com/2018/05/20/seeing-the-inner-light-of-heaven/)

Vrijheid of gevangenschap?

Een cursus in wonderen als spiritueel leerplan voor het trainen van de denkgeest wordt vaak gezien als erg intellectueel en moeilijk te volgen. Veel studenten houden het bij het af en toe bladeren door het Tekstboek om te zien of ze een lieflijke passage tegenkomen die ze als affirmatie voor de dag kunnen gebruiken. Maar het feit dat deze studenten zich daarmee niet bewust worden van de psychologische en metafysische grondslag van de Cursus, heeft weinig van doen met intellectueel vermogen. Meestal worden de wat diepgaander (of confronterender) passages overgeslagen omdat er weerstand aan het werk is. In zekere zin is de boodschap van Een cursus in wonderen enorm bedreigend voor het ego, en leidt dus tot grote innerlijke onrust. Hoe zit dat?

Ten eerste is het goed om op te merken dat Jezus op veel plaatsen in het boek benadrukt hoe eenvoudig en helder zijn Cursus is. Al in de inleiding van het Tekstboek lezen we: “Niets werkelijks kan bedreigd worden. Niets onwerkelijks bestaat. Hierin ligt de vrede van God.” (T-In.2:2-4). Verderop zegt Jezus: “Dit is een heel eenvoudige cursus. […] De reden dat deze cursus simpel is, is dat de waarheid simpel is.” (T11.VIII.1:1; T-15.IV.6:1). En in hoofdstuk 9 verzekert hij ons: “Deze cursus biedt een heel directe en een heel eenvoudige leersituatie en verschaft de Gids die jou zegt wat te doen. Als je dat doet, zul je zien dat hij werkt.” (T9.V.9:1-2). Dit gaat echter wel uit van de aanname dat we zeer gemotiveerd zijn om deze Gids te horen, en daadwerkelijk te doen wat Hij vraagt! Maar zijn we dat wel, en doen we dat wel? Het antwoord is uiteraard “Nee”, en de reden ligt al net zo voor de hand: hoewel we beslist innerlijke vrede willen ervaren, willen we daartoe niet ons gekoesterde speciale ego opgeven. Maar dat is nou precies waar deze specifieke Cursus met deze specifieke Gids om gaat.

Daarom stelt Jezus mild, maar toch vermanend: “Deze cursus is volkomen helder. Als je hem niet helder ziet, komt dit doordat je er een interpretatie aan geeft die ertegen indruist, waardoor je hem niet gelooft. […] Deze cursus vergt nagenoeg niets van jou. Het is onmogelijk je een cursus voor te stellen die zo weinig vraagt, of die meer te bieden heeft. […] En als je nu ertegen kiest, zal dat niet zijn omdat hij duister is, maar eerder omdat deze geringe prijs naar jouw oordeel te hoog leek om voor vrede te betalen.” (T11.VI.3:1-2; T20.VII.1:7-8; T21.II.1:5). Dit is in het algemeen niet hoe wij dit zelf zien. Want ja, we zijn toch oprecht op zoek naar blijvende innerlijke vrede… Een belangrijk uitgangspunt van Een cursus in wonderen is dat, om die diep verlangde blijvende innerlijke vrede te bereiken, we alle duistere plekken in onze denkgeest moeten opsporen en aankijken. En we kijken daarbij feitelijk naar de denkgeest van het collectieve Zoonschap, omdat wij allen verbonden zijn, zowel in het Koninkrijk van de Hemel buiten tijd en ruimte, alsook in de waakdroom die we de wereld noemen.

Wanneer Een cursus in wonderen oprecht bestudeerd en beoefend wordt, is het volledig ongedaan maken van het ego onvermijdelijk. Dat moet wel zo zijn, omdat de Hemel – Eenheid – ons ware Thuis is als de ene Zoon van God, terwijl het ego de gedachte van afscheiding van Eenheid is. De eerste is werkelijk, de tweede is onwerkelijk, en niets onwerkelijks bestaat, zoals we al zagen. Maar omdat we ons nog allemaal zo innig identificeren met ons lichaam, onze unieke persoonlijkheid, ons speciale ego, is het niet verwonderlijk dat er ergens diep van binnen enorme angst komt opborrelen: “Deze cursus heeft uitdrukkelijk gesteld dat hij vrede en geluk voor jou beoogt. Toch ben je er bang voor. Er is je telkens weer gezegd dat hij je zal bevrijden, en toch reageer jij soms alsof hij je tot gevangene probeert te maken. Je zet hem vaak makkelijker aan de kant dan het denksysteem van het ego. Tot op zekere hoogte moet je dus wel geloven dat jij jezelf beschermt door deze cursus niet te leren.” (T13.II.7:1-5). Wat wij denken te beschermen is uiteraard onze individuele autonomie als een lichaam met een persoonlijkheid, in tijd en ruimte. We verwarren de werkelijkheid nog steeds met wat onwerkelijk is.

In zijn Cursus vertelt Jezus ons dat wij niet zijn wie wij denken te zijn. Als je Een cursus in wonderen leest in de overtuiging dat jij een autonoom lichaam bent, op zoek naar meer geluk in dat lichaam, dan staan je de nodige verrassingen te wachten. Bijvoorbeeld: het lichaam werd door de schijnbaar slapende Zoon van God gemaakt om zich voor God te kunnen verstoppen en te kunnen bestaan los van alles en iedereen; de “wereld was bedoeld als een plek waar God niet binnen kon gaan” (Wd2.3.2:4); Jezus stelt zelfs dat “De wereld werd gemaakt als een aanval op God.” (Wd2.3.2:1). Dus mocht je jezelf nog zien als een oprechte, liefdevolle spirituele leerling, kijk dan wat beter: er is nog duisternis in de denkgeest om op te ruimen. Dit kijken leidt tot angst, en Jezus benoemt dat ook in hoofdstuk 9 van het Tekstboek: “Het is onmogelijk in een paniektoestand iets op een consistente wijze te leren. Als het de bedoeling van deze cursus is jou te helpen herinneren wat jij bent, en als je gelooft dat wat jij bent beangstigend is, dan kan daar alleen maar uit volgen dat jij deze cursus niet zult leren. Maar de bestaansreden van deze cursus is juist dat je niet weet wat jij bent.” (T9.I.2:3-5).

Dus dat is de kern: jij en ik denken dat we volstrekt afgescheiden persoonlijkheden zijn die elk in een lichaam leven; maar Jezus vertelt ons dat jij en ik puur dezelfde geest zijn, en nu al veilig in het Hart van God; we dromen echter over verbanning in een woestijn van afscheiding, genaamd de materiële wereld. Uit deze nachtmerrie ontwaken betekent “niet nee zeggen” tegen de roep van de Heilige Geest om de Verzoening te aanvaarden, dat wil zeggen onze terugkeer naar Eenheid. Jezus realiseert zich echter maar al te goed dat we zo’n radicale keuze niet van vandaag op morgen zullen maken. Hij licht dit toe aan de hand van de oude parabel van Plato over de grot, waarin gevangenen zó lang in het donker zijn opgesloten dat ze elke vorm van licht zijn gaan schuwen: “Gevangenen die jarenlang in zware ketenen lagen, uitgehongerd en uitgemergeld, zwak en uitgeput, en wier ogen zo lang in het donker neergeslagen waren geweest dat zij zich het licht niet meer herinneren, springen niet op van vreugde op het moment dat ze worden bevrijd. Het kost hun een tijdje om te begrijpen wat vrijheid is. […] {Hun] ogen raken gewend aan het duister, en het felle daglicht schijnt pijnlijk voor ogen die lang gewoon zijn aan de schimmige effecten die in het schemerdonker worden waargenomen. En ze wenden zich af van het zonlicht en van de helderheid die dit brengt voor dat waarnaar ze kijken. Halfdonker lijkt beter…” (T20.III.9:1; T25.VI.2:1-2).

Daarom is Een cursus in wonderen niet een spiritualiteit om je direct beter te doen voelen. Deze Cursus is hier om je zorgvuldig uit de nachtmerrie van tijd en ruimte le leiden, terug naar het gewaarzijn van Eenheid. En dit vergt inderdaad een volledige omkering van alles in je denkgeest, en dat kost tijd – veel tijd. Vandaar dat Een cursus in wonderen ons gegeven is als een gestructureerd leerproces dat ons langs alle stapjes meeneemt, en we kunnen geen enkele stap overslaan. Om voor de Heilige Geest als gids voor de denkgeest te kiezen, wat neerkomt op een keuze om te vergeven in plaats van te veroordelen, betekent dat we uiteindelijk een staat van ware waarneming zullen bereiken, in een proces met een tempo dat wij kunnen volgen en aanvaarden: “Vrees niet dat je opeens zult worden opgetild en de werkelijkheid in geslingerd. De tijd is mild, en als je hem ten behoeve van de werkelijkheid benut zal hij bij jouw overgang zachtjes gelijke tred met je houden. De dringende noodzaak bestaat alleen hierin dat jij je denkgeest loswrikt uit zijn verstarde positie hier. Je zult hierdoor niet ontheemd of zonder referentiekader raken” (T16.VI.8:1-4).

Waarin eindigt de reis zodra we deze werkelijke wereld, de staat van ware waarneming, ontdaan van elke veroordeling, zullen hebben bereikt? Hoe zal de terugkeer naar Eenheid plaatsvinden? In het Handboek voor leraren geeft Jezus ons een ‘peptalk’, om onze motivatie nog wat verder op te krikken: “Het pad wordt heel anders naarmate men verdergaat. En evenmin kunnen al de grootsheid, de indrukwekkendheid van het tafereel en de geweldige zich openende vergezichten die zich aan iemand voordoen wanneer hij de reis voortzet, al bij aanvang worden voorspeld. Maar zelfs dit alles, waarvan de pracht naarmate men voortgaat onbeschrijfelijke hoogten bereikt, valt zonder meer in het niet bij alles wat wacht wanneer het pad ophoudt en de tijd samen ermee eindigt. Maar men moet ergens beginnen.” (H19.2:5-8). Dat ‘begin’ is het langzame maar vastberaden proces van een volledige ommekeer van het denken: te leren inzien dat onze individuele autonomie eigenlijk een gevangenis in een nachtmerrie is, en te leren inzien dat onze staat van Eenheid, buiten tijd en ruimte, ons Thuis en onze ware vrijheid is. De Heilige Geest leidt ons gegarandeerd door deze transitie heen, zolang wij onze bereidheid oefenen Hem dat toe te staan. Een vreugdevolle beoefening gewenst!

Jan-Willem van Aalst, april 2018 (vertaling van: https://miraclesormurder.wordpress.com/2018/04/28/freedom-or-imprisonment/)

Hoe kom ik aan het veroordelen voorbij?

Als Cursusstudenten weten we dat onze belangrijkste taak hier in dit leven is om te leren vergeven. Toch merken we allemaal dat we elke dag mensen en situaties afwijzen; dat we willen dat dingen anders zijn. Hoezeer we ook proberen positief te denken en te leven, het ego lijkt onverslaanbaar. Zeer frustrerend. Hoe komen we aan het veroordelen voorbij, zodat we de blijvende innerlijke vrede gaan ervaren die we allemaal zo verlangen?

Op 7 februari jl. heb ik over dit thema een online lezing verzorgd voor Miracles in contact (MiC), de Nederlandse Cursus-community. De lezing duurt 50 minuten, met aansluitend 40 minuten interactie met de deelnemers over het toepassen hiervan in de dagelijkse praktijk. De video toont verwijzingen naar gebruikte Cursus-citaten, en bevat ook Engelstalige ondertiteling. Op YouTube is de lezing te bekijken:

“Hoe kom ik aan het veroordelen voorbij?” MIC lezing, 7 februari 2021.

Veel kijkplezier gewenst! Laat gerust op YouTube een reactie achter, of stel je vraag onderaan deze blog.

— Jan-Willem van Aalst

Oefenen met de werkboeklessen

Veel studenten van Een cursus in wonderen hebben een dubbel gevoel over hoe goed ze de werkboeklessen doen, of zouden moeten doen. Zodra ze er van overtuigd raken dat een gedisciplineerde dagelijkse beoefening van Jezus’ lessen de manier is om de ‘werkelijke wereld’ te bereiken, dat wil zeggen: de innerlijke ervaring van ware waarneming, is er volop motivatie om zijn instructies op te volgen. Maar zodra ze merken dat het niet eens lukt om drie keer per dag zelfs maar vijf minuten concentratie op te brengen, krijgen gevoelens van teleurstelling, schuld, en ontoereikendheid al snel de overhand. Vervolgens zetten ze de Cursus voor een poosje in de kast (soms voor een lange poos), of ze nemen zichzelf verbeten voor om het voortaan nóg gedisciplineerder te proberen, waarmee het een zwaar, veeleisend ritueel wordt, als een donkere wolk in de denkgeest.

Jezus wil natuurlijk geen van beide. In de allereerste werkboekles probeert hij studenten te behoeden voor de laatstgenoemde valkuil: “[…] deze oefeningen moeten geen ritueel worden.” (Wd1.I.3:5). In het Handboek voor Leraren komt Jezus hier nog een keer op terug: “Een vaste routine is als zodanig gevaarlijk, omdat ze gemakkelijk zelf tot een god kan worden, en dan juist een bedreiging vormt voor de doelen waarvoor ze is opgesteld” (H16.2:5). Elders in het werkboek verzoekt Jezus zijn studenten om zich te richten op de algehele boodschap van een les, en niet dwangmatig naar exacte formulering te kijken: “Het is niet noodzakelijk om in de oefenperioden de toelichting na elk idee woordelijk of grondig te repeteren. Probeer liever de nadruk te leggen op de kern ervan…” (Wd1.R1.3:1-2).

Of we nou vergeetachtig of dwangmatig worden, in beide gevallen weet Jezus dat er ego-weerstand aan het werk is. En dat is niet zo vreemd, want de reis naar de werkelijke wereld betekent de teloorgang van het ego. Elke werkboekles die je goed oefent, brengt het ego ietsje verder naar de achtergrond. Natuurlijk zal er bij het oefenen dan weerstand ontstaan, zolang we ons nog identificeren met onze ego-identiteit. Jezus is heel mild en open naar ons toe over dit fenomeen: “Het is in deze fase moeilijk, als je je denkgeest lang oefent, om die niet te laten afdwalen. Dat heb je inmiddels vast wel ontdekt. Je hebt gezien hoe groot je gebrek aan mentale discipline is en hoezeer je denkgeest training behoeft. […] Daarom is structuur voor jou op dit moment onontbeerlijk, opgezet met veelvuldige herinneringen aan je doel en regelmatige pogingen dat te bereiken” (Wd1.95.4:2-4;6:1). Kortom, hoewel onze oefenperioden geen starre rituelen zouden moeten worden, zijn vaste oefenperioden wel degelijk behulpzaam.

Voor wie de neiging heeft regelmatig oefenperiodes te vergeten (en dat geldt voor zo’n beetje elke Cursusstudent), leidt Jezus die ‘vriendelijk doch dringend’ terug naar het juiste pad, zodat er weer voortgang geboekt kan worden: “Gebruik de keren dat je verzuimt niet als een uitvlucht om niet naar het tijdsschema terug te keren zodra je dat kunt. Je zult wellicht in de verleiding raken de dag als verloren te beschouwen omdat het je toch al niet gelukt is te doen wat werd gevraagd. Dit moet je echter gewoon zien als wat het is: een weigering je fout te laten corrigeren en onwil om het opnieuw te proberen” (Wd1.95.7:3-5). En ook in werkboekles 40: “Je wordt ernstig aangeraden je op dit tijdschema toe te leggen en waar enigszins mogelijk je eraan te houden. Mocht je het vergeten, probeer het opnieuw. Mochten er lange onderbrekingen zijn, probeer het opnieuw. Telkens wanneer het je weer te binnen schiet, probeer het opnieuw” (Wd1.40.1:3-7). Met andere woorden: vergeetachtigheid is geen zonde en maakt jou niet ontoereikend. Het is slechts een vergissing, geboren uit de genoemde ego-weerstand. Dit vraagt om correctie, niet om depressie of boosheid op jezelf.

Echter, zodra dat besef eenmaal goed is doorgedrongen, dan is de volgende stap het besef dat we zouden moeten proberen de lessen toe te passen op alle situaties die we van dag tot dag tegenkomen. In zekere zin kunnen we zeggen dat het werkboek twee modi van oefenen kent. De eerste modus gebeurt gewoonlijk thuis in stilte, waar je de instructies aandachtig tot je neemt en vervolgens tijd neemt om ze te oefenen. De tweede modus echter, omvatten juist ook de dagelijkse situaties in ons leven die ons van streek maken: bij angst, woede, depressie, en wanhoop; en telkens wanneer we ons verliezen in speciale haat- en liefde-relaties. Dat zijn de moeilijkste momenten om aan een werkboekles te denken, maar het zijn juist die gebeurtenissen waar we de werkboeklessen werkelijk mee leren.

Aanvankelijk lijkt dit in tegenspraak met Jezus’ herhaalde oproep in meerdere werkboeklessen om juist te oefenen in rust, en de stilte te zoeken, zoals bijvoorbeeld in werkboekles 44: “Probeer dan in je denkgeest te verzinken, waarbij je alle mogelijke afleiding en storing loslaat door daar voorbij rustig dieper te verzinken. Jouw denkgeest kan hierin niet worden tegengehouden, tenzij jij dat verkiest. Hij volgt slechts zijn natuurlijke koers. […] Wanneer je op deze manier oefent, laat je alles wat jij nu gelooft plus alle gedachten die jij bedacht hebt achter je. In eigenlijke zin is dit de bevrijding uit de hel” (Wd1.44.7:2-4;5:4-5). Dat lijkt toch te suggereren dat we vooral in een meditatieve setting zouden moeten oefenen. Echter, het doel van die ‘meditatieve oefening’ is om je in staat te stellen die vrede altijd te voelen, ongeacht hoe ellendig de situatie ook mag zijn: “Je zult hoe dan ook leren dat vrede deel van jou is en slechts van je vraagt dat je elke situatie waarin je je bevindt, omhelst” (Wd1.R1.5:1). Dit houdt dus ook de situaties in waarin we onszelf dreigen te verliezen in discussies, beschuldigingen, ziekte, terreur, angst, enzovoorts.

Jezus’ meditatieve instructies zijn dus bedoeld om ons, als keuzemaker, in staat te stellen om voor vrede te kiezen ongedacht wat er gebeurt. Meditatie is daarom een middel, niet een doel op zich. Menig student maakt van het meditatieproces een afgod, met een speciaal altaar, speciale kaarsen, en/of speciale muziek. Met een beetje pech wordt dat uiteindelijk de enige plek waar ze denken de vrede van God te kunnen ervaren. Het doel van het werkboek is echter om ons vermogen te trainen deze innerlijke vrede altijd en in elke situatie te ervaren. “En uiteindelijk zul je leren dat er geen grens is aan waar jij bent, zodat jouw vrede overal is, net als jij” (Wd1.R1.5:2). Zolang we zo’n gevorderd niveau nog niet hebben bereikt, hebben we vaste oefenperioden van stille oefening nodig. We kunnen ons leerproces vervolgens behoorlijk versnellen door ook in emotionele omstandigheden die innerlijke stilte te omarmen, wetende dat de beschreven ego-weerstand er ook nog is. Probeer dit vandaag eens!

— Jan-Willem van Aalst, maart 2018 (Vertaling van https://miraclesormurder.wordpress.com/2018/03/31/a-successful-workbook-practice/)

Ik weet het beter!

Eén van Frank Sinatra’s bekendste nummers is ongetwijfeld “My way”, een single uit 1969 met tekst van Paul Anka op een melodie van Jacques Revaux en Claude François. Dit nummer stond maar liefst 75 achtereenvolgende weken in de Engelse Top-40, nog steeds een record. Je zou dit nummer het ultieme ego-lied kunnen noemen, in elk geval vanuit het oogpunt van Een cursus in wonderen. Het ego wijst God immers voortdurend af, omdat het meent alles altijd beter te weten. Wikipedia meldt trouwens dat Frank Sinatra dit lied eigenlijk verafschuwde, omdat hij vreesde dat het publiek dit als grootheidswaan zou beschouwen, iets wat hij in het algemeen sterk afkeurde. Niettemin is de duidelijke verheerlijking van het ego ongetwijfeld één van de hoofdredenen van het succes van deze hit. Het gaat over het geloven in je eigen kracht, in de overtuiging dat dat zal leiden tot vervulling in het leven. Maar is dat ook zo?

In Een cursus in wonderen gaat werkboekles 47 op precies die overtuiging in: “Als jij op je eigen kracht vertrouwt, heb je alle reden om ongerust, bezorgd en bang te zijn. Wat kun jij voorspellen of beheersen? Wat is er in jou waarop jij rekenen kunt? Wat kan jou het vermogen verschaffen je van alle facetten van een probleem bewust te zijn en ze zo op te lossen dat er alleen iets goeds van komen kan? Wat is er in jou dat jou de juiste oplossing als zodanig doet herkennen en jou de garantie geeft dat die zal worden bereikt?” (Wd1.47.1). Als je daar wat langer over nadenkt, dan is de vraag stellen ‘m beantwoorden, zoals Jezus ook direct vervolgt: “Vanuit jezelf kun je niets van dit alles. Geloven dat je dit wel kunt, is je vertrouwen schenken waar vertrouwen ongegrond is, en angst, verontrusting, depressiviteit, kwaadheid en verdriet rechtvaardigen. Wie kan zijn vertrouwen stellen in zwakheid en zich veilig voelen?” (Wd1.47.2:1-3).

Het probleem is dat wij aannemen dat wij überhaupt in staat zijn om ook maar iets te beoordelen. Dit begon allemaal met het oorspronkelijke oordeel van de Zoon van God dat hij heel goed los van Zijn Bron en Schepper zou kunnen bestaan, wat in feite de denkbeeldige afwijzing van de Liefde is die de Zoon zowel heeft als is. Hiermee begon de illusoire droom (nou ja, nachtmerrie eigenlijk) van tijd en ruimte, die uitsluitend in stand wordt gehouden door voortdurend te veroordelen. Alle gedachten die niet louter liefde zijn, komen neer op afwijzing en veroordeling. Daarom maakt Een cursus in wonderen ons duidelijk dat de denkgeest, ondanks zijn schijnbare ingewikkeldheid, altijd slechts “kiest uit twee stemmen” (VvT-1.7): ofwel de stem van het ego, die over afscheiding en individualiteit schreeuwt, ofwel de Heilige Geest, de Stem namens Liefde, die ons zachtjes uitnodigt om ons Erfgoed als Liefde en Eenheid wederom te aanvaarden. “Het ego analyseert, de Heilige Geest accepteert.” (T11.V.13:1). Kortom, de Cursus onderwijst ons dat ‘te denken het beter te weten’ juist niet zal leiden tot geluk en vervulling.

In het Handboek voor Leraren lezen we in hoofdstuk 10 iets soortgelijks: “Het is noodzakelijk dat de leraar van God beseft, niet dat hij niet mag oordelen, maar dat hij dat niet kán. […] Wat ons leerplan beoogt, in tegenstelling tot het doel van al het leren in de wereld, is het inzicht dat oordelen in de gebruikelijke zin onmogelijk is. […] Om iets correct te beoordelen, moet men zich ten volle bewust zijn van een onvoorstelbaar breed scala van zaken: uit verleden, heden en toekomst. Men zou van tevoren alle gevolgen van zijn oordeel moeten overzien ten aanzien van alles en iedereen daarbij op een of andere manier betrokken. En men zou er zeker van moeten zijn dat zijn waarneming niet vervormd is, zodat zijn oordeel volkomen rechtvaardig kan zijn tegenover ieder op wie dat nu en in de toekomst rust. Wie is in de positie dat te doen?” (H10.2:1;3:1,3-6). Het antwoord is overduidelijk: helemaal niemand.

Je zou hier natuurlijk tegenin kunnen brengen dat het onmogelijk is om in deze wereld van tijd en ruimte te leven zonder te oordelen. Niet alleen zou je de spreekwoordelijke voetveeg worden, maar je zou waarschijnlijk zelfs niet erg lang overleven. Met andere woorden, het opgeven van de ego-dynamiek zonder een alternatieve gids zou volstrekt hopeloos zijn. Gelukkig hebben we allemaal de keuze om een andere stem dan het ego te horen, dat wil zeggen de Heilige Geest, de Stem namens Liefde. Dat is in het algemeen niet een hoorbare stem. De Heilige Geest meldt zich meestal als een vredig gevoel, vanuit intuïtie, of wat ook wel genoemd wordt “Innerlijke Leraar”, of “Grote Geest”. Het goede nieuws is dat die Stem er altijd is, zodra we de keuze maken om even niet naar het ego-gebabbel te luisteren, en ons op de stilte richten die daar onder ligt. Zoals Jezus in hoofdstukken 12 en 28 zegt, in een combi-citaat dat Ken Wapnick vaak gebruikte: “Neem nu ontslag als je eigen leraar […] want je werd slecht onderwezen.” (T12.V.8:3; T28.I.7:1).

In hoofdstuk 27 van het Tekstboek vat Jezus dit als volgt samen: “Het geheim van verlossing is slechts dit: dat jij dit [d.w.z., al je ellende] jezelf aandoet.” (T27.VIII.10:1). Nogmaals, zonder een veel beter alternatief zou dit alleen maar tot depressie leiden. Daarom legt Jezus ons uit in werkboek 47: “God is je veiligheid in elke omstandigheid. Zijn Stem [d.w.z., de Heilige Geest] spreekt namens Hem in alle situaties en in elk aspect van alle situaties, en zegt je precies wat jou te doen staat om een beroep te doen op Zijn bescherming en Zijn kracht. Er zijn geen uitzonderingen, want God kent geen uitzonderingen.” (Wd1.47.3:1-3). En ook in het slothoofdstuk van het Tekstboek: “Je kiest altijd tussen jouw zwakheid en de kracht van Christus in jou. En wat je kiest is wat je voor werkelijk houdt. Door zwakheid eenvoudig nooit als leidraad voor je handelingen te gebruiken, heb je haar geen kracht gegeven. En het licht van Christus in jou heeft de leiding gekregen over alles wat jij doet.” (T31.VIII.2:3-6).

Een cursus in wonderen is een leerplan in het trainen van je denkgeest. Dus zodra je weer merkt dat je denkt “Ik weet het beter!”, zou je steeds wat sneller direct moeten beseffen dat dat alleen maar zal leiden tot teleurstelling, eenzaamheid en angst. In plaats daarvan zouden we juist de moed moeten vinden om een stapje terug te doen, te “vergeten wat we menen nodig te hebben” (LvG1.1.4:1) en de hulp van de Heilige Geest te vragen bij het loslaten van al onze oordelen (d.w.z. veroordelingen). Zoals Jezus ooit tegen Helen zei: “Je kunt niet vragen ‘Wat zal ik hem [d.w.z, een specifiek iemand] zeggen?’ en Gods antwoord horen. Vraag liever in plaats daarvan: ‘Help mij om mijn broeder te zien door de ogen van waarheid en niet die van veroordeling’, en God en al Zijn Engelen zullen jouw roep beantwoorden” (uit: Een leven geen geluk). Maak er een gewoonte van om uitsluitend dit te vragen. Wacht op de vredige intuïtieve impuls van de Heilige Geest. Vervolgens zul je automatisch het meest liefdevolle doen: “Als ze [deze impuls] waarachtig wordt benut, zal ze onvermijdelijk worden uitgedrukt op de manier die de ontvanger het meest zal helpen” (T2.IV.5:2). En hoewel het ego direct bezwaar zal maken, en ons waarschuwen dat dit ‘loslaten’ onvermijdelijk tot chaos zal leiden, zul je naderhand tot je verbazing bemerken dat de situatie inderdaad het beste uitpakte voor alle betrokkenen.

Een vaak gehoord bezwaar hierbij is dat dit allemaal wel erg leuk klinkt, maar dat het bijzonder moeilijk is om de Stem van de Heilige Geest überhaupt op te merken, omdat de denkgeest zo vol zit met gedachte-impulsen. Daarom nodigt Jezus ons (al tamelijk vroeg in het Werkboek) uit om de denkgeest te trainen regelmatig de stilte in te gaan, voorbij het gebabbel (nadat je het gebabbel hebt leren opmerken). Een goed voorbeeld van deze zeer belangrijke oefening vinden we in werkboekles 47: “Neem een minuut of twee om naar situaties in je leven te zoeken die jij met angst beladen hebt, en zet ze een voor een van je af door tegen jezelf te zeggen: “God is de kracht waarop ik vertrouw.” Probeer nu aan alle zorgen die verband houden met je eigen gevoel van ontoereikendheid te ontsnappen. Het is duidelijk dat elke situatie die jou zorgen baart, gepaard gaat met gevoelens van ontoereikendheid, want anders zou je geloven dat je de situatie met succes het hoofd kon bieden. Niet door op jezelf te vertrouwen zul je vertrouwen krijgen. Maar de kracht van God in jou slaagt in alles. […] Probeer in de laatste fase van de oefenperiode diep in je denkgeest een plek van ware veiligheid te bereiken. Je zult weten dat je die hebt bereikt als je een gevoel van diepe vrede ervaart, hoe kort ook. Laat alle onbenulligheden los die aan de oppervlakte van je denkgeest borrelen en kolken, en reik in de diepte daaronder naar het Koninkrijk der Hemelen. Er is een plaats in jou waar volmaakte vrede heerst” (Wd1.47.4:4-7:5). Een vuistregel (uit het boeddhisme) om deze training effectief te maken, is dat je deze minimaal 15 minuten, twee keer per dag doet. En merk dan je ego op dat direct klaagt dat dat te lang, te moeilijk of onmogelijk is. Probeer daarover mild te glimlachen, en neem jezelf voor juist deze oefening één van de belangrijkste onderdelen van je dagritme te maken. Elke dag weer. En zo besluit je voor jezelf: “Ik weet het niet beter; ik laat me liever leiden door de Stem namens Liefde.” En dat is de ‘koninklijke weg’ naar blijvende innerlijke vrede.

— Jan-Willem van Aalst, maart 2018 (vertaling van https://miraclesormurder.wordpress.com/2018/03/24/ill-do-it-my-way/)

Vooruit naar onze terugkeer

Een bijzonder raadselachtige uitspraak in Een cursus in wonderen is: “Wij zien de reis [van de tijd] slechts vanaf het punt waarop ze eindigde en kijken erop terug, terwijl we ons inbeelden dat we haar nog eens maken; en we zien mentaal opnieuw wat is voorbijgegaan.” (Wd1.158.4). Laten we in deze tijd waarin de wereld in angst en chaos lijkt weg te glijden eens kijken naar hoe de Cursus het fenomeen tijd beschrijft. Mocht je daar echt diep in willen duiken, dan raad ik aan om Kenneth Wapnicks “A vast illusion: time according to A Course in Miracles“, te lezen, verkrijgbaar in het Engels via http://www.facim.org. Voor je spirituele voortgang in Jezus’ leerplan van vergeving is het van belang dat je de betekenis van het begrip ‘tijd’ tot op zekere hoogte doorgrondt.

Zoals ik in vrijwel elke blog opmerk, is Een cursus in wonderen een strikt nondualistische spiritualiteit. Dat betekent dat, volgens de Cursus, uitsluitend God werkelijk is. God heeft geen vorm en staat buiten tijd en ruimte, en daarmee buiten ons zintuiglijk begrip. Bijgevolg is alles in onze dualistische wereld van waarneming, tijd en ruimte volstrekt illusoir, als in een droom. En de Cursus bedoelt dat niet alleen theoretisch. Als afgescheiden lichamen bestaan jij en ik in werkelijkheid helemaal niet, ook al zeggen onze zintuigen iets heel anders. In werkelijkheid is al het leven één collectieve geest, in de Cursus genaamd ‘De Zoon van God’, die zich nog steeds in het Hart van God [Liefde] bevindt, maar die lijkt te dromen over verbanning (T10.1.2:1). Deze droom is de mijmering van de Zoon over hoe het zou zijn om los te bestaan van God, en dat is de droom van tijd en ruimte. Het doel van Een cursus in wonderen als leerplan is om ons het verschil te doen beseffen tussen de ellende van het dualisme en de vrede en Liefde van het nondualisme. De Cursus wijst ons de weg naar het einde van de droom van tijd en ruimte, en dus het einde van je individualiteit. Als je liefst een spiritualiteit zoekt waarmee je je eigen zelfbeeld keurig in stand kunt houden maar dan zonder al je lijden, dan is Een cursus in wonderen niet jouw pad. En dat is niet erg; uiteindelijk leiden alle spirituele paden naar God [Liefde]; de Cursus is er maar één van. Maar wel één die veel tijd kan besparen.

Werkboekles 167 gaat in op de notie van slapen en waken, en hoe de tijd zelf feitelijk een droom is: “Wat het tegendeel van leven schijnt, is alleen in slaap. Wanneer de denkgeest besluit te zijn wat hij niet is, en verkiest een vreemde macht aan te nemen die hij niet heeft, een oneigen toestand waartoe hij niet komen kan, of een kunstmatige gesteldheid die binnen zijn Bron niet bestaat, lijkt hij slechts een poosje te gaan slapen. Hij droomt van de tijd: een interval waarin wat schijnt te gebeuren nooit heeft plaatsgevonden, de teweeggebrachte veranderingen geen substantie hebben en alle gebeurtenissen nergens zijn. Wanneer de denkgeest ontwaakt, gaat hij slechts voort zoals hij altijd is geweest.” (Wd1.167.9; mijn cursivering). Bedenk wel: dit ‘gaat hij slechts voort…’ gebeurt volledig buiten tijd en ruimte. Omdat ons brein de abstractie van nondualisme niet echt kan begrijpen, gebruikt Jezus hier het woord ‘gaat voort’ alsof er tijd zou zijn in de eeuwigheid, wat natuurlijk een contradictio in terminis is.

De Jezus die ons Een cursus in wonderen heeft gegeven, via Helen Schucman en Bill Thetford, beschrijft zichzelf als een manifestatie van de Heilige Geest (H6.1), oftewel de Stem namens Liefde. Deze manifestatie zouden we niet moeten verwarren met de Bijbelse Jezus, wiens persoonlijkheid is opgetekend door schriftgeleerden die nog door hun eigen ego naar hem keken. Ondanks hun ongetwijfeld goede bedoelingen, gaf dat toch een behoorlijk vertekend beeld. De Jezus van Een cursus in wonderen staat volledig buiten tijd en ruimte. Hij weet dus al precies hoe en wanneer de tijd zal eindigen. Sterker nog, Jezus verzekert ons dat toen hij ontwaakte uit de illusie van tijd en ruimte, wij met hem waren. Dus aan eenieder van ons die nog rotsvast gelooft dat wat er in het leven in onze tijd hier op aarde gebeurt erg belangrijk is, vertelt hij ons op milde toon: “Tijd is een kunstgreep, een goocheltoer, een immense illusie waarin figuren als bij toverslag komen en gaan. Toch zit er een plan achter alle verschijningsvormen dat niet verandert. Het draaiboek is geschreven. Wannéér ervaring een eind komt maken aan jouw twijfelen staat vast. Want wij zien de reis slechts vanaf het punt waarop ze eindigde en kijken erop terug, terwijl we ons inbeelden dat we haar nog eens maken; en we zien mentaal opnieuw wat is voorbijgegaan.” (Wd1.158.4).

Sommige Cursusstudenten interpreteren deze uitspraak als dat alles in de tijd al voorbestemd is, en het dus niets uitmaakt wat we denken, zeggen of doen. Dat is echter niet zo. Hoewel het waar is dat het wanneer en hoe van het einde van de tijd vaststaat, moeten we niet vergeten dat tijd niet lineair verloopt. Alles in de tijd gebeurt nu. We kunnen ons een enorme hoeveelheid tijd besparen door ware vergeving nu te beoefenen. Dit is het wonder, oftewel (a) het besef dat wij de dromer van de droom zijn, en (b) het besef dat het in elk moment aan onszelf is om óf voor angst óf voor liefde te kiezen. “Het wonder bekort de tijd door die samen te vouwen, met als gevolg dat bepaalde tijdsspannes daarbinnen verdwijnen. Het doet dit evenwel binnen het grotere verloop van tijd. […] De fundamentele beslissing van een wondergericht iemand is niet langer dan nodig de tijd te rekken. Tijd is een verspilling, en kan verspild worden. De wonderdoener aanvaardt daarom de factor tijdsbeheersing graag. Hij erkent dat iedere samenvouwing van de tijd iedereen dichter bij de uiteindelijke verlossing van de tijd brengt, waarin de Zoon en de Vader één zijn.” (T1.II.6; T1.V.2).

Het is misschien moeilijk te begrijpen dat Jezus ons vertelt dat het enige nut van de tijd is om de noodzaak voor nog meer tijd ongedaan te maken (T5.VI.12). De duidelijkste verklaring hiervoor vinden we wellicht in hoofdstuk 26 van het Tekstboek, waarin hij onze linaire “horizontale” begrip van tijd vergelijkt met zijn holografische “verticale” begrip van tijd: “Elke dag, en iedere minuut van elke dag, en elk ogenblik dat iedere minuut bevat, herbeleef je slechts het ene ogenblik waarop de tijd van verschrikking de plaats van de liefde innam.” (T26.V.13:1). Met andere woorden: alles dat ooit is gebeurd in de tijd, en alles wat nog zal gebeuren in de tijd gebeurt nu, in elk geval vanuit Jezus’ perspectief van buiten de droom van tijd en ruimte: “[…] nu is de dichtst mogelijke benadering van de eeuwigheid die deze wereld biedt. In de werkelijkheid van het ‘nu’, zonder verleden of toekomst, begint het besef van de eeuwigheid. Want alleen ‘nu’ is hier, en alleen ‘nu’ biedt de gelegenheid voor de heilige ontmoetingen waarin verlossing kan worden gevonden.” (T13.IV.7). Dus onze voortdurende focus op het verleden en de toekomst leidt ons enorm af van de enige keuze die we hebben om de noodzaak voor nog meer tijd te verkorten: vergeving, nú. Maar aangezien dat uiteindelijk het einde van het ego zou betekenen, houden we onszelf steeds bezig in de tijd met trivialiteiten, om deze keuze maar zo lang mogelijk uit te stellen.

“De Verzoening is het middel waarmee je jezelf van het verleden kunt bevrijden terwijl je voorwaarts gaat. Ze maakt je vroegere vergissingen ongedaan en maakt het aldus voor jou onnodig steeds weer op je schreden terug te keren zonder dichter bij je terugkomst te komen.” (T2.II.6). Dit is zo omdat naarmate we consequenter vergeving leren toe te passen in onze dagen hier (wat het wonder is), we feitelijk teruggaan naar dat ontologische oorspronkelijke begin van de tijd, net vóór de Oerknal, waarmee de droom van tijd en ruimte begon: “Evolutie is een proces waarin je van het ene naar het volgende niveau lijkt voort te gaan. Je corrigeert je eerdere misstappen door stappen vooruit te doen. Dit proces is in temporele zin eigenlijk onbegrijpelijk, omdat je terugkeert en tegelijkertijd vooruitgaat.” (T2.II.6).

“In die zin bespaart de Verzoening tijd, maar heft die, net als het wonder dat ze dient, niet op. Zolang Verzoening nodig is, is er tijd nodig. Maar de Verzoening heeft als voltooid plan een unieke relatie tot de tijd. Tot het moment waarop de Verzoening is voltooid, zullen de verschillende fasen ervan in de tijd verlopen, maar de totale Verzoening staat aan het eind van de tijd. Dan is de brug van terugkeer gebouwd.” (T2.II.6). Dus de hoeveelheid tijd die we nog nodig hebben voordat we ontwaken uit de droom hangt af van wie we als gids voor ons denken kiezen: ofwel het ego (dat voor meer tijd zal zorgen), ofwel de Heilige Geest, die buiten de tijd staat met ons ware Zelf, en die geduldig wacht totdat we de juiste keuze maken. Daarom kan het consequent beoefenen van vergeving ons wel “duizend jaar besparen” (Wd1.97.3), dat wil zeggen: vele reïncarnaties in lichamen in de tijd en ruimte.

De tijd is dus inderdaad een “een truc, een goocheltoer, een immense illusie” — een onjuist concept dat wij verzonnen: de droom van tijd en ruimte, bedoeld om ons te kunnen verstoppen voor een ingebeelde wraakzuchtige God. Deze zotte droom kunnen we beëindigen door voor het wonder te kiezen, ofwel vergeving. “Tijd en eeuwigheid bevinden zich beide in je denkgeest, en zullen conflicteren totdat je ziet dat de tijd louter een middel is om de eeuwigheid te hervinden. […] Leer dat de tijd tot jouw beschikking staat, en dat niets ter wereld jou deze verantwoordelijkheid kan ontnemen” (T22.II.10:2). Gelukkig! Wij zijn geen slaaf van de tijd, ondanks wat onze waarneming van alle verval in de tijd ons vertelt: “De tijd zelf is jouw keuze. Als jij je de eeuwigheid wilt herinneren, dien je alleen oog te hebben voor het eeuwige.” (T10.V.14:3).

Hoe leren we om alleen oog te hebben voor het eeuwige? Door alle veroordeling op te geven; door het “gelaat van Christus” van pure onschuld in iedereen te zien; door geen enkel schijnbaar conflict meer de macht te geven je vrede te verstoren. We delen immers allemaal hetzelfde hoogste belang, namelijk: het terugkeren naar eeuwige Liefde, Eenheid, God, onze Schepper. Een cursus in wonderen helpt ons om die fundamentele keuze helder voor ogen te krijgen en houden: “Als jij jezelf veroorlooft totaal door het tijdelijke in beslag te worden genomen, leef je in de tijd. Zoals steeds wordt jouw keuze bepaald door wat jij waarde toekent. Tijd en eeuwigheid kunnen niet beide werkelijk zijn, want ze zijn met elkaar in tegenspraak. Als je alleen het tijdloze als werkelijk aanvaardt, zul je de eeuwigheid beginnen te verstaan en je die eigen maken. […] De tijd lijkt in één richting te verlopen, maar wanneer je zijn eind bereikt, zal hij zich oprollen als een lange loper, achter je uitgerold over het verleden, en verdwijnen. Zolang je gelooft dat de Zoon van God schuldig is, zul je over deze loper lopen, overtuigd dat hij leidt naar de dood. En de reis zal lang, bar en zinloos lijken, want dat is ze ook.” (T10.V.14:6-9; T13.I.3:5-6).

Zodra we in vreugde en dankbaarheid de leiding van de Heilige Geest aanvaarden, kunnen we ons veroorloven om geduldig vertrouwen te hebben in de goede afloop. De keuze voor een wonder levert direct genezende resultaten op, zowel voor jezelf als voor allerlei zielen die je wellicht nog nooit hebt ontmoet, allemaal volgens het ‘plan’ van de Heilige Geest: “Wat jij nu moet leren is: alleen oneindig geduld sorteert onmiddellijk effect. Op deze manier wordt de tijd voor de eeuwigheid verruild. Oneindig geduld roept oneindige liefde op [door het aanvaarden van het wonder] en door nu resultaat op te leveren maakt het de tijd overbodig.” (T5.VI.12).

Ter afsluiting: zolang we nog geloven dat we een lichaam zijn, afgescheiden van alle andere lichamen, elk met eigen belangen, elk met eigen angsten, maken we voor onszelf meer tijd om de Verzoening op een afstandje te houden. Maar dat is onze eigen keuze, en die kunnen we veranderen. Zodra we van gids veranderen, omdat “we slecht onderwezen werden” (T28.I.7:1), beseffen we dat we allemaal hetzelfde hoogste belang hebben, en allemaal even onschuldig zijn: “Wanneer je de heilige metgezellen ziet die met jou meereizen, zul je beseffen dat er geen reis is, maar alleen een ontwaken.” (T13.I.7:1). Daarom is het voltooien van het leerplan van Een cursus in wonderen een “reis zonder afstand naar een doel dat nooit veranderd is” (T8.VI.9). “Wat God voor jou gewild heeft is van jou. Hij heeft Zijn Wil geschonken aan Zijn schat, wiens schat dit is. Jouw hart is waar jouw schat is, evenals het Zijne. Jij die door God bemind bent, bent volkomen gezegend. Leer dit van mij, en bevrijd de heilige wil van al degenen die even gezegend zijn als jij.” (T8.VI.10).

— Jan-Willem van Aalst, maart 2018 (vertaling van https://miraclesormurder.wordpress.com/2018/03/10/advancing-to-our-return/)

Ik heilig, jij heilig, iedereen heilig?

In het werkboek voor studenten van Een cursus in wonderen zien we vanaf les 36 het thema van onze heiligheid besproken worden, als in “Mijn heiligheid omsluit al wat ik zie”; “Mijn heiligheid zegent de wereld”; “Er is niets wat mijn heiligheid niet kan”; en zelfs “Mijn heiligheid is mijn verlossing.” (WdI.36-39). Dit is niet hoe we onszelf in het algemeen zien. Als we heel eerlijk naar binnen kijken, zien we vooral “onzekerheid, eenzaamheid, en voortdurende angst” (T31.VIII.7:1). Zoals Jezus vaak uitlegt in zijn Cursus, komt dit omdat we een gespleten denkgeest hebben: enerzijds voelen we ons verschrikkelijk schuldig over de afscheiding en dus Gods Liefde niet waardig; anderzijds weten we allemaal diep vanbinnen wel dat we allemaal in dezelfde Geest verbonden zijn. Hoe past de notie van onze heiligheid daar in?

Deze gespletenheid wordt in Een cursus in wonderen vaak gekarakteriseerd als het verschil tussen onjuist-gericht denken (wanneer onze gedachten geleid worden door het ego, de stem namens afscheiding) en juist-gericht denken (wanneer onze gedachten geleid worden door de Heilige Geest, de stem namens Liefde). Een belangrijk doel van deze lessen is om onszelf te trainen in het mild en oordeelloos aanschouwen (observeren) van onze onjuist-gerichte, of onheilige gedachten. Jezus wil dat jij en ik gaan beseffen hoe vaak we op een dag niet kiezen voor juist-gericht denken, dat wil zeggen: de oorzaak van alles wat we negatief vinden buiten onszelf zoeken. Dat is natuurlijk slechts een projectie van onze eigen ingebeelde waardeloosheid: “Verdoeming is jouw oordeel over jezelf, en dit zul jij op de wereld projecteren. Zie haar als verdoemd, en het enige wat je ziet is wat jij gedaan hebt om de Zoon van God te pijnigen. Als je onheil en rampspoed ziet, heb je geprobeerd hem te kruisigen. Als je heiligheid en hoop ziet, heb jij je met Gods Wil verbonden om hem te bevrijden” (T21.in.2:1-4).

Zolang jij en ik nog geloven dat we als afgescheiden lichaam in een wereld van afgescheidenheid leven, zitten we vast in onjuist-gericht denken. Dat wil zeggen, we denken dat we gezondigd hebben tegen onze Schepper (door op onszelf te willen zijn, losgerukt uit de Eenheid). Daar voelen we ons enorm schuldig over, wat leidt tot de doodsangst om zwaar bestraft te worden. En dus verstoppen we ons in een gefragmenteerde wereld van afgescheidenheid, hopend tegen beter weten in dat God ons niet zal vinden om zijn wraak uit te voeren, wat hopeloos is omdat we één ding zeker weten: we gaan een keer dood. Hoewel veel van deze angst onbewust is, is dit wel degelijk de vloek die wij over onszelf in stand houden. Dat is de reden dat iedereen zich “onzeker, eenzaam en voortdurend angstig” voelt. Deze vroege werkboeklessen nodigen ons dus uit om een heel andere manier van denken te verkennen, wat in de tekst visie wordt genoemd (bijv. T-12.VI). Juist-gericht denken betekent dat we inzien dat het “nietig, dwaas idee” (T27.VIII.6) een lachwekkende onwaarheid is. De waarheid is dat wij, als Zoon van God, niet hebben gezondigd. God is niet woest. Wij zijn niet ons lichaam. De wereld die we waarnemen is slechts een nare droom. De werkelijkheid van alles en iedereen is pure geest, ondanks wat onze zintuigen aan onze hersenen rapporteren.

Het idee van onze heiligheid heeft dan ook niets van doen met het lichaam of de materiële wereld om ons heen. Het duidt op ons vermogen om juist-gericht te denken; of preciezer gezegd: het vermogen van de keuzemaker in onze denkgeest om daarvoor te kiezen. Wanneer ik daadwerkelijk kies voor de heiligheid van mijn juist-gerichte gedachten, verandert mijn waarneming en interpretatie van de wereld onvermijdelijk ook. Vergeet niet dat de metafysica van Een cursus in wonderen stelt dat de wereld die we aanschouwen louter een projectie is van de gedachten die mijn denkgeest kiest. Zo binnen, zo buiten. Dus wanneer ik mezelf als heilig zie, dan moet jij dat ook zijn, en met jou iedereen, omdat heiligheid een kenmerk is van geest. En we zijn allen manifestaties van dezelfde ene Geest. In hoeverre we daadwerkelijk kiezen voor juist-gericht denken kunnen we zien door naar onze relaties te kijken: “Verlossing is een gezamenlijke onderneming” (T4.VI.8:2); “De ark van vrede wordt twee aan twee betreden” (T20.IV.6:5), en natuurlijk het vaak aangehaalde citaat “jij en hij zullen in vertrouwen jullie ogen samen opslaan, of helemaal niet” (T19.IV-D.12:8).

Dat betekent overigens niet dat ik zoveel mogelijk mensen zou moeten proberen te bekeren. Aangezien onze waarneming (interpretatie) van de wereld een gevolg is van onze keuze voor juist of onjuist-gericht denken, hoeven we onze heiligheid niet te demonstreren in uiterlijk gedrag. Zoals Jezus zegt in werkboekles 37: “Jouw heiligheid is de verlossing van de wereld. Ze laat je de wereld onderwijzen dat ze één met je is, niet door tegen haar te preken, noch door haar iets te vertellen, maar gewoon door jouw stille inzicht dat in jouw heiligheid alle dingen samen met jou gezegend zijn.” (W-pI.37.3:1-2). Dat is een ontnuchterende gedachte. Zoals Kenneth Wapnick vaak benadrukte: we hoeven niet de wereld te redden. We hoeven niet van de wereld gered te worden. We moeten slechts onze eigen denkgeest ‘redden’ van onze vergissing om in een afgescheiden wereld te geloven. We hoeven niets uiterlijks te doen om andere mensen van hun ellende te verlossen: “Bekommer je niet om de uitbreiding van heiligheid, want het wezen van wonderen begrijp je niet.” (T16.II.1:3); “Vergeving uitbreiden is de functie van de Heilige Geest. Laat dat aan Hem over. Laat het alleen jouw zorg zijn Hem te geven wat kan worden uitgebreid.” (T22.VI.9:2-4). “Laat de overdracht van wat jij leert dan ook over aan Degene die de wetten daarvan werkelijk begrijpt en die zal garanderen dat ze ongeschonden en onbeperkt blijven. Jouw aandeel bestaat er slechts in wat Hij jou heeft geleerd toe te passen op jezelf, en Hij zal de rest doen” (T27.V.10:1-2.

Dus wanneer Jezus in werkboekles 38 zegt dat er “niets is dat mijn heiligheid niet kan doen”, dan heeft hij het niet over het genezen van de zieken, het vinden van een parkeerplek, of het verplaatsen van een berg. Jezus verwijst naar het vermogen van de denkgeest (de keuzemaker) om een wonder beschikbaar te stellen aan de Heilige Geest (een wonder is de keuze voor Liefde, het einde van veroordeling). Die neemt dat geschenk graag aan en gebruikt dit op de best mogelijke manier in de collectieve denkgeest van de slapende Zoon van God: “Jouw heiligheid is in haar macht volkomen onbegrensd, omdat ze jou bekrachtigt als Zoon van God, één met de Denkgeest van zijn Schepper. Door jouw heiligheid wordt de macht van God gemanifesteerd. Door jouw heiligheid wordt de macht van God beschikbaar. En er is niets wat de macht van God niet vermag. Jouw heiligheid kan daarom alle pijn wegnemen, alle leed beëindigen en alle problemen oplossen. Ze kan dit doen met betrekking tot jezelf en ieder ander.” (Wd1.38.1:3-2:5).

Voor onze lineair geprogrammeerde hersenen is dit volstrekte nonsens. Hoe zou ik ooit alle pijn die ik on me heen zie kunnen genezen, louter door me mijn Identiteit als geest (Liefde) weer te herinneren en al mijn eigen veroordelende gedachten te vergeven? Dit werkt omdat de Heilige Geest, de Stem namens Liefde, als verbinding fungeert tussen nondualisme (werkelijkheid) en de dualistische droomwereld van tijd en ruimte. De Heilige Geest is niet gebonden aan beperkingen als tijd, ruimte, afstand, of wat voor begrenzing dan ook. We zouden altijd in gedachten moeten houden dat een wonder, dat wil zeggen de bewuste keuze voor Liefde en vergeving, helende effecten kan hebben op plekken in de wereld waar jij en ik nog nooit geweest zijn. Zowel tijd en ruimte zijn irrelevant voor het wonder. Maar er wordt, nogmaals, niet van ons verlangd dat wij dit begrijpen; alleen al het “Hem geven wat kan worden uitgebreid” (d.w.z., een liefdevolle vergevende gedachte) volstaat, en vat onze belangrijkste functie samen hier in deze denkbeeldige wereld van tijd en ruimte. En we zijn heilig omdat het ons gegeven is deze keuze te kunnen maken.

Als dit alles nou ontzettend vaag overkomt, weet dan dat het goede nieuws is dat jij en ik dit kunnen oefenen in zeer praktische situaties van dag tot dag. Wees simpelweg alert op elke negatieve gedachte die in je opkomt: “Specifieke situaties, gebeurtenissen of personen die jij associeert met allerlei liefdeloze gedachten, zijn geschikte onderwerpen voor de oefeningen van vandaag. Het is voor jouw verlossing noodzakelijk dat jij ze anders gaat zien. […] Het is van groot belang het idee [van vergeving] te gebruiken wanneer iemand een vijandige reactie in jou lijkt op te roepen. Schenk hem onmiddellijk de zegen van jouw heiligheid, zodat jij leert die in je eigen bewustzijn te bewaren.” (Wd1.39.7; Wd1.37.6:3-4). Dat laatste is erg belangrijk. Je kunt heiligheid alleen delen als je voelt dat je die zelf hebt: “Hoe zou jij, aan wie jouw heiligheid toebehoort, er dan van uitgesloten kunnen zijn? God kent geen onheiligheid. Kan het zijn dat Hij Zijn Zoon niet kent? […] Jouw heiligheid betekent het einde van schuld, en daarmee van de hel.” (W39.4:2-6).

Mijn liefdeloze gedachten over wie of wat dan ook (allemaal uiteindelijk over mezelf) houden mijzelf in de hel. Mijn heiligheid betekent dat ik een andere keuze kan maken: de keuze voor visie; de keuze om te vergeven; de keuze om de hel te beëindigen waar we nog allemaal in denken te leven. Deze keuze is in werkelijkheid de meest natuurlijke om te maken, maar vaak voelt dat niet echt zo. Om “waakzaam te zijn louter voor God en Zijn Koninkrijk” (T6.V-C) vergt discipline, aanhoudende aandacht en volhardende ijver. Daarom is het, om een bekend citaat nog maar eens aan te halen, “niet jouw taak op zoek te gaan naar liefde, maar enkel in jezelf alle hindernissen te zoeken die jij ertegen opgeworpen hebt, en die te vinden.” (T16.IV.6:1). Dat klinkt als hard werken, en dat is het ook. Maar de beloning is dan ook fantastisch: “Vrede; geluk; een kalme denkgeest; doelgerichtheid en een gevoel van waarde en schoonheid dat de wereld overstijgt; zorg en geborgenheid en de warmte van een veilige bescherming, voor altijd; een kalmte die niet kan worden verstoord, een zachtmoedigheid die nooit kan worden gekwetst; een diepe, blijvende troost, en een rust zo volmaakt dat die nooit kan worden geschonden.” (Wd1.122.1:2-6). Als dat niet motiveert! Veel inspiratie gewenst!

— Jan-Willem van Aalst, maart 2018 (vertaling van https://miraclesormurder.wordpress.com/2018/03/04/holy-me-holy-you-holy-all/)

Lezen dat je niet je lichaam bent

Een cursus in wonderen is een leerplan voor gedachtentraining, met als doel om je denken te richten op de ervaring van blijvende innerlijke vrede. Jezus, als bron van de Cursus, staat voor de formidabele taak om de lezer, die nog meent dat hij een lichaam is die een boek vasthoudt, er van te overtuigen dat je niet je lichaam bent; sterker, dat de materiële wereld om ons heen in werkelijkheid niet bestaat (WdI.132.6:2), en dat alles wat we waarnemen niet echter is dan wat we in onze nachtelijke dromen meemaken. Dit is één van de redenen dat Jezus zoveel symbolisme en poëtische beeldspraak gebruikt in zijn Cursus, want een boodschap die zó radicaal is laat zich niet in rationele wetenschappelijke termen vatten. Onze wetenschap is immers gestoeld op de basis-aanname dat tijd en ruimte echt zijn, en dat wij de wereld kunnen begrijpen en beïnvloeden door te bekijken wat goed doordachte experimenten in die wereld opleveren. Maar Jezus legt juist uit dat wij niet uit materie bestaan, maar uit pure geest, die in werkelijkheid nog steeds Thuis is in het Hart van God (synoniem met Liefde). De materiële wereld is louter een nachtmerrie, waaruit we heel goed in staat zijn om te ontwaken. Kortom, Jezus probeert een nondualistische boodschap over te brengen op een dualistisch lezerspubliek dat zich nog steeds innig identificeert met een lichaam in tijd en ruimte, bewust of onbewust. Hoe gaat hij daar in slagen?

In Hoofdstuk 18 van het Tekstboek stelt Jezus ons de vraag: “Kun jij die jezelf in een lichaam ziet jezelf kennen als een idee? Alles wat jij ziet vereenzelvig je met uiterlijkheden, met iets buiten zichzelf. Je kunt niet eens denken aan God zonder een lichaam, of in een of andere vorm die je denkt te herkennen.” (T18.VIII.1:5-7). Laat dat eens even binnenkomen! In het daaropvolgende hoofdstuk vat Jezus de inherente onwerkelijkheid van het fysieke lichaam samen: “Het lichaam sterft evenmin als het kan voelen. Het doet niets. Van zichzelf is het noch vergankelijk, noch onvergankelijk. Het is niets.” (T19.IV-C.5:2-5). Om ons er verder van te overtuigen dat wij heel goed zonder ons lijf kunnen bestaan, vertelt hij over zijn eigen leerproces: “Ik was een mens die zich de geest en de kennis van de geest herinnerde.” (T3-IV.7:3); en in de Verklaring van Termen gaat hij daar verder op in, verwijzend naar zichzelf: “De naam Jezus is de naam van iemand die mens was, maar in al zijn broeders het gelaat van Christus zag, en zich God herinnerde. Zo werd hij met Christus vereenzelvigd, een mens niet langer, maar één met God. De mens was een illusie, want hij leek een afgescheiden wezen te zijn, op zichzelf staand, in een lichaam dat zijn zelf leek weg te houden van het Zelf, wat alle illusies doen. […]. Door zijn volledige vereenzelviging met de Christus – de volmaakte Zoon van God – […] werd Jezus wat jullie allen zijn. Hij ging jou voor, zodat je hem kunt volgen.” (VvT-5.2:1-3:2).

Nogmaals, het moeilijke hieraan is dat het een nondualistische boodschap is, gericht aan lezers voor wie dualiteit nog steeds de dagelijkse ervaring is. Om die dualiteit in één keer op te geven voor iets wat volslagen onbekend is, kan nogal beangstigend zijn, om het zacht uit te drukken. Jezus beseft dit terdege, en daarom is zijn onderricht altijd mild en geduldig. Nergens beveelt Jezus ons om ons diep gekoesterde lichaam op te geven: “Toch is het haast onmogelijk zijn bestaan in deze wereld te ontkennen. Wie dit doet, begaat een bijzonder onwaardige vorm van ontkenning. […] Het lichaam kan alleen verkeerd handelen wanneer het gehoor geeft aan verkeerd denken.” (T2.IV.3:10-11; 2:5). Het is zelfs zo dat de Heilige Geest, waar Jezus als de auteur van deze Cursus één manifestatie van is, het concept van het fysieke lichaam kan gebruiken om het ego van alle kracht te ontdoen, door de uitweg uit de nachtmerrie te illustreren: “Het lichaam werd niet door liefde gemaakt. Toch veroordeelt de Liefde het niet en kan ze het liefdevol gebruiken, omdat ze respect heeft voor wat de Zoon van God heeft gemaakt en dit aanwendt om hem van illusies te verlossen.” (T18.VI.4:7-8). Dus het lichaam wordt niet afgedaan als iets negatiefs, zoals in zoveel andere spiritualiteiten wel gebeurt. Het lichaam kan een nuttig leermiddel zijn om de Liefdeslessen van de Heilige Geest te leren (T6.V).

Er is slechts één Leraar van God nodig om de wereld te verlossen (H-12), namelijk jijzelf. Je doet dit door de vele andere lichamen die je lijkt te ontmoeten te herinneren aan het Alternatief wat hun denkgeest kan kiezen: de keuze voor Liefde. Lichamen zijn gescheiden, maar denkgeesten zijn verbonden: “Waarom is de illusie dat er velen zijn noodzakelijk? Alleen omdat de werkelijkheid voor hen die in waan verkeren niet te begrijpen is. Slechts zeer weinigen kunnen Gods Stem überhaupt horen […] Ze hebben een hulpmiddel nodig waardoor communicatie mogelijk wordt met degenen die niet beseffen dat ze geest zijn. Een lichaam kunnen ze zien. Een stem verstaan ze en daarnaar luisteren ze, zonder de angst waarop de waarheid in hen zou stuiten. Vergeet niet dat de waarheid alleen daar kan komen waar ze zonder angst verwelkomd wordt. Daarom hebben Gods leraren een lichaam nodig, want hun eenheid kan niet rechtstreeks worden herkend.” (H-12.3). Zo gebruikt Jezus dualiteit om zijn boodschap van nondualiteit te brengen: “Deze cursus blijft binnen het kader van het ego, waar hij nodig is. Hij houdt zich niet bezig met wat voorbij alle dwaling ligt, omdat hij alleen ontworpen is om de richting daarnaar aan te geven.” (VvT.in.3:1-2).

Nergens dwingt Jezus zijn studenten hun lichaam om te geven voordat zijn boodschap over nondualisme zonder angst kan worden aanvaard. Hij richt zich altijd op de denkgeest, die uiteindelijk de oorzaak is van het lichaam; daarom is dit een Cursus in gedachtentraining. En denkgeesten zijn verbonden. Zodra de collectieve denkgeest is genezen, wordt aan het lichaam geen enkele waarde meer toegekend, en zal het simpelweg verdwijnen omdat het simpelweg wordt vergeten; samen met alles in tijd en ruimte (daarom heet het eerste boek van Gary Renard “De verdwijning van het universum”). Maar zover zijn we nog niet: “We leggen nu de nadruk op genezing. Het wonder [van vergeving] is het middel, de Verzoening is het beginsel, en genezing [d.w.z., terugkeer naar nondualiteit] is het resultaat.” (T2.IV.1:1-2; mijn cursivering).

Ware verlossing, ofwel het aanvaarden van de Verzoening, is derhalve een langzaam leerproces binnen de dualistische droom van tijd en ruimte, en dit is precies wat we nodig hebben om onze angst voor het verlies van onze individualiteit en autonomie te kunnen laten varen, hoe illusoir die ook zijn: “Vrees niet dat je opeens zult worden opgetild en de werkelijkheid in geslingerd. De tijd is mild, en als je hem ten behoeve van de werkelijkheid benut zal hij bij jouw overgang zachtjes gelijke tred met je houden.” (T16.VI.8:1). In Hoofdstuk 27 licht Jezus dit verder toe: “Zo beangstigend is de droom, en zo schijnbaar werkelijk, dat hij [d.w.z. de slapende Zoon, wij allen dus] niet zonder angstzweet en een doodskreet tot de werkelijkheid zou kunnen ontwaken, als niet een vriendelijker droom zijn ontwaken voorafging en ervoor zorgde dat zijn gekalmeerde denkgeest de Stem verwelkomde en niet vreesde, die met liefde roept om hem te doen ontwaken; een vriendelijker droom waarin zijn lijden is genezen en zijn broeder zijn vriend is. God heeft gewild dat hij zachtjes en van vreugde vervuld wakker wordt, en hem het middel geschonken om zonder angst te ontwaken.” (T27.VII.13:4-5).

Bedenk wel dat, telkens wanneer je met de Cursus bezig bent, het niet zo is dat Jezus ons een “prettiger” leven belooft om als individu in de dualistische wereld van tijd en ruimte te kunnen blijven, zoals we bij veel andere spiritualiteiten zien. Een cursus in wonderen is compromisloos waar het gaat om het metafysische fundament: blijvende innerlijke vrede kan nooit gevonden worden in een lichaam in de dualistische droom van tijd en ruimte. Jezus bezigt poëtisch dualistisch taalgebruik louter om onze denkgeest te helpen het verschil tussen dualiteit (het ego) en nondualiteit (God; Eenheidsliefde) helder te krijgen. Het is daarbij een grote troost te lezen dat verlossing per definitie vaststaat. Dat wil zeggen, iedereen zal vroeg of laat het lichaam achter zich laten, niet uit spijt maar met een zucht van verlichting: “Het draaiboek is geschreven. Wannéér ervaring een eind komt maken aan jouw twijfelen staat vast. Want wij zien de reis slechts vanaf het punt waarop ze eindigde en kijken erop terug, terwijl we ons inbeelden dat we haar nog eens maken; en we zien mentaal opnieuw wat is voorbijgegaan.” (Wd1.158.4:3-5).

Dus steeds wanneer je met dat blauwe boek van Jezus’ leerplan bezig bent, probeer je dan gewaar te zijn van de nondualistische boodschap die achter poëtische dualistische woorden schuil gaat. Aanvaard voor nu dat je jezelf nog steeds innig met je lichaam identificeert; je hoeft je daar niet schuldig om te voelen. Maar door Jezus’ aanwijzingen in de tekst te volgen en de dagelijkse werkboeklessen te oefenen, train je de denkgeest om jezelf steeds meer als vormloze geest te zien; het abstracte, eeuwige Licht van Liefde wat wij allemaal zijn: de Ene Zoon van God die in werkelijkheid nooit Zijn Thuis in het Hart van God heeft verlaten. Zonde bestaat niet. Onze Vader houdt van Zijn Zoon “en Hij wil niets anders” (T8.VI.4:4). Wijs je lichaam niet af, maar laat het steeds iets meer naar de achtergrond opschuiven. Breng tegelijkertijd het Licht van Eenheid steeds wat meer naar de voorgrond. Je zult merken dat dit de hele wereld om je heen doet oplichten, want jouw ervaring van de wereld weerspiegelt slechts de staat van je denken.

We besluiten met een passage uit de prachtige werkboekles 190: “Mijn heilige broeder, denk eens een moment hieraan: de wereld die jij ziet doet niets. Ze heeft absoluut geen gevolgen. Ze is slechts de weergave van jouw gedachten. En ze zal volkomen veranderen zodra jij besluit je denken te veranderen en jij de vreugde van God kiest als wat jij werkelijk verlangt. […] Leg je wapens neer en ga zonder verdediging de stille plaats binnen waar de hemelse vrede alles tenslotte in stilte bewaart. Leg alle gedachten aan gevaar en angst af. Laat geen aanval met jou mee naar binnen gaan. Leg het wrede zwaard des oordeels neer dat je tegen je eigen keel houdt, en stop de vernietigende aanslagen waarmee jij je heiligheid probeert te verbergen. Hier zul je inzien dat er geen pijn is. Hier behoort de vreugde van God jou toe.” (Wd1.190.6:1-4; 9:1-10:2).

— Jan-Willem van Aalst, maart 2018 (vertaling van https://miraclesormurder.wordpress.com/2018/02/25/the-body-that-reads-hes-not-a-body/)

Welke dromen willen we?

In werkboeklessen 31 en 32 in Een cursus in wonderen lezen we dat wij niet het slachtoffer zijn van de wereld die we zien, omdat wij de wereld zelf bedacht hebben (Wd1.32.1:2). Waarop Jezus direct vervolgt: “Je kunt haar even gemakkelijk opgeven als je haar gemaakt hebt. Je zult haar zien of niet zien, al naar je wenst.” (Wd1.32.1:3-4). Dit klinkt op z’n zachtst gezegd nogal vreemd, zelfs beledigend. Heb ik alle ellende bedacht die ik op het journaal zie? Heb ik de ziektes gemaakt die ik bij de dierbaren om mij heen zie toeslaan? Heb ik alles gemaakt wat zo mis lijkt te gaan in mijn leven? Waar heeft Jezus het over?

In deze vroege werkboeklessen introduceert Jezus op een subtiele manier de metafysica van Een cursus in wonderen. De strikt nondualistische essentie van de Cursus is erg radicaal en compromisloos. Het vereist een zorgvuldige kennismaking ermee, willen we ooit bereid worden die te aanvaarden. Want waar hebben we het over: volgens de Cursus is de wereld waarin jij en ik lijken te leven, net zo goed een droom als onze nachtelijke dromen. Als we ’s ochtends wakker worden, dan worden we wakker in de ‘waakdroom’, die net zo illusoir is als onze nachtelijke dromen. Tijd en ruimte zélf zijn niet echt. Het lichaam werd louter gemaakt om een leven binnen tijd en ruimte te kunnen ervaren; het kan er niet aan voorbij gaan. Onze werkelijke essentie is niet een lichaam, maar geest, buiten tijd en ruimte. Lichamen zijn vorm; geest is inhoud. Een lichaam bestaat even, maar de geest is eeuwig. Alle miljarden lichamen (fauna, flora en mineraal) die hier lijken te bestaan komen allemaal voort uit dezelfde inhoud: geest.

Voor iedereen die zichzelf hier in een afgescheiden lichaam ervaart lijkt deze hele redenatie klinkklare nonsens, in elk geval zolang we geloven dat onze zintuigen ons de waarheid tonen. Maar is dat wel de waarheid? Kwantumfysici stellen al een poos dat zowel tijd en ruimte uiteindelijk denkbeeldig zijn. Door de meeste wetenschappers wordt dit echter nog steeds goeddeels genegeerd; dit aanvaarden zou betekenen dat een eeuw wetenschappelijke inzichten overboord gegooid kan worden, en dat is te pijnlijk; bovendien lijkt de kwantumfysica weinig praktische betekenis te hebben voor ons dagelijks leven. Maar volgens Jezus in Een cursus in wonderen is de werkelijke reden van het onze weerstand hiertegen weigeren op te geven, dat we deze wereld niet willen opgeven; dat zou namelijk het einde betekenen van onze waargenomen afgescheiden autonomie, het ‘zelfje’ dat jij en ik denken te zijn.

Nogmaals, vanuit een metafysisch, nondualistisch oogpunt is de oorzaak van de wereld het “nietig, dwaas idee” (T27.VIII.6:2) van de wens om op onszelf te zijn, afgescheiden van de Eenheidsliefde die God is. Wij allen samen, als Christus, de Ene Zoon van God, zijn het effect van die Liefde. Het “nietig, dwaas idee” is de kwantummogelijkheid dat de Zoon van God zich inbeeldt dat hij niet een effect is, maar zelf schepper; op zichzelf, los van zijn eigen Schepper. In die kwantummogelijkheid is bewustzijn geboren, en dus het ego. Het ego is geen wezen op zichzelf. Het ego is slechts het denksysteem van afscheiding, van individualiteit, en dus van de aanval op Eenheid. En in die kwantummogelijkheid neemt de Zoon van God dat denksysteem serieus. Zodra de Zoon zich echter realiseert dat de Eenheid daarmee verbroken is, wordt zijn denkgeest overspoeld met schuldgevoel. Om aan de ingebeelde straf van zijn eigen Schepper te ontkomen, volgde de Zoon het advies van het ego op om zich te verstoppen in verdere fragmentatie van zichzelf. Dit veroorzaakte de Oerknal, en het begin van de droom van tijd en ruimte, die nu al zo’n veertien miljard jaar lijkt te duren.

Dus wanneer Jezus ons vertelt dat wij de wereld die wij zien zelf hebben bedacht, dan bedoelt hij dat letterlijk. Elke afgescheiden vorm die jij en ik om ons heen ervaren, is slechts een deel van de ‘waakdroom’ die we hebben bedacht om de straf van God te kunnen ontlopen, terwijl we wél autonoom kunnen blijven. Helaas blijkt dat niet te werken: omdat het schuldgevoel over deze oerzonde te afgrijselijk is om onder ogen te zien, wordt deze steeds weg-geprojecteerd, zodat al het kwaad nu buiten het eigen zelf lijkt te zijn. Dus elk fragmentje in de waakdroom van tijd en ruimte denkt dat de zonde en de schuld altijd in een ander zitten. Ik zal dus vroeg of laat zeker worden aangevallen, en daarom loop ik hier net als iedereen “onzeker, eenzaam, en in voortdurende angst” rond (T31.VIII.7:1). Daarom lezen we in de Cursus dat “de wereld werd gemaakt als een aanval op God” (Wd2.3.2:1) en dat deze waakdroom een ware hel is (P2.IV.3:1) — let wel: een hel die we zelf hebben verzonnen, en die niets meer dan een droom blijft (nachtmerrie, eigenlijk), waaruit we goed in staat zijn om te ontwaken, als we dat zouden wensen.

Eén van Jezus’ meest confronterende boodschappen in Een cursus in wonderen is dat deze wereld – deze hel – ons niet zomaar is overkomen: we wilden deze, we maakten deze; we willen die nog steeds, we maken die nog steeds. We kiezen nog steeds voor een hel. Dit is de ego-strategie om de illusie van afgescheidenheid van God (Liefde; Eenheid) hoog te houden, maar om er anderen voor verantwoordelijk te houden: “De wereld die jij ziet is een precieze weergave van wat jij dacht te hebben gedaan. Behalve dat je nu denkt dat wat jij deed jou is aangedaan. De schuld voor wat jij hebt gedacht wordt buiten jezelf gelegd, op een schuldige wereld die in jouw plaats jouw dromen droomt en jouw gedachten denkt. […] Als je eenmaal jezelf zover hebt gebracht hun de schuld te geven, zul je de oorzaak niet zien van wat ze doen, omdat jij verlangt dat de schuld op hen rust.” (T27.VIII.7:2-4;8:2). Hierdoor kan ik blijven geloven dat ik het onschuldige slachtoffer ben, en dat God anderen zou moeten straffen.

Dus wanneer Jezus zegt dat wij de wereld die wij zien zelf bedacht hebben, bedoelt hij in de eerste plaats “Ik heb mijn interpretatie van de wereld die ik zie zelf bedacht”. Ik heb ervoor gekozen de wereld te interpreteren als schuldig en vijandig; als onschuldig individu kan ik steeds aangevallen worden. Hiermee kies ik voor het ego als de gids van mijn gedachten. Maar omdat de keuze voor deze interpretatie mijn eigen keuze is, kan ik ervoor kiezen de wereld anders te interpreteren. Deze keuzevrijheid is mijn enige hoop om een uitweg uit alle pijn te vinden; een uitweg uit de droom, uit tijd en ruimte, terug naar mijn ware erfgoed als het effect van de eenheidsliefde van God. Je ontsnapt uit deze hel door je waarneming en interpretatie van deze wereld te veranderen, door een andere Leraar te kiezen voor je denken. Gelukkig kwam deze Leraar met ons mee in de droom van tijd en ruimte, omdat onze eenheid met God nooit verbroken kan worden, zelfs niet in een droom.

In Een cursus in wonderen heet deze andere Leraar de Heilige Geest. In het werkboek wordt hij geïntroduceerd in les 34: “Ik zou in plaats hiervan vrede kunnen zien”. Deze lestitel had net zo goed kunnen zijn: “Ik zou in plaats hiervan de Heilige Geest kunnen horen”, of “Ik zou in plaats hiervan Gods Liefde kunnen ervaren”, of “Ik zou in plaats hiervan naar Jezus kunnen luisteren” – allemaal vormen van dezelfde inhoud. Zodra ik mij realiseer dat deze wereld mij niet zomaar overkomt, maar dat ik (als holografisch deel van de slapende Zoon van God) de dromer van de droom van tijd en ruimte ben, kan ik mijn gehechtheid aan allerlei vormen daarin anders bezien, en me meer richten op de inhoud erachter. Deze inhoud is altijd ofwel angst (het ego) ofwel liefde (de Heilige Geest). In plaats van overal schuld, haat, aanval en pijn om me heen te zien (wat ook betekent dat ik dit onbewust in mezelf zie, ook al besef ik dat niet direct zo), zou ik er voor kunnen kiezen om voorbij al die vormen te kijken naar dezelfde liefdevolle inhoud van het pure licht dat de kern is van alles wat ik waarneem. Jezus noemt dat ware waarneming. En dat is een keuze – de belangrijkste keuze die ik in mijn leven kan maken.

“Uit jouw vredige denkgeest vloeit een vredige waarneming van de wereld voort.” (Wd1.34.1:4). Daarom is Een cursus in wonderen een leerplan in het trainen van je denkgeest (T1.VII.4:1). Meestal is onze denkgeest verre van vredig, maar dat hoeft niet zo te zijn (T4.IV.1). Een vredige denkgeest is een keuze, en Een cursus in wonderen is een goed hulpmiddel om de denkgeest te leren focussen op ware waarneming en innerlijke vrede. Zeker zal deze ervaring van innerlijke vrede niet direct alle ellende oplossen die we op het journaal zien. Maar in plaats van nog steeds de wereld als de waarheid te beschouwen en steeds te blijven proberen de wereld te verbeteren (wat nooit zal werken omdat het de oorzaak van de wereld niet aanpakt), zouden we ervoor kunnen kiezen voorbij de waakdroom te zien en te luisteren naar de Heilige Geest, die onze echte wil vertegenwoordigt. Als ik ooit vrede in mijn leven wil ervaren, dan zal dat bij mijzelf moeten beginnen, dat wil zeggen: in mijn denkgeest. Niets buiten mij zal mij enige vrede brengen. Herinner je deze vaak geciteerde uitspraak: “Probeer dan ook niet de wereld te veranderen, maar kies ervoor je denken over de wereld te veranderen.” (T21.In.1:7).

Het veranderen van mijn denken over de wereld nodigt ware waarneming uit, waarmee ik de werkelijke wereld ga zien. Die bevindt zich nog steeds in tijd en ruimte, maar brengt geen verdere afscheiding, schuld, haat en angst meer voort. Over motivatie gesproken! Naarmate je deze nieuwe waarneming langer beoefent (middels de dagelijkse Cursuslessen), word je een lichtbaken in deze wereld die de duisternis van onzekerheid, eenzaamheid en voortdurende angst mild weg schijnt. En dat zal niet onopgemerkt blijven! Vrede uitstralen resulteert in vrede om je heen. Welke dromen willen we, oftewel: welke gids willen we om ons in deze wereld te leiden? Dit is uiteindelijk onze enige keuzevrijheid in deze droomwereld. Kies daarom wijselijk, ondanks je twijfels en angsten. “Concentreer je alleen hierop [d.w.z., je bewuste keuze voor Liefde], en wees er niet over verstoord dat schaduwen haar omringen. Daarom juist ben je gekomen. Als jij zonder ze kon komen, zou je het heilig ogenblik niet nodig hebben.” (T18.IV.2:4-6). Vredige dromen gewenst!

— Jan-Willem van Aalst, februari 2018 (Vertaling van https://miraclesormurder.wordpress.com/2018/02/18/which-dream-do-we-want/)