Blog

Recept voor innerlijke vrede

Het valt veel lezers van Een cursus in wonderen de eerste leesrondes op dat elk hoofdstuk in het Tekstboek min of meer hetzelfde lijkt te zeggen. Naarmate je langer werkt met de Cursus, wordt het duidelijk dat Jezus inderdaad in elk hoofdstuk inhoudelijk steeds dezelfde boodschap heeft. Hij zegt het alleen telkens iets anders, en hij varieert met de thema’s zoals in een symfonie gebeurt. Herhaling is tenslotte de essentie van leren. Eén bijzonder lieflijke samenvatting van de boodschap van de Cursus zien we in lessen 281 tot en met 284. De titels van deze lessen gaan als volgt: (281) “Niets kan mij pijn doen behalve mijn gedachten”; (282) “Ik zal vandaag niet bang voor liefde zijn”; dit kan ik veilig doen, want (283) “Mijn ware Identiteit woont in U”, wat betekent (284) “Ik kan kiezen alle gedachten die pijn doen te veranderen.” Dit is een recept voor innerlijke vrede; een recept dat je altijd kunt toepassen, ongeacht de situatie of gebeurtenis. Hoe werken die vier stappen? Hoe leiden ze tot innerlijke vrede?

Hoewel de eerste les, “Niets kan mij pijn doen behalve mijn gedachten”, een kernprincipe is in veel spiritualiteiten, lijkt dit allerminst het geval te zijn zolang ik mezelf nog als lichaam ervaar in een bedreigende wereld. Want ja, ik kan zomaar levenslang in een rolstoel belanden als een auto mij schept. Daarom begint Jezus deze les met een gebed dat ons laat herinneren dat wij geen lichaam zijn: “Wanneer ik denk dat ik op enigerlei wijze ben gekwetst, komt dat doordat ik ben vergeten wie ik ben en dat ik ben zoals U mij hebt geschapen” (Wd2.281.1:2). Dit ‘kwetsuur’ kan fysiek of geestelijk zijn, inclusief scheldpartijen en aanvalsgedachten. Als iemand mij opzettelijk beledigt, dan is het aan mij, en uitsluitend aan mij, om te besluiten of die aanval wel of niet mijn humeur beïnvloedt. Denk hier ook weer eens aan werkboekles 34: “Ik zou in plaats hiervan vrede kunnen zien.” Die uitspraak is waar omdat jij en ik puur geest zijn, nog steeds veilig Thuis in God. Alle pijn die ik ervaar, in mezelf of buiten mezelf, is uiteindelijk een projectie van mijn dwaze wens om los van God te zijn en te bewijzen dat dat is gelukt. Een groot deel van Een cursus in wonderen gaat over het leren inzien van dat principe, om ons vervolgens uit te nodigen de “betere manier” te kiezen, zoals Bill Thetford tegen Helen Schucman zei, wat het begin inluidde van het optekenen van de Cursus in 1965.

Door voor deze ‘betere manier’ te kiezen zullen we ons uiteindelijk realiseren dat de nondualistische Liefde van God niet betekent dat we zonder ego in het niets zullen verdwijnen; integendeel: zonder het ego zijn we in eeuwige vrede. Daarom spoort Jezus ons aan in les 282 om “Vandaag niet bang te zijn voor liefde”. In hoofdstuk 13 van het Tekstboek legt Jezus uit dat we misschien bang zijn voor pijn en de dood (hij symboliseert dat met de term ‘jezelf kruisigen’), maar die angst is niets vergeleken met onze angst voor Gods Liefde: “Je bent niet werkelijk bang voor de kruisiging. Je echte doodsangst betreft de verlossing.” (T13.III.1:10-11). Iets verderop verklaart Jezus waarom dat zo is: “Je meent in Gods Tegenwoordigheid hulpeloos te zijn, en jij wilt jezelf van Zijn Liefde verlossen omdat je denkt dat die jou tot niets vermalen zou. Je bent bang dat ze jou van jezelf weg zou vagen en jou nietig zou maken. […] Jij denkt dat je een wereld hebt gemaakt die God zou willen vernietigen, en dat je door Hem lief te hebben, wat je doet, die wereld weg zou werpen, wat je ook zou doen. […] En juist dit jaagt jou angst aan.” (T13.III.4:1-3;5). In Een cursus in wonderen ontmaskert Jezus deze ego-verdediging tegen Gods Liefde, en hij laat ons tegen onszelf zeggen: “God is louter Liefde, en dus ben ik dat ook” (Wp1.171-180).

Door de werkboeklessen toe te passen in mijn leven (d.w.z., vergevingslessen) kan ik de weerspiegeling van Gods Wet van Liefde in mijn aardse leven ervaren. Dit versterkt mijn overtuiging dat ik inderdaad niet een lichaam ben, maar puur geest: “Hij zal tot je spreken en je eraan herinneren dat jij geest bent, één met Hem en God, met je broeders en je Zelf. Luister naar Zijn verzekering, elke keer dat jij de woorden spreekt die Hij je vandaag geeft, en laat Hem je denkgeest vertellen dat ze waar zijn.” (Wd1.97.8:2). Dus juist door het ervaren van de weerspiegeling van Gods Liefde (door onze eigen vergeving), kunnen we les 283 aanvaarden die stelt: “Mijn ware Identiteit woont in U”. Jezus begint deze les wederom met een gebed: “Vader, ik heb een beeld van mezelf gemaakt [d.w.z., een afgescheiden lichaam] en dat noem ik de Zoon van God. Toch is de schepping zoals ze altijd is geweest, want Uw schepping is onveranderlijk. Laat me geen afgoden aanbidden. Ik [als geest] ben degene van wie mijn Vader houdt.” (Wp2.283:1). Met “afgoden” bedoelt Jezus zo ongeveer alles in tijd en ruimte waar we nog aan hechten, vooral het lichaam; en de “ik” van wie mijn Vader houdt is de Zoon van God – als geest, die we in onze droomwereld van tijd en ruimte als afgescheiden wezens ervaren, terwijl die feitelijk in geest allemaal als één verbonden zijn.

Werkboekles 96 vertelt ons: “Als jij geest bent, kan het lichaam voor jouw werkelijkheid geen enkele betekenis hebben.” (Wd1.96.3:7). De bereidheid om dat geleidelijk aan te aanvaarden is randvoorwaardelijk om les 284 toe te kunnen passen: “Ik kan kiezen alle gedachten die pijn doen te veranderen.” Of, nogmaals werkboekles 34: “Ik zou in plaats hiervan vrede kunnen zien.” Dit lijkt bepaald niet altijd het geval in een wereld waar we ziekte, hongersnood, armoede, oorlog en sterven overal om ons heen zien. Jezus merkt op dat we om dergelijke waarnemingen kunnen lachen (Wd1.187.6:4), niet uit leedvermaak, maar omdat dit alles slechts de dwaasheid weerspiegelt die we hebben bedacht om te ‘bewijzen’ dat de afscheiding van God (perfectie) daadwerkelijk is gelukt. Ik kan kiezen alle gedachten die pijn doen te veranderen omdat “Alles een les is die God mij graag ziet leren.” (Wd1.193). Als ik ervoor kies een ‘gelukkige leerling’ te zijn in de lesruimte van de liefde die de Heilige Geest mij biedt, dan zou ik inderdaad vrede in plaats van wreedheid kunnen zien.

Jezus weet natuurlijk best dat niemand deze schakelaar in de denkgeest in één keer omzet (hoewel dit in theorie wel zou kunnen). Direct verlicht raken is uiterst zeldzaam! Daarom troost Jezus ons in les 284 met de volgende woorden: “Dit is de waarheid, die eerst alleen wordt uitgesproken en dan veelvuldig herhaald [veel-veel-veelvuldig, zoals Ken Wapnick opmerkte], om vervolgens – onder veel voorbehoud – maar gedeeltelijk als waar te worden aanvaard. Om daarna steeds serieuzer te worden overwogen en uiteindelijk als de waarheid aangenomen.” (Wd2.284.1:5). Het mooie hieraan is dat zodra ik bereid ben de waarheid van deze vier lessen te aanvaarden, ik alles wat ik in mijn leven denk en ervaar als nuttige les kan zien in Jezus’ leerplan voor de terugkeer naar liefde. In het Handboek voor leraren merkt Jezus op dat “…het plan soms veranderingen zal vragen in wat uiterlijke omstandigheden lijken te zijn. Deze veranderingen zijn altijd behulpzaam.” (H.4.I.A.3). Vaak ervaren we dergelijke veranderingen helemaal niet als behulpzaam, maar als gelukkige leerling kan ik er voor kiezen mijn interpretatie te veranderen.

Welke reden heb ik dan nog om mij angstig, boos of depressief te voelen, wanneer ik mij realiseer dat (a) “Niets mij pijn kan doen behalve mijn gedachten”, (b) “Ik vandaag niet bang hoef te zijn voor Liefde”, want “Mijn ware Identiteit woont in God”; en daarom “Kan ik kiezen alle gedachten die pijn doen te veranderen.”? Telkens als je geneigd bent iets te veroordelen, doe dan snel een stapje terug en vraag jezelf: “Wie vergezelt mij?” Jezus raadt ons aan om onszelf deze vraag “duizend keer per dag” te stellen (Wd1.156.8). Telkens wanneer je innerlijke vrede mist, is dat een teken dat het ego je vergezelt, en dat je Jezus de deur uit hebt geduwd. Het je herinneren van deze vier lestitels kunnen je helpen om sneller van gedachten te veranderen en Jezus’ liefdevol uitgereikte hand wederom te nemen. Wees vandaag niet bang voor liefde! Aangezien jij en ik en iedereen in essentie dezelfde pure geest zijn, kunnen we inderdaad alleen onze eigen gedachten ons pijn bezorgen.

— Jan-Willem van Aalst, juni 2017 (vertaling van https://miraclesormurder.wordpress.com/2017/06/17/a-recipe-for-inner-peace/)

Je onderwijst wat je wilt geloven

Als je terugdenkt aan de leraren die je in je kindertijd hebt meegemaakt, weet je vast niet meer precies welke onderwerpen ze allemaal behandeld hebben. Maar je weet ongetwijfeld nog wél welke leraren vriendelijkheid en veiligheid uitstraalden, en welke leraren voornamelijk boos of nerveus waren. We weten, met andere woorden, in het algemeen nog goed hoe ze onderwezen. Velen onder ons kunnen zich nog wel een bijzonder wijze, markante leraar herinneren die misschien zelfs aanzienlijk heeft bijgedragen aan ons eigen zelfbeeld en hoe we in de wereld staan.

In Een cursus in wonderen bedoelt Jezus met het begrip ‘onderwijzen’ iets heel anders dan hoe we dit gewoonlijk zien. In de inleiding van het Handboek voor Leraren licht Jezus toe: “Onderwijzen is een doorgaand proces: het gaat ieder moment van de dag verder en zet zich bovendien voort in de gedachten tijdens de slaap. Onderwijzen is demonstreren. […] Van wat jij demonstreert leren anderen, en ook jij. De kwestie is niet óf je wilt onderwijzen, want daarin is geen keus. […] Onderwijzen is slechts het oproepen van getuigen om te getuigen van wat jij gelooft. […] In dit verband doet de woordelijke inhoud van wat je onderwijst geheel niet ter zake. Het kan ermee samenvallen, of niet. […] Wat je onderwijst versterkt slechts wat je over jezelf gelooft.” (H.In.1:6-2:1;3:2-7).

Zo bekeken zijn ‘onderwijzen’ en ‘leren’ niet speciale perioden waarin een leerling en leraar maar heel even met elkaar omgaan. Iedereen onderwijst de hele tijd. Als onderwijzen werkelijk bestaat uit het ‘oproepen van getuigen om te getuigen van wat jij gelooft’, dan zijn jij en ik en iedereen voortdurend aan het onderwijzen, bij elke ontmoeting, bijeenkomst, feestje, noem maar op, hoewel we dit niet bewust zo ervaren. Waarom doen we dat? We demonstreren om aan anderen te benadrukken wat wij denken dat belangrijk is. Jezus benadrukt dat onderwijzen “een methode van bekering” is (H.In.2:8). Alles wat ik dus tegen jou zeg is een demonstratie van wat ik meen dat belangrijk en waar is; en natuurlijk wens ik dat jij het daar mee eens bent.

Jezus herinnert ons er bovendien aan dat wat wij aan anderen demonstreren, we net zo goed in onszelf versterken, omdat er in werkelijkheid helemaal geen anderen zijn — eenieder die we ontmoeten is een projectie van een deel van de onbewuste denkgeest. “Je kunt niet aan iemand anders geven, maar uitsluitend aan jezelf en dat leer je door te onderwijzen. […] Het primaire doel ervan is twijfel aan jezelf te verminderen.” (H-In.2:6;3:8). Met andere woorden, elke interactie met jou dient als bevestiging en versterking van mijn eigen overtuigingen — naar mijzelf toe — over wat de wereld is, over wat ik ben, en over wat jij voor mij betekent (M-In.2:9). Cognitieve onderwerpen doen er in dit proces niet toe. Het gaat louter om wat ik wens dat waar is. Aangezien Een cursus in wonderen benadrukt dat er slechts twee denksystemen zijn, onderwijs ik voortdurend ofwel vanuit het ego denksysteem van speciaalheid, ofwel vanuit het eenheids-denksysteem van de Heilige Geest.

Kenneth Wapnick gebruikte in zijn workshops soms de metafoor van de dansvloer om het denksysteem van het ego te verbeelden. Aangezien het doel van het ego is om te demonstreren dat afscheiding en verschillen werkelijk en begerenswaardig zijn, nodig ik jou steeds uit op deze ‘dansvloer van speciaalheid’ om te demonstreren dat jij en ik enorm verschillen, en dat dat geweldig is, omdat dit ons respectievelijke ‘unieke zelf’ benadrukt. Het is een ‘dansvloer’ omdat, in lijn met de wetten van de chaos (T23.II.2), jij en ik er onbewust steeds op uit zijn om van de ander weg te graaien wat we in onszelf denken te missen om vervuld te kunnen raken. Mijn behoeften kunnen alleen bevredigd worden ten koste van anderen. Ik ben er steeds op uit om gelegenheden te vinden om anderen te kunnen beschuldigen van hun roofaanval op mij om mijn waarde, zodat ik mijzelf gerechtigd kan voelen om in de tegenaanval te gaan. Er zijn dus altijd slachtoffers en daders. Het maakt niet uit of we speciale haat of speciale liefde naar elkaar uiten. In het denksysteem van het ego zullen we alles doen om te onderwijzen (demonstreren) dat de afscheiding werkelijk is, en aanval gerechtvaardigd.

Deze ‘dansvloer van de dood’ is één groot rookgordijn om de illusie in stand te kunnen houden dat de dualistische ego-wereld van tijd, ruimte en waarneming — altijd los van God — heel echt is. Jezus licht toe: “Ieder die het leerplan van de wereld volgt, en iedereen hier volgt dat tot hij zijn denken verandert, onderwijst uitsluitend om zichzelf ervan te overtuigen dat hij is wat hij niet is. Dit is het doel van de wereld. Hoe kan haar leerplan iets anders zijn? In deze hopeloze en gesloten leersituatie die niets dan wanhoop en dood onderwijst, zendt God Zijn leraren.” (M-In.4:4-7). Jezus zegt hier simpelweg, net zoals we in de drieduizend jaar oude Bhagavad Gita lezen, dat je leven volstrekt verspild is zolang je je nog richt op zelfzuchtige verlangens. Het enige dat we betekenisvol in dit leven kunnen demonstreren, is onze keuze voor het denksysteem van de Heilige Geest. Al het andere doet er niet toe, in termen van onze verlossing.

Telkens wanneer ik ervoor kies om mij te laten leiden door het denksysteem van de Heilige Geest, wordt wat ik onderwijs — dat wil zeggen, van minuut tot minuut demonstreer — heel anders. Vanuit juist-gericht denken beantwoord ik angst en aanval alleen nog maar met oordeelloze vriendelijkheid en liefde. Ik dans niet meer met jou op de dansvloer van de dood — in tegendeel, ik nodig je uit om ook te kiezen voor de innerlijke vrede die ik zelf ervaar. Ik onderwijs dat jij en ik niet zoveel van elkaar verschillen als we altijd dachten. Door dit te doen versterk ik die overtuiging ook in mezelf. Ik train mijn denkgeest om wederom de innerlijke vrede van de Heilige Geest te verkiezen boven het venijn van het ego. Dit betekent overigens niet dat ik de spreekwoordelijke voetveeg word. In de praktijk kan mijn stem best wel eens assertief overkomen, maar zolang ik dat vanuit juist-gericht denken doe, zal de Heilige Geest daar altijd in doorschijnen. Je herinnert je vast nog wel een leraar die soms heel streng kon zijn, maar die tegelijkertijd een soort universele liefde voor het kind uitstraalde.

Een cursus in wonderen biedt ons een kristalheldere manier om bewust te kiezen wat we willen onderwijzen — aan anderen, en uiteindelijk aan onszelf — over de aard van de wereld, over de aard van ons wezen, en de betekenis van het leven. Bovenal moet ik kiezen welk denksysteem ik prefereer om mijn gedachten te leiden; de rest volgt vanzelf. Het lijkt een eenvoudige keuze. Maar wat deze ‘eenvoudige keuze’ bepaald niet gemakkelijk maakt is dat die keuze een besluit inhoudt over wat ik wil dat ik ben. Het gaat over mijn antwoord op vragen zoals: “Wat ben ik?”, “Wat is leven?”, “Waarom ben ik hier?” Het komt er op neer dat ik het script van mijn leven schrijf. “Het leerplan dat je opstelt wordt dan ook uitsluitend bepaald door wat jij denkt dat jij bent en door wat jij meent dat de relatie met anderen voor jou is.” (H-In.3:1).

Zolang ik kies voor het denksysteem van het ego vertel ik mezelf dat ik een afgescheiden individu wil zijn met een speciale unieke persoonlijkheid, zelfs als dat betekent dat mijn geluk afhangt van wat ik anderen kan ontnemen. Pas als ik bewust besluit dat individualiteit blijkbaar niet de verlossing brengt waar ik op hoopte — sterker nog, het zorgt er alleen maar voor dat ik “onzeker, eenzaam, en in voortdurende angst” leef (T31.VIII.7:1), en dat het alternatief van de Heilige Geest veel beter is, worden geluk en verlossing onvermijdelijk. “De Heilige Geest heeft een gelukkige leerling nodig, in wie Zijn opdracht op een gelukkige manier kan worden volbracht.” (T14.II.1). Zodra ik er voor kies die gelukkige leerling te zijn, kan ik aan anderen onderwijzen (demonstreren) dat zij dezelfde keuze zouden kunnen maken: de innerlijke vrede die ik uitstraal zou ook jouw innerlijke vrede kunnen zijn. Ik hoef kortom niets te doen; ik hoef er alleen maar voor te kiezen alle veroordeling achter me te laten, en mijn gedachten te laten leiden door de Heilige Geest.

“Zouden Gods leraren er niet zijn, dan zou er weinig hoop zijn op verlossing, want de wereld van zonde zou voor altijd werkelijk schijnen. […] Het is hun missie om hier volmaakt te worden, en dus onderwijzen ze volmaaktheid, keer op keer en op vele, vele manieren, totdat ze dit hebben geleerd.” (M-In.5:1). Juist daarom biedt Jezus een ‘Handboek voor leraren’ in zijn leerplan voor innerlijke vrede. Als je je genegen voelt die gelukkige leerling te worden, neem dan vooral tijd om dat Handboek door te nemen, naast het doen van de vergevingslessen in het werkboek. Je zult merken dat niet alleen jouw eigen dagen steeds vrediger zullen aanvoelen, maar die van de mensen om je heen ook, omdat ze ontegenzeggelijk jouw onweerstaanbare oproep bemerken om te kiezen voor de oordeelloze liefde van de Heilige Geest, de Stem namens Liefde, wat het diepste verlangen in ons allemaal weerspiegelt.

— Jan-Willem van Aalst, juni 2017 (vertaling van https://miraclesormurder.wordpress.com/2017/06/10/you-teach-what-you-want-to-believe/)

Leven naar de wetten van de chaos

Ondanks onze goede intenties om vriendelijk en liefdevol te zijn, hebben we allemaal last van negatieve gedachten en ervaringen die we liever niet zouden hebben. Zelfs wanneer we ons ten diepste realiseren dat alle beroering in het leven uiteindelijk voortkomt uit keuzes (interpretaties) van de denkgeest, mag degene die echt nooit meer voor enige vorm van veroordeling kiest de eerste steen werpen. In hoofdstuk 23 van het Tekstboek van Een cursus in wonderen neemt Jezus ons mee in zijn uitleg van “De wetten van de chaos”. In niet mis te verstane bewoordingen beschrijft Jezus hoe deze onzinnige ‘wetten’ het onbewuste deel van onze denkgeest aansporen tot voortdurende afwijzing en veroordeling, en ook waarom wij ons koppig aan deze wetten blijven vastklampen; nogmaals, in weerwil van onze beste bedoelingen om vriendelijk en liefdevol te zijn. Als je “De wetten van de chaos” slechts oppervlakkig leest, is er een goede kans dat je er ronduit depressief van wordt. Om aan deze onzinnige wetten voorbij te kunnen gaan, moeten we ze kalm en aandachtig bekijken (T23.II.1:4). Je kunt je denkgeest immers niet veranderen als je niet weet waartussen je kunt kiezen. Laten we daarom deze wetten, die eigenlijk geen wetten zijn maar slechts overtuigingen, eens nader bekijken.

De eerste chaotische wet is dat de waarheid voor iedereen anders is. (T23.II.2:1). Even afgezien van wiskundige logica, kunnen we stellen dat ‘waarheid’ in deze wereld altijd verbonden is met normen en waarden. Deze wet stelt koppig dat afgescheidenheid en verschillen altijd waar zijn. ‘Waarheid’ betekent daarom voor iedereen wat anders. Jouw waarheid is anders dan mijn waarheid. Dit ontkent het eerste wonderprincipe (T1.I.1:1) dat wonderen geen rangorde naar moeilijkheid kennen omdat alle illusies inhoudelijk hetzelfde zijn. Deze eerste chaotische wet stelt dat de ene illusie waardevoller is dan de andere, en dat elk levend wezen voor zichzelf vaststelt wat ‘waar’ is op basis van wat als waardevol of belangrijk wordt beschouwd. Deze ‘wet’ kwam voort uit het ‘nietig, dwaas idee’ dat wij los van God onze eigen waarheid zouden kunnen bepalen. “Eenheid is onzin — verschillen zijn waar, zoals je zult beamen als je goed om je heenkijkt”, trompettert het ego luidkeels.

De tweede chaotische wet volgt ‘logischerwijs’ uit de eerste. Als jouw waarheid anders is dan de mijne, en jij zit fout, dan verdien jij het om afgewezen en gestraft te worden. Achter de beleefde uitspraak “ik zie dat anders” schuilt uiteindelijk altijd haat. Omdat jouw waarheid anders is dan de mijne, moet jij wel fout zijn. Dit de wortel van alle woede en aanval, die — nogmaals — slechts het oorspronkelijke ‘nietig, dwaas idee’ weerspiegelt dat God fout is en ik goed. God en ik (als ego) verschillen van elkaar en zijn dus voor eeuwig elkaars vijanden. “Angst voor God en voor elkaar lijkt nu zinnig, tot werkelijkheid gemaakt door wat Gods Zoon zowel zichzelf als zijn Schepper heeft aangedaan” (T23.II.5:7). Merk op dat deze chaotische wet uitsluit dat dit alles misschien wel slechts een vergissing is. We zien in alles en iedereen kenmerken die anders zijn dan wij, God incluis, wat onbewust altijd leidt tot angst en haat.

Dit leidt automatisch tot de derde absurde chaotische wet dat God Zijn Zoon wel moet haten. Aangezien God en wij van elkaar verschillen en dus vijanden zijn, is God om hulp vragen volstrekt zinloos. “nu is conflict tot iets onvermijdelijks gemaakt, buiten het bereik van Gods hulp. Want nu moet verlossing wel onmogelijk blijven, omdat de Verlosser de vijand geworden is. Er is geen bevrijding en geen ontsnapping mogelijk. Verzoening wordt zo een mythe, en wraak, en niet vergeving, is de Wil van God” (T23.II.7:5). Dit verwijst natuurlijk naar het beeld dat het ego van God heeft gemaakt. En aangezien waarneming voortkomt uit projectie (T-13.V.3:5), zullen we de wereld ervaren zoals we God ervaren.

Op dit punt aangekomen geloven we rotsvast dat we in een gevaarlijke en uiterst bedreigende wereld leven, waarmee we de vierde chaotisch wet omarmen, namelijk de overtuiging dat je slechts bezit wat je genomen hebt. Wat ik van jou neem heb jij niet meer, en vice versa. Zoals Jezus uitlegt: “Alle andere wetten moeten hiertoe leiden. Want vijanden geven elkaar niet vrijwillig, en streven er evenmin naar de dingen waaraan ze waarde hechten met elkaar te delen. En wat jouw vijanden je willen onthouden moet wel begerenswaard zijn, want ze houden het voor jou verborgen” (T23.II.9:5-7). Als je niet aanvalt, zal alles wat je hebt van je worden afgenomen, wordt het mantra van onjuist-gericht denken: aanval is de beste verdediging. Ik voel me daarom gedwongen om zowel aan te vallen als te verdedigen, opdat ik alles wat ik heb niet zal verliezen.

Wat deze wet zo venijnig maakt is dat we heimelijk al ons ‘verlies’ toedichten aan een zondige aanval op ons door onze vijanden. En wat hebben we verloren? Onze innerlijke vrede; uiteindelijk onze onschuld als een kind van God. Mijn vijanden hebben dat door hun wrede aanval van mij ontnomen. Dit moet ik terug zien te krijgen, en daartoe ben ik volstrekt gerechtvaardigd. Dit leidt tot de vijfde en finale chaotische wet: verlossing kan slechts gevonden worden door de mij ontnomen onschuld weer terug te graaien uit andere lichamen. Dit resulteert in ofwel een speciale haatrelatie (waarin ik jou botweg aanval, om jou “in een naamloze afgrond te storten”, T24.V.4:3), ofwel in een speciale liefdesrelatie, waarin ik jou en je lichaam hartstochtelijk bemin zolang jij me geeft wat ik denk dat ik nodig heb voor vervulling.

Jezus concludeert: “Nooit wordt je bezit compleet. En nooit zal je broeder zijn aanval op jou staken voor wat jij gestolen hebt. En evenmin zal God Zijn wraak tegen jullie beiden beëindigen, want in Zijn waanzin wil Hij beslist dit substituut voor liefde hebben en jullie beiden doden” (T23.II.13:1-3). Aangezien elk lichaam onvermijdelijk sterft, worden we er door het ego voortdurend aan herinnerd dat deze wetten van de chaos de waarheid zijn, en niet ontkend kunnen worden. Door deze ‘wetten’ af te pellen heeft Jezus onze onbewuste onjuist-gerichte denkwijze naar het bewuste gebracht: “Jij die gelooft dat je innerlijk gezond, met beide voeten op vaste grond door een wereld gaat waarin betekenis kan worden gevonden, overweeg dit eens: dit zijn de wetten waarop je ‘innerlijke gezondheid’ lijkt te berusten. Dit zijn de principes die jou vaste grond onder je voeten lijken te geven. En juist hier zoek jij naar betekenis” (T23.II.13:4-6). Op dit punt wordt het ego benauwd voor zijn eigen ontmaskering, en stelt daarop met veel omhaal dat wij deze onzinnige wetten natuurlijk niet geloven, er evenmin naar handelen. Waarop Jezus kalm antwoordt: “Broeder, je gelooft ze. Want hoe zou je anders de vorm die ze aannemen kunnen waarnemen, met een dergelijke inhoud?” (T23.II.18:3).

We hoeven slechts aandachtig de interpersoonlijke wisselwerking tussen mensen op een feestje te observeren om in te zien hoe onwrikbaar deze wetten opereren, achter alle beleefdheden en vertier. Heimelijk vergelijkt iedereen zijn of haar ‘staat van geluk’ met die van alle anderen: fysiek, geestelijk, emotioneel, sociaal, financieel, noem maar op. Hoeveel heb ik ten opzichte van anderen hier? Zelfs wanneer ik iemand feliciteer met een bepaald behaald succesresultaat, voel ik heimelijk een steek van pijn (of haat), omdat ik eigenlijk vind dat succes mij toebehoort, omdat ik gelijk heb in wat waardevol en waar is. En zo houden we voortdurend het mechanisme van afwijzing en aanval in stand, waarmee we natuurlijk uiteindelijk het afgescheiden ego in stand blijven houden. En hoewel het leven uiteindelijk eindigt in de dood, bewijs ik wel dat ik als uniek individu in elk geval besta.

Zoals altijd bij Een cursus in wonderen is de uitweg uit deze hel gelegen in vergeving. Omdat al deze wetten uitgaan van de aanname dat er een rangorde in illusies is, ligt het ongedaan maken van deze ‘wetten’ (oftewel overtuigingen) in onze aanvaarding van het simpele feit dat alle illusies inhoudelijk hetzelfde zijn, inclusief de illusie dat wij ons hebben afgescheiden van God. Waarheid verandert niet van moment op moment, en het is beslist niet aan ons om vast te stellen wat waarheid is. Waarheid is van God. Als de collectieve ene Zoon van God, zijn wij in essentie louter een uitbreiding van de Liefde die God is. In werkelijkheid kunnen wij ‘slechts’ deze zelfde Liefde uitbreiden; al het andere is illusoir. Zelfs in deze ‘waakdroom’ in tijd en ruimte is dit waar: een idee dat je deelt, versterk je. Hoe meer liefde je geeft, hoe meer liefde je zult ontvangen (hoewel misschien niet direct, en langs een onverwachte weg). Dit draait de vierde en vijfde wetten van de chaos om: ik bezit de liefde die ik met anderen heb gedeeld.

Dit betekent niet dat ik al mijn aardse bezittingen zou moeten weggeven, in de verwachting dat er ik er veel meer voor terugkrijg. Gods wetten werken op het nondualistische niveau I. Op niveau II, de dualistische droom in tijd en ruimte waarin we lichamen, verschillen en afscheiding ervaren, heeft “zelfs een gevorderde therapeut enige aardse noden terwijl hij hier is” (P3.III.3). Hierin zal automatisch voorzien worden zolang we ervoor kiezen om niveau II als een lesruimte te zien; een proces waarin we geleidelijk leren om onze Goddelijke essentie (als Christus) te zien in alles en iedereen die we waarnemen, en ons door Liefde te laten leiden. Aangezien alles wat we waarnemen voortkomt uit projectie (of uitbreiding), is dit ook de manier om ons ware Zelf weer te herinneren. Dat stelt ons uiteindelijk in staat om onszelf te vergeven voor ons geloof in het ‘nietig, dwaas idee’ van afscheiding, wat in werkelijkheid nooit heeft plaatsgevonden.

We bevechten de wetten van de chaos niet; we kijken er slechts in kalmte aan voorbij. Zoals Jezus zegt: “Vergeving is stil en doet in alle rust niets. […] Ze kijkt alleen, en wacht, en oordeelt niet” (Wd2.1.4:1;3). Probeer je dus elke dag gewaar te worden van hoe deze chaotische wetten in de wereld lijken te werken, en vergeef jezelf dan voor die waarneming, in het besef dat “God anders denkt” (T23.I.2:7). Aangezien de wetten van de chaos al zo’n veertien miljard jaar feilloos lijken te werken, is het niet zo vreemd als je niet morgen ineens volstrekt verlicht bent — het is een traag leerproces. Maar telkens als het je lukt om je te laten leiden door het liefdevolle advies van de Heilige Geest, bespaar je jezelf misschien wel duizend jaar aan reïncarnaties (WdI.97.3). En wie zou dat niet willen?

— Jan-Willem van Aalst, mei 2017 (vertaling van: https://miraclesormurder.wordpress.com/2017/05/27/living-by-the-laws-of-chaos/)

Pratyahara!

In Patanjali’s klassieke verhandeling over yoga, die al ruim tweeduizend jaar oud is, beschrijft hij de acht ‘paden’ of thema’s (hij noemt ze ‘ledematen’) die men zou moeten beoefenen om uiteindelijk de hereniging met Eenheid weer te bereiken (Samadhi). De eerste vier paden richten zich op de ‘uiterlijke’ wereld; de laatste vier richten zich meer op het trainen van de denkgeest. Het is bijzonder fascinerend om de overeenkomsten te zien tussen de oude Indiase spirituele leerscholen, vooral de nondualistische Advaita Vedanta, en Een cursus in wonderen. En dat is niet alleen zo vanuit de theorie bekeken, maar zeker ook vanuit praktisch oogpunt. Patanjali’s vijfde pad heet ‘Pratyahara’, wat vrij vertaald neerkomt op het ‘terugtrekken van de zintuigen’. Pratyahara is het proces van het verschuiven van je focus van de uiterlijke wereld naar de innerlijke wereld van de denkgeest. Dit is natuurlijk één van de centrale thema’s in Een cursus in Wonderen. Laten we eens kort kijken naar wat Patanjali zegt over Pratyahara, en hoe zich dit verhoudt tot onze Cursus-beoefening.

Patanjali stelt dat de focus op uiterlijkheden leidt tot verstrooiing van levensenergie (prana). Voordat het ons kan lukken om eenheidsbewustzijn in de denkgeest te ervaren, moet we eerst het stromen van prana leren beheersen en benutten, als randvoorwaarde om de denkgeest te leren beheersen. Dit doe je door de focus van de denkgeest te verschuiven van uiterlijkheden naar innerlijkheden. Aanvankelijk zijn dat de voor de hand liggende fysieke innerlijkheden, zoals de hartslag, de beweging van de adem, of wat de oren registreren. Omdat de zintuigen de ‘natuurlijke’ neiging hebben om tussen binnenkomende stimuli heen en weer te bewegen, zorgt juist het richten op één zintuig ervoor dat de andere zintuigen stiller worden, waardoor het stromen van prana langzaam in balans komt. Een meer energetische vorm van Pratyahara richt zich op de zeven opeenvolgende chakra’s, waarbij de denkgeest zich nog wat meer naar binnen keert. De volgende stap houdt in dat de denkgeest de constante gedachtestroom simpelweg van een afstandje observeert, waarbij elke gedachte als een wolkje voorbij mag drijven, op het ritme van de adem. In al deze gevallen verschuift de denkgeest van uiterlijkheden naar een innerlijke focus. Dit bereidt de denkgeest voor op Dharana (concentratie), Dhyana (meditatie) en uiteindelijk Samadhi (eenheid).

Een veelgehoorde misvatting over Pratyahara is dat het doel ervan zou zijn om de wereld de rug toe te keren, en je niet meer met anderen te bemoeien. Gelukkig benadrukken veel leraren dat dit niet is wat Patanjali bedoelde. Zoals de Bhagavad Gita duidelijk stelt: “Leef een bijzonder actief leven, maar leef het vanuit de kern van je Zelf”. Rolmodellen zoals Mahatma Gandhi, Nelson Mandela en moeder Teresa hebben bewezen dat je een bijzonder actief leven kunt leiden, dat niettemin gestuurd wordt vanuit het innerlijke rijk van juist-gericht denken. De grote waarde van Pratyahara is dat het de denkgeest kan bevrijden uit de slavernij van het meegesleurd worden door externe stimuli. Alles wat je vanuit zo’n geoefende staat van denken manifesteert in de wereld zal onvermijdelijk veel nuttiger meerwaarde hebben. Het doel is eenheid, maar de beoefening blijft in het raamwerk van dualiteit, waar die nodig is.

In Een cursus in wonderen nodigt Jezus ons uit om min of meer datzelfde proces te volgen. Een bekend Cursuscitaat is dat “Een ongetrainde denkgeest niets tot stand kan brengen” (WdI.In.1:3). Het doel van de Cursus is “je denkgeest systematisch te trainen in een andere waarneming van alles en iedereen in deze wereld” (WdI.In.4:1). Hiertoe onderwijst Jezus ons dat liefde, vrede, geluk en verlossing niet in uiterlijkheden gevonden kunnen worden (“Zoek niet buiten jezelf. Want dat is tot mislukken gedoemd, en je zult tranen storten elke keer dat een afgod valt.”, T29.VII.1). Maar Jezus moet ons er ook van overtuigen dat wij niet een lichaam zijn, maar puur geest (“Jouw werkelijkheid is louter geest. Daarom ben jij eeuwig in een staat van genade.”, T1.III.5:4).

Echter, hoe spiritueel verheven het ook mag klinken om te lezen dat onze kern uit louter geest bestaat en niet uit sterfelijke materie… we lezen Een cursus in wonderen terwijl wij onszelf in tijd en ruimte ervaren, met mensen en gebeurtenissen die ons lijken te beïnvloeden, en met de dood en belastingen als enige zekerheden in het leven. Het doel van het Werkboek is allereerst om onszelf te ontdoen van het slachtoffer-denken waarmee wij allemaal zijn opgegroeid, om vervolgens consequent juist-gericht te leren denken. Helaas zuchten veel studenten wanhopig dat het ze maar niet lijkt te lukken om de verstrooide denkgeest te bevrijden van de focus op uiterlijkheden. Het denken bevat nog grote weerstand tegen de kern van de boodschap van de Cursus. De denkgeest zoekt allerlei afleidingen, die de materiële wereld van uiterlijkheden uiteraard volop biedt.

Juist bij die uitdaging zou het beoefenen van Pratyahara wel eens goed kunnen helpen. Je wilt je denkgeest ‘temmen’ in die zin dat je denken minder snel wordt afgeleid door externe stimuli. Dit betekent allereerst dat je je ten volste moet beseffen dat het ervoor kiezen om afgeleid te worden een duidelijk doel dient, namelijk het vermijden van de ‘dreiging’ van juist-gericht denken, dat uiteindelijk zal leiden tot het einde van individualiteit. Maar aangezien dat besef alleen meestal niet voldoende is om je afleidings-zelfsabotage te stoppen, kan het behulpzaam zijn om te ‘spelen’ met de energiestromen in je lichaam. Je kunt zo meer orde en structuur brengen in de beschikbaarheid van vitale prana-energie. Dat helpt op zijn beurt de denkgeest weer om zich te kunnen concentreren op de gedachtetraining die Jezus voorstaat. Net zoals het geen zonde is om een aspirientje te nemen om hoofdpijn te verlichten (T2.IV.4:1), is het net zo min ‘zondig’ om innerlijke lichaamsoefeningen te doen om de denkgeest te leren concentreren.

Probeer dus bijvoorbeeld eens om je ogen te sluiten en je aandacht vervolgens te richten op het stromen van de adem van je neus naar je longen, en weer terug. Of probeer je aandacht een poosje louter gericht te houden op hoe je je hartslag in je gehele lijf kunt voelen. Wat mij vooral bevalt is het opeenvolgend ‘aanzetten’ van de lichtjes van de zeven grote chakra’s in het lichaam, beginnend bij het stuitje, omhoog langs het borstbeen, en eindigend bij de fontanel. Je kunt oefenen met het steeds wat verder versterken van die ‘uitstraling’, totdat je hele lichaam zich in puur licht baadt. Hoewel dit soort oefeningen nergens door Jezus in zijn Cursus beschreven worden, kunnen ze wel helpen om je denkgeest minder snel te laten afleiden door externe stimuli. Om met de woorden van Kenneth Wapnick te spreken: het helpt in “het omwisselen van voorgrond en achtergrond“. Waar voorheen de materiële wereld altijd op de voorgrond stond en onze spirituele groei op de achtergrond, kunnen we dit nu omdraaien: we kunnen nu onze spirituele reis gemakkelijker naar de voorgrond brengen, terwijl de drukke materiële wereld wat meer naar de achtergrond verschuift. Kortom, een beetje oude wijsheid die nog steeds van praktische waarde is in onze oververhitte westerse samenleving.

— Jan-Willem van Aalst, mei 2017 (vertaling van: https://miraclesormurder.wordpress.com/2017/05/20/pratyahara/)

Elke dag oefenen dus!

Een klassieke bekende grap over muziek, meestal toegeschreven aan violist Jascha Heifetz, gaat over een toerist die hem beleefd vraagt: “Kunt u mij vertellen hoe ik in Carnegie Hall kom?” Waarop Heifetz met een volkomen strak gezicht antwoordt: “Oefenen, oefenen, oefenen!” Als we, analoog hieraan, de innerlijke vrede willen ervaren die Een cursus in wonderen ons belooft, dan zullen we de werkboeklessen moeten oefenen, oefenen, oefenen, want “… Een ongetrainde denkgeest kan niets tot stand brengen. Het is het doel van dit Werkboek je denkgeest te trainen om te denken volgens de richting die het Tekstboek aangeeft.” (WdI.In.1). Dit zal leiden tot “...een andere waarneming van alles en iedereen in deze wereld“. Deze Cursus is iets heel anders dan een gemiddeld schoolpracticum; het doel is niets minder dan een complete omkering van alle waarneming, en het opnieuw inregelen (of ongedaan maken) van de manier waarop de denkgeest tot nu toe opereert.

Hoewel Jezus ons instrueert om niet meer dan één les per dag te proberen, moedigt hij ons wel aan om het werkboek elke dag te oefenen. Iedere musicus weet dat zoiets een absolute randvoorwaarde is voor meesterschap. Een paar dagen niet oefenen merk je gelijk in je voordracht. En het oefenen gaat zelden gelijk perfect; daarom juist is het een oefening. Jezus weet heel goed dat zijn studenten de werkboeklessen niet perfect zullen beoefenen. Er is geen Cursusstudent die niet vroeg of laat bemerkte hoe snel de les voor vandaag was vergeten; soms een paar uur, soms zelfs meerdere dagen. Een belangrijk doel van het werkboek is om ons bewust te maken van onze enorme weerstand tegen Jezus’ boodschap, en hoezeer we onze eigen individuele speciaalheid met speciale doelen en afgoden nog koesteren.

Aan de ene kant waarschuwt Jezus ons ervoor om niet te perfectionistisch te zijn in het oefenen (“Probeer het niet toe te passen op alles wat je ziet, want deze oefeningen moeten geen ritueel worden”, WdI.1.3:5). Aan de andere kant spoort hij ons wel aan om de bereidheid op te brengen om het idee van de dag toe te passen zoals beschreven (” … Sta jezelf niet toe uitzonderingen te maken in de toepassing van de ideeën die het werkboek bevat, en – wat je reacties op de ideeën ook mogen zijn – gebruik ze. […] Juist het gebruik ervan zal ze betekenis voor je laten krijgen en je tonen dat ze waar zijn.” (WdI.In.9;8). Dat betekent dat onze dagelijkse oefening een soort koorddansen is tussen een zekere ‘ijverige discipline’ om de instructies op te volgen, maar er geen dwangmatige verplichting van te maken.

Het is bekend dat veel studenten zich meer op het Werkboek richten dan op het Tekstboek. Deels komt dat omdat Jezus’ taalgebruik in het Werkboek veel meer ‘rechttoe-rechtaan’ is dat de vaak abstracte, moeilijk te volgen passages in het Tekstboek. Maar belangrijker is dat het Werkboek in het algemeen veel luchtiger overkomt dan de soms tamelijk donkere, pijnlijke of grimmige passages in het Tekstboek. Aantrekkelijke lestitels zoals “Ik ben het licht van de wereld” (61); “Ik heb recht op wonderen” (77), “Verlossing is mijn enige functie hier” (99), “Er schuilt geen wreedheid in God en evenmin in mij” (170), en “Liefde is de weg die in dankbaarheid ga” (195), kunnen de student maar al te makkelijk ‘verleiden’ om louter en alleen het vreugdevolle deel van het leerplan te zien. De dagelijkse focus wordt dan het uitsluitend zien van Gods Liefde in alles.

Dat is echter maar de helft van Jezus’ boodschap. Als je vervalt in ‘gelukssulligheid’ (Kenneth Wapnick noemde het blissninnyhood), betekent dit dat je denkt dat het ego gemakkelijk terzijde geschoven kan worden. Maar eenieder die het Tekstboek wat beter heeft bestudeerd is het ongetwijfeld opgevallen hoe vaak Jezus ons probeert te doen realiseren hoe enorm gehecht wij nog steeds zijn aan de ego-gedachten die we verkozen te maken. We associëren onze gehele identiteit en veiligheid met onze speciale ego-persoonlijkheid. Willen we ooit ruimschoots gemotiveerd raken om die conditionering om te draaien, dan zal Jezus overduidelijk moeten zijn over de vlijmscherpe aard van het ego. Zolang we ons nog niet volledig bewust zijn van de inherente pijn in de ego-wereld, kunnen we het Werkboek oefenen tot we een ons wegen… maar we zullen niet wezenlijk veranderen. Niet echt. De motivatie die nodig is voor de verandering die Jezus voorstaat bereik je pas als je de pijn in je leven echt zat bent. We moeten een werkelijke omslag maken. Een vaak aangehaald Cursuscitaat van Jezus is: “Je mag dan veel pijn kunnen verdragen, maar daaraan is een grens. Uiteindelijk begint iedereen in te zien, hoe vaag ook, dat er een betere manier moet zijn. Wanneer dit inzicht vastere grond krijgt, wordt het een keerpunt” (T2.III.3).

Laten we eens een aansprekend voorbeeld bekijken uit Hoofdstuk 19; een voorbeeld dat zo uit een horrorverhaal had kunnen komen. Het illustreert Jezus’ manier om de kwaadaardigheid van het ego denksysteem duidelijk te maken; zijn ware aard, die we proberen te verbergen achter een masker van beschaving. Achter dat masker echter leeft iedereen op deze wereld onzeker, eenzaam, en in voortdurende angst: “De boodschappers van de angst worden door een schrikbewind afgericht, en ze beven wanneer hun meester ze oproept hem te dienen. Want angst is meedogenloos, zelfs voor zijn vrienden. Zijn boodschappers sluipen schuldbewust weg in hun hongerige zoektocht naar schuld, want hun meester hongert ze uit, laat ze verkleumen, en maakt ze vreselijk vals, en vergunt ze alleen zich tegoed te doen aan wat ze naar hem hebben teruggebracht. Geen flinter schuld ontsnapt aan hun hongerige ogen. En in hun bloeddorstig zoeken naar zonde storten zij zich op elk levend wezen dat ze zien, en slepen het schreeuwend voor hun meester, om te worden verslonden. […] Ze zullen je berichten brengen van botten, vel en vlees. Hun is geleerd naar het bederfelijke op zoek te gaan, en terug te keren met de strot vol bedorven en verrotte dingen. Voor hen zijn dergelijke dingen prachtig, want ze lijken hun knagende, razende honger te stillen. Want ze zijn uitzinnig van angstpijn, en willen de straf afwenden van hem die ze uitgezonden heeft door hem dat te bieden wat ze dierbaar is.” (T19.IV-A.12:3-7;13:2-5).

Als dat nog niet overtuigend genoeg is, probeer dan eens Hoofdstuk 23 over de wetten van de chaos. De manier waarop Jezus ons systematisch deze ‘wetten’ van de wereld van tijd en ruimte en perceptie voorschotelt, laat geen ruimte meer voor enige twijfel over de “doden of gedood worden”-mentaliteit van alles hier; misschien niet altijd fysiek, maar in elk geval psychologisch. Hoe hard je ook probeert om je masker van geluk op te houden, worsteling en teleurstelling zijn nooit ver weg. Jezus heeft een gelukkige leerling nodig, die én de illusoire aard van deze nachtmerrie doorziet, én de ‘gelukzalige’ waarheid van zijn ware Identiteit als Zoon van God aanvaardt (samen met zijn broeders en alle levensvormen); maar Jezus wil er ook voor zorgen dat deze gelukkige leerling de juiste motivatie heeft gevonden om werkelijk door te zetten. Wat denk je dat een leerling meer zal motiveren: (a) hem alleen maar vertellen dat er iets veel beters is dan zijn huidige waargenomen levenswijze; of (b) overduidelijk, maar tegelijkertijd in alle kalmte, de pijn die we voortdurend proberen te verdoven weer volledig in het bewustzijn te brengen, om hem [de leerling] vervolgens uit te nodigen om samen met hem [Jezus] de werkelijke wereld (de poort naar de Hemel) te bereiken?

Als je dit leerplan echt serieus wilt nemen, bestudeer dan het Tekstboek en de Handleiding voor leraren grondig, en oefen ijverig met de werkboeklessen. Oefenen, oefenen, oefenen! Het verschil met muzikale ijver is dat we Jezus’ lessen niet zonder hem zouden moeten proberen. We zouden de bereidheid moeten opbrengen om een stapje terug te doen en Jezus (of de Heilige Geest) uit te nodigen om ons te leiden in onze oefening. Ik genees mijn denkgeest niet; ik sta toe dat mijn denkgeest wordt genezen. Maar dat lukt alleen als ik elke dag die bereidheid wil opbrengen. Alleen dankzij een goed begrip van het Tekstboek kan ik inzien waarom dat zo verrot moeilijk is. Dankzij Jezus’ geduldige uitleg besef ik nu én hoe groot de onbewuste pijn van het ego eigenlijk is, én wat het gelukkige alternatief is. Alleen dan heb ik de juiste ‘mindset’ voor het beoefenen van de werkboeklessen. Natuurlijk zal ik de werkboeklessen nog steeds niet  ‘perfect’ doen, maar ik kan mezelf er altijd aan herinneren dat de uitkomst van Jezus’ leerplan al vast staat: “Het draaiboek is geschreven. Wannéér ervaring een eind komt maken aan jouw twijfelen staat vast. Want we zien de reis slechts vanaf het punt waarop ze eindigde en kijken erop terug, terwijl we ons inbeelden dat we haar nog eens maken; en we zien mentaal opnieuw wat is voorbijgegaan.” (WdI.158.4:2) Deze Cursus is een opleiding waar niemand voor kan zakken! Wie zou nog meer motivatie nodig hebben?

— Jan-Willem van Aalst, mei 2017 (vertaling van https://miraclesormurder.wordpress.com/2017/05/13/its-the-daily-practice-stupid/)

 

 

Waarom takelt het lichaam af?

Iedereen beschouwt het ogenschijnlijk onvermijdelijke verval en de dood van het fysieke lichaam als één van de onwrikbare waarheden van het leven. Veel godsdiensten zien het als Gods bestraffing voor onze kardinale zonde van ongehoorzaamheid. Wetenschappers zijn er nog steeds niet uit waarom entropie (verval) onvermijdelijk lijkt. Waarom takelt het lichaam eigenlijk af?

In tegenstelling tot wat de meeste religies voor honderden, soms duizenden jaren onderwijzen, stelt Een cursus in wonderen dat God het lichaam niet heeft geschapen (T22.5:5); sterker nog, dat Gods niets van materie heeft geschapen, omdat God louter Liefde creëert (zie bijv. WdI.173). Het lichaam is een misleidende hallucinatiepoging van het ego om op zichzelf te kunnen zijn. Het ervaren van het lichaam ‘bewijst’ dat de afscheiding van God daadwerkelijk is gelukt. Maar als het ego het lichaam heeft verzonnen om aan God te ‘bewijzen’ dat het heel goed los van Hem kan staan, waarom zou het dan een lichaam maken dat aftakelt en sterft? Als het ego stelt dat het over God kan triomferen, zou het dan niet veel overtuigender zijn om een lichaam te maken dat eeuwig leeft? Waarom het verval?

Om hier een plausibel antwoord op te vinden, zouden we eerst nog wat beter moeten kijken naar waarom het ego het lichaam verzon. In het ontologische moment van afscheiding (wat in de kwantumfysica een kwantummogelijkheid heet, in dit geval de mogelijkheid van het afscheiden van God) ‘vertelde’ het ego de schijnbaar slapende Zoon van God direct dat God Zijn Zoon vanzelfsprekend streng zou straffen voor zo’n zondige daad. Het gevolg: schuldgevoel en doodsangst! Gelukkig, zo adviseert het ego, is er een manier om deze straf te ontlopen, namelijk: verstoppen in een schier oneindige hoeveelheid versplinterde fragmentjes. Deze ‘oplossing’ van vrijwel eindeloze verdere afscheiding is natuurlijk de enige ‘oplossing’ die het ego kan aandragen, want het ego is het idee van afscheiding. De schijnbaar slapende Zoon, die overspoeld is met schuld en met doodsangst de straf al ziet aankomen, luistert naar het ego en besluit tot de Oerknal. Vanaf dat moment lijken tijd en ruimte te bestaan. Miljarden ‘lichamen’ lijken zich te verspreiden in de leegte.

Het eerste doel van het ego – schuilen voor Liefde, de staat van Eenheid – is nu behaald. Omdat de Zoon ervoor koos het advies van het ego op te volgen, is Eenheid nu uit het bewustzijn van de schijnbaar slapende Zoon van God gewist. De Zoon van God is er nu rotsvast van overtuigd dat hij een lichaam is. Hoewel er een vaag gevoel van ambivalentie over het lichaam is, beschouwt hij het nochtans als zijn identiteit en zijn veiligheid. In Een cursus in wonderen beschrijft Jezus het lichaam in iets andere termen: “Het lichaam is een nietig hekje rond een klein deel van een glorierijk en compleet idee. Het trekt een cirkel, oneindig klein, rond een minuscuul segment van de Hemel dat zich van het geheel heeft afgesplitst, en het verkondigt dat jouw koninkrijk daarbinnen ligt, waar God geen toegang vindt.” (T18.VIII.2:5). Als je je eigen lichaam beschouwt ten opzichte van de kosmos, dan klopt dat wel ongeveer.

In werkelijkheid is dit alles volstrekt illusoir, maar laten we het verloop van die illusie eens verder volgen, omdat iedereen die nog steeds op de psychologische automatische piloot leeft, dit nog steeds rotsvast als zijn realiteit beschouwt. Het ego moet ervoor zorgen dat de Zoon van God nooit van gedachten zal veranderen over de keuze voor het ego, want dat zou beslist het einde van zijn regering betekenen. Het ego zorgt er dus voor dat het lichaam voortdurend aandacht nodig heeft, zodat er geen ruimte is voor de herinnering aan Eenheid. Wat werkt er beter om de aandacht op het lichaam gevestigd te houden dat het lichaam behoeftig te maken? We moeten elke zoveel seconden ademen, en als we niet dagelijks drinken en eten, is het snel afgelopen met het lichaam. We moeten voortdurend alert zijn op onze voeding en lichaamsbeweging, willen we niet ten prooi vallen aan legers van bacteriën, virussen en parasieten. Voor de meeste ‘levende wezens’ geldt dat het lichaam zóveel aandacht opeist dat enige psychologische of spirituele visie totaal buiten scope blijft. En intussen glimlacht het ego.

Er is echter nog een andere, veel belangrijkere reden voor het ego om de vergankelijkheid van het lichaam te benadrukken. Een lichaam dat aftakelt en sterft is het ultieme ‘bewijs’ dat Eenheid een leugen is: de aanval en afscheiding van God zijn ontegenzeggelijk werkelijk gebeurd. God is verslagen; het ego heeft gewonnen. Onze lichamen vertellen ons in elk geval één ding overduidelijk: dat we anders zijn dan de Eenheid van God. We zijn op onszelf; het is gelukt! Overweeg dit citaat uit de Cursus: “…als zijn Eenheid nog steeds onaangetast was, wie zou dan kunnen aanvallen en wie zou aangevallen kunnen worden? Wie zou overwinnaar kunnen zijn? En wie diens prooi? Wie zou slachtoffer kunnen zijn? En wie de moordenaar? En als hij niet doodging, welk ‘bewijs’ is er dan dat Gods eeuwige Zoon kan worden vernietigd?” (Wd2.5.2:4). Aangezien het ego het idee van aanval en afscheiding is, kan het slechts voortdurend aanvallen en afscheiden, zelfs in de verzonnen wereld van tijd en ruimte. Daarom moeten lichamen wel aanvallen en worden aangevallen, met de dood tot gevolg, omdat het ego niet iets anders dan zichzelf kan zijn.

Nou, daar zijn we dan: we luisterden naar het verleidelijke gefluister van het ego om autonomie uit te proberen… om vervolgens te merken dat we in een afgescheiden lichaam leven dat op de tijdlijn van de kosmos maar heel eventjes leeft; we zijn als oplichtende vuurvliegjes in de nacht. Zou de schijnbaar slapende Zoon van God hier werkelijk content mee kunnen zijn? Natuurlijk niet! Als je goed naar de wereld kijkt, zie je dat slechts zeer weinig mensen zich in een staat bevinden die ook maar enigszins als ‘gelukkig’ kan worden omschreven. Maar ja, deze ellende is ontegenzeggelijk beter dan het morbide schuldgevoel en de doodsangst voor de verschrikkelijke woede van God over onze ‘oerzonde’ van onze aanval en afscheiding van Hem. Liever ervaar ik een bestaan als een soms pijnlijk individueel lichaam, dan de vernietiging onder ogen te zien die mij ongetwijfeld te wachten zou staan als ik terug zou keren naar de Schepper die ik heb afgewezen. Daarom onderwijst Jezus ons dat wij niet werkelijk angstig zijn voor de kruisiging (d.w.z, de dood); onze werkelijke angst betreft de verlossing (T13.III.1:10), dat wil zeggen het verdwijnen van onze individualiteit zodra we wederom voor Liefde (Eenheid) zouden kiezen. En dus aanvaarden we lichamelijk verval als onwrikbare waarheid. We zijn volstrekt waanzinnig, maar de waanzin lijkt in elk geval logisch in elkaar te zitten.

Dat zet pogingen van wetenschappers om te proberen onze levensduur te verdubbelen in een heel ander licht. Ongetwijfeld zal het ze uiteindelijk lukken om de levensduur van de lichaamscellen flink op te schroeven. Er zijn al laboratoriumexperimenten bekend met cellen van kippen die aantonen dat ze tot tien keer langer kunnen meegaan zolang er geen enkele vorm van stress is. Maar dat is gelijk het addertje onder het gras: een leven zonder stress is onmogelijk in de dualiteit, zolang er nog ook maar één flintertje schuldgevoel resteert betreffende de ervaren oerzonde en de gevolgen daarvan. En zodra we uiteindelijk werkelijk de Verzoening aanvaarden en de werkelijke wereld bereiken in ons bewustzijn, zonder schuld en angst, dan zullen we niet langer meer de voorkeur geven aan het lichaam als onze identificatie. Dus de notie van ‘eeuwig leven in tijd en ruimte’ is per definitie een fabeltje.

Mocht je op dit punt vooral walging voelen over je lichaam, wacht dan even. Jezus herinnert ons eraan in het vijfde essay van deel 2 van het werkboek (“Wat is het lichaam?”), dat alles afhangt van het doel waar iets voor is. Waar we voorheen het lichaam hebben gebruikt voor aanval, afscheiding, verval en dood, kunnen we “…het doel veranderen waaraan het lichaam zal gehoorzamen, door anders te gaan denken over waartoe het dient.” (WdII.5.3:5). Met andere woorden, we kunnen het lichaam ook gebruiken als middel waarmee de schijnbaar slapende Zoon van God zijn denkgeest kan transformeren naar juist-gericht denken. Hoe? “De Zoon van God reikt zijn broeder de hand om hem te helpen samen met hem de weg te gaan. Nu is het lichaam heilig. Nu dient het om de denkgeest te genezen, terwijl het gemaakt was om die te doden. Je zult je vereenzelvigen met dat waarvan jij denkt dat het jou veiligheid biedt. […] Liefde is jouw veiligheid. Angst bestaat niet. Vereenzelvig je met liefde en je bent veilig. […] Vereenzelvig je met liefde en vind jouw Zelf.” (WdII.5.4:3-8).

Uiteindelijk maakt het totaal niet uit dat het lichaam onvermijdelijk aftakelt en sterft. Dit hoort bij de droom die we hebben gekozen, om te proberen afscheiding te kunnen ervaren. Het is niet de waarheid: “niet één noot in het Lied van de Hemel werd gemist” (T26.V.5). Als we door het bestuderen en vooral beoefenen van een leerplan zoals Een cursus in wonderen ons weer met ons ware Zelf kunnen leren identificeren, zijn we uitstekend op weg om de innerlijke vrede weer te ervaren die onze bron is; de Vrede van de Schepper, die geen greintje wrok heeft over wat wij dachten Hem aangedaan te hebben. Wij zijn als de verloren zoon uit de bijbel: bang om weer naar Huis terug te keren. Leer om in mildheid je broeder te vergeven voor alle vergissingen die je in hem zag, en leer zo over de Liefde voor je Zelf en voor God. Dat is de ‘koninklijke weg’ naar blijvende innerlijke vrede.

— Jan-Willem van Aalst, mei 2017 (vertaling van https://miraclesormurder.wordpress.com/2017/05/06/why-do-bodies-decay/)

 

Verkeerswoede als les

Wat is gewoonlijk jouw reactie als je wordt afgesneden op de snelweg? voor velen komt het neer op een combinatie van aanvankelijke schrik (want ja, het verkeer staat hoog op de lijst van doodsoorzaken) en vervolgens woede. Misschien merk je bij jezelf gedachten in de trant van: “Hoe durf je anderen zo in gevaar te brengen? Je eigen leven op het spel zetten is één ding, maar je hebt geen recht om het mijne in gevaar te brengen! Hork! Is een beetje fatsoen op de weg teveel gevraagd? Toon wat respect!” Kortom, de tirade richt zich in het algemeen volledig op de ‘dader’, totdat het adrenalineniveau weer een beetje wil zakken.

Weinigen realiseren zich dat je met dergelijke reacties, hoe begrijpelijk ook, eerst en vooral jezelf aanvalt, terwijl er bij de ‘dader’ helemaal niets verandert. Op fysiek niveau zou je er van staan te kijken hoeveel ‘giftige’ stoffen je hersenen je bloedbaan insturen door de schrik en woede. ‘Goed voor je lichaam zorgen’ gaat niet goed samen met regelmatig hoge niveaus van adrenaline en cortisol. Als je je volledig zou realiseren dat schrik en woede feitelijk een chemische aanval op je eigen lichaam zijn, zou je je misschien wel twee keer bedenken om steeds zo boos te worden. Misschien zeg je dat de cortisol in je bloedbaan veroorzaakt werd door de bestuurder die jou afsneed, en dat het niet jouw eigen keuze was. Maar is dat zo?

Een cursus in wonderen onderwijst ons dat er geen wereld is (WdI.132.3.2:1), en dat woede nooit gerechtvaardigd is, maar de Cursus zou niet erg behulpzaam zijn als die het daarbij zou laten. In Een cursus in wonderen spoort Jezus ons aan om onze gevoelens niet te ontkennen of te onderdrukken, maar om de denkgeest te trainen om te leren kijken naar onze interpretatie van de situatie — van een afstandje, zonder oordeel. Om ons vervolgens dit citaat weer te herinneren: “Projectie maakt waarneming“. (T13.V.3:5; T21.In.1). Dit biedt ons een geheel ander referentiekader om onze woede over het afgesneden te worden opnieuw te bekijken. Je ‘eis’ om opgemerkt en met respect behandeld te worden, komt blijkbaar voort uit de projectie van iets anders. Als goede Cursusstudenten weten we natuurlijk wat dat ‘iets anders’ is we eisen opgemerkt en met respect behandeld te worden door God, wat Hij steeds maar niet doet. “Je was in vrede tot je om een speciale gunst hebt gevraagd. En God heeft die niet verleend, want het verzoek was Hem wezensvreemd, en je kon zoiets niet vragen van een Vader die Zijn Zoon waarlijk liefheeft. Daarom heb jij van Hem een liefdeloze vader gemaakt, en van Hem geëist wat alleen een dergelijke vader geven kon.” (T13.III.10:2-4). En dus vinden we iedereen die ons niet opmerkt en met respect behandelt, liefdeloos en schuldig.

Vaak komt er nog een extra projectie bij als het om autoriteitsfiguren gaat, gewoonlijk onze ouders. Mensen die in hun vroege kindertijd weinig aandacht van hun ouders kregen, hebben de neiging sneller van streek te raken als familie, vrienden of collega’s ze niet steeds respect en aandacht geven. Ook deze projectie gaat terug naar het ontologische ogenblik dat wij (als de slapende Zoon van God) ogenschijnlijk het idee van autonomie serieus leken te nemen, en van God eisten dat Hij ons bestaan erkende, wat Hij natuurlijk niet doet. De realiteit van de waarheid is onveranderlijk, zonder concepten, zonder enig onderscheid, zonder iets dat zich gewaar kan zijn van iets anders. De Zoon van God kan dromen dat hij iets wenst dat niet in lijn is met de Wil van zijn Schepper, maar hij kan dat niet tot werkelijkheid maken. “De denkgeest kan denken dat hij slaapt, maar dat is alles. Hij kan niet veranderen wat zijn waaktoestand is.” (WdI.167.6:1)

We blijven ons koppig vastklampen aan deze nachtmerrie van schijnbare autonomie, totdat de pijn ons teveel wordt. Herinner je de troostende woorden uit hoofdstuk 2: “Je mag dan veel pijn kunnen verdragen, maar daaraan is een grens. Uiteindelijk begint iedereen in te zien, hoe vaag ook, dat er een betere manier moet zijn. Wanneer dit inzicht vastere grond krijgt, wordt het een keerpunt. Dit laat geestelijke visie uiteindelijk opnieuw ontwaken en tegelijk de investering in de fysieke blik afnemen.” (T2.III.3:1). Velen hebben dit keerpunt ervaren, gewoonlijk na een intens pijnlijke ervaring, hetzij fysiek, mentaal, financieel, sociaal, of emotioneel. Als Een cursus in wonderen zich op hun levenspad aandient, beginnen ze zich te realiseren dat vergeving het betere pad is. Maar ze gaan zich ook realiseren dat vergeving, zoals Jezus dat onderwijst, iets heel anders is dan hoe zij er tot dan toe over dachten.

Als jij op de snelweg merkt dat je wordt afgesneden, en je hebt jezelf aangeleerd om direct iets te denken zoals: “Ja, je hebt me afgesneden, hufter, maar ik ga je vergeven omdat ik spiritueel verder ben dan jij, en ik ga mezelf niet aanvallen om wat jij mij hebt aangedaan”, dan hou je jezelf voor de gek. Zoals Jezus uitlegt in de “Psychotherapie” aanvulling (vanaf de derde editie in het boek opgenomen), komt dit neer op “vergeving-ter-vernietiging” (P.II.2). Door mijn eigen waardigheid boven die van jou te stellen, zeg ik eigenlijk dat ik Gods liefde waardig ben, en jij niet. Bovendien stel ik dat ik in staat ben om te oordelen wie waardig is en wie niet. En nog erger: ik ben er nog steeds rotsvast van overtuigd dat anderen fundamenteel verschillen van mijn eigen glorieuze zelf. Dat is natuurlijk niet het ideale uitgangspunt om ware vergeving mee te oefenen.

“Er moet vooral worden opgemerkt dat God slechts één Zoon heeft. Als al Zijn scheppingen Zijn Zonen zijn, moet elk een integraal deel van het gehele Zoonschap uitmaken. Het Zoonschap in zijn Eenheid overstijgt de som van zijn delen.” (T2.VII.6:1-3). Ware vergeving is alleen mogelijk als ik me realiseer dat iedereen dezelfde Zoon van God is, ongeacht het gedrag wat ik waarneem. Als ik mijn denkgeest kan trainen om elk gedrag vanuit dergelijke spirituele visie te bezien, dan kan ik de betekenis van wat ik waarneem veranderen in ware perceptie: “Hij is op dat moment misschien niet verstandig, en het staat vast dat hij niet verstandig zal zijn zolang hij vanuit het ego spreekt [of handelt]. Maar het is nog altijd jouw taak hem te zeggen dat hij juist is. Je zegt hem dat niet met zoveel woorden als hij onzin praat. De correctie die hij nodig heeft, ligt op een ander vlak, omdat zijn vergissing op een ander vlak ligt. Hij is nog altijd juist, omdat hij een Zoon van God is. Zijn ego is altijd mis, wat het ook zegt of doet. Als jij op de fouten van je broeders ego wijst, moet je daar wel met het jouwe naar kijken, want de Heilige Geest neemt zijn vergissingen niet waar.” (T9.III.2:5-3:1).

Het is niet Jezus’ bedoeling om ons schuldig te laten voelen, telkens als we schrik of woede ervaren als we worden afgesneden op de snelweg, omdat we nu eenmaal nog vasthouden aan ons geloof in een afgescheiden bestaan. Het mooie aan Een cursus in wonderen als spiritualiteit is dat die niet van ons vraagt onze ervaringen in de dualiteit te ontkennen of te onderdrukken. De Cursus biedt ons een zeer doeltreffende manier om onze denkgeest te trainen voor vrede te kiezen waar we voorheen voor pijn kozen, door alles wat ons overkomt te herinterpreteren als een nuttige les in het lokaal dat we ‘dualiteit’ noemen. Dus de volgende keer dat ik word afgesneden op de snelweg, neem ik mij voor om mezelf niet schuldig te voelen over mijn schrik of boosheid, maar zal ik proberen iets sneller het punt te bereiken waarop ik mijn emoties zonder oordeel kan gadeslaan, en concluderen: “Ah, daar ga ik weer. Laat ik mij weer eens beseffen hoe gehecht ik nog steeds ben aan mijn individualiteit en persoonlijkheid. Dat is oké voor nu. Ik heb zojuist een vergevingsles aangeboden gekregen in de lesruimte van mijn leven.” In die lesruimte hebben we een bijzonder behulpzame gids, genaamd de Heilige Geest (je mag ook Jezus kiezen, als manifestatie van de Heilige Geest). Nodig hem uit door tegen jezelf te zeggen: “Beste Heilige Geest (of Jezus), help me alsjeblieft dit anders te bezien. Ongeacht welk gedrag ook, deelt iedere schijnbaar afgescheiden Zoon van God nog steeds dezelfde Bron, dezelfde Identiteit. Help me om voor vrede te kiezen in plaats van voor pijn. Help me alsjeblieft deze les werkelijk te leren.”

De keuze om veroordeling los te laten is de keuze voor de Heilige Geest. Probeer het eens zodra je weer de weg opgaat. Kies ervoor een gelukkige leerling van Jezus’ leerplan te zijn. Ervaar de innerlijke vrede, telkens als het je lukt om de les toe te passen. Een dergelijke verandering van gedachten weerspiegelt zich beslist in je lichaam, omdat de kwaliteit van de chemische samenstelling van je bloed veel beter zal zijn. En mocht het je vandaag toch niet lukken, dan kun je in elk geval je voornemen versterken om het de volgende keer nog eens te proberen, omdat je nu beseft dat de pijn van veroordeling nergens meer toe dient. Dit is een leerplan dat iedereen uiteindelijk gegarandeerd onder de knie zal krijgen. Het is aan jou hoe lang je erover doet om het leerplan af te ronden. “Het is slechts een kwestie van tijd tot iedereen de Verzoening heeft aanvaard. Door de onvermijdelijkheid van de uiteindelijke beslissing kan dit in tegenspraak lijken met de vrije wil, maar dat is niet het geval. Je kunt tijd rekken en je bent tot immens uitstel in staat, […] Maar de uitkomst is zo zeker als God.” (T2.III.3:1). Dus waar wachten we nog op?

— Jan-Willem van Aalst, april 2017 (vertaling van https://miraclesormurder.wordpress.com/2017/04/22/road-rage-as-a-classroom/)