Blog

Bevecht de wereld niet langer

In ons leven proberen we steeds manieren te vinden om zo min mogelijk pijn te ervaren en zoveel mogelijk genot. Dat is de basis-drijfveer in alle levende wezens. In beide varianten proberen we dat te bereiken door de wereld om ons heen te manipuleren, of ons er in elk geval aan aan te passen. En hoewel we ergens onbewust knarsetandend zullen toegeven dat dit nooit 100% zal lukken, omdat er altijd wel iets langskomt dat ons genot vergalt, zwoegen we koppig voort. Tegenslag hoort tenslotte bij het leven, toch? In schril contrast hiermee lezen we in Een cursus in wonderen dat “dit niet zo hoeft te zijn” (T4.IV). Het is zelfs zo dat Jezus ons verzekert dat we alle pijn voorgoed achter ons zouden kunnen laten; niet door de wereld te veranderen, maar eenvoudigweg door totale vergeving. Hoe zou dat kunnen?

In werkboekles 23 lezen we: “Ik kan ontsnappen aan de wereld die ik zie door aanvalgedachten op te geven.” Vaak als Jezus het over ‘de wereld’ heeft, beschrijft hij dit als een oord van angst, woede, depressie, haat, wraak; kortom: pijn. Soms ervaren we deze wereld als mooi, prachtig of wonderlijk, maar vroeg of laat realiseren we ons dat alles een keer voorbij gaat. Niets hier is eeuwig. Zelfs de allergrootste bergketens vergaan uiteindelijk. Onder het dunne laagje genot realiseren we ons dat pijn nooit ver weg is. Waarom is dat toch? Zet je schrap voor de ultieme waarheid die Jezus ons onthult: wij hebben deze wereld gemaakt als aanval op God (wd2.3.2:1). Probeer maar eens een andere spiritualiteit te vinden die datzelfde beweert!

In Een cursus in wonderen betekent de term ‘wij’ in het algemeen de denkgeest van de slapende Zoon van God (al het collectieve leven bij elkaar), die het idee overweegt hoe het zou zijn om los te bestaan van zijn Schepper. Door dit idee serieus te nemen ontstond bewustzijn, en daarmee het ego: de Zoon die zich bewust wordt van zichzelf en van iets buiten hem (zijn Vader). Zijn denkgeest wordt schijnbaar overspoeld met schuldgevoel omdat de eenheid van de eeuwigheid kennelijk is vernietigd (zo denkt hij althans). Het ego (de gedachte van afgescheidenheid) spoort te Zoon aan zich te verstoppen voor de Schepper door verdere fragmentatie, dat wil zeggen: versplinteren in miljarden en miljarden stukjes. Dit kennen we als de Oerknal en het ontstaan van het materiële universum. Daarom is alles wat we denken waar te nemen niets meer of minder dan een gevolg van deze angstige versplintering, wat weer een gevolg was van het schuldgevoel over onze ingebeelde aanval op God (Liefde; Eeuwigheid; Eenheid).

Een cursus in wonderen is een strikt nondualistische spiritualiteit, in de zin dat nondualiteit wordt gezien als de enige waarheid. Al het andere, inclusief het hele universum en het fenomeen ‘tijd’, heeft ooit kunnen gebeuren, en is dus ook nooit werkelijk gebeurd. Alles in tijd en ruimte is slechts een zotte droom, hoe beangstigend die ook mag lijken. De wereld waarin wij denken te leven is er dus in werkelijkheid helemaal niet! In het werkboek verwoordt Jezus het zo: “Elk van je waarnemingen van de ‘uiterlijke werkelijkheid’ is een weergave in beelden van je eigen aanvalgedachten” (Wd1.23.3:2). En in het Tekstboek lezen we: “Ze [d.w.z. de wereld] getuigt van de staat van jouw denkgeest, de uiterlijke weergave van een innerlijke toestand” (T21.In.1:5). De wereld die we om ons heen ervaren hebben we dus zelf verzonnen, in een poging om los van God te kunnen bestaan. We klampen ons vast aan onze ‘unieke autonomie’. Dergelijk onderricht legt de verantwoordelijkheid voor onze pijn en ons genot in onze eigen schoot! Hoe werkt dat dan?

Jezus verklaart: “Als de oorzaak van de wereld die jij ziet aanvalgedachten zijn, moet je leren dat je juist deze gedachten niet wilt. Het heeft geen zin te jammeren over de wereld. Het heeft geen zin te proberen de wereld te veranderen. Ze is niet te veranderen, omdat ze slechts een gevolg is. Maar het heeft zeker zin je gedachten over de wereld te veranderen. Hiermee verander jij de oorzaak. Het gevolg zal dan vanzelf veranderen” (Wd1.23.2). Dit is, nogmaals, omdat we niet “zomaar” in deze wereld zijn beland; we hebben die gemaakt door de waanzinnige gedachte dat we moeten vluchten voor een wraakzuchtige God die ons beslist zou straffen voor onze zonde van afscheiding van Hem. Jezus troost ons: “Niets ergers dan een ijdele droom heeft Gods Zoon angst aangejaagd en ervoor gezorgd dat hij dacht dat hij zijn onschuld verloren, zijn Vader verloochend, en een oorlog tegen zichzelf gevoerd heeft” (T27.VII.13:3).

Jezus onderwijst ons dat de enige reden dat we aanval, haat en pijn om ons heen ervaren is omdat we nog steeds kiezen voor dergelijke gedachten: “We moeten dus met jouw gedachten aan het werk, wil jouw waarneming van de wereld veranderen” (Wd1.23.1:5). In Een cursus in wonderen lezen we dat we slechts twee soorten gedachten hebben: ofwel liefhebbende, ofwel hatelijke. Er zijn bijgevolg slechts twee gidsen voor onze gedachten waar we naar kunnen luisteren: ofwel de Stem namens Liefde (de Heilige Geest, of Innerlijke Leraar), of de stem namens angst (het ego). Jezus probeert ons uit te leggen dat we daadwerkelijk afscheid zouden kunnen nemen van alle pijn in ons leven, simpelweg door alle aanvalgedachten achter ons te laten, waarmee het ego beetje bij beetje ongedaan gemaakt wordt. De oefening lijkt eenvoudig: kies er steeds voor om uitsluitend de Stem namens Liefde te horen.

Het lijkt misschien simpel, maar het doorleven daarvan blijkt enorm moeilijk. Waarom? Omdat we het geluk dat Jezus ons belooft wel willen ervaren, maar alleen als ego individu. De beloofde eeuwige staat van geluk betekent dat we niet langer kunnen vasthouden aan onze persoonlijkheid en individualiteit, en dat is een tikkeltje beangstigend, op z’n zachtst gezegd. We kunnen onszelf honderd keer vertellen dat die keuze geweldig is omdat we dan eindelijk terug Thuis zijn in de onveranderlijke eeuwige Eenheid, waar louter Liefde is die nooit uitdooft… maar diep vanbinnen vrezen we nog steeds dat dit lichaam en en dit leven het enige is wat we hebben. Om ons niet te ontmoedigen verzekert Jezus ons dat dit ‘spiritueel ontwaken’ een langzaam proces is dat niet pijnlijk of beangstigend hoeft te zijn: “Zo beangstigend is de droom, en zo schijnbaar werkelijk, dat hij [d.w.z, wij] niet zonder angstzweet en een doodskreet tot de werkelijkheid zou kunnen ontwaken, als niet een vriendelijker droom zijn ontwaken voorafging en ervoor zorgde dat zijn gekalmeerde denkgeest de Stem verwelkomde en niet vreesde, die met liefde roept om hem te doen ontwaken; een vriendelijker droom waarin zijn lijden is genezen en zijn broeder zijn vriend is. God heeft gewild dat hij zachtjes en van vreugde vervuld wakker wordt, en hem het middel geschonken om zonder angst te ontwaken” (T27.VII.13:3-5).

De weg hiernaartoe bestaat uit het voortdurend oefenen met het vergeven van alle duistere plekken waar we in onze niet-vergevende denkgeest nog aan vastklampen. Dit leerplan heet Een cursus in wonderen omdat het wonder de (h)erkenning is dat jij en ik de dromer van de droom zijn die we de wereld noemen, en dat wij ons dit allemaal zelf aandoen (T27.VIII.10:1). Wij zijn geen slachtoffers! Door consequent te kiezen voor de Stem namens Liefde (d.w.z., de Heilige Geest, of Jezus, of welk symbool voor totale Liefde dan ook) kunnen we stukje bij beetje alle pijn in ons leven achter ons laten. Dit legt, nogmaals, de verantwoordelijkheid voor het geluk in ons leven in onze eigen schoot: “Het corrigeren van angst is jouw verantwoordelijkheid. Wanneer jij vraagt om bevrijding van angst, suggereer je dat dit niet zo is. Je zou in plaats daarvan hulp moeten vragen in de omstandigheden die de angst hebben teweeggebracht. Deze omstandigheden hebben altijd te maken met de wens afgescheiden te zijn.” (T2.VI.4:1-4). Het beoefenen van vergeving betekent het voorbij zien aan aan alle zotte vormen in de wereld, en plaats daarvan de inhoud van de liefde en gelijkheid in al het leven – inclusief jezelf! – te aanvaarden als de focus van je gedachten.

Deze Cursus vraagt niet van ons om te ontkennen wat we op het journaal zien. Er zullen altijd en overal misdaad, angst en ellende zijn. We kunnen niet zonder rechtbanken en gevangenissen. We hebben medicijnen nodig om acute pijn te verlichten. In elk geval zolang we nog geloven dat we in deze wereld werkelijk bestaan. Een cursus in wonderen legt ons simpelweg uit dat alle perceptie van pijn louter om vergeving (compassie) vraagt, niet om aanval, angst of depressie. Om nog maar eens één van de vaakst aangehaalde citaten uit de Cursus te herhalen: “Probeer dan ook niet de wereld te veranderen, maar kies ervoor je denken over de wereld te veranderen” (T21.In.1:7). Alle duisternis die ik om me heen ervaar heeft niets met degenen om mij heen van doen: het wijst louter op een duistere plek in mijn eigen denkgeest. Daar ligt je écht belangrijke dagelijkse werk. Hoe zou je de wereld kunnen verbeteren als je niet eens de duisternis in je eigen denkgeest de baas bent?

Een cursus in wonderen is een leerplan voor gedachtetraining. Het is geen Cursus in Liefde, maar een Cursus in het vinden en ongedaan laten maken van alle barrières die we tegen Liefde hebben opgeworpen (zie T16.IV.6). Jezus herinnert ons er steeds aan dat iedereen blijvend geluk kan vinden, als we stoppen met het bevechten van de wereld (buiten ons) en onze aandacht naar binnen gaan richten en Jezus of de Heilige Geest toestaan dat alle pijn en duisternis stukje bij beetje ongedaan wordt gemaakt voor ons. Pas als jij je ontslaat als je eigen leraar (T12.V.8:3) herinner jij je eigen ware Identiteit weer: pure Geest, pure Liefde. “Wees alleen waakzaam voor God en Zijn Koninkrijk” (T6.V-C), en “Onderwijs louter Liefde, want dat is wat jij bent” (T6.III.2:5). Je beleving van de wereld en je leven kan niet anders dan meegaan met deze verandering van denken.

— Jan-Willem van Aalst, februari 2018 (vertaling van: https://miraclesormurder.wordpress.com/2020/11/14/stop-fearing-and-fighting-the-world-2/)

Waarom wachten op de Hemel?

In werkboekles 156 (“Ik ga met God in volmaakte heiligheid”) van Een cursus in wonderen beschrijft Jezus een waarneming van onze wereld die – op z’n zachtst gezegd – niet van deze wereld lijkt te zijn: “Al wat leeft brengt jou geschenken en legt ze in dankbaarheid en vreugde aan je voeten neer. De golven buigen zich voor je, en de bomen strekken hun armen uit om je tegen de hitte te beschutten en leggen hun bladeren vóór je op de grond opdat je op een zacht tapijt zult wandelen, terwijl de wind zakt tot een gefluister rond jouw heilig hoofd.” (WdI.156.4:2,4). Hoewel het ego zich ongetwijfeld enorm gevleid voelt om deze beschrijving van zoveel speciaalheid, zal het ook direct concluderen dat deze Cursus klaarblijkelijk een fantasieverhaal is, dat niet echt serieus genomen kan worden. Dus hoe zit dat?

Als we deze les wat beter bekijken, dan wordt duidelijk dat Jezus niet zegt dat dit onze letterlijke ervaring zal zijn in deze wereld waarin we denken te leven: hij schetst een beeld van wat onze beleving van de wereld zou kunnen zijn. Zie bijvoorbeeld de zesde alinea, waarin we lezen: “Als jij een stap terugdoet, treedt het licht in jou naar voren en omgeeft de wereld.” (WdI.156.6:2; mijn cursivering). ‘Een stap terugdoen’ betekent dat we in blijdschap “onszelf ontslaan als onze eigen leraar” (T12.V.8:3), in het besef dat wij het over alles in het leven bij het verkeerde eind hadden, dat Jezus gelijk heeft, en dat we nu liever willen luisteren naar de impuls van de Heilige Geest (de Stem namens Liefde) om onze dagen mee te vullen. Praktisch gezien betekent dit dat wij ons steeds meer gewaar worden van de ‘duistere plekken van niet-vergevingsgzindheid’ (d.w.z., veroordeling) die we nog koesteren in onze denkgeest. Zo kunnen wij onszelf daarvoor vergeven; dat wil zeggen onszelf niet meer schuldig voelen, maar vragen aan onze nieuwe Leraar wat liefde zou doen.

Maar zelfs als het ons zou lukken om die oefening de hele dag door vol te houden, zouden we niet moeten verwachten dat ‘de golven zich voor ons buigen, en de bomen hun armen naar ons uitstrekken om ons tegen de hitte te beschermen’. Het gaat er om dat we inzien dat Jezus vaak poëtisch, metaforisch taalgebruik bezigt. Dergelijke woorden zouden we niet letterlijk moeten nemen. Jezus doet dit tamelijk vaak in zijn Cursus; dat komt omdat de nondualistische waarheid waarmee hij ons kennis wil laten maken, en waar we diep vanbinnen – achter alle zware ego-verdedigingslagen – altijd naar smachten, niet in woorden kan worden uitgedrukt. Zie bijvoorbeeld werkboekles 20, “Ik ben vastbesloten te zien”. Als je dit letterlijk opvat, slaat dit nergens op, want je kunt al zien, tenzij je fysiek blind bent. Jezus heeft het hier dus niet over het zicht van de ogen, maar de innerlijke visie van het geestesoog. Dit is een goed voorbeeld van het verschil tussen vorm en inhoud waar Kenneth Wapnick het zo vaak over had. De vormen die onze ogen waarnemen zijn legio (en inherent zonder betekenis), terwijl de inhoud waar de denkgeest (‘het geestesoog’) betekenis aan geeft, maar twee opties kent: ofwel liefde, ofwel angst/haat (of, zoals Ken Wapnick vaak zei: ofwel liefde, ofwel een roep om liefde, T14.X.7:1).

Jezus probeert ons dus uit te leggen dat zodra wij onze gehechtheid aan de vormen in de wereld geleidelijk loslaten (die uiteindelijk toch slechts zijn gemaakt om de denkgeest van de slapende Zoon af te leiden van de mogelijkheid om toch weer voor Liefde te kiezen), door onszelf te vergeven en om hulp te vragen de dingen anders te bezien, de inhoud van de Liefde van de Heilige Geest zich als vanzelf zal manifesteren. Dit laat ons uiteindelijk ons eigen Erfgoed weer herinneren, dat wil zeggen onze Identiteit als de Ene Zoon van God, die geen vorm heeft. Het probleem is dat wij denken dat we deze gehechtheid aan vorm niet los willen laten, omdat we de gehechtheid aan onze unieke individualiteit niet willen loslaten. Zolang wij nog geloven dat dat wat onze ogen zien de objectieve waarheid is, zullen we er koppig aan vasthouden. We zien misschien heel af en toe de inhoud achter de vorm, maar zeker niet altijd en overal. Dat is waarom een aanzienlijk deel van het werkboek gaat over het leren inzien dat gehechtheid aan vorm nooit tot het geluk en de vrede zal leiden waar we in ons leven zo naar snakken. En dus probeert Jezus onze overtuigingen om te buigen, zoals, wederom, in werkboekles 20, “Ik ben vastbesloten te zien”: “Jij wilt verlossing. Jij wilt gelukkig zijn. Jij wilt vrede. […] Het enige wat voor visie nodig is, is jouw besluit om te zien. […] De oefeningen voor vandaag bestaan erin jezelf er door de dag heen aan te herinneren dat jij wilt zien.” (WdI.20.2:3-5;3:1;4:1; mijn cursivering).

Nu zeg je misschien iets als: “Oké, dus als ik dit probeer zie ik misschien niet de bomen die hun armen uitstrekken om mij tegen de hitte te beschermen, maar wat zou visie mij dan wel brengen?” Zo’n ervaring blijkt helemaal niet zo wereldvreemd te zijn. Denk je eens in dat je op een zonnige dag aan het kuieren bent in een natuurreservaat, een bos, een park, of bij een beekje. Velen van ons kennen de ervaring van het volledig één worden met de natuur, zodra we ons op dat moment richten op de stilte. Probeer je een moment te herinneren, misschien al lang geleden, dat de wereld naar de achtergrond leek te gaan, en je opging in een gevoel van totale vrede en eenheid, hoe kort ook. Kun jij je zo’n moment herinneren? Zodra je weet dat je je denkgeest zo kunt richten, zou je er ook voor kunnen kiezen dit elke dag te beoefenen. Elke dag komen wij dozijnen mensen tegen. Wat zou er gebeuren als we ervoor zouden kiezen om voorbij de vormen van die lichamen te zien, en in plaats daarvan hetzelfde witte licht te zien in iedereen die we tegenkomen? Nogmaals, het ego doet dat af als fantasie, maar voor de Heilige Geest betekent dit dat we ervoor kiezen het Licht van de Hemel hier in de illusoire droom van tijd en ruimte te willen weerspiegelen.

Dit is het licht dan wij allemaal delen, en dat nooit uitdooft. Jezus benoemt dit in les 156: “Het licht in jou is wat het universum verlangt te zien. Alle levende wezens zijn stil in jouw aanwezigheid, want ze herkennen Wie jou vergezelt. Het licht dat jij [d.w.z., iedereen] draagt is dat van hen. […] Als jij een stap terugdoet [d.w.z., wilt doen], treedt het licht in jou naar voren en omgeeft de wereld [d.w.z., iedereen]. […] Zonde verdwijnt in lichtheid en gelach, omdat haar grillige absurditeit wordt gezien. 5Het is een dwaze gedachte, een onnozele droom, niet beangstigend, lachwekkend misschien, maar wie wil ook maar een moment verspillen aan zo’n zinloze gril terwijl hij God Zelf benadert?” (WdI.156.5-6).

Wel, kennelijk willen we allemaal nog tijd verspillen aan zinloze grillen, zoals Jezus ook duidelijk vervolgt: “Toch heb jij aan precies deze dwaze gedachte vele, vele jaren verspild.” (WdI.156.7:1). En als je bedenkt dat dit hoogstwaarschijnlijk niet de eerste keer is dat je op deze planeet bent geboren, dan betekent “vele, velen jaren” dus eigenlijk duizenden jaren. Daarom is één van de kernvragen in Jezus’ Cursus: “Waarom wachten op de Hemel?”, zoals we lezen in werkboek 188: “Waarom wachten op de Hemel? Zij die het licht zoeken bedekken slechts hun ogen [d.w.z., geestesoog]. Het licht is nú in hen. Verlichting is slechts een herkenning, en allerminst een verandering. Het licht is niet van deze wereld, maar ook jij die het licht in je draagt bent hier een vreemde. Het licht kwam met jou mee vanuit je geboortehuis en is bij je gebleven, omdat het jou eigen is. Het is het enige wat jij met je meebrengt van Hem die jouw Oorsprong is. Het straalt in jou, omdat het je huis verlicht, en leidt je terug naar waar het vandaan gekomen is en waar jij thuis bent.” (WdI.188-1).

Het probleem, nogmaals, zit in onze enorme weerstand om ons denken doorlopend te richten op de inhoud van licht in plaats van op de vormen van de wereld, omdat dat het einde van het ego zou aankondigen. We blijven gehecht aan het ego omdat we alleen zo onszelf als autonoom individu kunnen blijven ervaren. Daarom eindigt werkboekles 156 met de zeer belangrijke en zeer behulpzame vraag: “Wie vergezelt mij? – Deze vraag moet duizend keer per dag worden gesteld” (WdI.156.8:1). En ik blijf zeggen dat Jezus dit letterlijk bedoelt. Telkens als we merken dat we iets afwijzen of veroordelen, hoe klein het ook lijkt te zijn, zouden we uit gewoonte moeten gaan denken: “Wie vergezelt mij nu?” Kies ik voor het ego, dat altijd tot negativiteit zal leiden, of voor de Heilige Geest, die mij altijd leidt naar aanvaarding, vrede en vreugde? Voorbij onze zintuigen ‘gaan’ we absoluut met God in perfecte heiligheid. Maar het gaat erom dat wij ons dat Erfgoed willen herinneren, door een stapje terug te doen (zie les 155), en weer voor de leiding van de Heilige Geest willen kiezen om ons daar te brengen. Het ego vermaant ons steeds streng dat als we onze controledwang over het leven loslaten, alles chaos zal worden. Maar zodra je het werkelijk probeert zul je merken, in vreugdevolle verbijstering, dat je leven veel prettiger gaat stromen.

Neem je vandaag voor om te zien. Het enige wat van je gevraagd wordt is de bereidheid een stapje terug te doen. Daarom eindigt werkboekles 20 zo vreugdevol: “Wat je wilt is al van jou. Vat de geringe inspanning die van jou gevraagd wordt niet ten onrechte op als een teken dat ons doel van weinig waarde is. Kan de verlossing van de wereld een onbetekenend doel zijn? En kan de wereld verlost worden als jij niet wordt verlost?” (WdI.20.3:2-5). Oefen hier dagelijks mee, door te stoppen met veroordelen, en in plaats daarvan om hulp vragen in het maken van een betere, liefdevolle keuze. Oefen dit vaak vandaag. En herinner je Jezus’ troost, wanneer hij ons verzekert: “Raak niet van slag als je dit vergeet, maar doe echt je best om eraan te denken. […] Wat je verlangt zul je zien. Dat is de werkelijke wet van oorzaak en gevolg zoals die in de wereld werkt.” (WdI.20.5:2;5-6). Jij en ik willen de Hemel, dus waarom zouden we daar op wachten?

— Jan-Willem van Aalst, januari 2018 (vertaling van https://miraclesormurder.wordpress.com/2018/01/23/why-wait-to-choose-heaven/(

Ziekte is je eigen schuld?

Ernstige ziekten vormen een onderwerp dat niet gemakkelijk bespreekbaar is, vooral waar het aankomt op de oorzaak van de ziekte. Dit is in het algemeen in de samenleving zo, maar zeker in spirituele kringen, waar men geneigd is de waarde van het lichaam te bagatelliseren, waarmee een ‘ernstige boodschap’ van het lichaam extra pijnlijk wordt. De onderliggende kwestie gaat altijd over schuld. Als je geconfronteerd wordt met een ernstige lichamelijke ziekte, dan komt vroeg of laat de onbewuste vraag naar boven over de grondoorzaak: heb ik mijn eigen ziekte veroorzaakt? Aardig wat mensen duiken vooral in spiritualiteit omdat men daarmee hoopt allerlei ernstige ziektes te kunnen vermijden of afwenden. Dat kan natuurlijk niet werken, omdat het ontkennen van het belang van het lichaam niet betekent dat het er niet meer is, noch dat dat men er niet stiekem nog steeds heilig in gelooft.

In de onderzoekswereld van gezondheid wordt de rol van het individu in het ontstaan van ziekten, en dan met name de manier van leven (‘lifestyle’) steeds nadrukkelijker bekeken. Zo is het inmiddels algemeen bekend en aanvaard dat een leven lang roken leidt tot een aanzienlijke kans op longkanker. En weinigen twijfelen er nog aan dat serieus overgewicht gecombineerd met te weinig beweging tot een sterk verhoogde kans op suikerziekte leidt. “Lifestyle medicine” is de nieuwe trend. Het idee erachter is dat de ziekten waar we individueel genetisch bevattelijk voor zijn kunnen worden vermeden of uitgesteld door zo gezond mogelijk te leven. Maar hoewel een gezonde levensstijl ongetwijfeld bijdraagt aan een gezond lichaam, gaat dit nog goeddeels voorbij aan de rol die onze onbewuste denkgeest speelt in het aansturen van het lichaam. Sommige vooruitstrevende onderzoekers zoals Bruce Lipton (“De biologie van de overtuiging”) en Joe Dispenza (“Jij bent het placebo”) gaan gelukkig wel degelijk die richting op; maar de focus ligt in het algemeen nog meer op het ombuigen van “blokkerende overtuigingen” over je eigen persoonlijkheid, dan op het ongedaan maken van het oorspronkelijke schuldgevoel over de oorspronkelijke afscheiding van eenheid.

In Een cursus in wonderen is Jezus volstrekt compromisloos over de gezondheidskwestie, zoals eigenlijk de hele Cursus compromisloos is. Enkele illustratieve voorbeelden: “Alle ziekte is mentale ziekte” (P2.IV.1:1); “Ziekte is iets van de denkgeest, en heeft niets met het lichaam van doen” (H5.II.3:2); “Elk soort ziekte kan worden gedefinieerd als het resultaat van de zienswijze het zelf te zien als iets wat zwak, kwetsbaar, slecht en bedreigd is, en dus voortdurend verdediging behoeft.” (P2.IV.6:1). Dat zijn ferme uitspraken. Jesus zegt eigenlijk dat telkens wanneer het lichaam symptomen vertoont, die louter een gevolg zijn van de denkgeest die voor ziekte gekozen heeft. De denkgeest doet dat door het voortdurende afwijzen en veroordelen. Dergelijke oordelen kunnen over van alles gaan, maar ze symboliseren uiteindelijk slechts het ontologische moment waarop we besloten om van God af te scheiden, wat in realiteit helemaal niet kan en daarom nooit is gebeurd. Onbewust houden we ons echter koste wat kost vast aan de overtuiging dat dit wel degelijk echt is gebeurd, want alleen dán kunnen we onzelf als uniek individu ervaren.

Volgens Jezus ervaren we fysieke symptomen omdat “alle aanval altijd een aanval op je Zelf is” (T10.II.5:1). De denkgeest valt aan, en het lichaam weerspiegelt die aanval. Echter, in tegenstelling tot veel andere spiritualiteiten denigreert Een cursus in wonderen het lichaam niet, zelfs niet in deze dualistische droomwereld. Het ziet het lichaam louter als een neutraal gevolg van de staat van de denkgeest. In weerwil van onze dagelijkse ervaring opereert het lichaam niet volstrekt zelfstandig: “Het [lichaam] probeert niet van pijn een bron van vreugde te maken en naar blijvende genoegens te zoeken in het stof. Het zegt jou niet wat zijn bedoeling is, en kan niet begrijpen waartoe het dient. […] Het lijdt niet onder de straf die jij geeft, omdat het geen gevoel heeft. Het gedraagt zich op de manier die jij wilt, maar maakt nooit de keuze. Het is niet geboren en het sterft niet. Het kan slechts doelloos het pad volgen waarop het is gezet” (T-28.VI.1:4-5;2:2-5). De zinsnede over ‘het is niet geboren en het sterft niet’ verwijst uiteraard naar de metafysische grondslag van het nondualisme, waar de Cursus van uitgaat: aangezien alles in tijd en ruimte illusoir is, wordt niets hier werkelijk geboren, en niets sterft hier werkelijk: dit lijkt slechts zo voor onze zintuigen. Het is de denkgeest die deze droom kiest en ervaart. Maar een illusie blijft een illusie.

Voor het ego is lichamelijke ziekte een favoriet instrument om aan de slapende Zoon van God (d.w.z, wij allemaal) te ‘bewijzen’ dat de afscheiding van eenheid daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. De eenheid van God (= Liefde) is versplinterd, en gebrek wordt het kenmerk van de dagen van de Zoon van God, inclusief gebrek aan gezondheid. De vormen zijn legio, en ze voeden altijd schuld en angst. Zo worden fysieke symptomen soms geïnterpreteerd als Gods bestraffing voor onze kardinale zonden; of, beter gezegd, als voorproefje van de straf die ons te wachten staat zodra we overlijden. Velen die lijden onder een ernstige ziekte vragen zich vertwijfeld af dit Gods straf is voor hun ‘slechtheid’. Anderen, waaronder veel spiritueel ingestelde mensen, gebruiken de symptomen als ‘bewijs’ van hun onschuld: in een wrede wereld zullen zij die goed zijn onvermijdelijk lijden. “Bezie mij, God. Mijn hele leven ben ik een goed mens geweest, en het leven hier behandelt mij wreed. Ik lijd in weerwil van mijn goedheid. Verschaf mij toegang tot de hemel en verdoem alle slechteriken!”

Beide interpretaties zijn echter afleidingsmanoeuvres van het ego, om de patiënt vooral niet te laten kijken naar waar de ware oplossing ligt: in ons vermogen om van gedachten te veranderen over onszelf. Jezus licht toe: “Aanvaarden dat ziekte een beslissing is van de denkgeest, terwille van een doel waarvoor hij het lichaam gebruiken wil, is de basis van genezing. En dit geldt voor genezing in elke vorm.” (H5.II.2:1-2). “Ziekte is derhalve een vergissing die correctie behoeft” (P2.IV.7:1). De correctie, vanuit een metafysisch standpunt bekeken, ligt in het besef dat “Zoon van God, jij hebt niet gezondigd, maar je hebt je wel zeer vergist.” (T10.V.6:1). Als ik dus mijn denkgeest genees door in te zien dat ik mij heb vergist over mezelf, en mijzelf daar voor vergeef, dan zal het lichaam volgen (hoewel in het algemeen niet à la minute, omdat materie traag is). Het probleem is dat iedereen die zichzelf nog als een fysiek lichaam beschouwt een ongenezen denkgeest heeft, wat voor zo’n beetje iedereen op deze planeet geldt. Daarom besteedt Een cursus in wonderen zoveel aandacht aan het ongedaan maken van onze basisovertuiging dat jij en ik een lichaam zijn. Lessen 201 t/m 220 laten ons dagelijks herhalen: “Ik ben niet een lichaam. Ik ben vrij. Want ik blijf zoals ik ben, zo schiep God mij.” (WdI.201-220). Het achterliggende idee is dat hoe meer ik mij identificeer met zijn Zelf (hoofdletter Z) als geest in plaats van met het kleine ego-zelf, hoe minder snel de staat van mijn denkgeest zal leiden tot lichamelijke symptomen.

Dit inzicht overtuigt echter studenten van Een cursus in wonderen (en veel andere spirituele zoekers) absoluut niet. Het is tenslotte behoorlijk pijnlijk als je meent spiritueel goed bezig te zijn en dan plotseling te merken dat je toch ziek wordt. Dit is wederom een krachtige ego-strategie om jou te overtuigen van zijn gelijk: “Zie je wel? Spiritualiteit is een farce. Het werkt voor geen meter, zoals je duidelijk kunt zien. Niet voor jou, en voor niemand niet. Ik kan dozijnen spirituele goeroes opnoemen die veel te vroeg aan allerlei verschrikkelijke ziekten zijn overleden. Je kunt beter terugkeren naar je overtuiging dat je een schuldige zondaar bent, want dan ben je tenminste eerlijk over wat je bent – ja, ellendig en eenzaam en in pijn, maar je bestaat tenminste als autonoom individu, los en onafhankelijk van God. Dat was de bedoeling vanaf het begin, toch? Wel, deze ziekte bewijst dat dat nog steeds zo is!”

Bijgevolg is ziekte voor veel spirituele studiegroepen een moeilijk gespreksonderwerp, om het zacht uit te drukken. Voor studenten van Een cursus in wonderen is dat niet anders. Zo is het feit dat zowel Helen Schucman als Kenneth Wapnick op hun 71e aan kanker overleden, en Bill Thetford op z’n 65e aan een hartaanval, voor sommigen een reden om zich serieus af te vragen of deze Cursus wel werkt. Deze focus op anderen is echter louter een truc van het ego om de denkgeest af te leiden van het werkelijke huiswerk: de Verzoening aanvaarden voor zichzelf – in de denkgeest. Zolang de denkgeest geobsedeerd wordt door pogingen om de levensduur van het lichaam te verlengen blijft die gevangen in dualiteit en is dus ongenezen. In werkelijkheid bestaat er niet zoiets als de tijd! Waarom zou je dan proberen de tijd van je lichaam zoveel mogelijk te rekken? Hoewel reïncarnatie onderdeel van de droom van tijd en ruimte is en derhalve net zo illusoir als tijd zelf, kun je er zeker van zijn dat jij hiervoor al honderden lichamen op deze planeet hebt gehad, waarvan sommige op een vreselijke manier aan hun einde zijn gekomen. Dus waarom zou je niet overwegen om je leven in een breder perspectief te zien? Volgens Boeddhisten is het lichaam een “jas die je van leven tot leven verwisselt”, totdat je karma (d.w.z. duisternis in je denkgeest) is opgeschoond.

Dus du moment dat je jezelf – of een geliefde – geconfronteerd ziet met ernstige fysieke symptomen, kun je – in plaats gelijk in de slachtofferrol te schieten – dit zien als een nuttig teken van op te schonen duisternis in de denkgeest. Deze duisternis vraagt om compassie en vergeving, en om niets anders. Op deze manier bekeken wordt ziekte één van de middelen die de Heilige Geest kan aanwenden voor de spirituele ontwaking van zelf naar Zelf. Niet dat Hij je de ziekte aanbiedt, maar hij maakt je wel gewaar van de boodschap ervan. Het zal beslist niet altijd comfortabel aanvoelen, zeker niet als een geliefde aan een ziekte bezwijkt, maar het is en blijft in essentie een oproep aan de denkgeest om zich gewaar te worden van de illusoire aard van de wereld, en onvoorwaardelijke vergeving te blijven oefenen. Het is daarbij van het grootste belang om een normaal mens te blijven. Neem de tijd om te rouwen als een geliefde overlijdt. Neem de tijd om te huilen. Uiteindelijk ga je misschien beseffen dat die emoties de hardnekkige keuze weerspiegelen om gehecht te blijven aan lichamen en dus aan individualiteit, en dus aan de afscheiding van God. De Heilige Geest brengt je zo weer een les in (zelf)vergeving.

Dit alles betekent overigens niet dat je nooit meer iets medisch zou moeten (laten) doen. Het zou een erg tragische vergissing zijn om te weigeren een arts of ziekenhuis te bezoeken omdat “de ware genezing uit de denkgeest moet komen”. Medisch handelen mag dan een vorm van ‘magie’ zijn, maar Jezus benadrukt in hoofdstuk 2 van het Tekstboek dat daaruit niet volgt dat medisch handelen slecht zou zijn. Hij wil ons er echter wel op wijzen dat magie nooit tot blijvende verlossing leidt. Een Cursusstudent die in balans is, beoefent vergeving en zorgt tegelijkertijd goed voor het lichaam, daarbij nooit vergetend dat de denkgeest altijd de oorzaak is en het lichaam het gevolg daarvan, en bovendien dat iedereen uiteindelijk zal ontwaken uit de dualistische droom; wellicht niet in dit leven, maar dan toch zeker in een toekomstig leven. Jezelf schuldig voelen over je ziekte is dus zo’n beetje het slechtste wat je jezelf kunt aandoen. Besef dat dit slechts een ego-poging is om de afscheiding in stand te houden, en ga vervolgens door met het beoefenen van (zelf)vergeving.

Een laatste wenk over het ‘vroegtijdig’ overlijden van Helen, Bill en Ken. Helen besefte zich ten volste dat ze tot haar laatste snik aan haar ego vasthield, waarmee ze Jezus’ geschenk nog niet volledig voor zichzelf kon ervaren. Voor Bill en Ken lag de situatie volgens mij iets anders. Ik denk dat zij simpelweg hun laatste taak in dit leven hadden voltooid, waarmee ze geen reden hadden hier nog langer ‘rond te hangen’. Veel studenten kennen het verhaal van Bill’s “afstuderen” van de Cursus in zijn laatste levensjaren, toen hij vol vreugde op straat uitriep: “Ik ben vrij, ik ben vrij!”. Kenneth Wapnick verzekerde in zijn laatste dagen iedereen om hem heen dat hij niet stervende was. Het leven, legde hij vaak uit, heeft niets met het lichaam van doen. Hij realiseerde zich ten volste dat hij niet dat lichaam was. Ik vraag me sterk af of Bill en Ken hier nog zullen reïncarneren. Maar, nogmaals, dergelijke mijmeringen over anderen zijn feitelijk afleidingen voor je eigen beoefening van het aanvaarden van de Verzoening. De Heilige Geest (of ‘Innerlijke Leraar’) is de enige Gids die je nodig hebt in je leven. Hij zal je naar je Thuis leiden buiten tijd en ruimte. Voel je niet schuldig over ziek zijn; wees niet bang voor de dood. Alles is een les in liefde die de Heilige Geest je aanbiedt. Om te besluiten met de lieflijke slotzinnen van “De geschenken van God”, opgetekend door Helen in 1978: “Vergeet alles, behalve Mijn onveranderlijke Liefde. Vergeet alles, behalve dat Ik hier ben.” (De Geschenken van God, p.128).

— Jan-Willem van Aalst, december 2017 (Vertaling van: https://miraclesormurder.wordpress.com/2017/12/16/guilty-of-being-ill/)

Geen enkele ontmoeting is toeval

Deze blog heeft een iets ander stramien dan gewoonlijk, in die zin dat ik een soort Kenneth-achtig commentaar geef bij alinea’s van de sectie “De selectie van patiënten” in de “Psychotherapie” Aanvullingen. Niet dat ik zonodig de behoefte voel om Kenneth Wapnick te imiteren, maar zoals Gary Renard in zijn laatste, aan Kenneth opgedragen boek opmerkte: “Ik kan niet jou zijn; maar net als jij, kan ik wel bij de waarheid blijven.” De twee Aanvullingen (“Psychotherapie” en “Het Lied van het Gebed”) worden nog wel eens over het hoofd gezien. Ze waren niet in het dikke blauwe boek opgenomen tot aan de derde editie, en moesten tot dan apart worden aangeschaft. Naar mijn mening presenteert Jezus in deze aanvullingen niet alleen erg belangrijk aanvullend studiemateriaal, maar trakteert hij ons ook op een aantal van de meest ontroerende poëtische passages die de Cursus bevat, om ons te helpen die diep verlangde innerlijke vrede te kunnen vinden. De sectie die we in deze blog bespreken (P.3.I) gaat uit van de notie dat iedereen in deze wereld zowel leerling als leraar is; iedereen is zowel patiënt als therapeut; iedereen demonstreert en leert de hele tijd. Ieders gedrag weerspiegelt slechts de overtuigingen of toewijdingen (altaren) in de denkgeest, en denkgeesten zijn allemaal verbonden. We kunnen er derhalve voor kiezen om onze verlossing te herkennen in iedereen die we tegenkomen. Bovendien is geen enkele ontmoeting toeval:

Ieder die naar jou wordt gezonden, is jouw patiënt. Dit betekent niet dat jij hem uitkiest, en evenmin dat jij de soort behandeling kiest die geschikt is. Maar het betekent wel dat niemand per vergissing naar jou toe komt. Er zijn geen vergissingen in Gods plan. Het zou echter wel een vergissing zijn ervan uit te gaan dat jij weet wat jij ieder die komt te bieden hebt. Het is niet aan jou dit te beslissen. De neiging bestaat aan te nemen dat jou voortdurend wordt gevraagd zelf offers te brengen ten behoeve van degenen die komen. Dit kan allerminst waar zijn. Een offer van jezelf eisen is een offer van God eisen, en Hij heeft geen weet van offers. Wie zou Volmaaktheid kunnen vragen dat Hij onvolmaakt is?” (P-3.I.1)

Wanneer we iemand op straat tegenkomen, beschouwen we die persoon in het algemeen niet als iemand die opzettelijk naar ons toe wordt gebracht om ons een vergevingsles aan te bieden. Toch verzekert Jezus ons dat er geen toevallige ontmoetingen zijn. Iedereen die we ontmoeten biedt ons de gelegenheid om ons onbewuste schuldgevoel en onze angst ongedaan te laten maken; dat wil zeggen, zodra we er voor kiezen van de ontmoeting, hoe kortdurend ook, een heilige ontmoeting te maken. Dit is de term die de Cursus gebruikt voor het besluit om geen verschil in belangen te zien tussen jou en degene die je ontmoet. We zien er natuurlijk verschillend uit, we gedragen ons anders, we hebben verschillende waarden en normen, talenten, en ambities, maar in essentie zijn we exact hetzelfde (d.w.z, van dezelfde geest) en verlangen we ten diepste naar hetzelfde: terugkeer naar de Liefde van God. Deze eenheid in zijn en doel wordt ons uitgelegd in, bijvoorbeeld, hoofdstuk 8 van het Tekstboek: “Telkens wanneer jij iemand ontmoet, bedenk dan dat het een heilige ontmoeting is. Zoals je hem ziet, zie jij jezelf. Zoals je hem behandelt, behandel jij jezelf. Zoals je over hem denkt, denk jij over jezelf. Vergeet dit nooit, want in hem zul jij jezelf vinden of verliezen. Telkens wanneer twee Zonen van God elkaar ontmoeten, wordt hun een nieuwe kans op verlossing geboden. Ga nooit bij iemand weg zonder hem verlossing gegeven en die zelf ontvangen te hebben.” (T-8.III.4:1-7).

Wanneer ik zonder hulp probeer dit gedrag te vertonen, dat wil zeggen vanuit mijn eigen ego-kracht, dan zal de onbewuste pijn van opoffering nooit ver weg zijn, aangezien het ego-axioma altijd is: de één of de ander. Als mijn ego vriendelijkheid geeft, dan ervaar ik dat onbewust als iets dat ik weggeef wat ik liever voor mezelf zou willen houden. Daarom zegt Jezus dat ik op mezelf niet kan weten wat ik eenieder die ik tegenkom kan aanbieden. Maar ik heb een Leraar tot mijn beschikking die dat wel weet: de Heilige Geest, de ware Therapeut. Pas als ik mijn gedachten laat leiden door de Heilige Geest, door niet te veroordelen, wordt de ontmoeting een heilige ontmoeting, en zullen wij allebei (ik en degene die ik ontmoet) het beste uit de ontmoeting halen. In de Psychotherapie Aanvulling vervolgt Jezus:

“Wie beslist er dan wat elke broeder nodig heeft? Zeker niet jij die nog niet inziet wie het is die vraagt. Er is Iets in hem dat jou dat zal zeggen, mits je luistert. En dat is het antwoord: luister. Eis niets, beslis niets, offer niets. Luister. Wat je hoort is waar. Zou God jou Zijn Zoon zenden zonder er zeker van te zijn dat jij inziet wat zijn noden zijn? Bedenk eens wat God jou vertelt: Hij heeft jouw stem nodig om namens Hem te spreken. Kan er iets heiliger zijn? Of een groter geschenk aan jou? Kies je liever wie er god zou zijn dan de Stem te horen van Hem die God is in jou?” (P3.I.2)

Hoe vaak wisten jij en ik absoluut zeker wat het beste zou zijn voor een bepaald persoon om te doen, waar we vervolgens op aandrongen? Dit komt echter louter neer op het projecteren van eigen ego-pijn die we nog niet onder ogen willen zien. En hoewel de Aanvulling is geschreven in de specifieke context van een wereldse patiënt – therapeut relatie, geldt dit advies voor ons allemaal: stop met veroordelen, vanuit de overtuiging dat je de waarheid kent, en luister. “Het merendeel van het onderricht in de wereld volgt een leerplan in oordelen, erop gericht van de therapeut een beoordelaar te maken.” (P–3.II.2:4). Maar laten we ons herinneren: “Als jij op de fouten van je broeders ego wijst, moet je daar wel met het jouwe naar kijken, want de Heilige Geest neemt zijn vergissingen niet waar. […] Wanneer jij überhaupt op vergissingen reageert, luister je niet naar de Heilige Geest. […] Als je Hem [de heilige Geest] niet hoort, luister je naar je ego en ben je even onzinnig als de broeder wiens vergissingen jij waarneemt.” (T9.III.3:1;4:1-4). Het beoefenen van Jezus’ Cursus in wonderen vraagt van ons dat wij een stapje terug doen en de Stem namens Liefde ons denken laat leiden.

Vervolgens wijst Jezus ons er op dat deze uitgangspunten niet alleen gelden voor mensen die we fysiek tegenkomen, maar net zo goed voor mensen waar we aan denken: “Je patiënten hoeven niet fysiek aanwezig te zijn om jou de gelegenheid te geven hen in de Naam van God te dienen. Dit is misschien moeilijk in gedachten te houden, maar God wil niet dat Zijn gaven aan jou beperkt blijven tot de enkelingen die jij daadwerkelijk ziet. Je kunt ook anderen zien, want zien is niet beperkt tot de ogen van het lichaam. Sommigen hebben jouw fysieke aanwezigheid niet nodig. Ze hebben jou even hard, en misschien zelfs meer, nodig op het ogenblik dat ze worden gezonden. Je zult hen herkennen op elke manier die voor jullie beiden het meest behulpzaam kan zijn. Het doet er niet toe hoe ze komen. 8Ze zullen worden gezonden in elke vorm die het meest behulpzaam is: als naam, als gedachte, als beeld, als idee, of misschien alleen maar als gevoel dat je met iemand ergens contact maakt. De verbinding ligt in handen van de Heilige Geest. Ze kan alleen maar lukken.” (P3.I.3).

Dit kan inderdaad lastig zijn om steeds in gedachten te houden. Als we oprecht iemand die we tegenkomen een glimlach schenken, ervaren we een direct gevolg (afhankelijk van met welke leraar we kijken). Maar te lezen dat zelfs het liefdevol denken aan een persoon een minstens zo sterk effect kan hebben, voelt onbekend of zelfs oncomfortabel voor ons. Toch, als we ons herinneren dat denkgeesten verbonden zijn, wordt dit logisch en vanzelfsprekend. Zelfs in het geval van een fysieke ontmoeting vindt de echte verbinding – en dus genezing – plaats op het niveau van de denkgeest. Dus waarom zou fysieke afstand uitmaken? Of zelfs tijd, de vierde dimensie van ruimte? Zoals Jezus uitlegt in hoofdstuk 28 van het Tekstboek: “Verbind je niet met je broeders dromen, maar verbind je met hem [zijn denkgeest], en waar jij je met de Zoon verbindt, daar is de Vader aanwezig.” (T28.IV.10:1). Dus ook liefdevolle gedachten aan overledenen kunnen onze relatie met hen helen.

“Een heilige therapeut, een gevorderde leraar van God, vergeet één ding nooit: hij stelde het leerplan van zijn verlossing niet vast, en bepaalde evenmin zijn aandeel daarin. Hij begrijpt dat zijn aandeel noodzakelijk is voor het geheel, en dat hij door middel daarvan het geheel zal herkennen, wanneer zijn aandeel compleet is. Ondertussen dient hij te leren, en zijn patiënten zijn de middelen die hem daartoe gezonden zijn. Wat kan hij anders dan om hen en jegens hen dankbaar zijn? Ze komen en dragen God met zich mee. Zou hij deze Gave willen afslaan voor een kiezelsteen, of zou hij de deur willen sluiten voor de verlosser van de wereld om een spook binnen te laten? Laat hij de Zoon van God niet verraden. Wie er een beroep op hem doet gaat zijn begrip verre te boven. En zou hij niet blij zijn dat hij antwoorden kan, wanneer hij alleen zo de roep kan horen en begrijpen dat het de zijne is?” (P3.I.4).

Jij en ik kennen waarschijnlijk niet veel therapeuten die op deze manier denken en werken. Maar zie eens hoe simpel het is (hoewel niet noodzakelijkerwijs erg gemakkelijk) om hier een dagelijkse gewoonte van te maken! We komen tenslotte elke dag mensen tegen, en als we willen kunnen we elke dag aan honderden mensen denken. Dat betekent honderden gelegenheden om de Heilige Geest toestemming te geven je eigen denkgeest te genezen! Dit vraagt van mij dat ik mijn eigen veroordelingen gadesla, naar binnen keer, een stapje terug doe en de Heilige Geest vraag om mij vanuit Liefde te gidsen. Combineer dat met het besef dat jij en ik geen lichaam zijn, maar geesten die in Christus verbonden zijn, met de garantie dat iedereen zal terugkeren naar het Hart van God (dat we nooit hebben verlaten, maar dat zijn we vergeten), dan zou ik zeggen dat jij en ik in Jezus’ Cursus een bijzonder aantrekkelijk leerplan hebben gevonden. En mocht het volledig aanvaarden van de Verzoening ons niet in dit leven lukken, dan hebben we onszelf in elk geval een groot plezier gedaan voor ons volgend leven, waarin we de “reis zonder afstand naar een doel dat nooit is veranderd” (T8.VI.9:7) kunnen voltooien. Veel inspiratie gewenst vandaag!

— Jan-Willem van Aalst, december 2017 (vertaling van https://miraclesormurder.wordpress.com/2017/12/02/no-one-comes-to-you-by-mistake/)

Angst as les

Nederland en de hele wereld lijken dit jaar behoorlijk in de ban van het Covid-19 virus. Na een relatief rustige zomer, met weinig besmettingen, lopen de emoties in de maatschappelijke discussie hierover weer hoog op, wat de tegenstellingen in de samenleving alleen maar lijkt te verscherpen. Die emoties gaan niet alleen over het virus zelf, maar ook over de strategie die de regering kiest om de crisis het hoofd te bieden, en de mogelijke gevolgen van die strategie. De één vindt dat de regering niet ver genoeg gaat, de ander vindt dat de regering de bevolking doelbewust angstig houdt vanuit hun vermeende belangenverstrengeling met de farmaceutische industrie. In beide gevallen zijn er grote zorgen over de economische en humanitaire gevolgen waar het land mee te maken gaat krijgen, waardoor het middel (de kabinetsstrategie) misschien wel erger is dan de kwaal (het virus). Het land verkeert kortom in een golf van onzekerheid en angst die sinds de tweede wereldoorlog zijn weerga niet kent.

Het is niet de bedoeling van dit blog om daar een standpunt over te ventileren. Het is overduidelijk dat corona een erg nare ziekte is, met voor mensen met een verminderde afweer dito symptomen. Tegelijkertijd blijft het aantal overledenen ver achter bij de horrorscenario’s die zijn gepresenteerd (nog steeds minder dan 0,1% van de bevolking), waarbij bovendien opvalt dat we dit jaar in plaats van de gebruikelijke 5000 griepdoden ineens nog maar 500 griepdoden lijken te hebben. Nederland kent elke dag zo’n 200 doden door de top-ziektes zoals hart- en vaatziekten, longkanker, hartfalen, dementie, beroertes en dergelijke. Overlijdens door corona dragen daar nu voor een klein deel aan bij, terwijl dus niet eens duidelijk is of daar wellicht ook de vermiste griepdoden bij zitten. Maar het schrikbeeld dat corona het – zeer pijnlijke – einde van je leven kan betekenen, zit inmiddels bij een groot deel van de bevolking tussen de oren, en de maatschappelijke ontwrichting lijkt daarmee door te zetten.

Vanuit Een cursus in wonderen bezien maakt dit alles onderdeel uit van dezelfde ‘waakdroom’, die volledig illusoir is. De Cursus stelt dat jij en ik geen lichaam zijn, maar puur geest, en dat niets in de wereld van tijd en ruimte ook maar de geringste verandering teweeg kan brengen in onze Identiteit als de Ene Zoon van God. Er is volgens de Cursus, kortom, wat ons ware leven betreft geen enkele reden om enige angst te hebben; niet in het verleden, nu niet en nooit niet. Als geest is iedereen per definitie veilig. Maar hoewel dat misschien inspirerende en geruststellende woorden lijken te zijn, identificeert elke Cursusstudent zich nog steeds innig met het kleine afgescheiden ego, waarmee we onze identiteit toch onbewust nog gelijkstellen aan ons lichaam, in elk geval een groot deel van de dag. We vertellen onszelf wel: “Ik ben niet een lichaam. Ik ben vrij. Want ik blijf zoals ik ben, zo schiep God mij” (Wd1.201-220), maar tegelijkertijd zien we nog steeds ons lichaam verouderen en aftakelen, en proberen we de dood zo lang mogelijk te vermijden.

Jezus legt in zijn Cursus uit dat wij, als de Ene Zoon van God, dit alles zelf hebben verzonnen om een plek te hebben waarin we onszelf als autonoom individu kunnen ervaren en tegelijkertijd kunnen schuilen voor de ingebeelde wraakzuchtige woede van God, die helemaal niet bestaat. In het tekstboek vraagt Jezus ons: “Bevalt jou wat je hebt gemaakt? Een wereld van moord en aanval, waardoorheen jij je schuchter een weg baant door constante gevaren, alleen en angstig, hopend dat de dood in het beste geval nog een poosje wachten zal alvorens hij jou overvalt en jij verdwijnt. Jij hebt dit verzonnen. Het is een beeld van wat jij denkt dat je bent, van hoe jij jezelf ziet. […] Dit alles zijn slechts de angstige gedachten van diegenen die zichzelf willen aanpassen aan een wereld die door hun aanpassingen angstaanjagend is gemaakt” (T20.III.4:2-6). Alles in de wereld is een droom en weerspiegelt het idee van afscheiding, aanval en dood dat het ego is.

Al vroeg in zijn Cursus wijst Jezus ons erop dat hij niet van ons eist dat we de droomwereld in tijd en ruimte ontkennen; dat zou een “bijzonder onwaardige vorm van ontkenning” zijn (T-2.IV.3:11). Zolang wij er onbewust nog van overtuigd zijn dat ons lichaam onze identiteit is (en dat is zo bij iedereen die hier nog elke ochtend in een lichaam wakker wordt), is het aan te raden goed voor dat lichaam te zorgen. Jezus is zelfs niet tegen het gebruik van medicijnen om de angst in de denkgeest over het lichaam wat te verzachten (T-2.IV.4). Sterker, het lichaam kan liefdevol worden benut door de Heilige Geest, de Stem namens Liefde, om Jezus’ boodschap hier in de wereld te manifesteren, als wij daarvoor kiezen. Zoals we al in het vorig blog lazen: “Jij bent mijn stem, mijn ogen, mijn voeten, mijn handen, waarmee ik de wereld verlos” (WdI.hV.in.9:2-3). We kunnen ons lichaam dus liefdevol inzetten.

Door mijn gedachtegang onder leiding van de Heilige Geest te plaatsen (d.w.z., de aandacht te richten op liefdevolle intuïtie), wordt alles in de wereld van deze ‘waakdroom’ een les in liefde. Aangezien er in werkelijkheid helemaal geen wereld buiten mij is en dus ook geen anderen buiten mij (en ook geen virussen), is alles wat ik waarneem en interpreteer een spiegel van hoe ik mezelf interpreteer: als zoon van het ego in een beangstigende wereld, of als Zoon van God in een droom waarin we allemaal dezelfde Lichtbron delen met elkaar, die onze essentie is als Christus, de Ene Zoon van God. Door ervoor te kiezen mijn interpretatie van alles wat ik buiten mijzelf waarneem te laten leiden door de Heilige Geest, leer ik stukje bij beetje ook mezelf in dat Licht te bezien, en uiteindelijk de Verzoening te aanvaarden.

Vanuit Cursusperspectief is dus het allerbeste wat we kunnen doen in deze tijd van maatschappelijke angst het kalm en onbevooroordeeld kijken naar onze eigen interpretatie van wat we om ons heen waarnemen. En du moment dat er toch een oordeel in onze gedachten verschijnt, kunnen we daar direct liefdevol het ego voor bedanken en de veroordeling overgeven aan de Heilige Geest, in plaats van er in weg te glijden of ons er schuldig over te voelen, wat bij veel Cursusstudenten voorkomt. Schuldgevoel houdt het ego in stand, en daarmee onze angst voor een vreselijk einde van ons fragiele leven. Het einde van schuld betekent het einde van angst en uiteindelijk het einde van de droom.

Kies ervoor een baken van vrede te zijn. Zet je niet af tegen welke wereldse mening over dit virus dan ook. Weet dat een droom een droom blijft, en laat je reacties binnen de droom leiden door de Heilige Geest, de Stem namens Liefde, door in je ratio een stapje terug te doen en je liefdevolle intuïtie te volgen. Dat betekent allerminst dat je onverschillig wordt jegens de samenleving – integendeel, je kunt dagelijks zeer betrokken zijn bij het helpen van mensen. Wat de vorm ook moge zijn, je biedt iedereen die je tegenkomt het mooiste cadeau dat er is: aanvaarding van de ander (en dus van jezelf) als de schuldeloze Zoon van God die voor eeuwig veilig is. En zo is alle angst te zien als een les in liefde.

— Jan-Willem van Aalst, september 2020

Lees ook Willems gedicht over onze dagelijkse focus in tijden van corona.

Zijn we verschillend of hetzelfde?

Vanaf het moment dat we in deze wereld geboren worden, leren we om verschillen waar te nemen. Geen twee mensen zijn identiek; zelfs eeneiige tweelingen niet. We leren bovendien waarde toe te kennen aan verschillen: we bewonderen artiesten met speciale talenten, en we streven ernaar onze eigen unieke persoonlijkheid en talenten te ontwikkelen, zodat we op onze eigen unieke manier een verschil in de wereld kunnen maken. Aan de andere kant worden verschillen ook vaak als bedreigend ervaren. Mensen met andere geloofsovertuigingen kunnen ons aanvallen omdat wij iets anders geloven – we noemen ze in het algemeen terroristen – en karakterverschillen tussen echtgenoten zorgen ervoor dat meer dan 40% van de huwelijken in een echtscheiding eindigt. Desalniettemin beamen we allemaal dat alles en iedereen in de wereld van elkaar verschilt, een waarheid die we niet kunnen ontkennen.

En dan komt Jezus langs met zijn Cursus in wonderen, om ons te vertellen dat onze perceptie (d.w.z., interpretatie) van verschillen louter afleidingen zijn door het ego, om ons geworteld te houden in de denkbeeldige droomwereld van tijd en ruimte. Als schijnbaar afgescheiden wezens, geïdentificeerd met het ego, houden we ervan om verschillen op te merken omdat dat ‘bewijst’ dat wij anders zijn dan alles om ons heen; we kunnen, kortom, blijven geloven dat het afgescheiden individu, autonoom en los van God, daadwerkelijk bestaat. Helaas leidt die focus nooit tot blijvende innerlijke vrede, laat staan tot vrede in de wereld. Onder het dunne laagje zelfgenoegzaamheid voelt iedereen zich “onzeker, eenzaam, en in voortdurende angst” (T31.VIII.7:1), terwijl we ieder jaar onze dood dichterbij zien komen. Dit aanvaarden we als een gegeven, waar iedereen maar zo goed mogelijk mee moet leren omgaan.

“Als dat de werkelijke wereld was, zou God ook wreed zijn”, verklaart Jezus in (T13.in.3:1). Hij legt uit dat het doel van zijn leerplan, namelijk het bereiken van blijvende innerlijke vrede, voor iedereen haalbaar is. Dit doel bereiken we door het opgeven van de interpretatie van verschillen, wat direct leidt tot het loslaten van veroordeling: de kern van wat ware vergeving betekent in Een cursus in wonderen. Jezus vraagt ons eigenlijk om de ‘realiteit’ van verschillen te heroverwegen; niet qua vorm, maar qua inhoud. Bekeken vanuit vorm verschilt uiteraard alles van elkaar. Maar: “Waar komen al deze verschillen vandaan? Ze lijken stellig in de buitenwereld te zijn. Maar het is beslist de denkgeest die oordeelt over wat de ogen zien. Het is de denkgeest die de boodschappen van de ogen interpreteert en er ‘betekenis’ aan geeft. En deze betekenis bestaat in de buitenwereld helemaal niet. Wat als ‘werkelijkheid’ wordt gezien, is simpelweg dat waaraan de denkgeest de voorkeur geeft. […] Alleen de denkgeest […] beslist of wat gezien wordt werkelijk is of illusoir, wenselijk of onwenselijk, aangenaam of pijnlijk.” (H8.3).

Het volledig doorgronden van het belang van het verschil tussen vorm en inhoud is cruciaal, willen we Jezus’ leerplan voltooien en blijvende innerlijke vrede bereiken. Wat als we in iedereen, los van alle verschillen in uiterlijke vormen die onze zintuigen altijd waarnemen, dezelfde geest (inhoud) zouden waarnemen in iedereen? Afwijzing zou ondenkbaar worden. “Alleen zij die verschillen kunnen aanvallen. Zo kom jij tot de conclusie dat, omdat je kunt aanvallen, jij en je broeder verschillend moeten zijn.” (T22.VI.13:1-2). We veroordelen elkaar alleen maar omdat we sommige waargenomen aspecten (vormen, fysiek of psychisch) in anderen als bedreigend interpreteren: denk bijvoorbeeld aan de ‘autoritaire manager’ op het werk. Maar stel dat ik mezelf zou aanleren om voorbij de vorm te kijken naar de inherente gelijkheid van ieder van ons als de ene Zoon van God? Jezus vervolgt: “…De Heilige Geest legt dit echter anders uit. Omdat jij en je broeder niet verschillend zijn, kun je niet aanvallen. […] De enige vraag die beantwoord moet worden om te kunnen besluiten welke [gedachtegang] waar is, is óf jij en je broeder wel verschillend zijn” (T22.VI.13:3-6).

Jezus vraagt niet van ons dat wij onze ervaringen van verschillen (in vorm) in de wereld gaan ontkennen, noch te ontkennen dat wij onze interpretatie van dergelijke verschillen zien als rechtvaardiging om ons bedreigd te voelen (en dus te mogen aanvallen). Maar hij verzekert ons dat telkens wanneer het ons lukt om voor ware vergeving te kiezen, waarmee we dus voorbij de oppervlakkige verschillen willen kijken, wij de ervaring van eenheid en innerlijke vrede uitnodigen die wij allemaal zo verlangen. Het doel van Een cursus in wonderen is om dit jouw alledaagse realiteit te laten worden. Dit bereik je door al je relaties met anderen fundamenteel anders te gaan bezien. Alle relaties, zonder uitzondering. De sleutel is je keuze om de ‘onheilige relatie’ (gebaseerd op de interpretatie van verschillen) om te willen buigen naar een ‘heilige relatie’, gebaseerd op de waarneming van inherente gelijkheid. Jezus noemt dat visie. Daarom vraagt hij ons aan het einde van elk kalenderjaar: “Maak dit jaar anders door het allemaal hetzelfde te maken. En laat al je relaties voor jou heilig worden gemaakt. Dit is onze wil. Amen” (T15.XI.10:11-14).

Merk het subtiele maar cruciale onderscheid op in “laat al je relaties voor jou heilig worden gemaakt“. Deze ombuiging kunnen we niet louter alleen op onze eigen ego-kracht bewerkstelligen. We zullen de bereidheid (motivatie) moeten vinden om een stapje terug te doen en onze denkgeest te laten leiden door een betere leraar: de Heilige Geest. Dit houdt in dat je bereid bent om je aandacht op je innerlijk te richten en daar geen gebrek te zien. De Heilige Geest, die hiermee is uitgenodigd, “…wil die [compleetheid] uitbreiden door zich met een ander te verbinden, die heel is zoals hij. […] Bedenk eens wat een heilige relatie kan onderwijzen! Hier wordt de overtuiging ongedaan gemaakt dat er verschillen zijn. Hier wordt het geloof in verschillen omgezet in geloof in gelijkheid. En hier wordt het zien van verschillen tot visie getransformeerd. Nu kan de rede jou en je broeder voeren tot de logische conclusie van jullie verbondenheid” (T22.in.3:3-4:5).

Nogmaals, deze gelijkheid en eenheid zijn beslist niet het geval op het fysieke niveau van materiële vormen; maar jij en ik zijn geen lichaam – wij zijn geest. Eén van de unieke kenmerken van Een cursus in wonderen is dat Jezus ons nooit vraagt onze wereldse (lichamelijke) ervaringen te ontkennen. Hij legt uit: “Het lichaam werd niet door liefde gemaakt. Toch veroordeelt de liefde het niet en kan ze het liefdevol gebruiken, omdat ze respect heeft voor wat de Zoon van God heeft gemaakt en dit aanwendt om hem van illusies te verlossen” (T18.VI.4:7-8). Sterker nog, Jezus moedigt ons aan om ons lichaam te benutten om zijn visie van gelijkheid te delen met iedereen die we tegenkomen: “Want dit alleen heb ik nodig: dat jij de woorden zult horen die ik spreek en ze aan de wereld geeft. Jij bent mijn stem, mijn ogen, mijn voeten, mijn handen, waarmee ik de wereld verlos” (WdI.hV.in.9:2-3).

Kortom, het aanvaarden dat de schijnbare verschillen in lichamen er niet toe doen, betekent niet dat we het lichaam of de wereld moeten afwijzen. Jezus zegt zelfs dat het koppig ontkennen van onze ervaringen in deze wereld “een bijzonder onwaardige vorm van ontkenning” is. (T2.IV.3:11). Net als Boeddha spoort Jezus ons aan om in deze wereld een spiritueel middenpad te bewandelen waarin we een normaal leven leiden, maar met het innerlijk gericht op de Heilige Geest, als de enige juiste Gids in ons leven; alleen met die Gids kunnen we onze keuze bestendigen om gelijkheid te blijven zien. Alleen door mij op die manier in de denkgeest met alle anderen te verbinden, sta ik de Heilige Geest toe om de oorspronkelijke vergissing van de afscheiding van Eenheid (God, Liefde) ongedaan te laten maken. Mijn speciale onheilige relaties worden nu heilige relaties, en ik ben genezen.

Dit betekent overigens niet dat men nooit een einde aan een relatie zou mogen maken omdat dat de vergissing zou betekenen van het zich richten op verschillen in vorm in plaats van op de gelijkheid qua inhoud. In ons spirituele leerplan zijn niet alle relaties bedoeld om een leven lang te duren. Geef het besluit om een relatie wel of niet te beëindigen over aan de Heilige Geest. Het is best mogelijk dat een vredige beëindiging van een relatie uiteindelijk het meest liefdevolle besluit voor iedereen kan zijn. Zelfs als je precies hetzelfde liefdevolle licht in iedereen ziet, kan de vorm van je relaties sterk verschillen en veranderen. Dat is prima. Zoals Kenneth Wapnick hieromtrent benadrukte: “Het verschil tussen een speciale en een heilige relatie ligt simpelweg in perceptie (interpretatie): door wiens ogen bezien we de relatie: die van het ego of die van de Heilige Geest?” Deze keuze, “tussen twee keuzen of twee stemmen”, is de enige vrijheid die wij feitelijk hebben zolang we ons nog in de illusoire droomwereld wanen. Geef aandacht aan het trainen van de keuzemaker in je denkgeest. En maak het komende jaar anders door het allemaal hetzelfde te maken.

— Jan-Willem van Aalst, november 2017 (vertaling van https://miraclesormurder.wordpress.com/2017/11/25/from-differences-to-sameness/)

Beter omgaan met boosheid

In deze wereld ontkomt niemand aan boosheid, in elk geval niet altijd en overal. Als jij meent dat jij de boosheid voorbij bent, probeer dan bijvoorbeeld eens een Ayahuasca ritueel of een gerichte psychotherapie, om de boosheid te ervaren die zich onder de waterspiegel bevindt van de ijsberg die je denkgeest is. In de zestiger en zeventiger jaren waren therapieën zoals Janos’ Oerschreeuwtherapie, waarin je je woede zo intens mogelijk naar buiten brengt, erg populair. Dat we daar nu veel minder over horen illustreert het feit dat het uiten van woede niets doet met de onderliggende oorzaak. Niets wordt opgelost, en de woede komt vroeger of later weer naar buiten. Er moet een betere manier zijn om met boosheid om te gaan.

In Een cursus in wonderen is het effectief omgaan met boosheid (of, beter gezegd: de oorzaak van boosheid) een belangrijk thema, zoals we lezen in de “Psychotherapie” aanvulling: “Haar [d.w.z.: Psychotherapie] hele functie is de patiënt te helpen één fundamentele dwaling aan te pakken: de overtuiging dat woede hem iets brengt wat hij werkelijk wil, en dat door een aanval te rechtvaardigen hij zichzelf beschermt.” (P2.In.1:5). Aanval volgt uit woede, wat weer voortkomt uit veroordeling. De Cursus onderwijst ons dat veroordeling gelijkstaat aan ‘niet-vergeving’. “Want psychotherapie, mits juist begrepen, onderwijst vergeving en helpt de patiënt deze te herkennen en aanvaarden.” (P1.In.2:6). Dus Jezus vindt dat het omgaan met boosheid een cruciaal onderdeel is van zijn leerplan voor blijvende innerlijke vrede, en dit leren we door het beoefenen van vergeving.

Maar waar gaat onze boosheid eigenlijk over? Waarom blijven we toch steeds maar veroordelen, terwijl we net zo makkelijk voor innerlijke vrede zouden kunnen kiezen? We blijven met z’n allen bijvoorbeeld maar klagen over het weer, terwijl we heel goed weten wat we daar geen enkele invloed op hebben. Ook blijven veel mensen steeds maar klagen over anderen – hun collega’s, manager, ouders, noem maar op – terwijl ze best weten dat al dat geklaag beslist geen gedragsverandering teweeg gaat brengen in de ander. Dus waarom blijven we dat doen? Zoals wel vaker vermeld in deze blogs, houden we ervan om te kunnen vingerwijzen naar mensen en situaties om ons heen, zodat we kunnen bewijzen dat ‘het kwaad’ zich buiten ons bevindt, en niet in onszelf. We projecteren daarmee ons onbewuste schuldgevoel weg over de ‘slechtheid’ van onze (schijnbare) afscheiding van God. Dankzij dit vingerwijzen zal al het kwaad ‘buiten mij’ gestraft worden, terwijl ik zal worden toegelaten tot de Hemel.

Hoewel dit alles vanuit het oogpunt van Een cursus in wonderen volstrekt illusoir is, omdat tijd en ruimte zelf denkbeeldig zijn, zijn we er niettemin nog steeds rotsvast van overtuigd dat de afscheiding van God werkelijk heeft plaatsgevonden; immers, alles wat onze ogen, oren, neus, tong en aanrakingen bemerken getuigt hiervan. Nogmaals, aangezien wij het schuldgevoel hierover te verschrikkelijk vinden om onder ogen te zien, projecteren we deze ‘kardinale zonde van afscheiding’ weg, zelfs terug naar God zelf: “Je was in vrede tot je om een speciale gunst hebt gevraagd [d.w.z., erkend te worden als autonoom individu; de afscheiding van eenheid]. En God heeft die niet verleend, want het verzoek was Hem wezensvreemd, en je kon zoiets niet vragen van een Vader die Zijn Zoon waarlijk liefheeft. Daarom heb jij van Hem een liefdeloze vader gemaakt, en van Hem geëist wat alleen een dergelijke vader geven kon.” (T13-III.10:2-4).

Met andere woorden, al onze boosheid, of dat nu het weer betreft, onze leidinggevende, of ons eigen aftakelende lichaam, is uiteindelijk slechts een flauwe weerspiegeling van onze boosheid jegens God, Die ‘weigert’ ons te op te merken als belangrijk, speciaal, autonoom individueel wezen. Talloze generaties hebben onophoudelijk tot God gebeden om ze in deze wereld te helpen met van alles en nog wat, en wat zien we: God antwoordt niet, omdat vanuit de Hemel gezien er hier niets te ‘fixen’ valt, omdat er geen wereld is. Onze conclusie: God wijst ons af! Dat we elke dag moeten ondervinden dat onze poging om God als ultieme Schepper van de troon te stoten heeft gefaald (dingen lopen immers altijd anders, en het lichaam takelt af en sterft), maakt onze woede alleen maar groter. We schreeuwen voortdurend: “Zo wil ik het hebben!”, maar we ervaren voortdurend conflicten, omdat iedereen nu eenmaal iets anders wil en wij elkaar door veroordeling en aanval alleen maar schade berokkenen. Jezus licht toe: “Je broeder is je ‘vijand’, omdat jij in hem de rivaal voor jouw vrede ziet, een plunderaar die zijn vreugde van jou rooft en jou met niets anders achterlaat dan een donkere wanhoop, zo bitter en meedogenloos dat er geen hoop overblijft. Nu is wraak het enige wat er nog te wensen valt.” (WdI.195.3:1). Zo rechtvaardigen wij onze boosheid, waarbij ‘boosheid’ alles inhoudt van “een lichte ergernis tot intense woede” (Wd1.21.2:5).

In Een cursus in wonderen onderwijst Jezus ons dat het “…wellicht nuttig is te onthouden dat niemand kwaad kan worden op een feit.” (H17.4:1). Woede ontstaat altijd door mijn interpretatie van een situatie of persoon. Derhalve concludeert Jezus: “Als woede voortkomt uit een interpretatie en niet uit een feit, is die nooit gerechtvaardigd. Zodra dit begrepen wordt – al is het maar vaag –, dan staat de weg open. Nu is het mogelijk de volgende stap te zetten. Eindelijk kan de interpretatie gewijzigd worden.” (H17.8:6-9). Ah, dus daarom instrueert Jezus mij om mijn denkgeest te trainen om zich steeds iets sneller te realiseren dat “Ik nooit onvrede voel om de reden die ik denk” (Wd1.5). Ik dacht altijd dat ik boos werd op wat mijn zintuigen mij voorschotelen, en wat ik beslist als de waarheid beschouw; maar nu kan ik zien dat ik boos word vanwege mijn interpretatie van iemand of iets, wat sowieso niets met de werkelijkheid van doen heeft. “Er is geen wereld!” (Wd1.132.6:2) Mijn boosheid gaat dus uiteindelijk over mijn onbewuste projectie van mijn schuld op God (Die hier helemaal niets van weet, buiten tijd en ruimte). Daarom is het zo belangrijk dat ik leer mezelf te vergeven voor de duisternis in mijn eigen denkgeest.

Dat gezegd hebbende, zouden jij en ik niet moeten denken dat we hoger op de ‘ladder van vergeving’ zijn dan waar we feitelijk staan. Dit principe van vergeving intellectueel vatten betekent beslist niet dat we nooit meer boos zullen worden. Integendeel, dit inzicht zorgt er juist voor dat onze ‘heksenketel’ van onderdrukte woede alleen maar duidelijker in beeld komt. De Heilige Geest gebruikt onze dagelijkse situaties als lesruimte om ons gelegenheden te bieden deze duisternis stukje bij beetje ongedaan te laten maken. Maar het helpt niet om onszelf te vertellen dat onze woede niets voorstelt “omdat er in werkelijkheid geen wereld is”. Dat maakt de woede niet ongedaan. Het is veel beter om de woede volledig in het gewaarzijn toe te laten, maar dan als observator (of keuzemaker) boven het slagveld (T23.IV). Als je als observator de woede heel goed in je lijf kunt voelen, maar het niet uit te leven, en in plaats daarvan te vragen: “Gaat dit mij helpen? Wat als ik hier anders mee zou omgaan?”, dan zul je merken dat de golf van woede langzaam wegebt. De keuzemaker heeft voor de Heilige Geest gekozen, Die met vreugde Zijn licht doet schijnen op je duisternis, en die duisternis daarmee vervangt met de vrede van God.

Een laatste wenk over dit bedrieglijk eenvoudige proces: het werkt pas echt goed als je zonder boosheid het metafysische principe kunt aanvaarden dat de Zoon van God (d.w.z. al het leven) één is, en dat individualiteit nooit tot blijvende innerlijke vrede zal leiden – niet nu, en nooit niet. Zeker in het begin van mijn oefeningen ben ik best bereid om naar de Stem van de Heilige Geest te luisteren, maar alleen op voorwaarde dat ik mijn eigen kleine zelfje mag behouden. Dat is de reden dat de meeste psychotherapieën uiteindelijk niet werken, zoals we in de Psychotherapie-aanvulling lezen: “Hun [d.w.z., de patiënten] oogmerk is hun zelfbeeld precies zo te kunnen handhaven als het is, maar zonder het lijden dat dit met zich meebrengt. Hun hele evenwicht berust op de krankzinnige overtuiging dat dit mogelijk is.” (P2.In.2:3-4). Dat is de reden dat Jezus ons onderwijst dat gedurende dit proces van het onder de knie krijgen van totale vergeving, wij door een “donkere nacht van de ziel” zullen gaan, waarin wij ons realiseren dat verlossing is gelegen in het inzicht dat autonome individualiteit een aanval op de Hemel is. Verlossing vraagt van ons dat wij loslaten wat wij als onze individuele kern beschouwen. Maar zelfs dat gezegd hebbende, is het altijd voldoende om ons vertrouwen te stellen in Jezus / de Heilige Geest, die ons naar blijvende innerlijke vrede zullen leiden, naar de werkelijke wereld, in het tempo dat wij bereid zijn te aanvaarden. Voel je dus beslist niet schuldig zodra je merkt dat je weer boos wordt, maar probeer wel om dit als keuzemaker zo snel als mogelijk over te geven aan je Innerlijke Leraar.

— Jan-Willem van Aalst, november 2017 (vertaling van https://miraclesormurder.wordpress.com/2017/11/18/angry-deal-with-it/)

We nemen waar wat we wensen

Wij zijn allemaal grootgebracht met het idee dat degenen die op deze planeet de beste kansen hebben om te overleven, degenen zijn die zich het beste aanpassen aan de omgeving waarin ze leven. Ons is geleerd om de mensen, plaatsen en situaties om ons heen goed te beoordelen, en er dan zó op te reageren dat dit ons welzijn en onze effectiviteit in dit leven helpt. We kijken om ons heen; we geven betekenis aan wat onze zintuigen waarnemen, en reageren daar vervolgens op. Deze wereld is duidelijk een stimulus-respons omgeving waar wij ons zo goed mogelijk aan proberen aan te passen.

Hoe ontstellend is het dan om in Een cursus in wonderen te lezen dat dat een volstrekt omgekeerde uitleg van de werkelijkheid is! De nondualistische metafysica van Een cursus in wonderen, waar overigens veel elementen uit de kwantumfysica in zitten, vertelt ons dat wij geen effect zijn van de wereld waarin we lijken te leven: wij hebben die gemaakt, de gehele notie van tijd en ruimte incluis. Het is duizelingwekkend om te lezen dat de collectieve denkgeest die we allemaal delen (een beetje zoals de collectieve beweging van een zwerm vogels), de hele kosmos in tijd en ruimte heeft bedacht, waarin die zich versplintert in miljarden stukjes materie en “leven”, zonder herinnering aan de oorzaak ervan, alleen maar om zich te kunnen verstoppen voor de wraakzuchtige Schepper die boos op Zijn Zoon is vanwege de ongehoorde afscheiding van Eenheid. Maar dat is precies wat Jezus ons probeert duidelijk te maken in zijn Cursus: onze zintuigen tonen ons niet de werkelijkheid; wij hebben zintuigen gemaakt om de werkelijkheid van de Eenheid buiten tijd en ruimte uit ons geheugen te bannen, om in een dualistische droom onszelf als autonoom individu te kunnen ervaren.

In het werkboek vertelt Jezus ons: “Het doel van al het zien is jou te tonen wat jij wenst te zien. Al het horen brengt jouw denkgeest slechts de geluiden die hij horen wil. Zo werden specifieke vormen gemaakt.” (WdI.161.2:5-3:1). En uit het tekstboek: “Je ziet wat je verwacht, en je verwacht wat je uitnodigt. Je waarneming is het resultaat van je uitnodiging, en komt naar je toe zoals je haar hebt besteld.” (T12.VII.5:1-2). Vandaar Jezus’ algemene stelregel, die we op allerlei plekken in de Cursus teruglezen: projectie maakt perceptie (T13.V.3:5; T-21.in.1:1). De schijnbaar slapende ene Zoon van God projecteerde zijn schuldgevoel over de schijnbare zonde van afscheiding weg; de schuld wordt nu gezien in de miljarden fragmentjes, met het overgebleven waargenomen zelf als onschuldig slachtoffer in een onberekenbare wereld. Toch blijven zowel schuld als onschuld in alle denkgeesten, want ideeën verlaten niet hun bron (T26.VII.4:7). We hebben lichamen in allerlei vormen buiten onszelf verzonnen zodat we alle schuld buiten onszelf kunnen zien. En we zijn voortdurend op onze hoede, angstig dat die vormen ons vroeg of laat zullen aanvallen en vermoorden.

Daarom, zo legt Jezus uit, is alles en iedereen die we waarnemen, onszelf incluis, slechts een vorm van niet-vergeving: “Het is zeker zo dat alle ellende er niet slechts als niet-vergeven uitziet. Maar dat is de inhoud achter de vorm.” (WdI.193.4:1-2). Omdat we rotsvast geloven dat wat onze ogen en oren zien en horen klopt, vragen we ons nooit af of onze waarneming misschien wel een foutieve interpretatie zou kunnen zijn: “Van één ding was je zeker: van al de vele oorzaken die jij zag als brengers van pijn en lijden voor jou, was jouw schuld er niet een van. En evenmin heb jij er op enige wijze voor jezelf om verzocht. Zo ontstonden alle illusies. Degene die ze maakt ziet zichzelf niet als hun maker, en hun realiteit berust niet op hem. Welke oorzaak ze ook hebben staat volkomen los van hem, en wat hij ziet is gescheiden van zijn denkgeest. Hij kan de werkelijkheid van zijn dromen niet in twijfel trekken, omdat hij niet ziet welk aandeel hij erin heeft ze te produceren en een schijn van werkelijkheid te verlenen.” (T-27.VII.7:4-9)

Samenvattend tot zover: Een cursus in wonderen, een strikt non-dualistisch spiritueel leerplan, onderwijst ons dat wij niet eerst waarnemen en dan reageren: we kiezen eerst wat we (onbewust) wensen, en vervolgens nemen we dat waar. Onze oorspronkelijke wens was om los van God (Eenheid) te bestaan, en om de schuld daarover die we niet onder ogen willen zien kwijt te raken, verzonnen we een hele verzameling (levens)vormen waar we alle schuld in zien, buiten onszelf. Dat is de inhoud achter alle vorm. Onze zintuigen nemen die vormen waar en bevestigen dat alle zonde en schuld zich inderdaad buiten onszelf bevindt. Dit proces van voortdurend waarnemen leidt de denkgeest zo af dat we ons nooit afvragen of onze waarneming en interpretatie eigenlijk wel zijn te vertrouwen. En zo strompelen we voort in deze wereld als bannelingen in een vreemd oord, “onzeker, eenzaam, en in voortdurende angst” (T31.VIII.7:1).

Je zou hier tegenover kunnen stellen dat dit alles misschien klopt vanuit de metafysica gezien, maar dat dat voor ons leven hier weinig praktische waarde heeft. Zolang wij onszelf nog ervaren in de tijd en de ruimte, hoe kan dit inzicht nu allen helpen die “…nog steeds de uren tellen aan de hand waarvan ze opstaan, werken en gaan slapen?” (WdI.169.10:4) Welk praktisch nut heeft abstracte nondualiteit eigenlijk zolang we ons nog steeds moeten bekommeren om het betalen van de rekeningen en de belastingen, en een klein beetje orde en structuur te houden in de uren, dagen en jaren van ons leven? Dit brengt ons bij de kern van Jezus’ boodschap in Een cursus in wonderen: ‘Misschien geloof je nog niet ten diepste dat de wereld in werkelijkheid niet bestaat, maar je kunt wel inzien dat je een gespleten denkgeest hebt die op elk moment kiest tussen veroordeling (de stem van het ego) en vrede (de stem van de Heilige Geest, ofwel ware intuïtie).’

“Wiens manifestaties wil je zien? Van wiens tegenwoordigheid wil je overtuigd worden? Want je zult geloven in wat je manifesteert, en zoals je naar buiten kijkt zo zul je naar binnen zien. […] Het ego vindt wat het zoekt, en niets meer dan dat. Het vindt geen liefde, want dat is niet wat het zoekt. Maar zoeken en vinden zijn hetzelfde, en als je twee doelen zoekt, zul je die vinden, maar geen van beide herkennen. Bedenk steeds dat jij ziet wat je zoekt, want wat je zoekt, zul je vinden.” (T12.VII.5:3-6:3). Met andere woorden: hoewel we gewoonlijk vooral zonde en schuld om ons heen waarnemen, omdat we de wereld daarvoor hebben gemaakt, heeft de keuzemaker in onze denkgeest de mogelijkheid om een andere Gids voor het denken te kiezen: de Heilige Geest, de Stem namens Liefde. Dit is een cruciale keuze, willen we ooit onze ellende achter ons kunnen laten: waar we voorheen naar afscheiding en autonomie zochten, kiezen we er nu voor om gelijkheid en eenheid waar te nemen. Niet qua vorm, maar qua inhoud. En Jezus legt ons geduldig uit dat de eerste manier van kijken louter leidt tot lijden, terwijl de tweede manier altijd tot innerlijke vrede leidt.

“Wie vergezelt mij?’ Deze vraag moet duizend keer per dag worden gesteld, tot zekerheid een eind aan twijfel heeft gemaakt en vrede tot stand heeft gebracht.” (WdI.156.8:1-2). Jezus bedoelt dit tamelijk letterlijk. Omdat we onszelf zó geconditioneerd hebben in het zien van ellende en (potentiële) boosdoeners buiten ons, zelfs als we dat ontkennen in een roze wolk van ‘gelukssulligheid’, zouden we steeds alert moeten zijn op welke gids de keuzemaker in onze denkgeest van moment tot moment kiest: we luisteren ofwel naar de stem van het ego, of die van de Heilige Geest. Deze keuze maken we letterlijk duizenden keren per dag. Het loont dus om ons vaak af te vragen voor welke stem we eigenlijk kiezen.

Ik besluit met een inspirerende passage uit dezelfde werkboekles 156, die ons eraan doet herinneren dat verlossing niet is gelegen in hoe wij de wereld interpreteren, maar in hoe de Heilige Geest deze wereld interpreteert, namelijk als lesruimte om onvoorwaardelijke vergeving onder de knie te krijgen, waarmee alle duisternis in de denkgeest mild ongedaan wordt gemaakt, wat tot blijvende innerlijke vrede leidt (WdI.156.6): “Als jij een stap terugdoet, treedt het licht in jou naar voren en omspant de wereld. Het kondigt niet het eind van zonde aan in straf en dood. Zonde verdwijnt in lichtheid en gelach, omdat haar grillige absurditeit wordt doorzien. Het is een dwaze gedachte, een onnozele droom, niet beangstigend, lachwekkend misschien, maar wie wil ook maar een moment verspillen aan zo’n zinloze gril terwijl hij God Zelf benadert? Toch heb jij aan precies deze dwaze gedachte vele, vele jaren verspild. Het verleden met al zijn fantasieën is voorbij. Ze houden je niet langer gebonden. De nadering tot God is nabij. En in de kleine tussenpoos van twijfel die nog rest, verlies jij misschien je Metgezel uit het oog en verwar je Hem met de zinloze, oeroude droom die nu voorbij is. […] Laat vandaag twijfel eindigen. God spreekt voor jou en geeft met deze woorden antwoord op jouw vraag:

Ik ga met God in volmaakte heiligheid. Ik verlicht de wereld, ik verlicht mijn denkgeest en alle denkgeesten die God als één met mij geschapen heeft.”

— Jan-Willem van Aalst, november 2017 (vertaling van https://miraclesormurder.wordpress.com/2017/11/11/we-wish-and-then-perceive/)

De hartslag van de vrede hinderen

De laatste vijf lessen in het werkboek van Een cursus in wonderen hebben allemaal dezelfde lijvige titel: “Dit heilig ogenblik wil ik U geven. Neemt U het in handen. Want U wil ik volgen, in de zekerheid dat Uw leiding mij vrede geeft.” (WdII.361-365). Eén van Jezus’ belangrijkste doelen met het werkboek is overduidelijk m zijn studenten te motiveren een stapje terug te doen, in het besef dat zij het over alles in het leven bij het verkeerde eind hadden, om hun levens voortaan te laten leiden door het advies van de Heilige Geest, op welke manier dan ook. De beloning: “Vrede; geluk; een kalme denkgeest; doelgerichtheid en een gevoel van waarde en schoonheid dat de wereld overstijgt; zorg en geborgenheid en de warmte van een veilige bescherming voor altijd” (WdI.122.1). Dat lijkt aanlokkelijk genoeg, zou je zeggen? Dus waarom kiezen we daar dan toch steeds niet voor?

Veel studenten van Een cursus in wonderen weten maar al te goed waarom wij nog steeds niet doorlopend voor die Leiding kiezen: we denken nog steeds als afgescheiden zelf beter te weten wat we moeten doen om blijvende innerlijke vrede en geluk te vinden. Uiteraard lopen alle pogingen daartoe uiteindelijk op niets uit, simpelweg omdat elke ingebeelde poging om iets anders dan perfecte eenheid te zijn per definitie niet kan werken: “Je was in vrede tot je om een speciale gunst hebt gevraagd. En God heeft die niet verleend, want het verzoek was Hem wezensvreemd, en je kon zoiets niet vragen van een Vader die Zijn Zoon waarlijk liefheeft. Daarom heb jij van Hem een liefdeloze vader gemaakt, en van Hem geëist wat alleen een dergelijke vader geven kon” (T13.III.10:2-4). En dus hebben we deze ingebeelde god laten weten dat wij heel goed voor onszelf kunnen zorgen, en heel goed in staat zijn om zélf vrede en geluk te vinden.

Al vroeg in het tekstboek rekent Jezus af met de mythe die als basis dient voor ons geloof dat we op onszelf vrede en geluk zouden kunnen vinden: “Ten eerste: je gelooft dat wat God geschapen heeft, door jouw eigen denkgeest kan worden veranderd. Ten tweede: je gelooft dat wat volmaakt is, onvolmaakt of gebrekkig kan worden gemaakt. Ten derde: je gelooft dat je de scheppingen van God, jouzelf inbegrepen, kunt misvormen. Ten vierde: je gelooft dat jij jezelf kunt scheppen en dat de richting van je eigen schepping door jou wordt bepaald. Deze onderling verwante verdraaiingen geven een beeld van wat zich eigenlijk afspeelde bij de afscheiding oftewel de ‘omweg door de angst’ (T2.I.1:9-2:1). Jezus maakt het op vele plekken in zijn Cursus duidelijk dat dit alles nooit heeft kunnen gebeuren; tijd en ruimte vormen samen de illusie van dualiteit, waarin iedereen en alles “onzeker, eenzaam en in voortdurende angst” (T31.VIII.7:1) probeert te overleven. Maar in ons dagelijks leven geloven we er rotsvast in dat de afscheiding daadwerkelijk is gebeurd, en dat wij nog steeds heel goed zelf kunnen bepalen wat ons verlossing (of vervulling) zal brengen.

In hoofdstuk 29 van het tekstboek schotelt Jezus ons de kern van zijn boodschap voor: “Wat wil je liever, gelijk of geluk? Wees blij dat jou gezegd is waar het geluk woont, en zoek niet langer elders” (T29.VII.1:9-10; mijn cursivering). Geluk is gelegen in de keuze om onze gekoesterde autonome individualiteit af te leggen, en ervoor te kiezen terug te keren naar de Eenheid in het Hart van God. Dis is de ultieme verschrikking voor het ego, want dit betekent zijn ondergang. Jezus vervolgt: “Niemand komt hier zonder nog enige hoop, een of andere langslepende illusie, of een droom te hebben dat er buiten hem iets is wat hem geluk en vrede brengen zal” (T29.VII.2:1). Dit geldt voor eenieder die nog op deze planeet rondwandelt. Iedereen die hier is geboren heeft de gedachte omarmd, als afgescheiden fragmentje van de ene slapende Zoon van God, dat geluk misschien hier in tijd en ruimte als individu toch te vinden zal zijn. Jezus legt ons met groot geduld uit dat dit niet zo is, en dat er bovendien iets veel beters is, wat we zullen ervaren zodra we ontwaken uit de ego-droom van dualiteit.

Het ego leest ‘ontwaken’ als ‘zelfvernietiging’. Omdat we ons zo enorm vereenzelvigen met het ego, saboteren we onze spirituele voortgang voortdurend (dat wil zeggen, we blijven maar afwijzen, oordelen en veroordelen), totdat de pijn ons teveel wordt en we uitroepen dat er ‘een betere weg’ moet zijn. Volgens Een cursus in wonderen heet die ‘betere weg’ vergeving – niet in de zin van het kijken naar de serieuze fouten van anderen en daar dan in alle nobelheid zand over te doen, maar in de zin van het zien van ‘het gelaat van Christus’ in elk levend wezen, en vreugdevol iedereen als dezelfde Zoon van God beschouwen, die niet kan zondigen. Dit beoefenen van ware vergeving is een traag proces dat uiteindelijk leidt tot het ontwaken tot de werkelijke wereld, waarin we onszelf nog steeds in een lichaam ervaren dat samen met andere lichamen leeft, maar die allemaal als de ene Zoon van God worden waargenomen, zonder vergelijk, zonder afwijzing of veroordeling. Van buiten tijd en ruimte gezien zijn we al ontwaakt. We herbeleven slechts de film van de tijd tot het moment waar de film nu lijkt te zijn.

Deze blije denkstaat van vergeving, of juist gericht denken, is niet iets wat ik kan cultiveren in het ego-deel van mijn denkgeest. Dat zou vruchteloos zijn, omdat het ego nu eenmaal het idee van afscheiding, veroordeling en aanval is. Wel kan ik me realiseren dat ik behalve voor het ego, ook voor een andere gids zou kunnen kiezen (de Heilige Geest), die óók nu al in mijn denkgeest huist: “De Heilige Geest is in heel letterlijke zin in jou. Het is Zijn Stem die jou terugroept naar waar je vroeger was, en weer zult zijn. Zelfs in deze wereld is het mogelijk alleen die Stem te horen en geen andere” (T5.II.3:7-9). En uit hoofdstuk 18 uit het tekstboek: “Je hebt je vergist te denken dat het nodig is jezelf op Hem voor te bereiden. Het is onmogelijk op een arrogante manier voorbereidingen voor heiligheid te treffen en niet tegelijk te geloven dat jij de voorwaarden voor vrede bepaalt. God heeft die bepaald. […] Jouw bereidwilligheid is alleen nodig om het mogelijk te maken jou te onderwijzen wat ze zijn” (T18.IV.4:3-5;7). Het kiezen voor vergeving is dus een voortdurende oefening om steeds vaker voor de Heilige Geest te kiezen, waarmee het getetter van het ego steeds iets meer naar de achtergrond verschuift. Zo worden duistere plekken in de denkgeest één voor één mild ongedaan gemaakt.

De stem van de Heilige Geest is als het ware de hartslag van de vrede die altijd in mijn denkgeest klopt, maar die verduisterd blijft zolang ik mijn aandacht op mijn ego gericht hou, door steeds mensen en situaties om me heen te blijven aanvallen. De kern van een goede beoefening van vergeving is dus het niet langer hinderen van deze hartslag van de vrede. Dit doe je door simpelweg niet langer meer te beschuldigen en te veroordelen. En als ik zeg ‘simpelweg’, dan betekent dat niet dat het makkelijk is om vol te houden. Écht stoppen met veroordelen kun je min of meer vergelijken met de pogingen van talloze mensen om écht te stoppen met roken: je weet dat het slecht voor je is, en toch ga je er mee door. Allereerst hebben we een helder besef nodig van ons doel hier in dit leven in tijd en ruimte (dat wil zeggen: het leren inzien dat wij de dromer van de droom zijn en dat we de Verzoening met Eenheid kunnen leren aanvaarden), en wat verder nodig is, is een goed besef van wat jij en ik feitelijk zijn: de pure geest van de ene Zoon van God, die desalniettemin lijkt te slapen in een droom die over tijd en ruimte gaat. Het kan behulpzaam zijn om je te realiseren dat jij en ik hier waarschijnlijk niet voor het eerst op deze planeet rondlopen, en ook niet voor het laatst. Zolang er nog ware vergevingslessen te leren zijn, zullen we blijven reïncarneren, niet omdat we gestraft worden, maar omdat wij zélf nog steeds voor veroordeling kiezen. Dus, nogmaals: de ‘koninklijke weg’ naar de werkelijke wereld is: stop met het hinderen van de puls van de vrede, door er steeds vaker voor te kiezen niet te veroordelen.

Telkens als ik mezelf erop betrap geïrriteerd te raken over wat dan ook, kan ik mezelf realiseren dat de betreffende situatie zelf niets met mijn verlossing van doen heeft; sterker nog: met mijn irritatie richt ik het zwaard op mezelf. Veroordeling pijnigt mijn eigen denkgeest, omdat dit het ego voedt en de Stem van de Heilige Geest verder doet verstommen. Als bijvoorbeeld mijn echtgenote of mijn ouders weer eens als een angel werken, kan ik me realiseren dat het niet belangrijk is, althans niet voor verlossing. Dat betekent niet dat je je van de wereld zou moeten afkeren. Elke ego-pijn die naar voren komt mag liefdevolle aandacht krijgen, vanuit het besef dat het allemaal in de denkbeeldige wereld gebeurt. Maar het is ook niet handig om gelijk al je verzekeringen op te zeggen omdat “God in deze wereld voortaan voor me zal zorgen”. Als leraar van God leef je een normaal leven net als iedereen, alleen straal je nu veel krachtiger vrede uit, waar je voorheen veroordeelde. Die innerlijke vrede blijft niet onopgemerkt! “Wanneer ik genezen word, word ik niet alleen genezen” (WdI.137). Vrede uitstralen nodigt vrede uit. Als je een maand lang redelijk succesvol oefent met het loslaten van veroordeling, zul je je op een gegeven moment met verbazing realiseren hoe vredig je je voelt in vergelijking met vorige jaren, die gevuld waren met afwijzing en aanval. Deze realisatie voedt weer ‘het kleine beetje bereidheid’ (T18.IV) dat Jezus van ons vraagt om hem te volgen naar de werkelijke wereld, waar we de poort naar ons ware Thuis waarnemen, en waar we niet zullen aarzelen om die te betreden, waarna we opgaan in de eeuwige vrede van onze Schepper die ‘alle begrip te boven gaat’.

— Jan-Willem van Aalst, november 2017 (vertaling van https://miraclesormurder.wordpress.com/2017/11/04/hindering-the-pulse-of-peace/)

Grip krijgen op je eigen negativiteit

Hoezeer wij ook proberen om aardig, liefdevol en behulpzaam te zijn in ons leven, we hebben allemaal last van negatieve gedachten. We vertellen onszelf streng dat we dergelijke negativiteit echt niet willen, en dus zwoegen we voort in onze pogingen om vriendelijk en meelevend te zijn. Negativiteit lijkt echter hardnekkig de kop op te blijven steken. Cursussen voor persoonlijke ontwikkeling kunnen soms een indrukwekkend kortdurend effect hebben, maar vroeg of laat worden we weer door een spreekwoordelijke angel gestoken, en vervallen we weer in negativiteit, hoe kort ook. En door onze ervaring leren we dat goeroes die in één keer de oplossing voor alle negativiteit hebben, niet vertrouwd zouden moeten worden. Dus wat dan wel?

In Een cursus in wonderen besteedt Jezus een heel hoofdstuk in de Handleiding voor Leraren over het omgaan met negatieve gedachten. In zijn leerplan heeft hij het over ‘magische gedachten‘: feitelijk is alles wat niet neerkomt op liefde, vrede of vreugde een goede kandidaat voor het label ‘magische gedachte’. Als je er zo naar kijkt, dan hebben jij en ik heel wat magische gedachten op een dag, en elk uur van die dag. Het is duidelijk dat Jezus er belang aan hecht om het uitgebreid te hebben over hoe hier mee om te gaan: “Dit is zowel voor de leraar als de leerling een cruciale vraag. Als deze kwestie verkeerd wordt behandeld, heeft de leraar van God zichzelf gekwetst en bovendien zijn leerling aangevallen.” (H17.1:1-2). In het Handboek zijn jij en ik de leraar (voor iedereen om ons heen, die onze leerlingen zijn), hoewel we niet zouden moeten vergeten dat elke Leraar van God zelf ook leerling is (van de Heilige Geest, de enige ware Psychotherapeut).

We zouden dus niet simpelweg onze schouders moeten ophalen en het afdoen met “Ach ja, zeker word ik gekweld door negativiteit, maar zo is het leven nu eenmaal.” Jezus spoort ons duidelijk aan een ferme grip hierop te krijgen, willen we ooit enige mate van innerlijke vrede in dit leven ervaren, wat in zekere zin het hoogste doel van elke Cursusstudent is. Dit begint met de realisatie dat wij nooit van streek zijn om de reden die we denken (zie bijv. Werkboekles 5). We denken dat onze gedachten ‘zuur’ worden door mensen of situaties buiten ons. “Ik was eigenlijk best vredig, totdat hij of zij begon te zeuren over iets volstrekt onbelangrijks.” Of het komt doordat de beurs in mineur is. Of doordat de files vandaag twee keer zo lang waren als gisteren. Of omdat mijn manager me niet zo aardig aankeek. Bla bla.

Al deze redenen zijn niet waarom we van streek zijn. Jezus legt uit dat wij van streek zijn omdat we iets (willen) zien dat er in werkelijkheid niet is (werkboekles 6). Daarom is het zo belangrijk af en toe te denken aan de metafysische grondslag van Een cursus in wonderen: “Er is geen wereld! Dit is de kerngedachte die de Cursus probeert te onderwijzen.” (WdI.132.6:2). Alles en iedereen die we om ons heen waarnemen is in essentie niets meer of minder dan een projectie van de gespleten denkgeest van de Zoon van God die ervoor koos te dromen over afscheiding en speciaalheid in een verzonnen universum van tijd en ruimte. We zijn er zó van overtuigd dat wat wij zien de waarheid is; maar Een cursus in wonderen helpt ons in te zien dat onze ware Identiteit niet in een lichaam in tijd en ruimte gevangen zit. Wij zijn met z’n allen één pure geest, die een nachtmerrie lijkt te dromen over tijd, ruimte en versplintering.

Dus als er in werkelijkheid niemand anders buiten mij bestaat, omdat alles wat ik waarneem een spiegel is van een aspect van de gespleten denkgeest van de slapende Zoon, waarom zou ik dan negatief reageren op wat dan maar ook lijkt te gebeuren? Zoals Jezus benadrukt komt dat neer op een aanval op mijn eigen denkgeest, naast de duidelijke aanval op degenen waar de negativiteit over gaat. “Als een magische gedachte enige vorm van woede opwekt, dan kan Gods leraar er zeker van zijn dat hij zijn eigen geloof in zonde versterkt, en zichzelf heeft veroordeeld.” (H17.1:6-7). Dit verklaart waarom we voor negativiteit in de eerste plaats kiezen: elke negativiteit weerspiegelt de oorspronkelijke negativiteit, zo’n 14 miljard jaar geleden, toen we God afwezen (zonde), ons daarover direct enorm schuldig voelden. Die schuld projecteerden we snel weg, maar dat voedde alleen maar de angst voor bestraffing voor wat werd geprojecteerd. Telkens als we van streek zijn dan is dat louter omdat we die ontologische negativiteit willen herleven in de illusoire droomwereld, om het idee van afgescheiden individualiteit levend te kunnen houden.

Dit is dus de lesruimte die de Heilige Geest ons biedt: telkens als een persoon of een situatie mij van streek lijkt te maken, dan heeft de keuzemaker in mijn denkgeest de mogelijkheid om dit te bezien ‘van boven het slagveld’ (T-23.IV), zodat ik kan inzien dat de ergernis niet is wat die lijkt: er is niets of niemand daarbuiten die de Zoon van God kan verwonden. Dit inzicht wordt de basis voor een betere reactie. De keuze is aan ons: reageren we met ‘gerechtvaardigde ergernis’ of vanuit milde vriendelijkheid? “Aanval kan alleen zijn intrede doen als het zien van afzonderlijke doelen is binnengeslopen. […] Hierop kan dan ook gemakkelijk worden gereageerd met slechts één antwoord, en dit antwoord zal feilloos in de denkgeest van de leraar doordringen. Van daaruit straalt het de denkgeest van de leerling binnen, en maakt die één met die van hem.” (H17.3:3;6-7).

Hier speelt echter een valkuil waar we ons altijd van bewust zouden moeten zijn terwijl we Jezus’ advies beoefenen: die van de verheven heilige. In Een cursus in wonderen heet dit ‘vergeving-ter-vernietiging’ (LvG-II.2). Hiervan is sprake als je antwoord lijkt op het volgende: “Ja, het is verachtelijk wat je hebt gedaan, maar aangezien ik zo nobel ben, zal ik het over het hoofd zien en je alsnog vergeven.” Dit is overduidelijk niet wat Jezus hier bedoelt. Zoals Kenneth Wapnick herhaaldelijk uitlegde, komt zo’n houding neer op het proberen te onderhandelen met God: “Zie eens hier, God, wat een goed persoon ik ben. Hier zijn al die slechte mensen die me aanvielen, en toch blijf ik vergevingsgezind en behulpzaam. Aanvaard mij alstublieft terug in de hemel, en stuur de anderen naar de hel.” Dit is een verholen poging om het schuldgevoel in onszelf over de oorspronkelijke aanval naar buiten te projecteren, omdat we dit niet durven aanzien. En we willen al helemáál niet zien dat de afscheiding nooit heeft kunnen plaatsvinden en individualiteit dus niet bestaat.

In hetzelfde hoofdstuk 17 in het Handboek voor Leraren onderwijst Jezus dat het nuttig is “…te onthouden dat niemand kwaad kan worden op een feit. […] Louter door haar aanwezigheid bevestigt een magische gedachte een afscheiding van God. […] Dat dit allerminst een feit kan zijn, ligt voor de hand. Maar dat kan worden geloofd dat het een feit is, ligt evenzeer voor de hand. En hier staat de wieg van schuld.” (M-17.4: 1;5:3;5:5-6). De oplossing is dus, ten eerste, om in te zien dat we van streek zijn door onze interpretatie van een persoon of een situatie, en, ten tweede, dat we een wereld interpreteren die er in werkelijkheid niet is. Een keuze voor negativiteit gaat dus letterlijk nergens over!

“Kan niets woede opwekken? Allerminst. Bedenk dan, leraar van God, dat woede een werkelijkheid ziet die er niet is; toch is de woede het zekere bewijs dat jij in de feitelijkheid ervan gelooft. Nu is een uitweg onmogelijk, tot je inziet dat je hebt gereageerd op je eigen interpretatie die je op de buitenwereld hebt geprojecteerd. Laat dit meedogenloze zwaard nu uit je handen worden genomen. Er is geen dood. Dit zwaard bestaat niet. De angst voor God is zonder oorzaak.” (H-17.9:5-12). Dit betekent ook dat onze angst over wat dan ook in de illusoire droomwereld van tijd en ruimte geen gegronde oorzaak heeft. Het is niet de bedoeling ons te verschuilen achter roze ‘gelukssulligheid’, of dat we ontkennen dat we nog wel eens negativiteit voelen. Als ik weer eens gewaar word van negativiteit in mezelf, kan ik in alle rust beamen dat ik nog steeds een gespleten denkgeest heb, dat mijn onrust gaat over mijn interpretatie, niet over een feit, en – het allerbeste – dat mijn denkgeest het vermogen heeft om een betere keuze te maken, met hulp van de Heilige Geest. Dat is een heel effectieve manier om grip te krijgen op je negatieve gedachten.

— Jan-Willem van Aalst, oktober 2017 (Vertaling van https://miraclesormurder.wordpress.com/2017/10/28/getting-grip-on-negative-thoughts/)