Blog

Vergeven is vergeten

Het valt studenten van Een cursus in wonderen ongetwijfeld op dat in de tekst nadrukkelijk onderscheid wordt gemaakt tussen zonde en vergissing. Als je ooit enige mate van blijvende innerlijke vrede wilt ervaren, dan is een goed begrip van dit onderscheid cruciaal. Een zonde is permanent, onherroepelijk en onvergeeflijk. De zondaar is voorgoed schuldig, en dat zal nooit veranderen. In de Cursus gebruikt Jezus de beeldspraak van een bloedvlek om de ernst van zonde te beschrijven: “De bloedvlek kan nooit worden verwijderd, en ieder die deze smet op zich draagt, moet de dood smaken.” (H17.7:13). Een vergissing echter, is slechts een fout die hersteld en dus ongedaan gemaakt kan worden, en zo geheel vergeten kan worden.

Dit onderscheid tussen zonde en vergissing wordt met name besproken in hoofdstuk 19 van het tekstboek. In (T19.II.1) lezen we: “Het is van wezenlijk belang dat een vergissing niet met zonde wordt verward, en juist dit onderscheid maakt verlossing mogelijk. Want een vergissing kan worden gecorrigeerd, en het kromme rechtgemaakt. Maar zonde, zo die al mogelijk was, zou onomkeerbaar zijn. […] Zonde is geen vergissing, want zonde gaat gepaard met een arrogantie die vreemd is aan het idee van een vergissing. Zondigen zou zijn: de werkelijkheid geweld aandoen, en daarin slagen. Zonde is de verkondiging dat aanval iets werkelijks is en schuld gerechtvaardigd.” Jezus legt vervolgens uit waarom het ego zo koppig vasthoudt aan het idee dat zonde nooit gecorrigeerd kan worden: het is namelijk de beste manier om iemand te beschuldigen van wreedheid en aanval, waarmee je zelf automatisch een onschuldig ‘slachtoffer’ wordt. Mijn wens om de overtuiging in stand te houden dat niet ik zondig ben, maar iemand anders, kan ik alleen vervullen door voortdurend te zoeken naar schuldige personen of ‘slechte’ situaties.

Vergis je niet in hoe gretig jij en ik nog vasthouden aan het idee van zonde in iemand anders. In (T-19.II.5) lezen we: “Elke poging om zonde als een vergissing te herinterpreteren is voor het ego altijd onverdedigbaar. Het idee van zonde is in zijn denksysteem volkomen sacrosanct en niet te benaderen anders dan met eerbied en ontzag. Het is het meest ‘heilige’ concept in het egosysteem: geliefd en machtig, volkomen waar, en uiteraard beschermd door elk verdedigingsmiddel dat tot zijn beschikking staat. Want dit is zijn ‘beste’ verdediging, waaraan al de andere dienstbaar zijn. Dit is zijn pantser, zijn bescherming, en de fundamentele bedoeling van de speciale relatie volgens zijn interpretatie.” Verderop in de tekst ontmaskert Jezus de geheime, diep verborgen angst die ons in ons onbewuste achtervolgt: de angst dat ik feitelijk de echte zondaar ben (omdat ik God mijn Schepper heb verlaten). Het zien van zonde in anderen is dus feitelijk een projectie van de angst dat ik de echte zondaar ben, die God zonder twijfel zal straffen in het gevreesde Laatste Oordeel. En dus vul ik de dagen van mijn leven met het verzamelen van ‘bewijzen’ voor God dat anderen zondig zijn, en ik onschuldig.

Een pijnlijk voorbeeld van deze projectie, en de weigering om het onderscheid tussen zonde en vergissing te aanvaarden, zien we bij de Joden die de Tweede Wereldoorlog overleefden. Hun bekende uitspraak “wij zullen vergeven, maar nooit vergeten” illustreert duidelijk hun conclusie dat wat toentertijd is gebeurd een bloedvlek is die nooit meer verwijderd kan worden. De Nazi-Duitsers zouden door God gestraft moeten worden, en al hun onschuldige slachtoffers zouden toegelaten moeten worden tot de Hemel. Het punt hier is niet om de verschrikkingen van de Tweede Wereldoorlog te ontkennen — die zijn grondig en betrouwbaar genoeg gedocumenteerd. Maar het besluit om uitsluitend de slechtheid van de ‘zondige’ Duitsers te blijven zien, betekent het springlevend houden van de pijn in de denkgeest.  De pijn ligt niet eens zozeer in de herinnering op zich, maar in het blijvend veroordelen van degenen die de misdaden begingen. Zolang ik blijf weigeren om te erkennen dat zelfs de grootste oorlogsmisdadiger nog altijd een Zoon van God is, kies ik voor niet-vergeving in mijn denkgeest, waarmee ik mezelf de blijvende innerlijke vrede ontzeg die ik zo graag wil. Het gebruikelijke argument voor de uitspraak “Wij zullen vergeven, maar nooit vergeten” is dat we van het verleden kunnen leren, om te voorkomen dat zo’n hel ooit nog eens gebeurt. Het is zeker waar dat we van het verleden kunnen leren, maar dat is iets heel anders dan dit te gebruiken als argument om maar te kunnen blijven veroordelen.

We hoeven heus niet naar het Joodse volk te vingerwijzen vanwege dit denkmechanisme — wij passen dit allemaal van dag tot dag toe in onze dagelijkse levens. Neem maar eens een moment om je denkgeest te bekijken, dat wil zeggen: boven het slagveld, als observator. Het kost je waarschijnlijk geen moeite om een lijstje te maken van mensen die je beslist niet mag, en situaties die jou angstig maken (omdat jij er geen invloed op hebt, uiteraard). Zoals Kenneth Wapnick vaak benadrukte in zijn essays en workshops, hoeven we slechts te kijken naar de relatie met onze ouders, of andere autoriteiten zoals leraren of managers. Talloze generaties volwassenen hebben de pijn weggestopt over de liefde die ze vonden dat ze verdienden, maar van hun ouders nooit hebben ontvangen. Talloze werknemers hebben zich slachtoffer gevoeld op hun werk omdat ze nooit de beloning kregen die ze vonden dat ze verdienden. De sleutel is dat ik er steeds voor kies om pijn te ervaren, zodat ik kan blijven veroordelen. Nogmaals, de reden dat ik daarvoor kies is omdat ik zo mijn doodsangst kan projecteren dat ik de zondaar ben die God heeft afgewezen, en daarom gestraft zou moeten worden. Om dat te kunnen vergeten zoek ik steeds geschikte zondebokken zoals de autoritaire figuren hierboven.

Gelukkig geeft dit besef over projectie gelijk ook de juiste richting aan om uit deze hel te kunnen ontsnappen. Als ‘vergeven’ feitelijk betekent ‘vergeten’, dan moet ik daarvoor een kraakheldere, overtuigende en onloochenbare reden vinden, anders zal ik nooit bereid zijn om wat dan ook te vergeten. Deze overtuigende reden, zoals ik vaak in deze blogs beschrijf, is de gewaarwording dat ik niet een individu ben in een boze, onbeheersbare wereld, maar dat ik de dromer van de droom van afscheiding ben. Onze gehele droomwereld is holografisch: het geheel is vervat in elk deeltje. Dit geldt zowel voor het ego-denksysteem als dat van de Heilige Geest. De metafysica van Een cursus in wonderen moet tot op zekere hoogte begrepen worden om er werkelijk van overtuigd te zijn dat ware vergeving beter is dan voortdurende veroordeling. De Heilige Geest gebruikt de genoemde autoriteiten als ‘lessen in liefde’ voor ons. Wij krijgen zo vele gelegenheden om onze relatie met hen te heroverwegen, om vervolgens ervoor te kiezen onze gedachten te laten leiden door de Heilige Geest, waarmee onvoorwaardelijke Liefde automatisch het gat vult dat het ‘vergeten van veroordelen’ had achtergelaten.

Alleen door het besef dat onze schijnbare afscheiding in miljarden en miljarden afgescheiden fragmentjes een zotte klucht is, kunnen we ons langzaamaan realiseren dat, vanuit de geest beschouwd, ik en mijn ouders, mijn leraren en mijn manager helemaal geen verschillende belangen hebben: wij zijn allen de ene Zoon van God, die er nog voor kiest om in de droomwereld in slaap te blijven. Het beoefenen van ware vergeving (dat wil zeggen, het vergeten van alle veroordeling die ik voorheen koos) is de ‘koninklijke weg’ om deze droomwereld gestaag terug te brengen naar haar bron, alwaar die in het niets zal verdwijnen waaruit die ooit voort leek te komen. De keuze om deze dagelijkse wereld waarin we leven zo te bezien wordt visie genoemd in Een cursus in wonderen. En visie kan alleen nu gekozen worden. Ter afsluiting lezen we een inspirerende gedachte uit werkboekles 164, die de essentie van deze boodschap goed verwoordt.

“Op welk ander tijdstip dan nú kan de waarheid worden herkend? Het heden is de enige tijd die er is. En dus gaan we vandaag, op dit ogenblik, nu, kijken naar wat er altijd is, niet in onze ogen, maar in de ogen van Christus [d.w.z., Liefde]. Hij kijkt voorbij de tijd en ziet de eeuwigheid daar weergegeven. Hij hoort de geluiden die de zinloze, drukke wereld produceert, maar Hij hoort ze vaag. Want voorbij dit alles hoort Hij het gezang van de Hemel en de Stem namens God [Liefde] helderder, betekenisvoller, dichterbij.
De wereld vervaagt moeiteloos voor Zijn blik. Haar geluiden worden zwak. Een melodie van ver voorbij de wereld wordt almaar en almaar duidelijker: een aloude roep waarop Hij een aloud antwoord geeft. Je zult ze allebei herkennen, want het is slechts jouw antwoord op je Vaders Roep tot jou. Christus antwoordt voor je, als echo van jouw Zelf, waarbij Hij jouw stem gebruikt om Zijn vreugdevolle instemming te bieden en jouw bevrijding voor jou aanvaardt.
Hoe heilig is je oefenen vandaag wanneer Christus jou Zijn blik schenkt en voor jou luistert, en in jouw naam de Roep beantwoordt die Hij hoort! Hoe rustig is de tijd die jij eraan geeft om met Hem door te brengen, voorbij de wereld. Hoe makkelijk zijn al je schijnbare zonden vergeten en wordt al je ellende niet meer herinnerd. Op deze dag wordt verdriet terzijde gelegd, want beelden en geluiden die van dichterbij dan de wereld komen, zijn helder voor jou die vandaag de gaven die Hij geeft, aanvaarden wil.”

— Jan-Willem van Aalst, november 2016 (vertaling van https://miraclesormurder.wordpress.com/2016/11/26/forgiving-is-forgetting/)

Advertenties

Leven vanuit dankbaarheid

Voor veel studenten van Een cursus in wonderen lijkt het leerplan zo nu en dan een onuitvoerbare taak. Het is tenslotte een trainingsprogramma waarvoor je “…bereid [moet] zijn iedere waarde die jij eropna houdt in twijfel te trekken. Niet één kan er verborgen en in het duister gehouden worden, of deze zal jouw leerproces in gevaar brengen.” (T24.In.2:1). We lezen over de wetten van de chaos, die geheel onbewust — maar wel doelbewust — ons leven sturen. Zelfs hoewel je volhoudt “… dat je deze onzinnige wetten niet gelooft, en er ook niet naar handelt…”, verzekert Jezus ons: “Broeder, je gelooft ze.” (T23.II.18:3). Dit wordt ons vrijwel dagelijks duidelijk, telkens als we ons realiseren dat we de werkboekles voor die dag toch niet zo perfect hebben gedaan als we ons hadden voorgenomen. Auw! Op een gegeven moment vragen we ons zuchtend af hoe we ooit de volledige ommekeer van gedachten gaan bereiken die de Cursus van ons verlangt.

Hoe verfrissend is het dan om Jezus zijn opdracht aan ons veel eenvoudiger verwoord te zien, al vroeg in het tekstboek: “Jouw dankbaarheid jegens je broeder is het enige geschenk dat ik [van je] verlang. Ik zal het voor jou bij God brengen, in de wetenschap dat je broeder kennen hetzelfde is als God kennen. […] Door jouw dankbaarheid leer jij je broeder kennen, en één ogenblik van werkelijke herkenning maakt iedereen tot jouw broeder, want iedereen is afkomstig van je Vader.” (T4.VI.7:2). En ook in hoofdstuk 9: “Als je wilt weten of je gebeden verhoord zijn, twijfel dan nooit aan een Zoon van God.” (T9.II.4:1). En wederom, in de “Psychotherapie” aanvulling: “Hoor een broeder om hulp roepen en geef hem antwoord. Het is God aan wie je antwoord geeft, want Hem riep je aan. Er is geen andere manier om Zijn Stem te horen. Er is geen andere manier om Zijn Zoon te zoeken. Er is geen andere manier om jouw Zelf te vinden.” (P2.V.8).

Dus in plaats van een leven lang hard te werken aan een volledige ommekeer van al mijn onjuist gerichte gedachten, al mijn conditioneringen en alle projecties die in mijn uitermate niet-vergevende denkgeest schuilen, volstaat het dus om mijn broeder een dankbare glimlach te schenken…? Wel… ja; maar om niveauverwarring te vermijden, moeten we zeker weten dat we wel bewust het verschil blijven zien tussen vorm en inhoud. Zo vraagt Jezus niet van ons om al het onjuist gerichte gedrag te ontkennen dat we zien in deze wereld waarin wij nog steeds geloven dat we een leven aan het opbouwen zijn. Dat is vorm. Jezus verlangt niet van ons dat wij bijvoorbeeld onze afkeuren van bepaalde personen ontkennen (jij en ik kunnen er vast een paar in onze directe omgeving opnoemen, alsook bepaalde bekende personen!). Het focussen op inhoud betekent: je realiseren dat alle gedrag neerkomt op ofwel liefde, ofwel een verwrongen roep om liefde. Iets anders is er niet. Alleen met dat onderscheid op inhoud in gedachten kunnen we leren om “aanval zonder aanval — en dus zonder verdediging — tegemoet te treden.” (P2.IV.10:1).

Het leren om vormen waar te nemen, zoals valse beschuldigingen of fysiek geweld, maar vervolgens te handelen vanuit een gerichtheid op inhoud, wordt door Jezus prachtig beschreven in (T9.III.2:5), telkens wanneer wij ons aangevallen voelen: “Hij is op dat moment misschien niet verstandig, en het staat vast dat hij niet verstandig zal zijn zolang hij vanuit het ego spreekt. Maar het is nog altijd jouw taak om hem te zeggen dat hij juist is. Je zegt hem dat niet met zoveel woorden, als hij onzin praat. De correctie die hij nodig heeft ligt op een ander vlak, omdat zijn vergissing op een ander vlak ligt. Hij is nog altijd juist, omdat hij een Zoon van God is. Zijn ego is altijd mis, wat het ook zegt of doet. Als jij op de fouten van je broeders ego wijst, moet je daar wel met het jouwe naar kijken, want de Heilige Geest neemt zijn vergissingen niet waar.” Dát is inhoud. Je beantwoordt aanval niet met aanval.

Met andere woorden: ik kan het mezelf veroorloven om Jezus mijn geschenk van dankbaarheid jegens mijn broeder te bieden, zolang ik het onderscheid kan blijven maken tussen vorm en inhoud. Telkens wanneer ik een broeder tegenkom (op straat, op het werk, thuis, waar dan ook), kunnen hij en ik qua vorm allerlei verschillen en eigenaardigheden opmerken in de ander die ons niet bevallen. Dergelijke vormen zullen er altijd zijn, omdat het ego nu eenmaal is ontstaan als het idee van aanval en afscheiding. Echter, vanuit inhoud gezien, zijn alle schijnbaar afgescheiden belangen volstrekt denkbeeldig, omdat mijn broeder en ik van dezelfde Vader zijn. Iedere waargenomen aanval kan vanuit juist gericht denken opnieuw bezien worden als een verwrongen roep om liefde. Dat betekent niet dat ik zou moeten toestaan dat mijn broeder mij als voetveeg behandelt, maar het betekent wel dat ik in elke situatie kan kiezen voor een liefdevolle respons. De Heilige Geest zal mij daarin feilloos leiden als ik dat toesta.

Probeer vandaag dus eens een welgemeende glimlach wanneer je een broeder ontmoet! Niet de tandpasta glimlach, maar een echte glimlach, vanuit het hart; het verschil zal altijd merkbaar zijn in je ogen. Met het “liefde of een verwrongen roep om liefde” idee in het achterhoofd, is er geen reden meer om niet liefdevol te denken en te handelen, wat er ook gebeurt. Iedere dag weer krijgen wij talloze gelegenheden aangeboden om dit te leren (en te onderwijzen). Jezus geeft ons daar zelfs enkele voorbeelden van. Lees bijvoorbeeld eens over de ‘toevallige ontmoetingen’ in (H3.2): “Misschien zullen de schijnbare vreemden in de lift naar elkaar glimlachen; misschien zal de volwassene niet tegen het kind uitvaren omdat het tegen hem is opgebotst; misschien zullen de studenten vrienden worden. Zelfs op het niveau van de meest terloopse ontmoeting is het mogelijk dat twee mensen hun afzonderlijke belangen uit het oog verliezen, al was het maar voor een moment. Dat moment zal volstaan. Verlossing is gekomen.”

Dus telkens wanneer je je ontmoedigd voelt vanwege de enorme gedachten-omkerende taak die Jezus van ons lijkt te verlangen, realiseer je dan dat dat het ego aan het werk is. Zoals altijd bestaat jouw aandeel eruit om je gedachten “boven het slagveld” te verheffen, zonder veroordeling, en dan de Heilige Geest te vragen wat te denken en te doen. Met deze uitnodiging komt de verrassende gewaarwording dat we eigenlijk helemaal geen tegenstrijdige belangen hebben, en dat elke schijnbare aanval feitelijk een verwrongen roep om liefde is. In mijn boek “Wonderen of waan” haal ik twee keer de oud-Griekse filosoof Philo aan, die steeds onderwees: “Wees vriendelijk, want iedereen die je tegenkomt levert een innerlijke strijd waar jij niets van weet.” Waarom zou je dan niet kiezen voor een eenvoudige glimlach vanuit het hart? Dat is de dankbaarheid die Jezus van ons verlangt. Het is ons geschenk aan God; het geschenk waarmee wij ons ware Zelf weer herkennen.

— Jan-Willem van Aalst, november 2016 (vertaling van https://miraclesormurder.wordpress.com/2016/11/19/an-attitude-of-gratitude/ )

 

Leg je wapens neer

De Amerikaanse presidentsverkiezingen in 2016 waren een fikse emotionele uitdaging voor veel spirituele aspiranten die zoeken naar de ervaring van blijvende innerlijke vrede, ongeacht wat er ook gebeurt. Spirituele leerscholen zoals Een cursus in wonderen mogen ons dan onderwijzen om “niet te proberen de wereld te veranderen, maar ervoor te kiezen je denken over de wereld te veranderen” (T21.in.1:7), vanuit het uitgangspunt “Er is geen wereld!” (WdI.132.6), maar de presidentsverkiezing toentertijd herinnerde ons maar weer eens aan de lange weg die we nog te gaan hebben voordat we dit werkelijk geloven. Zoals de Cursus zegt over ons diepste verlangen “Ik wil de vrede van God“: “Deze woorden uitspreken is niets. Maar deze woorden menen is alles.” (Wd1.185.1). Klaarblijkelijk menen wij deze woorden nog niet onverdeeld, want als we ze wel zouden menen, dan zouden we hier niet meer in de tijd en ruimte ronddolen. En intussen fluistert het ego dat we deze woorden nooit werkelijk zullen menen, omdat de vrede van God overduidelijk een leugen is, als we goed om ons heen kijken.

Het lijkt inderdaad een mission impossible om het punt te bereiken waarop we deze woorden werkelijk menen. En toch zijn er lichtende voorbeelden van grote denkgeesten die ons hebben getoond hoe zij dit geloof in hun praktische leven hebben kunnen toepassen. Daarvoor hoeven we niet eens helemaal terug de geschiedenis in te gaan naar Boeddha of Jezus van Nazareth. Laten we eens een situatie pakken waarin innerlijke vrede zonder twijfel onmogelijk lijkt: gevangen zijn in een Nazi concentratiekamp gedurende de tweede wereldoorlog. En toch bevond Viktor Frankl zich toentertijd in precies die ‘ongemakkelijke’ situatie. Hij ontdekte de staat van innerlijke vrede, en overleefde de oorlog. Je leest er alles over in zijn boek uit 1946 getiteld: “De zin van het bestaan” (“Man’s search for meaning”). Hoewel Frankl niet uitging van nondualiteit, concludeerde hij desalniettemin “…dat liefde het ultieme en hoogste doel is waar de mensheid naar streven kan. De verlossing van de mensheid is via liefde en in liefde. Ik begreep hoe een man die alles verloren heeft in deze wereld nog steeds gelukzaligheid kan ervaren, zij het slechts kort, in het overdenken van zijn geliefden. Zelfs in een staat van volledige verlatenheid, […] kan een mens, door liefdevolle contemplatie op het beeld van de geliefden dat hij in zich draagt, vervulling ervaren.”

Een ander voorbeeld betreft Kenneth Wapnicks ervaring met het onverwachts aantreffen van een inbreker in zijn appartement. Zonder zijn eigen volstrekt begrijpelijke gevoelens van schrik en angst te ontkennen, was hij desalniettemin in staat om ‘een stap terug te doen’ en de Heilige Geest om hulp te vragen, wat de herinnering inhoudt dat Gods Zoon één is. Hij gaf de inbreker zijn portemonnee, die hem vervolgens een deel van zijn geld teruggaf. Ken uitte geen aanval, maar louter liefde, en dit had een diepgaand effect op zijn ‘bezoeker’. Hij verliet uiteindelijk Kens huis met het emotionele verzoek “Bid voor mij…”. Hoewel jij en ik misschien nog niet de gevorderde vaardigheid van fundamenteel “loslaten en toelaten” hebben bereikt die Viktor Frankl, Kenneth Wapnick en andere lichtende voorbeelden demonstreerden, dienen ze wel als een lichtbaken en verzekering dat het inderdaad mogelijk is om de woorden “Ik wil de vrede van God” niet alleen uit te spreken, maar ook echt te gaan menen en doorleven.

Het mooie aan Een cursus in wonderen is dat hij ons overtuigend uitlegt waarom wij nog steeds niet onverdeeld de vrede van God willen zolang we nog lijken te ademen hier in de tijd en ruimte, bezig met eten, werken en slapen, terwijl we de uren, dagen en jaren tellen. Herinner je deze scherpzinnige passage uit (T13.III.4): “Je hebt jouw hele krankzinnige geloofssysteem opgebouwd omdat je meent in Gods Tegenwoordigheid hulpeloos te zijn, en jij wilt jezelf van Zijn Liefde verlossen omdat je denkt dat die jou tot niets vermalen zou. Je bent bang dat ze jou van jezelf weg zou vagen en jou nietig zou maken, omdat je gelooft dat grootheid in verzet besloten ligt, en aanval allure heeft. Jij denkt dat je een wereld hebt gemaakt die God zou willen vernietigen, en dat je door Hem lief te hebben, wat je doet, die wereld weg zou werpen, wat je ook zou doen. Daarom heb je de wereld gebruikt om je liefde te verhullen, en hoe dieper je in de zwartheid van het fundament van het ego doordringt, hoe dichter je bij de Liefde komt die daar verborgen is. En juist dit jaagt jou angst aan.” Waarom? Omdat individualiteit niet bestaat in Zijn Liefde; er is louter een “als één verbonden Eenheid”, wat het einde betekent van onze individuele persoonlijkheid. Dat is onze angst.

Het verlossende antwoord op deze angst is te vinden op veel plekken in het Tekstboek, Werkboek en de Handleiding voor leraren. Laten we eens één bijzonder inspirerend voorbeeld daarvan bekijken, te vinden in werkboek les 170, “Er schuilt geen wreedheid in God en evenmin in mij.” Deze les ontmaskert de ego-tactiek om ons gedachteloos te houden door ons denken steeds doen te richten op een uiterst gevaarlijke wereld, waarin wij onszelf voortdurend moeten verdedigen. In (Wd1.170.2:4) lezen we: “Vandaag leren we een les die jou meer vertraging en nodeloze ellende kan besparen dan jij je maar enigszins kunt voorstellen. Het is deze: Jij maakt zelf datgene waartegen jij je verdedigt, en door je eigen verdediging ertegen is het werkelijk en onontkoombaar. Leg je wapens neer, en dan pas zie je dat het niet echt is.” En, iets verderop: “Liefde zou jou vragen alle verdedigingen als louter dwaasheid af te leggen. En jouw wapens zouden zeker tot stof vergaan. Want dat is wat ze zijn.” (Wd1.170.5:4)

Tegen al diegenen die de ervaring van blijvende innerlijke vrede zoeken ongeacht wat er ook mag gebeuren, zegt Jezus vriendelijk: “Leg je wapens neer.” Dit komt neer op het opgeven van alles wat we nog veroordelen. Aanvaard het nu zoals het is, want jij en ik zijn veilig, nu en voor eeuwig. De innerlijke vrede van de Zoon van God lijkt slechts aan scherven te liggen als we ervoor kiezen dat als zodanig te ervaren. Hoe beroerd je situatie er ook uit lijkt te zien, hoe hopeloos de toekomst ook mag lijken, realiseer je dat deze perceptie een keuze is. Zelfs in je diepste wanhoop kun jij je realiseren dat jij niet een weerloze figuur in een droom bent, maar dat jij de dromer van de droom bent. Jij en ik hebben dus altijd de mogelijkheid om ons denken anders te richten, dat wil zeggen: een stapje terugdoen en de Heilige Geest (de Stem namens Liefde) vragen om hulp bij wat te denken, waarnemen, en doen. En nogmaals: deze woorden uitspreken is niets, maar ze menen is alles. En wees niet benauwd dat je de eindstreep van deze ogenschijnlijk onmogelijke gedachten-omkerende reis op je eentje moet halen. Het enige wat jou en mij te doen staat is om van dag tot dag zo alert als mogelijk te zijn, eerlijk te kijken naar de verwoesting in je denkgeest, en je bereidheid te voeden om geleid te worden door een betere Leraar. En waar die Leraar werkelijk wordt verwelkomd, is Hij er ook. (T-19.16:6)

— Jan-Willem van Aalst, november 2016  (vertaling van https://miraclesormurder.wordpress.com/2016/11/12/lay-down-your-arms/ )

De tragische held

Als we in de bioscoop naar een goede film kijken, kunnen we helemaal opgeslokt worden door wat er op het scherm gebeurt. De biochemie die door onze bloedstroom gaat, puur en alleen door onze interpretatie van wat we op het grote scherm zien, is werkelijk wonderbaarlijk. We identificeren ons intens met de hoofdpersoon, en doen gretig mee met de strijd tussen ‘goed’ en ‘kwaad’. En we hebben totaal geen moeite met computertechnieken die de meest ongelooflijke dingen mogelijk laten lijken. Aan het einde van de film besluiten we tevreden dat de strijd die de hoofdpersoon moest leveren, het 100 procent waard was. Heimelijk projecteren we deze conclusie op onze eigen levens: jazeker hebben we 99 problemen, maar uiteindelijk zal onze strijd het waard zijn. Het probleem daarbij is dat juist omdát we ons onbewust de hopeloosheid van het leven in een lichaam wel beseffen, wij voortdurend op zoek zijn naar bevestiging van het nut van onze eigen strijd, steeds weer… en dus blijven we films kijken.

De rage van computerspellen komt eigenlijk op hetzelfde neer. We kennen allemaal de alarmerende verhalen over tieners die uur na uur onafgebroken ‘gamen‘, zonder te eten, te drinken of te bewegen, wat ongetwijfeld bijdraagt aan de huidige epidemie van hersengerelateerde stoornissen. Vooral de meest agressieve vecht- en oorlogsspellen zijn immens populair. Waarom? Omdat ik de held ben! Zo bevestig ik naar mijn ego toe dat het mij tegen een wrede wereld is, waartegen ik mezelf ten koste van alles moet verdedigen. Als ik me dus via het computerspel kan voorstellen dat ik machtig genoeg ben om in deze hel te overleven — of die zelfs te overwinnen en zo volledig almachtig te zijn — heb ik weer een manier gevonden om te vergeten dat ik mezelf onderhuids enorm onzeker, eenzaam en steeds angstig voel. Games zijn dus een welkome afleiding om, nogmaals, de hopeloosheid van het leven in een lichaam te kunnen vergeten. Ik kan mezelf vrolijk vertellen dat ik de held ben die nu misschien met het leven worstelt, maar uiteindelijk zal triomferen. Hoe tragisch!

Feitelijk hebben we helemaal geen bioscopen of computerspellen nodig om deze illusie in stand te houden. Onze welbekende nachtelijke dromen dienen dit doel net zo goed. Terwijl we dromen zien we onszelf als de hoofdpersoon van de droomwereld, waarin de meest bizarre dingen lijken te gebeuren zonder dat we ons daarover ook maar enigszins verbazen. Het mogen ekstatische of angstige dromen zijn, maar in beide gevallen draait de droom om de individuele persoonlijkheid die ik mijn zelf noem. Sigmund Freud stelde dat dromen een uitdrukking van onbewuste verlangens zijn. En dus zien we in onze dromen, net als in de film, een mogelijkheid om de machtige held te zijn in een bevreemdende wereld waar de meest onverwachte dingen kunnen gebeuren. Zoals we lezen in Een cursus in wonderen: “Dromen […] zijn het beste voorbeeld dat je kunt krijgen van de manier waarop waarneming kan worden aangewend om de waarheid door illusies te vervangen. Je neemt ze niet ernstig wanneer je wakker wordt, omdat het feit dat de werkelijkheid zo grof geweld is aangedaan, nu overduidelijk is. […] Dromen laten jou zien dat je de macht hebt een wereld te maken zoals jij die graag wilt, en dat je die ziet omdat je die verlangt. En terwijl je die ziet twijfel je er niet aan dat ze werkelijk is. […] Je lijkt te ontwaken, en de droom is verdwenen.” (T-18.II.2;5).

Het ontluisterende aan Een cursus in wonderen is dat Jezus ons vertelt dat wat wij normaliter als onze dagelijkse realiteit beschouwen, net zo goed een dwaze droom is als wat wij in onze nachtelijke dromen beleven. Jezus vertelt mij dat wanneer ik ’s ochtends wakker word, ik niet de realiteit zie… ik ontwaak in de ‘droomwereld’ van tijd, ruimte, en waarneming. Zoals Jezus overduidelijk stelt: “Waartoe jij lijkt te ontwaken is niets dan een andere vorm van diezelfde wereld die jij ziet in je droom. Al jouw tijd wordt doorgebracht met dromen. Je slaapdromen en je waakdromen hebben verschillende vormen, meer niet.” (T-18.II.5:11-13). Als we hier serieus over nadenken heeft dit dermate ongelooflijke consequenties, dat we het simpelweg niet aanvaarden.

In zijn Cursus is Jezus zich volkomen bewust van onze alleszins begrijpelijke ontkenning, en dus geeft hij ons vele passages waarin hij dit met groot geduld verder uitlegt aan onze koppige denkgeesten. Bijvoorbeeld in (T3.VII.4): “Je kunt jezelf zien als iemand die zichzelf schept, maar je kunt niet meer doen dan dat geloven. Je kunt het niet waar maken. […] De overtuiging dat je dit wel kunt is de hoeksteen van jouw denksysteem. […] Je gelooft nog steeds dat je een beeld bent van eigen makelij.” En ook, uit (T20.III.4): “Bevalt jou wat jij hebt gemaakt? Een wereld van moord en aanval, waardoorheen jij je schuchter een weg baant door constante gevaren, alleen en angstig, hopend dat de dood in het beste geval nog een poosje wachten zal alvorens hij jou overvalt en jij verdwijnt. Jij hebt dit verzonnen. Het is een beeld van wat je denkt dat jij bent, van hoe jij jezelf ziet.”

Deze boodschap over de illusoire droom-aard van wat we gewoonlijk als onze realiteit beschouwen, kan voor ons pas enige betekenis krijgen als we serieus kijken naar de metafysische noties van dualiteit en nondualiteit. Een cursus in wonderen is een strikt nondualistische spiritualiteit, zonder compromis. De voor het ego hoogst frustrerende inleiding begint met de woorden: “Niets werkelijks kan bedreigd worden. Niets onwerkelijks bestaat. Hierin ligt de vrede van God.” Wat Een cursus in wonderen betreft is alles onwaar wat niet liefde is, inclusief het nietig dwaas idee van de afscheiding van God, dat leek te resulteren in een materieel universum met daarin de planeet Aarde. In het Handboek voor Leraren lezen we het volgende over de afscheiding: “In de tijd gebeurde dit heel lang geleden. In werkelijkheid is het helemaal nooit gebeurd.” (H2.2). Net zoals onze nachtelijke dromen, is dit universum en deze wereld helemaal nooit gebeurd! De Hemel, het nonduale Koninkrijk van God, weet er helemaal niets van. “Niet één noot in het lied van de Hemel werd gemist.” (T26.V.5). Uiteraard niet, omdat de Hemel geen tijd en ruimte kent.

Toch geloven jij en ik nog steeds dat we in tijd en ruimte bestaan, zelfs als we de illusoire aard ervan intellectueel kunnen beginnen te aanvaarden. Het feit dat ik deze blog schreef en dat jij die nu leest, betekent dat jij en ik nog steeds ervoor kiezen te geloven dat we in tijd en ruimte leven, en dus blijven slapen in wat we kunnen beschouwen als onze ‘wakende droom’. Jezus, nogmaals, ontmaskert deze illusie, in een uiterst vriendelijk tempo, zodat we meer dan voldoende tijd hebben om het op ons in te laten werken, zonder dat we iets hoeven op te geven wat we nog koesteren. En toch, om blijvende innerlijke vrede te vinden, zullen we uiteindelijk volmondig moeten accepteren dat wij nog steeds voor de dood kiezen, koppig volhoudend dat wat God voor ons wil nooit zal gebeuren, maar dat die koppigheid ons niet gelukkig gaat maken, omdat we blijven geloven dat we zijn wie we niet zijn. “Kun jij die jezelf als een lichaam ziet jezelf kennen als een idee?” (T18.VIII.1:5). “Wat jij ‘leven’ hebt gegeven leeft niet, en symboliseert slechts je wens om los van het Leven te leven, levend in de dood, waarbij de dood als leven wordt gezien, en Leven als de dood.” (T29.II.6:2). Deze aanvankelijk raadselachtige zinnen krijgen pas betekenis zodra we kunnen aanvaarden dat ‘dood’ alles omvat wat niet de liefde van God is of weerspiegelt; ‘Leven’ staat voor het eeuwige onveranderlijke Leven buiten tijd en ruimte.

Een mooie samenvatting van deze verbijsterende notie zien we in werkboekles 167: “Wat het tegendeel van leven schijnt, is alleen in slaap. Wanneer de denkgeest besluit te zijn wat hij niet is, en verkiest een vreemde macht aan te nemen die hij niet heeft, een oneigen toestand waartoe hij niet komen kan, of een kunstmatige gesteldheid die binnen zijn Bron niet bestaat, lijkt hij slechts een poosje te gaan slapen. Hij droomt van de tijd; een interval waarin wat schijnt te gebeuren nooit heeft plaatsgevonden; de teweeggebrachte veranderen geen substantie hebben en alle gebeurtenissen nergens zijn. Wanneer de denkgeest ontwaakt, gaat hij slechts voort zoals hij altijd is geweest.” (Wd1.167.9). Gelukkig hoeven wij niet bang te zijn voor deze droom, omdat “…ideeën verenigd blijven met hun bron. Ze kunnen alles uitbreiden wat hun bron bevat. […] Maar ze kunnen niet het leven schenken aan wat hun nooit gegeven werd.” (Wd1.167.5). En ook, in dezelfde belangrijke les: “De denkgeest kan denken dat hij slaapt, maar dat is alles. […] Wat lijkt te sterven is slechts het teken van de denkgeest in slaap. […] Maar denkgeest is denkgeest, wakker of slapend.” (Wd1.167.6)

Een cursus in wonderen is een leerplan voor het trainen van de denkgeest. Hij leert ons om deze dwaze droom te bezien, die eerlijk en juist te evalueren, en ook — en dat is het mooiste — te leren hoe we de enige beslissing kunnen nemen die ons werkelijk gelukkig zal maken: het aanvaarden van de Verzoening en van onze rol als gelukkige leerling, een Leraar van God, rustig en kalm in de werkelijke wereld, omringd door Gods Genade. “Dit is de gave waarmee God Zich naar ons toebuigt en ons opheft, waarbij Hij Zelf de laatste stap van de verlossing zet.” (Wd1.168.3: 2). Dit is overigens metaforisch bedoeld, omdat God niets doet; het is Jezus’ poëtische manier om ons besluit te verbeelden om weer voor God te kiezen. Dus hoe zouden we dit proces van langzaam ontwaken goed kunnen aanpakken?

Het essentiële ingrediënt in dit ontwaken heet vergeving, maar niet vergeving zoals de wereld dit gewoonlijk ziet. Ware vergeving betekent het vragen om hulp aan de Heilige Geest om te leren te stoppen met zowat alles te veroordelen wat ik om me heen zie. Dit kan ik doen door naar alle verwoesting in mijn denkgeest te kijken, boven het slagveld. Wauw, alles wat buiten mij lijkt te zijn, zit in de denkgeest! De droomwereld dus ook. Met andere woorden: samen met de Heilige Geest kan ik leren om naar deze droomwereld te kijken, zonder gehechtheid, zonder verdediging. Vervolgens kan ik beseffen, zonder oordeel, dat ik, als holografisch deel van de Zoon van God, opzettelijk voor deze droom heb gekozen, en dat dit zo niet hoeft te zijn. Zie jezelf eens (zoals Kenneth Wapnick herhaaldelijk beschreef) in de bioscoop zitten met Jezus naast je, als manifestatie van de Heilige Geest, kijkend naar de film die we onze aardse wereld noemen. Identificeer je niet met de spelers zoals je normaliter in een film doet… kijk alleen. Als je aandachtig genoeg kijkt, doet Jezus je realiseren dat je niet kijkt naar een hoop versplinterde fragmentjes in een dwaze dans op het witte doek; het is Christus, de ene Zoon van God, die slechts afgescheiden lijkt te zijn, en droomt van verbanning in een verdorde woestijn. Zodra je dit beeld werkelijk vergeeft (dus je eigen ‘onjuist gericht denken’ vergeeft), vervaagt het.

Nogmaals, omdat jij en ik dit zitten te lezen, zijn we in de tijd gezien nog niet zover, maar dat geeft niet. Laat je niet meeslepen in het voortdurende ego-gejammer om je er schuldig over te voelen. Blijf de Heilige Geest om hulp vragen, en vergeef jezelf nogmaals voor weer een stukje veroordeling in je denkgeest over iets in de droom. Jij en ik zullen niet onverwacht de Hemel in worden geslingerd; we ontwaken pas wanneer we zeker weten dat we er klaar voor zijn, en niets anders meer willen. En dit blijde besef zal in de tijd gegarandeerd tot elke denkgeest komen. Vergeet de tragische held van de droom, en kies ervoor een gelukkige leerling te worden.

— Jan-Willem van Aalst, november 2016  (vertaling van https://miraclesormurder.wordpress.com/2016/11/05/the-tragic-hero/)

Wat je zaait zul je oogsten

In deze zintuiglijke wereld waarin we leven, liefhebben en leren, lijken we te verliezen wat we weggeven. Als ik jou bijvoorbeeld een boek geef, dan heb ik het niet meer. Als jij mij een boek geeft, heb jij het niet meer. Velen van ons meten het succes in ons leven af aan hoeveel materiële welvaart we bij elkaar kunnen harken. En hoe meer ik heb, hoe minder er voor anderen is. We kennen allemaal de berichtgeving over de groeiende kloof tussen rijk en arm. De wereld wordt zo een venijnig oord waarin we grijpen wat we kunnen pakken, om vooral maar niet te eindigen in de categorie “verliezers” die we heimelijk verachten, of in elk geval wegkijkend negeren.

Echter, meer materiële welvaart betekent niet automatisch meer veiligheid, laat staan meer innerlijke vrede. Veel zeer rijke mensen zijn voortdurend angstig om beroofd te worden van wat ze hebben vergaard. Sommigen zijn zelfs bang om vermoord te worden om hun welvaart. Het merendeel van de mensen klampt zich angstvallig vast aan het beetje dat ze hebben, in de hoop dat een catastrofe ze bespaard blijft voordat het lichtje van hun kaars uitdooft. Dit mag nogal pessimistisch klinken. Je zult misschien zeggen dat jij jezelf niet in dit plaatje herkent. Toch, als je werkelijk ruw uit je ‘comfortzone’ wordt getrokken, bijvoorbeeld na een catastrofale overstroming, wordt de conditionering van “ik heb wat ik ten koste van een ander heb kunnen krijgen” pijnlijk duidelijk.

Hoe volkomen anders is het principe van geven en ontvangen vanuit het oogpunt van Een cursus in wonderen! Als het om deze materiële wereld van tijd en ruimte gaat, ontkent Jezus niet dat ik verlies wat ik weggeef. Maar de psychologische wereld van de denkgeest volgt heel andere wetten. Vanuit de kerngedachte “ideeën verlaten niet hun bron” (bijv. T26.VII.4:7), zien we dat elke gedachte (elk idee) dat jij uit, de denkgeest van de ander onderwijst, en ook die van jezelf. Als ik bijvoorbeeld liefde naar jou uit, dan onderwijs ik jou over liefde, en onderwijs ik mijn eigen denkgeest daar op dat moment ook over, als de primaire focus van dat moment. Als ik jou daarentegen vanuit boosheid aanval over iets wat jij deed (of juist naliet), onderwijs ik jou over haat en aanval, en mijn eigen denkgeest ook. Wat wij ons gewoonlijk niet realiseren is dat telkens als we boos worden, onze hersenen allerlei negatieve chemicaliën (zoals cortisol) in onze bloedbaan pompen; daarom betekent een verbale aanval ook altijd een aanval op ons eigen fysieke lijf. (Dit is een vaak niet-herkende oorzaak van de eerste stadia van ziekte.)

Daarom leert Jezus ons in Een cursus in wonderen dat de universele wet van de kosmos is dat ik zal oogsten wat ik zaai. Als ik aanval, val ik mezelf aan. Letterlijk, zowel mentaal in mijn denkgeest als fysiek in mijn bloedbaan. Om het nog erger te maken: mijn aanval wordt een uitnodiging aan jou, als ‘slachtoffer’, om mij ook aan te vallen, als “begrijpelijke zelfverdediging” (Wd1.153.2). Ik zaai aanval — ik oogst aanval. Jij zaait aanval — jij oogst aanval. Dit is de tragische hartslag van het materiële universum sinds de oerknal. Een zorgvuldige blik op de lange geschiedenis van oorlogen van de mensheid doet je beseffen dat dit zo is. Een cursus in wonderen vertelt ons dat dit een methode van het ego is om onze denkgeest steeds zodanig effectief af te leiden dat we nooit naar binnen zullen kijken en ons realiseren dat dit zo niet hoeft te zijn (T4.IV.1).

Omdat we in deze wereld op elk moment kiezen tussen onjuist gericht denken (ego) en juist gericht denken (liefde) hebben we altijd de mogelijkheid om een andere gids voor onze gedachten te kiezen. En de universele wet Wat je zaait zul je oogsten geldt altijd. Dus als ik liefde uit, versterk ik dat in mezelf. Niet alleen mentaal, maar ook fysiek, omdat mijn hersenen in dat geval ‘positieve’ chemicaliën produceren zoals melatonine, serotonine en dopamine, die weer het natuurlijke herstelproces van het lichaam ondersteunen. Tegelijkertijd is mijn uiting van liefde een uitnodiging aan jou om die boodschap te omarmen en in jezelf te versterken. Mocht je dus vinden dat jij nooit de liefde hebt gehad die je verdient, leer dan de geweldige les dat jij die liefde nooit zult krijgen door die van een ander te eisen; je zult liefde ontvangen door liefdevol te zijn. Iedereen dit dit oprecht heeft geprobeerd, dat wil zeggen, zonder vooropgezette eisen aan de uitkomst, heeft ervaren dat dit werkt. Zoals je liefde zaait zul je liefde oogsten.

Dit zou een enorm schuldgevoel kunnen wakker maken. Want ja, als je jouw plusminus 50.000 gedachten per dag goed bekijkt, zul je merken dat die meestal niet over liefde gaan: ze gaan over zorgen, angsten, twijfels, oordelen, of simpelweg ergernis of depressie. Dus als we ons beseffen dat de universele wet altijd werkt, waarom kiezen we dan niet voortdurend voor louter liefde? Het mooie aan Een cursus in wonderen is dat het ons geduldig uitlegt waarom we de universele wet zo negatief toepassen, dat wil zeggen: aanval zaaien en aanval oogsten; angst zaaien en angst oogsten. Zolang we de voorkeur geven aan het ego als de gids van onze gedachten, is aanval vanuit angst onvermijdelijk, omdat het ego voortkwam uit aanval, dat wil zeggen de wens om afgescheiden te zijn van God. Via ontkenning en projectie vergeten we die oorspronkelijke aanval. En om er zeker van te zijn dat we dit blijven vergeten, richt het ego zich steeds op het aanpakken van problemen en dreigingen om ons heen, en op aanval en verdediging. Zo zal er nooit vrede zijn — niet in de wereld, en niet in je denkgeest.

Vanuit het oogpunt van Een cursus in wonderen is de enige echte uitweg uit deze hel het besef en de aanvaarding dat tijd en ruimte niet werkelijk bestaan; dat onze waarneming ons steeds misleidt, en dat jij en ik geen lichamen zijn, maar louter geest, geschapen als liefde door Liefde, en dat al deze ellende er niet hoeft te zijn. Iedere psychotherapie die geen kraakhelder antwoord kan geven op de kernvragen “Wat ben ik?” en “Wat is het doel van het leven?” blijft onvermijdelijk in het ego-raamwerk, en levert op z’n best slechts tijdelijke verlichting van pijn. Ik ben puur geest, en het doel van mijn leven is om mijzelf te vergeven voor al mijn veroordelende gedachten, en een betere manier te kiezen, met een betere gids. Zo wordt duidelijk waarom Jezus ons in zijn Cursus zo vaak vraagt om waakzaam te zijn op de gedachten die we kiezen. Misschien ken je deze quote uit het tekstboek: “Je bent veel te tolerant tegenover het afdwalen van je denkgeest, en je vergoelijkt stilzwijgend de miscreaties ervan.” (T2.VI.4:6). “Miscreaties” zijn aanvalsgedachten. Dit doen we omdat we ons krampachtig vastklampen aan het ego, omdat we denken dat deze speciale individualiteit alles is wat we hebben, en dat het loslaten daarvan betekent dat we zullen verdwijnen.

Als je jezelf toestaat daarover schuldig te voelen, dan vertel je jezelf eigenlijk dat jij machteloos bent tegenover de macht van het ego. Gelukkig vertelt Jezus ons ook dat deze totale omkering van de denkgeest niet in een wip kan plaatsvinden; dit is een langzaam proces dat vertrouwen, geduld en bereidheid vergt (grote bereidheid) om steeds je gedachten te bemerken, en steeds de Heilige Geest als betere gids te kiezen. Val jezelf nooit aan, telkens als je merkt dat je struikelt in die pogingen, omdat je dan aanval zaait en dus aanval zult oogsten. Juist het ‘zaaien’ van aanvaarding van waar jij nu staat in jouw leerproces als Jezus’ leerling en jongere broeder, zal aanvaarding ‘oogsten’ van de Verzoening in je denkgeest. Blijvende innerlijke vrede is jou gegeven als je blijft oefenen met het zaaien van liefde volgens de universele wet, in vertrouwen en eerlijkheid en met groot geduld. Veel vreugde en vrede gewenst met het oefenen!

— Jan-Willem van Aalst, oktober 2016

Betekenis geven aan je leven

Recent hoorde ik dat een collega bij één van de ondernemingen die ik help, zelfmoord had gepleegd. Hij was pas met pensioen gegaan en had besloten ‘uit het leven te stappen’, zoals het gezegde gaat. Dit was een onverwachte schok voor iedereen die met hem had samengewerkt. Hij was zijn hele leven vrijgezel gebleven en liet dus geen vrouw of kinderen achter, maar hij was altijd heel actief geweest in sociale activiteiten. Blijkbaar was hij tot de conclusie gekomen dat ‘verder leven’ pijnlijker zou zijn dan er simpelweg mee te stoppen. Wat drijft iemand om te menen dat het leven te weinig zin heeft om hier nog langer te blijven?

In Een cursus in wonderen lezen we dat iedereen “onzeker, eenzaam, en in constante angst door de wereld dwaalt” (T31.VIII.7:1). En ja, dat geldt dus ook voor jou en mij. Deze ‘staat van zijn’ komt voort uit de oorspronkelijke wens om los van God te kunnen bestaan, in een nachtmerrie-achtige droom die we de ego-gedachte noemen. In die droom lijken we allemaal op onszelf te zijn. Via de psychologische mechanismen van ontkenning en projectie vergeten we graag dat we dit gedaan leken te hebben. We overtuigden onszelf ervan dat de oorzaak van al onze diepgevoelde eenzaamheid, ellende en hopeloosheid in elk geval niets te maken heeft met onze schuld over die afscheidingskeuze. Nee, iemand anders is daarvoor verantwoordelijk! En ik ben daar een weerloos slachtoffer van. En zo zie ik mezelf als een afgescheiden lichaam; onzeker, eenzaam en in voortdurende angst. Omdat we dit veel te pijnlijk vinden om onder ogen te zien, bedekken we dit met een dun laagje schijnbaar geluk en ‘betekenisvolle’ bezigheden. Jij en ik zijn enorm goed in het voortdurend afleiden van onze denkgeest. Zodra je die afleidingen doorziet, en jezelf realiseert dat deze wereld een façade is waarin uiteindelijk niets werkt, dat de fysieke dood onvermijdelijk is en dat alles uiteindelijk voor niets zal zijn geweest, zou je misschien concluderen dat nog meer tijd doorbrengen in deze ‘droge, stoffige wereld’ (WdII.13.5:1) erger is dan er gewoon een eind aan te maken.

De enige uitweg uit deze depressie is om geluk niet in de wereld te zoeken, maar in je eigen denkgeest. “Zoek niet buiten jezelf. Want dat is tot mislukken gedoemd, en je zult tranen storten elke keer dat een afgod valt.” (T29.VIII.1:1). Dit is zo omdat ‘buiten jezelf zoeken’ neerkomt op een poging jezelf ervan te overtuigen dat het ego werkelijkheid is, dat de afscheiding van God inderdaad heeft plaatsgevonden, en dat het als afgescheiden individu mogelijk is om geluk te vinden; kortom, dat je echt gelukkig kunt zijn los van God. Ik kan duizend afgoden proberen om geluk te vinden: geld; speciale liefdesrelaties; bezit; eten; auto’s; hobby’s, noem maar op — en toch komt dat altijd weer neer op “zoek, maar vind niet” (WdI.71.4). De unieke bijdrage van Een cursus in wonderen als spiritualiteit is dat hij ons helder uitlegt hoe het ego, oftewel het idee van aanval en afscheiding, ons voortdurend doet blijven richten op angst, woede en depressie, als beste bewijs dat de afscheiding van eenheid (liefde, vreugde, vrede) daadwerkelijk is gelukt! Pas als ik dat kan beginnen te aanvaarden, kan ik op zoek gaan naar geluk in de denkgeest, in plaats van in de wereld.

Veel studenten hebben deze boodschap over het trainen van de denkgeest geïnterpreteerd als een oproep om de wereld de rug toe te keren, en er zeker niet actief in bezig te zijn, omdat het toch allemaal illusie is. Dit kan uiteindelijk tot ascetisme leiden: je terugtrekken in een berggrot. Maar dit is beslist niet wat Jezus ons aanraadt. In de Bhagavad Gita, de oeroude nondualistische parel van de Vedische geschriften, adviseert Krishna aan Arjuna om “zeer actief in de wereld te zijn… maar vanuit de kern in jezelf.” (Jezus zou zeggen: “…vanuit je Identiteit als Christus.”). En Christus bevecht het ego niet; Hij ziet het ego niet eens. Geluk proberen te vinden door het ego te onderdrukken of te bevechten garandeert slechts dat, hoewel onbewust, mijn aandacht steeds bij het ego blijft. Kenneth Wapnick zou zeggen dat we daarmee wederom “de vergissing van de afscheiding tot werkelijkheid maken.”

Je realiseren dat de wereld een illusie is opent de mogelijkheid om naar de wereld te kijken, en die te ervaren van boven het slagveld, als een lesruimte om ware vergeving te leren. In die lesruimte is alles wat mij lijkt te overkomen louter een “les in Liefde” die de Heilige Geest mij graag aanbiedt. Iedere situatie en relatie is een kans om “aanval zonder aanval tegemoet te treden” (P2.IV.10), wat mijn eigen verantwoordelijkheid is. Dat principe succesvol van dag tot dag toepassen is het wonder. Jij en ik hebben in onze denkgeest de keuze tot onze beschikking om de wereld te zien als zinnige lesruimte, waarin we onszelf leren een liefdevolle “leraar van God” te zijn, en zo de Liefde van God hier te weerspiegelen. Zo herinneren we andere onzekere, eenzame, en voortdurend angstige zielen waarmee we dagelijks leven en werken eraan dat ook zij deze keuze kunnen maken.

Misschien klinkt dit alles nogal abstract en theoretisch. In het dagelijks leven is dit heus niet zo makkelijk, omdat we zo grondig geconditioneerd zijn vanuit ons verleden. De Cursus mag ons er honderd keer aan herinneren dat het enige dat waar is aan het verleden, is dat het voorbij is… maar onze meeste gedachten gaan toch over het verleden en hoe we daar onze toekomst mee kunnen zekerstellen. Dit zijn slechts ego-afleidingen met als enig doel om onze denkgeest weg te houden uit het nu, de enige tijd die er werkelijk is (W-pI.164.1). Maar iedere ijverige cursusstudent wordt zich vroeg of laat gewaar van de enorme weerstand die Jezus’ lessen oproept, omdat dit de leugen ontmaskert van het ego waarmee we ons identificeren; de leugen van tijd en ruimte, en van bewustzijn en perceptie. En dus ziet het er niet naar uit dat het doorgronden van de metafysica van nondualiteit gegarandeerd tot blijvende innerlijke vrede zal leiden.

Dit zou kunnen leiden tot zelfmoordgedachten. Maar “Er is een risico aan verbonden te denken dat de dood vrede betekent”, zo waarschuwt Jezus ons (T27.VII.10:2). Als ik zelfmoord overweeg, heb ik allereerst deze wereld geëvalueerd als heel echt, en mijzelf bestempeld als weerloos slachtoffer daarvan. Het beëindigen van mijn fysieke leven brengt me dus niet echt dichter bij het aanvaarden van de Verzoening — integendeel, ik zorg er slechts voor dat ik nóg een extra leven nodig heb om de Liefdeslessen van de Heilige Geest te leren. Vanuit het oogpunt van Een cursus in wonderen is zelfmoord dus niet anders dan een tragische vertraging en een onnodige omweg op onze Reis naar Huis. Maar ja, om waarheden te aanvaarden zoals “Er is geen wereld!” (Wd1.132.6:2); “Tijd is een kunstgreep, een goocheltoer, een immense illusie” (Wd1.158.4), en “Ik ben geen lichaam. Ik ben vrij. Want ik blijf wat ik ben, zo Schiep God mij.” (Wp1.201), zullen we toch iets moeten begrijpen van de metafysische grondslag van dualiteit en nondualieit. Voor onze lineair geprogrammeerde hersenen is dat nou eenmaal erg moeilijk.

Als je het lastig vindt om de metafysica van de Cursus in je leven te integreren, zouden de eerdergenoemde Vedische werken misschien kunnen helpen. In deze filosofie, die net als de Cursus uitgaat van nondualiteit, lezen we over het concept “Dharma”. Woorden in het Sanskriet zijn vaak moeilijk om exact te vertalen, maar Dharma komt neer op “het volledig benutten van al wat jou in dit aardse leven gegeven is, om jezelf en anderen gelukkig te maken.” Dit idee werkt ongeveer als volgt: iedereen heeft in dit leven talent, vaak meer dan één. Jij kunt iets beter dan wie ook ter wereld! Hoewel het lijkt alsof sommige mensen meer talent hebben dan anderen, betekent dat eigenlijk dat mensen hun eigen specifieke talenten nog niet hebben ontdekt. Jouw talenten werden jou meegegeven bij je geboorte, met het doel jezelf en anderen gelukkig te maken. Dit doe je niet door je unieke speciaalheid te benadrukken, maar door te onderwijzen (door je talenten in te zetten) dat al het leven één gezamenlijk doel heeft: het (her)vinden van liefde, vreugde en innerlijke vrede. Dat talenten zich in deze wereld in veel verschillende vormen uiten, is daarbij irrelevant. Door je talenten goed te gebruiken (vanuit juist gericht denken), leidt dit altijd tot liefde, vreugde en vrede. En dat is inhoud, niet vorm.

Dus als je nog eens merkt dat je aan zelfmoord denkt, of iemand kent die daarover denkt, overweeg dan eens de notie van Dharma. Ben jij je bewust van je eigen specifieke talenten? De meesten van ons zijn er nog niet echt duidelijk naar op zoek gegaan. Het begint met het besef dat jij weet dat er iets is dat jij beter kunt dan wie ook ter wereld. Ga daar naar op zoek, door mindful te mediteren op wat jij het liefste doet, of heel warm van wordt. Ga dat dan ontwikkelen, en gebruik dat van dag tot dag om te onderwijzen (en zelf te ervaren) dat wat wij met elkaar gemeen hebben, als gezamenlijke Zoon van God, veel krachtiger is dan al die kleine strijdende egootjes die ons onzeker, eenzaam en in voortdurende angst houden. Probeer dit echter niet alleen op jezelf. “Vertrouw niet op je goede voornemens; die zijn niet genoeg.” (T18.IV.2:1). Maar samen met de Heilige Geest, de Stem namens Liefde, hebben jij en ik “de lamp die de duisternis zal verdrijven” (T11.V.1:3).

In de praktijk komt dit neer op het leren luisteren naar je intuïtie (de Stem van de Heilige Geest) en de moed bijeen te schrapen om deze Stem, die je werkelijk wilt horen, ook echt te volgen. Deze Stem roept je altijd op om je natuurlijke rol als Leraar van God te leven, en zo een lichtend voorbeeld te zijn van de weerspiegeling van Gods Liefde. En dankzij jouw unieke talenten bespaar jij jezelf én anderen gegarandeerd een hoop onnodig lijden. Vanuit Dharma bekeken wordt het idee van zelfmoord volstrekt zonder enige waarde. Vanuit Dharma bekeken besef je dat de echte betekenis van het leven ligt in ware vergeving van onze zotte notie van aanval en afscheiding.  Het gaat uiteindelijk om onze eigen keuze om alle veroordeling voorgoed achter ons te laten.

— Jan-Willem van Aalst, oktober 2016

 

Woede uiten

De afgelopen acht jaar ben ik allerlei energetische “opschoningsprogramma”s” tegengekomen die beweren allerlei blokkades in de denkgeest te kunnen oplossen. Door de bank genomen gebeurt dit door uitlaatkleppen te faciliteren voor negatieve energieën. Het algemene idee is dat door tijdelijk de emotionele terughoudendheid die de samenleving nu eenmaal vereist los te laten, de denkgeest eindelijk in staat wordt gesteld om zich te bevrijden van “verstrikkingen” (conditioneringen) die misschien vroeger nodig waren om te overleven, maar ons nu alleen maar hinderen. Dat is nog wat anders dan bijvoorbeeld Janos’ Oerschreeuw therapie die in de jaren zeventig en tachtig populair was, waarin je min of meer alle onderdrukte pijn van kindertrauma’s eruit schreeuwt, of Alexander Lowens’ bio-energetica, waarin je fysiek je trauma eruit trapt en slaat. Modernere varianten hiervan richten zich meer op het energetische lichaam, waaronder de chakra’s en de meridianen, als aanvulling op actief lichaamswerk. In het geval van Ayahuasca (uit Zuid-Amerika), komt er zelfs een vloeistof bij kijken die de emotionele terughoudendheid automatisch uitschakelt, wat het proces van loslaten weer ondersteunt. De woede die daarmee vrijkomt is doorgaans behoorlijk indrukwekkend.

Wat mij opvalt als ik “patiënten” dergelijke therapieën zie doen, is dat hoewel ze zeker een geweldige emotionele bevrijding ervaren, het effect vrijwel nooit langer duurt dan een paar maanden. Steeds opnieuw zie ik deze mensen een volgende “energie-intensieve healing therapie” proberen. Steeds opnieuw vertellen ze over een ervaring die zo fantastisch is dat ze zich compleet herboren voelen. Fysieke en emotionele energieën worden weer in balans gebracht of juist geactiveerd. Totdat ze enkele maanden later ontdekken dat er “een volgende laag” in beeld komt die wederom roept om energetische opschoning. Het lijkt nooit te stoppen. Wat is hier aan de hand?

Een cursus in wonderen onderwijst ons dat de oorsprong van pijn altijd in de denkgeest zit, en alléén daar. We ervaren pijn in het lichaam als iets dat fysiek zeer doet, of als disbalans in energie (dat wil zeggen: negatieve emotie, wat beweging van energie is); maar in alle gevallen volgt het lichaam simpelweg de orders van de denkgeest, als een marionet aan touwtjes. Het lichaam is een effect van de denkgeest. Jezus onderwijst ons als volgt: “Wil je vrede, onderwijs dan vrede om vrede te leren.” (T6.V.B). Maar waar is de vrede in de hierboven genoemde therapieën? Hoewel de focus van de denkgeest lijkt te liggen op het opschonen van innerlijke negativiteit, is het woede wat uit het lichaam komt, en het lichaam is een effect van de denkgeest. Dat betekent dat, in elk geval op dat moment, de denkgeest zich richt op woede. Omdat wij altijd leren wat we zelf onderwijzen (leren en onderwijzen zijn hetzelfde, HvL-in.1), instrueert de denkgeest zichzelf in essentie over woede. Dit garandeert dat de disbalans niet werkelijk opgelost zal worden, wat het ego natuurlijk goed van pas komt.

Jezus zou toelichten dat iedere therapie die zich niet eerst en vooral duidelijk richt op een helder antwoord op de vragen: “Wat ben ik?”, en “Wat is het doel van mijn leven?”, vroeg of laat uiteindelijk zal falen. Uiteraard leidt niet één van de bovengenoemde therapieën tot werkelijk blijvende genezing, omdat ze geworteld zijn en blijven in dualisme. Ze mogen misschien onze perceptie (interpretatie) ter sprake brengen en in twijfel trekken, zoals de Cursus ook vaak doet, maar ze twijfelen nooit echt aan de werkelijkheid van tijd en ruimte. Deze therapieën richten zich niet op de fundamentele metafysica van de realiteit. Hun doel mag in lijn zijn met dat van de Cursus (dat wil zeggen, blijvende innerlijke vrede vinden), maar het je voortdurend richten op het uiten van woede om energetisch en emotioneel op te schonen klinkt niet echt als een overtuigend pad naar een denkstaat van blijvende innerlijke vrede.

Het mag hier opgemerkt worden dat Een cursus in wonderen ons niet vraagt om onze emotionele blokkades en onderdrukte pijn uit de kindertijd te negeren. De Cursus vraagt ons niet om dagelijks affirmaties te prevelen zoals “Er bestaat geen pijn, er bestaat geen pijn, er bestaat geen pijn!”. Integendeel, de Cursus gaat voor een belangrijk deel over het kijken naar pijn — behalve dan dat waar we de bron van pijn zoeken, anders is dan in veel moderne therapieën. Nogmaals, pijn is van de denkgeest. Psychische en emotionele blokkades manifesteren zich allereerst in gedachten. Via onze hersenen uiten deze blokkades zich als emoties, die gepaard gaan met fysieke ongemakken en pijn. Maar voor echte opschoning zouden we altijd in de denkgeest moeten beginnen.

Daarom is het zo belangrijk om te begrijpen dat telkens als Jezus ons vraagt om voortdurend naar de denkgeest te kijken, en alert te zijn op elke gedachte die woede oproept (zie bijv. T2.VI.5), hij ons aanspreekt als keuzemaker. Alléén door bewust te kiezen voor juist gericht denken kunnen we “boven het slagveld” (T23.IV.1) naar onze onderdrukte pijn kijken, zonder oordeel. We ontkennen niet wat we in de denkgeest “zien”; we negeren het niet; we leven het ook niet uit (dat zou alleen maar het ego voeden)… we kijken slechts. Jezus vertelt ons in zijn Cursus dat hij alle vergissingen in onze denkgeest kan corrigeren die het licht verbergen (T5.IV.8), als we hem maar toelaten. Dit doen we door voor de Heilige Geest te kiezen, door ervoor te kiezen niet meer te veroordelen.

Een cursus in wonderen gaat hoofdzakelijk over het trainen van je denkgeest om alert te zijn op elke gedachte die niet louter vrede weerspiegelt, en vervolgens een andere keuze te maken. Nogmaals, niet door woede te negeren of uit te leven, maar door zo snel mogelijk Jezus’ helpende hand te kiezen in de denkgeest, en ons eenvoudigweg te vertellen: “Ik moet de verkeerde keuze hebben gemaakt, want ik ben niet in vrede. Ik heb die keuze zelf gemaakt, maar ik kan ook anders kiezen. Ik wil anders kiezen, omdat ik in vrede wil zijn. Ik voel me niet schuldig, want de Heilige Geest zal alle gevolgen van mijn verkeerde keuze ongedaan maken, als ik Hem laat begaan. Ik kies ervoor Hem te laten begaan, door toe te laten dat Hij voor mij voor God kiest.” (T5.VII.6).

Als je dus de onderdrukte pijn van je kindertrauma’s wilt opschonen met resultaten die blijvend zijn, richt je je dan niet primair op emoties of je fysieke lijf: leg je focus in plaats daarvan eerst op de denkgeest. Het klopt dat wij dergelijke pijn niet op eigen houtje kunnen helen (“Vertrouw niet op je goede voornemens. Die zijn niet genoeg”, T18.IV.2:1), maar samen met Jezus / de Heilige Geest hebben we de lamp die deze pijn voorgoed zal wegschijnen (T11.V.1:3). Het enige wat van ons gevraagd wordt is om waakzaam te zijn, van dag tot dag, van minuut tot minuut, voor gedachten die geen innerlijke vrede weerspiegelen. Dergelijke gedachten hebben we maar een paar miljoen keer per dag. Maar zie het zo: dergelijke momenten van gewaarwording zijn fantastische gelegenheden om weer voor liefde te kiezen (vergeving / niet meer veroordelen). En dan onderwijs jij je denkgeest vrede in plaats van woede, en alleen dat kan ware genezing genoemd worden.

Jan-Willem van Aalst, oktober 2016