Blog

De strijd tegen tijd

Hoe vaak ervaar jij tijdsdruk? Hoe vaak heb jij het gevoel dat er simpelweg te weinig tijd is voor alles wat je graag zou willen doen? En valt het jou wel eens op dat, telkens wanneer je uit gemeende interesse vraagt hoe het met iemand gaat, hoe vaak mensen klagen dat ze het “zo enorm druk hebben”? Het informatietijdperk verbindt ons heel gemakkelijk met zowat alles en iedereen, en dat maakt het alleen maar erger. “Stress” of “tijdsdruk” wordt steeds vaker als ziekte nummer één bestempeld. We kunnen veilig stellen dat zo’n vierhonderd jaar geleden het fenomeen “tijdsdruk” veel minder speelde, ongeacht welk continent je beschouwt. Wetenschappers stellen zelfs dat mensen toentertijd aanmerkelijk langzamer spraken. Kun je je voorstellen hoe dit je denkgeest opjaagt? Tegenbewegingen zoals “slow management” en “mindfulness” lijken slechts een druppel op de gloeiende plaat van dit alarmerend snel groeiende probleem.

Is het een probleem? Dat lijkt zeker het geval, zowel fysiek, mentaal, als spiritueel bekeken. Op fysiek niveau leidt stress tot hogere en instabiele hersengolf frequenties. Dat hindert de hersenen om de lichaamsfuncties adequaat te kunnen blijven besturen. Veel moderne endocrien gerelateerde ziekten zoals burn-out en Parkinson hebben waarschijnlijk een directe relatie met de hersengolven. Op mentaal niveau gunnen we onszelf steeds minder tijd om ons te bezinnen op waarom we doen wat we doen. We komen terecht in een denkmodus van een soort automatische piloot waarin we proberen twee dozijn draaiende bordjes tegelijkertijd in de lucht te houden. De epidemie van ADHD-gerelateerde stoornissen heeft veel te maken met de overdosis aan stimuli waaraan ouders hun kinderen blootstellen, wat vaak weer komt doordat die ouders te druk zijn met hun eigen waslijst aan activiteiten.

Spiritueel gezien zal het duidelijk zijn dat al die drukte slechts dient om de denkgeest af te leiden van het overdenken van fundamentele levensvragen, zoals “Wat ben ik?”, “Wat is mijn doel hier?”, of algemener: “Wat is de betekenis van mijn leven?” Als je de tijdlijn van het universum, zo’n dertien miljard jaar, als een lijntje op een vel papier tekent, dan wordt het hele begrip “tijdsdruk” een zotte klucht. Op die tijdlijn is de mensheid op de planeet aarde slechts een stip aan het einde van de lijn. Jij en ik winden onszelf enorm op over honderden zinloze zorgen over zaken die meestal over een paar uur of een paar dagen gaan, of hooguit een paar jaar. In de context van het grotere plaatje wordt onze stress volkomen onbeduidend en absurd. En toch blijven jij en ik dit doen. Waarom? Omdat ik zo bang ben dat mijn leven zal mislukken als ik niet dit of dat bereik voordat ik sterf. Mijn ‘zelf’, als speciaal individu, moet ik betekenisvol maken, anders heeft mijn bestaan geen zin. En dus worstel ik om mijn leven belangrijk te maken, uiteindelijk (onbewust) richting God. Wat een worsteling!

Natuurlijk kan dit niet werken. Het zit er dik in dat ik aan het einde van mijn leven verreweg mijn meeste inspanningen zal evalueren als ofwel mislukt, ofwel onbelangrijk. Wat overblijft is de vraag hoeveel liefde ik mezelf heb toegestaan te uiten (en te ontvangen) gedurende mijn leven. Het is ontnuchterend om in de Bhagavad Gita, zo’n vierduizend jaar oud, te lezen, dat “zolang jij jezelf op zelfzuchtige verlangens richt, je leven volkomen verspild is”. En toch is dat precies wat we ruim zeven miljard mensen dagelijks zien doen, inclusief onszelf: ervoor zorgen dat ik voorzie in mijn materiële behoeften; en mijn denkgeest bezig houden met een eindeloze reeks speciale afgoden, om aan mezelf en iedereen (God incluis) te bewijzen dat mijn leven niet volkomen verspild is, ook al ben ik het grotere plaatje maar een kort oplichtend vuurvliegje.

In Een cursus in wonderen toont Jezus ons de fundamentele uitweg uit deze hel, door ons botweg de compromisloze nondualistische metafysica voor te schotelen van de onwerkelijkheid van tijd en ruimte. Laten we eens kijken naar tijd, de vierde dimensie in dualiteit. Jezus zegt hierover: “Tijd is een kunstgreep, een goocheltoer, een immense illusie waarin figuren als bij toverslag komen en gaan. Toch zit er een plan achter alle verschijningsvormen dat niet verandert. Het draaiboek is geschreven. […] We ondernemen slechts een reis die al voorbij is. Toch schijnt ze een toekomst te hebben die ons nog onbekend is.” (WdI.158.4;3). Omdat onze hersenen uitsluitend lineair werken, duizelt het ons om ons iets voor te stellen bij de onwerkelijkheid van de tijd. Wij lezen dit tenslotte toch nu, in de tijd? We werken met Een cursus in wonderen in de tijd, toch? Hoezo is tijd onwerkelijk? Jezus legt in hoofdstuk 25 uit dat zolang wij denken dat wij in de tijd vertoeven, zijn boodschap aan ons ook in een tijdgebonden vorm wordt aangeboden: “Dit alles neemt notitie van tijd en plaats alsof dat losstaande zaken waren, want zolang jij denkt dat een deel van jou afgescheiden is, heeft het denkbeeld van een Eenheid die als Eén verbonden is, geen betekenis.” (T25.I.7:1). Jezus ontmoet ons in de toestand waarin wij ons denken te bevinden.

De bevrijding die Jezus ons biedt ligt in het dagende besef dat wij de dromer van een nachtmerrie zijn, die onze realiteit in de eeuwigheid volstrekt niet raakt. Zo lezen we in werkboekles 167: “Wanneer de denkgeest besluit te zijn wat hij niet is, en verkiest een vreemde macht aan te nemen die hij niet heeft, een oneigen toestand waartoe hij niet komen kan, […] lijkt hij slechts een poosje te gaan slapen. Hij droomt van de tijd: een interval waarin wat schijnt te gebeuren nooit heeft plaatsgevonden, de teweeggebrachte veranderingen geen substantie hebben en alle gebeurtenissen nergens zijn. Wanneer de denkgeest ontwaakt, gaat hij slechts voort zoals hij altijd is geweest.” (WdI.167.9). Let wel, “voortgaan zoals hij altijd is geweest” verwijst niet naar tijd, want in de eeuwigheid bestaat geen tijd. Jezus gebruikt de beeldspraak van een tapijtstrook die zich in de tijd voor ons lijkt uit te rollen: “De tijd lijkt in één richting te verlopen, maar wanneer je zijn eind bereikt, zal hij zich oprollen als een lange loper, achter je uitgerold over het verleden, en verdwijnen.” (T13.I.3)

Dus zolang wij menen dat we de zingeving in ons leven moeten vinden binnen tijd en ruimte, houden we onszelf voor de gek. Onze realiteit en verlossing liggen buiten tijd en ruimte. Kunnen we ons hier een voorstelling van maken? In werkboekles 107 probeert Jezus ons hierbij te helpen: “Probeer je een moment te herinneren — misschien een minuut, zelfs minder misschien — waarop niets jouw vrede kwam verstoren, waarop je er zeker van was dat jij bemind en veilig was. Probeer je dan voor te stellen hoe het zou zijn wanneer dat moment werd uitgebreid tot het einde der tijden en tot in eeuwigheid. Laat dan het gevoel van rust dat je voelde honderdmaal vermenigvuldigd worden en dan opnieuw honderdmaal. En nu heb je een beetje een idee, niet meer dan slechts een uiterst vage duiding, van de staat waarin je denkgeest zal verkeren wanneer de waarheid gekomen is.” (WdI.107.2). Die keuze is aan ons, niet iets wat God ons opdringt of onthoudt, afhankelijk van hoe zondig we waren. God heeft helemaal geen weet van zoiets als de tijd, laat staan deze hele materiële wereld. In hoofdstuk 26 lezen we dat deze dualistische droom nooit werkelijkheid was, is, of zal worden: “niet één noot in het lied van de Hemel werd gemist.” (T26.V.5:4).

Allemaal leuk en aardig, maar hoe leer ik dan Jezus’ lessen terwijl ik nog steeds geloof hier in de 21e eeuw te zijn, en daarin een leven probeer op te bouwen? Jij en ik zullen heus niet de volgende ochtend buiten tijd en ruimte wakker worden, dat staat vast. De troostende boodschap is dat dat ook niet hoeft. Ontwaken is een langzaam proces. Net zoals de Bhagavad Gita ons aanraadt om hier een normaal leven te leiden (“wees heel actief in deze wereld, maar als iemand die vanuit zijn diepste kern denkt en handelt”), zo onderwijst Jezus ons om te oefenen met het heilig ogenblik; een keuze in het nu voor de onvoorwaardelijke Liefde van God, waarmee we zowel verleden als toekomst even geheel vergeten. “nu is de dichtst mogelijke benadering van de eeuwigheid die deze wereld biedt” (T13.IV.6). Die uitspraak zette overigens Eckhart Tolle aan tot het schrijven van zijn bestseller “De kracht van het Nu”. De boeddhisten zeggen: “Het verleden is voorbij; de toekomst nog niet hier. Je leeft alleen nu, in het huidige moment.” Hoe haalbaar is dat?

Het werkbroek van Een cursus in wonderen is een lesprogramma voor gedachtentraining waarmee je jezelf aanleert om steeds wat vaker in het nu te leven, waarin de denkgeest zich richt op vergeving, op onvoorwaardelijke liefde. Zo nodig je de Heilige Geest uit als gids van je gedachten, en die uitnodiging aanvaardt Hij graag. Na een poosje oefenen merk je dat je denkgeest veel kalmer wordt, en het leven veel meer vanzelf lijkt te gaan stromen. Het dagelijkse leven kan bij tijd en wijle nog steeds druk lijken, maar brengt veel minder stress, en veel betere uitkomsten. Veel Cursusstudenten kunnen dit beamen. Het is deze ervaring van innerlijke vrede die het doel vormt van Een cursus in wonderen, en uiteindelijk van je leven hier. Hoeveel onvoorwaardelijke liefde sta jij jezelf toe te uiten (en te ontvangen) vandaag? Oefen in blijdschap en dankbaarheid met het heilige ogenblik, en keer dan terug naar de drukke wereld, maar vanuit de intuïtieve leiding van de Heilige Geest, die niet falen kan.

— Jan-Willem van Aalst, maart 2017 (vertaling van https://miraclesormurder.wordpress.com/2017/03/19/fighting-against-time/ )

Advertenties

We lijken met velen, maar we zijn één

Als je ooit naar een grote zwerm vogels in de lucht hebt gekeken, zullen de wonderbaarlijke patronen die ze als één groep in de lucht maken, je niet ontgaan zijn. Een groeiende groep wetenschappers ziet dit als aanwijzingen voor het bestaan van iets dat ‘collectief bewustzijn’ heet. Want niet één van deze vogels heeft ooit op een school geleerd hoe je gezamenlijk in perfecte wiskundige patronen kunt vliegen. Geen van deze vogels heeft ooit enig examen afgelegd. En toch weten ze precies wat ze moeten doen. Je zou kunnen beargumenteren dat dit instinctmatig gedrag is dat gedurende duizenden jaren uiteindelijk geconditioneerd is geraakt, maar dan nog — de groepsbewegingen als geheel illustreren overduidelijk de werking van een soort collectief mechanisme. Het is alsof ze een collectieve denkgeest met elkaar delen.

In Een cursus in wonderen onderwijst Jezus ons dat dit een universeel principe is van al het leven: denkgeesten zijn verbonden. Laten we eens kijken naar de dualistische wereld van tijd en ruimte die wij nog steeds als onze dagelijkse realiteit beschouwen. Onze zintuigen vertellen ons dat er miljarden ego’s lijken te zijn die deze planeet bevolken. We vergeten daarbij echter dat onze perceptie niets meer is dan de vervulling van een geprojecteerde wens (om afgescheiden te lijken). “Projectie maakt waarneming” (T21-In.1). Omdat de materiële wereld in werkelijkheid helemaal niet bestaat (WdI.132.6), is alles wat ik waarneem een weerspiegeling van iets in mij dat ik naar buiten wil projecteren omdat ik het niet onder ogen wil zien. Bijgevolg delen wij met z’n allen niet alleen dezelfde collectieve Identiteit als de Zoon van God (buiten de droom), maar delen we ook exact hetzelfde ego (in de droom). En net als bij de zwerm vogels resoneert elke ego-gedachte door elke schijnbaar afgescheiden denkgeest, ook al nemen we dat zo niet direct waar.

Dit ene ego, dat zich vermomt als miljarden individuele fragmentjes, is honderd procent haat. Niet dat we elk moment van de dag haten, maar zodra we voor onjuist gericht denken kiezen, komt dit neer op haat, hoewel vaak versluierd. Dit kan niet anders, omdat het ego het idee van afscheiding van perfecte Eenheid is. Afscheiding betekent aanval. En het eerste concept dat leek te ontstaan in de dualiteit van het ego is bewustzijn: een denkgeest die zichzelf als iets afzonderlijks van iets anders lijkt te beschouwen. En zo gaat het al sinds de Oerknal. Aanval gaat echter onvermijdelijk gepaard met schuld. En als die schuld over de oerzonde van afscheiding van de Schepper gaat, wordt dat schuldgevoel ondraaglijk. Bovendien gaat die schuld gepaard met angst voor de vergelding door God Zelf, die uiteraard volstrekt in z’n recht staat om ons zwaar te bestraffen voor deze zonde. In een poging om aan Gods toorn te ontkomen, versplintert het ego zichzelf in vrijwel ontelbare fragmentjes, om als het ware ‘ongrijpbaar’ te worden. Het ‘geniale’ van de Oerknal, waarmee tijd en ruimte leken te ontstaan, is dat de eenheid die er ooit was voorgoed verloren leek te zijn. Bovendien kan elk afgescheiden fragmentje van bewustzijn al het ‘kwaad’ nu in andere fragmentjes zien, en niet in zichzelf. Voor het ego is dat een dubbele traktatie, en een ingenieuze strategie!

Helaas werkt deze strategie van projecteren niet, omdat (a) het collectieve karakter van het ego niet verdwenen is, maar slechts uit het gewaarzijn is verdrongen, en (b) projecties altijd naar degene die projecteert terugkeren, omdat “verdedigingen juist doen waartegen ze verdedigen” (T17.IV.7). In Hoofdstuk 24 van het tekstboek beschrijft Jezus in beeldend taalgebruik hoe wij het kwaad altijd in anderen zien. Iedereen wil “de ander naar een afgrijselijke afgrond voeren en hem daarin storten” (T24.V.4). We denken onszelf te moeten verweren tegen een bedreigende wereld. Maar onbewust is de situatie veel erger. Zoals elke goede psycholoog ons kan vertellen: alles waar we anderen van beschuldigen vrezen we heimelijk in onszelf. Zoals Jezus benadrukt in Hoofdstuk 7: “De overtuiging dat je [schuld] uit je innerlijk hebt geweerd door het buiten jou te zien is een totale vervorming van de macht van uitbreiding. Om die reden zijn zij die projecteren waakzaam voor hun eigen veiligheid. Ze zijn bang dat hun projecties zullen terugkeren en hen pijn doen. Door te geloven dat ze hun projecties uit hun denkgeest hebben gewist, geloven ze ook dat hun projecties weer proberen naarbinnen te sluipen. Aangezien de projecties hun denkgeest niet hebben verlaten, zijn ze gedwongen zich voortdurend in allerlei activiteiten te storten om dit niet onder ogen te hoeven zien.” (T7.VIII.3).

Probeer je gedurende de dag bewust te zijn alles dat je als “slecht” bestempelt buiten jezelf. Het zou je buur kunnen zijn, je manager, je collega’s, hangjongeren, de president, de politie, religieuze extremisten, het weer, noem maar op. Zoals Kenneth Wapnick vaak toelichtte in zijn workshops, is het enorm behulpzaam om je gewaar te worden van alle angstige gedachten over slechtheid buiten jezelf, je vervolgens te realiseren dat dergelijke percepties eigenlijk projecties zijn van slechtheid die je heimelijk in jezelf vreest… en daar dan simpelweg naar te kijkenNiets meer dan dat. Zodra je immers anders dan met volstrekt oordeelloze observatie reageert op dergelijke percepties, heb je jezelf alweer verloren in het ego. Als het je echter lukt om de oordeelloze observator ‘boven het slagveld’ aan te zetten, plaats je jezelf in de positie om het wonder toe te laten waar deze Cursus zijn titel aan ontleent, namelijk: de angst in je denkgeest mild ongedaan laten maken door de Heilige Geest, door Hem toe te laten in je denkgeest, door je te realiseren dat “God daar anders over denkt” (T23.I.2), omdat er immers geen wereld bestaat. Wees er overigens zeker van dat je niet je gevoelens ontkent of onderdrukt, maar oefen ermee om jezelf er niet in te verliezen.

Terug naar ons thema van collectief bewustzijn. We kunnen nu zien waarom Jezus ons vertelt dat “alle macht op aarde en in de Hemel jou is gegeven. Er is niets wat jij niet kunt doen. Je speelt het spel van de dood, speelt dat je hulpeloos bent, jammerlijk verklonken aan ontbinding en verval in een wereld die jou geen genade betoont. Maar als jij haar genade verleent, zal haar genade op jou stralen.” (WdI.191.9). Dat is fantastisch nieuws! Telkens als ik waarlijk vergeef, straalt vergeving door het geheel van schijnbaar versplinterd leven in het gehele universum, in minder dan een mum van tijd! Dat is de actieve werking van het wonder, dat wij geenszins hoeven te begrijpen — we hoeven slechts het wonder voor onszelf te aanvaarden. Het klopt dat het in de praktijk zo helemaal niet lijkt te werken. Als ik bijvoorbeeld mijn buurman steeds blijf vergeven voor het feit dat hij zijn auto precies voor mijn raam parkeert, zal er waarschijnlijk niets veranderen. Je hoort mensen daarop als volgt klagen: “Dat vergeven, dat heb ik geprobeerd, maar het werkt niet. Ik heb het op Jan geoefend, maar hij blijft gewoon een vreselijk persoon!”. Door zo te redeneren vergeten we dat Jan louter een geprojecteerd deel van het ego is dat we niet in onszelf willen zien. Door mijn afkeuring over Jan in stand te houden, hou ik feitelijk mijn afkeur over mijzelf in stand, en is er helemaal niets vergeven.

In Een cursus in wonderen lezen we dat het wonder, dat voortkomt uit vergeving, allerlei helende effecten kan hebben op onverwachte plekken in de wereld waar wij zelf nog nooit geweest zijn, zelfs in tijden die allang voorbij zijn of die nog moeten komen. Er wordt van ons, nogmaals, niet verlangd dat wij dit begrijpen. We worden slechts gevraagd het wonder voor onszelf te aanvaarden en Jezus’ lessen in de praktijk te brengen. “Dat het wonder op jouw broeders een uitwerking kan hebben die zich aan jouw waarneming onttrekt, is niet jouw zorg. Het wonder zal altijd jou zegenen” (T1.III.8). Dit is ook waarom het antwoord op de vraag hoeveel Leraren van God er nodig zijn om de wereld te redden, één is. Dit is zo omdat er maar één Zoon van God is, waar we allemaal een holografisch deel van zijn. Vergeet het idee van de ‘honderdste aap’ dat stelt dat vrede pas kan komen als genoeg mensen er voor kiezen. Zoek niet buiten jezelf. Vergeef jezelf nu, en het ‘kwaad’ zal verdwijnen, hoewel dat niet altijd à la minute lijkt te gebeuren. Jij en ik hebben “alle macht op aarde en in de Hemel”, dankzij het wonder. We ervaren universele vrede louter door er in onze collectieve denkgeest voor te kiezen (wat trouwens ook de ware betekenis van gebed is: communie).

Het collectieve bewustzijn dat we in de zwerm vogels zien is kortom universeel. We lijken met velen te zijn, maar we zijn één. Jij en ik en de president en de meest verachtelijke terrorist zijn verbonden, omdat er slechts één Zoon is. Een vredige, vergevingsgezinde denkgeest is het mooiste geschenk dat jij en ik kunnen bieden aan alle schijnbaar afgescheiden ego’s om je heen. Oefen in vrede!

— Jan-Willem van Aalst, maart 2017 (vertaling van https://miraclesormurder.wordpress.com/2017/03/11/the-seemingly-many-are-one/)

In gevangenschap geboren

Al rond 500 voor Christus publiceerde de Griekse filosoof Plato zijn Allegorie van de grot in zijn monumentale werk De Staat.  Een allegorie kan een handige vorm zijn om iemand zich gewaar te laten worden van een pijnlijk aspect in zijn leven dat werd ontkend en verdrongen juist omdat het onder ogen zien ervan te pijnlijk zou zijn. Voor Plato was zijn Allegorie van de grot niet alleen een manier om mensen eraan te herinneren dat zij onbewust kiezen voor een leven in verdoving (Plato zegt ‘onwetendheid’), terwijl echt geluk wordt bereikt door te kiezen voor kennis van ‘het Goede’; deze allegorie was voor Plato ook een uitlaatklep voor zijn diepe frustratie over de moord op zijn leraar Socrates, die om het leven was gebracht juist omdat hij diezelfde ongemakkelijke boodschap over het belang van ‘mindfulness’ had verkondigd.

In de Allegorie van de grot, die Plato presenteert als een dialoog tussen Plato’s broer Glaucon en zijn mentor Socrates, lezen we over een groep gevangenen die al hun hele leven aan de nek, handen en voeten zijn vastgeketend in een grot. Hun zicht is een grijze muur; ze kunnen niet om zich heen kijken, laat staan zich omdraaien. Vanuit de ingang van de grot achter ze werpt het zonlicht schaduwen op de muur van de reizigers op de weg die langs de grot loopt. Voor de geketende gevangenen zijn de vluchtige schaduwen de enige werkelijkheid die ze kunnen waarnemen. Ze menen zelfs dat de geluiden van de langstrekkende kooplieden worden voortgebracht door de schaduwen op de muur. Elk van hen is geboren in deze gevangenis in de grot. Ze ervaren het echter niet als een gevangenis; integendeel, ze ervaren het als thuis, hun hele wereld. Ze weten niets van enige vorm van leven buiten hun grot.

Echter, op een gegeven moment raken de ketenen van één van de gevangenen los (de wet van Murphy werkt tenslotte overal en altijd). Deze gevangene (die uiteraard model staat voor de filosoof Socrates zelf) begint verwonderd om zich heen te kijken. Aanvankelijk wordt zijn zicht verblind door het zonlicht bij de ingang, en hij deinst terug. Maar uiteindelijk wint zijn nieuwsgierigheid het van zijn angst voor het onbekende, en zodra zijn ogen enigszins gewend zijn aan het daglicht, begint hij langzaam de buitenwereld te verkennen. Stel je voor hoe zijn aanvankelijke verbijstering omslaat in vreugde zodra hij leert dat het leven buiten de grot zoveel beter is! Hij voelt zich een gezegend man en wordt vervuld van medelijden met zijn lotgenoten in de grot. Hij besluit om ze de blijde tijding van het licht van de wereld te brengen, zodat zij in zijn vreugde kunnen delen.

De mensen in de grot zijn echter helemaal niet blij met de boodschap van onze filosoof. Zij merken dat hij door het daglicht vrijwel niets meer kan onderscheiden in de grot, en zij beredeneren dat de buitenwereld alleen maar tot pijn zal leiden. Ze besluiten unaniem dat het niet verstandig zou zijn om ook zo’n reis te gaan ondernemen, want dat kan alleen maar in rampspoed eindigen. En het wordt nog erger: ze zweren om iedereen om te brengen die ook maar zou proberen om ze over te halen hun grot te verlaten. En dat is natuurlijk precies wat er met Socrates is gebeurd. Dit is de reden dat “een profeet nooit welkom is in zijn eigen stad”: zijn boodschap brengt mensen teveel uit hun ‘comfort zone’, wat alleen maar leidt tot vlijmscherpe weerstand.

Jezus staat voor dezelfde uitdaging om onze slapende denkgeesten te overtuigen van zijn milde boodschap van vrede in Een cursus in wonderen. In hoofdstuk 20 van het Tekstboek verwijst hij zelfs expliciet naar Plato’s allegorie om zijn punt duidelijk te maken: “Gevangenen die jarenlang in zware ketenen lagen, uitgehongerd en uitgemergeld, zwak en uitgeput, en wier ogen zo lang in het donker neergeslagen waren geweest dat zij zich het licht niet meer herinneren, springen niet op van vreugde op het moment dat ze worden bevrijd. Het kost hun een tijdje om te begrijpen wat vrijheid is.” (T-20.III.9). In zekere zin lijkt Jezus erg op deze Griekse filosoof die de boodschap van het licht verkondigt aan gevangenen die hun hele leven alleen maar duisternis hebben gekend. Als je Een cursus in wonderen al een tijdje bestudeert zal het je zijn opgevallen hoe oneindig geduldig Jezus is in het steeds opnieuw naar voren brengen van zijn blijde tijding. Niet éénmaal scheldt hij zijn studenten uit omdat ze steeds maar de domme keuze maken om verdoofd te blijven in de duisternis. Want elke goede therapeut weet heel goed dat je nooit iemands verdedigingsmechanismen moet afpakken.

Als je in de gevangenis wordt geboren, hou je van de gevangenis, omdat dat alles is wat je kent. Als je ooit de film “The Shawshank redemption” (nog steeds nummer één op IMDB’s Top 250 films) hebt gezien, zul je je realiseren hoe waar dit is. Brooks Hatlen was een man die het grootste deel van zijn leven in de gevangenis had doorgebracht. In 1954 werd hij op 72-jarige leeftijd vrijgelaten. Hij ontmoette een wereld die drastisch was veranderd sinds zijn jeugd.  Hoewel hij zijn best deed, kwam hij tot de conclusie dat hij niet meer in staat was zich aan te passen aan een samenleving die hij nooit had gekend, en hij pleegde zelfmoord. Toen zijn medegevangenen zijn afscheidsbrief onder ogen kregen, zeiden ze tegen elkaar: “Hij had in de gevangenis moeten sterven.” Aan de andere kant zette deze gebeurtenis de hoofdpersoon ertoe om serieus werk te maken van zijn eigen ontsnapping, terug naar de vrije wereld, wat uiteindelijk ook lukte.

In Een cursus in wonderen legt Jezus ons uit dat wij allemaal (schijnbaar) in de gevangenis zijn geboren die we de wereld noemen. We doen alleen onze uiterste best de wereld niet als gevangenis te ervaren. Ondanks alle ellende en strijd die we op het journaal zien, zijn we intiem verliefd op onze materiële wereld. Bovendien zijn we er van overtuigd dat dit alles is wat we hebben, wat deels de vurige geestdrift verklaart van alles wat we roepen over ‘een duurzame toekomst voor onze planeet’. Wanneer Jezus ons als volgt onderwijst: “ik ben niet een lichaam. Ik ben vrij. Want ik blijf wat ik ben, zo schiep God mij” (WdI.201), dan kunnen we ons daar eigenlijk geen voorstelling bij maken, omdat het compleet vormloos is, wat voor ons het onbekende is. En net zoals de wereld buiten de grot volstrekt onbekend was voor de gevangenen, is de gedachte om alles wat wij kennen in te ruilen voor iets volstrekt onbekends, simpelweg te angstaanjagend. En dus klampen we ons vast aan onze wereldse uiterlijkheden, net zoals de gevangenen in de grot besloten dat het te gevaarlijk zou zijn om de grot te verlaten.

Jezus kent zijn studenten goed, en daarom besteedt hij zoveel pagina’s aan pogingen om ons te overtuigen van de aard van onjuist gericht denken, en hoeveel pijn wij onszelf daarmee bezorgen. Daarom benadrukte Kenneth Wapnick herhaaldelijk dat Een cursus in wonderen niet primair over liefde gaat. De Cursus is een leerplan in het ontkennen van onze ontkenning van Liefde. We zullen het niet aandurven om Jezus’ uitgereikte hand te pakken zolang wij ons niet ten diepste de aard van de grot realiseren waarin wij onszelf gevangen houden, en waarvan we nog steeds zoveel houden. Nogmaals, Jezus weet dat dit acceptatieproces tijd kost. Om dit nog eens te herhalen: “Gevangenen die jarenlang in zware ketenen lagen, uitgehongerd en uitgemergeld, zwak en uitgeput, en wier ogen zo lang in het donker neergeslagen waren geweest dat zij zich het licht niet meer herinneren, springen niet op van vreugde op het moment dat ze worden bevrijd. Het kost hun een tijdje om te begrijpen wat vrijheid is.” (T20.III.9)

Om in de vrijheid van het licht te stappen, volstaat het om Otto Scharmers principe van “Loslaten, toelaten” toe te passen. Dat wil zeggen: loslaten van onze koppige overtuiging dat wij zelf wel weten waar het doel van ons leven en dat van de wereld over gaat, en steeds vaker Jezus / De Heilige Geest toelaten als gids van onze gedachten, louter door onze veroordeling van alles buiten ons op te geven. In hoofdstuk 20 vervolgt Jezus: “Verstevig je greep en sla je ogen op naar je sterke metgezel, in wie de betekenis van jouw vrijheid schuilt. Hij leek naast jou gekruisigd. En toch is zijn heiligheid onaangetast en volmaakt gebleven, en met hem aan je zijde zul je heden met hem het Paradijs betreden en de vrede van God kennen. […] Dit is het doel dat jou gegeven werd. Denk niet dat jouw vergeving van je broeder enkel jullie tweeën dient. Want heel de nieuwe wereld rust in de handen van elk tweetal dat hier om te rusten binnengaat. En terwijl zij rusten beschijnt het gelaat van Christus hen, en ze herinneren zich de wetten van God, en vergeten daarbij al het overige en hunkeren er slechts naar dat Zijn wetten in henzelf en in al hun broeders volmaakt worden vervuld. Denk jij, wanneer dit is bereikt, dat je zonder hen zult rusten? Jij kunt evenmin een van hen buiten laten staan als ik jou zou kunnen achterlaten, en een deel van mijzelf vergeten.” (T20.III.19; IV.7).

Laten we ons ter afsluiting dit bekende Cursuscitaat nog eens herinneren: “Het geheim van verlossing is slechts dit: dat jij dit jezelf aandoet.” (T27.VIII.10). Eenieder die in alle eerlijkheid heeft besloten om een spiritueel pad te bewandelen gaat zich realiseren dat een leven in een grot niet alleen niet aantrekkelijk is, maar zelfs dat het een gevangenis is die we willens en wetens kozen en kiezen… en dat ons buiten de grot ons een veel beter leven wacht. Ook realiseren zij zich dat het even duurt voordat we aan het licht kunnen wennen. En toch is er geen grotere vreugde dan het uiteindelijk ervaren (met ons geestesoog, de psychologie van visie) hoe we het licht van de werkelijke wereld kunnen ervaren, met een Gids wiens leiding niet kan falen. Onze taak bestaat er slechts uit om ons diepgewortelde verlangen te voelen om duisternis (veroordeling) los te laten en het licht (het wonder) toe te laten, door het beoefenen van onvoorwaardelijke vergeving.

— Jan-Willem van Aalst, maart 2017 (vertaling van https://miraclesormurder.wordpress.com/2017/03/04/born-in-prison/)

De vrede van God omarmen

Voor de meesten van ons geldt dat onze dagen zich kenmerken door de vele problemen die voortdurend ons pad kruisen. Als je er echt over nadenkt, gaat er geen uur voorbij zonder dat we ons ergens zorgen over maken. Er is altijd nóg wel iets dat aandacht vereist of aangepakt moet worden. Als mensen wordt gevraagd wat het diepst gekoesterde doel in hun leven is, dan volgen vaak antwoorden zoals “Als ik nou maar eens gemoedsrust zou kunnen vinden… me niet de hele tijd zorgen hoeven maken… gewoon… vrede vanbinnen.” En vervolgens lezen we in Een cursus in wonderen dat “er geen vrede is dan de vrede van God.” (WdI.200). Jezus maakt ons zelfs duidelijk dat zijn gehele leerplan gaat over het bereiken van blijvende innerlijke vrede: “Kennis is niet de motivering om deze cursus te leren. Vrede is dat.” (T8.I.1). Pas wanneer ik echt de tekst bestudeer en de lessen uit het werkboek probeer toe te passen, begin ik me te beseffen wat het van mij vraagt om werkelijk die “vrede die alle verstand te boven gaat” (Filippenzen 4:7) te omarmen.

De kern van het besef van wat het betekent om werkelijk voor de vrede van God te kiezen, wordt mooi samengevat in werkboek 185, genaamd “Ik verlang de vrede van God”. Direct aan het begin zegt Jezus: “Deze woorden uitspreken is niets. Maar deze woorden menen is alles.” (WdI.185.1). Voor het ego is dat nogal pijnlijk, beledigend zelfs. En toch hoeven we niet heel diep in onze denkgeest te duiken om ons te realiseren hoe waar deze uitspraak is. Kijk maar eens hoe vaak je een moment hebt waarin dit of dat je niet bevalt. Een verwaarloosbare ergernis; een lichte irritatie. Je zult zeggen dat zoiets begrijpelijke dagelijkse emoties zijn die gewoon bij het leven horen. En toch is zelfs de kleinste frustratie uiteindelijk een verklaring dat je de dingen anders wilt. Je wilt dat het gaat zoals jij wilt. Je wilt kortom niet toegeven dat Jezus misschien toch gelijk heeft als hij zegt: “Wil je liever gelijk hebben of gelukkig zijn?” (T29.VII.1). Want beide kan niet. Het duurt even voordat je beseft – en aanvaardt – dat “een lichte krimp van ergernis niets anders is dan een sluier over intense woede.” (WdI.21.2). Het vraagt bescheidenheid om te aanvaarden dat ik het inderdaad niet echt meen wanneer ik mezelf vertel dat ik de vrede van God verlang.

En toch verzekert Jezus ons in werkboekles 200 dat “…Vrede de brug is waarover ieder gaan zal om de wereld achter zich te laten. […] Alleen God is zeker en Hij zal onze voetstappen leiden. Hij zal Zijn Zoon in nood niet in de steek laten, noch hem voor eeuwig laten ronddolen ver van zijn thuis. De Vader roept; de Zoon zal gehoor geven.” (WdI.200.9:4). Maar als ik steeds tegen de muur loop in mijn mislukte pogingen om veroordelende emoties achter me te laten, hoe pak ik dat dan aan? Hoe kom ik van het zeggen dat ik vrede van God wil naar het werkelijk menen dat ik de vrede van God wil? Mezelf martelen met zonde, schuld en angst gaat natuurlijk niet werken. Ook een leven als monnik in een berggrot gaat niet werken. Dus hoe ziet dat ‘pad naar de vrede van God’ er uit?

De eerste stap is om gewoon eerlijk te beseffen dat alle speciale afgoden die ik najaag en plezier aan beleef in mijn leven, uiteindelijk niet werken. Daar vallen ook mijn carrière, mijn hobbies, mijn reizen, bezit, en speciale relaties onder. Ik mag soms momenten van extase ervaren, maar vroeg of laat komt er een vorm van ellende bij kijken. Niets blijft. Korte pleziertjes zijn een belabberde vervanging voor blijvende innerlijke vrede. In deze eerste stap kom ik er langzaam achter dat vrede nooit volgt uit het najagen van dingen buiten mijzelf.  “Zoek niet buiten jezelf. Want dat is tot mislukken gedoemd, en je zult tranen storten elke keer dat een afgod valt.”, zo lezen we in (T29.VII.1). Daar kunnen we het echter niet bij laten, want het besef dat niets in deze wereld van blijvende aard is leidt alleen maar tot diepe depressie, en dat is zéker niet de weg naar vrede. Sterker, juist omdat we ons wel realiseren dat alles uiteindelijk wegvalt, zoeken we ons heil in allerlei afleidingen en verdovingen zoals koffie, alcohol, suiker, drugs en andere zinloze zelf-saboterende bezigheden. Dus er is een volgende stap nodig.

De tweede stap is wat Een cursus in wonderen tot een waarlijk unieke eigentijdse spiritualiteit maakt: de notie dat hoewel wij ons ervaren als deel van de wereld, wij uiteindelijk niet van deze wereld zijn. Zolang we nog geloven dat wij afgescheiden lichamen zijn die in een onvoorspelbare wereld van tijd en ruimte leven, zullen we onvermijdelijk onze veiligheid buiten onszelf zoeken. De werkelijk verbijsterende boodschap van Jezus in de Cursus is de kwantumfysische notie dat tijd en ruimte uiteindelijk volledig denkbeeldig zijn. Alles wat onze zintuigen ons vertellen nemen we voor waar aan juist omdat we het waarnemen. Maar dit alles is louter een geprojecteerde angstige wens die we als ‘waarheid’ hebben aangemerkt – “Projectie maakt waarneming” (T21.in.1). Alle moeite die we ons dus getroosten om de wereld een beetje beter te maken leidt uiteindelijk tot niets: “Het heeft geen zin te proberen de wereld te veranderen. Ze is niet te veranderen, omdat ze slechts een gevolg is.” (WdI.23.2). Maar, voegt Jezus er gelijk aan toe: “Maar het heeft zeker zin je gedachten over de wereld te veranderen. Hiermee verander jij de oorzaak. Het gevolg zal dan vanzelf veranderen.”

Jezus vervolgt: “Je ziet de wereld die jij gemaakt hebt, maar je ziet jezelf niet als de maker van het beeld. Je kunt niet van de wereld worden verlost, maar je kunt wel aan haar oorzaak ontsnappen. Dit is de betekenis van verlossing, want waar blijft de wereld die jij ziet als haar oorzaak is verdwenen?” (WDI.23.4). Dit ‘veranderen van gedachten’ zoals hier bedoeld heet, je raadt het al: vergeving. Door in alle eerlijkheid al het ‘kwaad’ dat ik buiten mijzelf waarneem te vergeven, begin ik me te beseffen dat ik uiteindelijk slechts mezelf vergeef voor het maken van al die malle illusies die ik zo graag wilde zien, om mezelf ervan te overtuigen dat ik inderdaad los kan zijn van Eenheid, van mijn Bron, van mijn Schepper. Dus, samenvattend: het werkelijk aanvaarden van de vrede van God vraagt allereerst van mij dat ik aanvaard dat vrede niet buiten mijzelf gevonden kan worden; en ten tweede, dat ik aanvaard dat ik de dromer van de waakdroom ben. In deze dromer is vrede al aanwezig. Ik heb alleen nog de keuze te maken om te ontwaken. Dit lukt alleen met de hulp van de Heilige Geest, de Stem namens Liefde. In deze droom kan ik ervoor kiezen om mijn waarneming te laten leiden door de Heilige Geest. Vanuit deze nieuwe waarneming, die volgt uit mijn keuze voor het wonder, leidt de Heilige Geest mij omhoog op de ladder van de Verzoening naar de werkelijke wereld, de poort naar mijn Thuis, de onveranderlijke vrede van God.

Klinkt prachtig, nietwaar? Toch weten jij en ik echt wel dat we heus niet de volgende ochtend wakker worden en zeggen: “Ik wil de vrede van God en dit keer meen ik het echt!” Natuurlijk menen we het nog niet echt. Om zijn studenten te helpen dit eerlijke niveau van zelf-vergeving dagelijks toe te passen, gaf Jezus ons de aanvulling “Het lied van het Gebed”. Lees het (nog) eens. Niet alleen helpt dit pareltje je om je niet mislukt te voelen omdat je maar geen voortgang lijkt te boeken; het legt je ook uit, stap voor stap, hoe je die ladder van Verzoening bestijgt. Dankzij het trouw in de praktijk brengen van de inzichten in deze aanvulling begin ik me te beseffen dat gebed niets te maken heeft met het vragen om specifieke gunsten. Gebed gaat over het steeds meer vanzelf laten stromen van de natuurlijke communicatie tussen mijn denkgeest en God, door steeds vaker de Heilige Geest (de Stem namens Liefde) te aanvaarden als de gids van mijn gedachten. De wereld, hoe denkbeeldig ook, wordt een lesruimte waarin ik mijzelf mag laten leiden om een gelukkige leerling te worden op weg naar de werkelijke wereld, die vrij is van onjuiste waarneming.

De Oerknal was niet het begin van het leven; het was het begin van een zotte droom, die in werkelijkheid nooit is gebeurd. En hoewel wetenschappers nog niet weten hoe het universum zal eindigen, verzekert Jezus ons dat het zal eindigen in gelach (H14.5). Iedereen komt gegarandeerd Thuis, allen als één. Goed, misschien nog niet in dit (denkbeeldige) leven, maar gegarandeerd in een volgend (denkbeeldig) leven. Welke garantie dan deze zou meer troost kunnen bieden?

— Jan-Willem van Aalst, februari 2017 (vertaling van https://miraclesormurder.wordpress.com/2017/02/25/accepting-the-peace-of-god/)

Iedere aanval is zelf-aanval

In het vorige blog “Een ongemakkelijk leerplan” zagen we dat veel studenten de kern van Jezus’ leerplan van Een cursus in wonderen niet doorgronden, omdat ze de neiging hebben alleen de lieflijke passages te lezen, en de meer huiveringwekkende passages over de aard van het ego en onjuist gericht denken over te slaan. Maar er zijn ook veel studenten die zich ontmoedigd of gedeprimeerd voelen zodra ze zich beseffen hoezeer ze gehecht zijn hun eigen individuele kleine zelf, hoe illusoir dat ook mag zijn. Telkens als ik het contrast ervaar tussen enerzijds mijn wens om iedereen en alles de hele tijd te vergeven, en anderzijds mijn voortdurende afwijzing van van alles om me heen, lijkt het een onmogelijke opgave om ook maar één sport op de ladder van de Verzoening te klimmen, laat staan om voor eens en voor altijd de keuze voor Liefde te maken.

De sleutel in zo’n schijnbaar uitzichtloze denkstaat is om je de metafysica van het nondualisme te herinneren die de kern vormt van Jezus’ leerplan. Telkens als ik denk dat ik mijn ego nooit ongedaan zal kunnen maken, ben ik blijkbaar vergeten dat ik niet een hulpeloos slachtoffer in een wrede wereld ben: ik ben de dromer van de droom van tijd, ruimte, en waarneming. Ik ben blijkbaar weer in de valkuil gestapt van de koppige overtuiging dat ik een afgescheiden lichaam ben; onzeker, eenzaam, en in voortdurende angst dat de dood elk moment kan toeslaan en mij daarmee voorgoed zal uitwissen. Een belangrijk ingrediënt in Jezus’ denkgeest-training komt neer op het zo vaak als mogelijk herinneren van de waarheid van mijn Zelf als de schijnbaar slapende Zoon van God. Er zijn geen anderen daarbuiten, want er is in werkelijkheid geen wereld. Er is geen toekomst om benauwd voor te zijn, want de tijd is al voorbij; we “zien mentaal opnieuw wat is voorbijgegaan” (WdI.158.4). Elk moment “herbeleven we slechts dat ene ogenblik waarop de tijd van verschrikking de plaats van de liefde innam” (dat wil zeggen, de wens om afgescheiden te zijn van eenheid) (T26.V.13:1).

In werkboek lessen 196 t/m 198 wil Jezus juist die troostende boodschap binnen laten komen. De titels zijn: “Ik kan alleen mijzelf maar kruisigen”, “Ik kan alleen maar mijn eigen dankbaarheid oogsten”, en “Alleen mijn veroordeling verwondt me.” Dit alles verwijst duidelijk naar de waanzin van projectie, de grondslag van de materiële wereld van waarneming. “Veroordeel en je wordt tot gevangene gemaakt. Vergeef en je wordt bevrijd. Dat is de wet die de waarneming regeert”, zo lezen we in (WdI.198.2). In de tekst lezen we soortgelijke boodschappen over het terugdraaien van projectie: “Bevrijd je broeders uit de slavernij van hun illusies door hun de illusies te vergeven die jij in hen waarneemt. Zo zul je leren dat jij vergeven bent, want jij bent het die aan hen illusies hebt gegeven.” (T16.VII.9:2). Hoe zou het ook anders kunnen zijn, als er in waarheid niemand buiten mijzelf bestaat, niemand die werkelijk afgescheiden is van mij?

Probeer bij alle beroering en tegenslagen in je leven jezelf eraan te herinneren dat deze materiële droom waarin we lijken te leven, niet de werkelijkheid is. Het is een droom over illusies. We gebruiken die illusies om nieuwe illusies te maken, puur om ons afgescheiden te houden van Eenheid, om het “nietig, dwaas idee” dat nooit plaatsvond in stand te kunnen houden. De enige illusie die alle andere ongedaan kan maken heet vergeving, oftewel het opgeven van veroordeling. “Vergeving vaagt alle andere dromen weg, en hoewel ze zelf een droom is, kweekt ze geen nieuwe. Alle illusies behalve deze ene vermenigvuldigen zich onvermijdelijk duizendmaal. Maar hier eindigen illusies. Vergeving is het eind van dromen, omdat ze een droom over ontwaken is. Ze is niet zelf de waarheid. Maar ze wijst naar waar de waarheid moet zijn en geeft de richting aan met de zekerheid van God Zelf. Ze is een droom waarin de Zoon van God tot zijn Zelf en tot zijn Vader ontwaakt, en weet dat Zij één zijn.” (WdI.198.3). Allemaal leuk en aardig, maar jij en ik besteden desalniettemin 99% van onze tijd aan het opzettelijk vasthouden aan onze eigen zelfzuchtige kleine belangen. We moeten tenslotte eten, werken, slapen, en ons leven hier leiden, toch? Oeps, ik was mijn werkelijkheid als geest weer vergeten. Auw, het is zelfs nog erger: ik koos ervoor mijn werkelijkheid te vergeten. Hoe kom ik ooit voorbij dat conflict?

De oplossing om het conflict te beëindigen tussen enerzijds het willen vergeven en anderzijds het willen blijven haten en afwijzen, hoeft niet moeilijk te zijn. Jezus zegt zelfs herhaaldelijk dat zijn boodschap heel simpel is. Het is het dagelijks toepassen ervan wat moeilijk is. De oplossing is deze: als mijn veroordelingen alleen mijzelf verwonden, dan moet ik leren om gewaar te worden van mijn veroordelingen, van moment tot moment. Ieder moment dat ik dat merk, kan ik ervoor kiezen de observerende keuzemaker in mijn denkgeest aan te zetten. Ik kan er voor kiezen om louter te kijken naar de gedachte die ik zojuist koos. Punt. Dat is in feite de keuze voor de Heilige Geest. Vervolgens kan ik ervoor kiezen om de gedachte los te laten, omdat ik mij — tot mijn opluchting — realiseer dat ik niet een lichaam ben in een materiële wereld. Ik kan mijn veroordelende gedachte loslaten en zo ruimte maken voor de impuls van liefde. Probeer maar eens een poosje te oefenen met het stuur van je gedachten over te geven aan de Heilige Geest. Telkens als het je lukt deze gedachtestappen te volgen voel je je direct een stuk beter. Het is de kern van vergeving.

Het fysieke lijf, hoe denkbeeldig ook, kan ons bij deze oefening uitstekend helpen. Overweeg maar eens de samenstelling van de chemie in je bloedbaan bij verschillende soorten gedachten. Telkens als je totale vrede of blijdschap ervaart, sturen je hersenen grote hoeveelheden serotonine, melatonine en dopamine in je bloedbaan, waarmee je het zelfherstellend vermogen van je lichaam flink stimuleert. Wanneer je echter vooral wrok of woede voelt, sturen je hersenen grote hoeveelheden adrenaline en cortisol in je bloedbaan, wat het goed functioneren van je lichaamscellen juist sterk hindert. De vermoede relatie tussen langdurige zware stress en kankercellen heeft hier hoogstwaarschijnlijk mee te maken. Kortom: zelfs op het fysieke niveau komt aanval (veroordeling) altijd neer op zelf-aanval. De vraag, als altijd, is: wat wil je?

Als je verwacht op deze manier in korte tijd verlicht te raken, staat je een stapel teleurstellingen te wachten gedurende de dag, want zo snel gaat het niet: we zijn nog te gehecht aan het ego. Bedenk dat geduld één van de tien karakteristieken van Gods leraren is. Dit geduld moet gepaard gaan met “een overvloed aan bereidwilligheid” (H17-8) om je denkgeest te blijven trainen in het kiezen voor vergeving, door alle veroordeling achter je te laten. En als je voor de zoveelste keer op de dag merkt dat je weer van alles afwijst, wees dan blij: je begint je in elk geval steeds bewuster te worden van wat je doet. Dat maakt de weg vrij om steeds sneller voor vergeving te kiezen. Je zult je een stuk beter voelen telkens als je je herinnert dat jij dit slechts jezelf aandoet (T27.VIII.10). Het is een “vriendelijke daad jegens jezelf om Zijn Stem te horen en de eenvoudige lessen te leren die Hij onderwijzen wil, in plaats van Zijn woorden te proberen te verwerpen, om die van jou in de plaats te stellen van die van Hem”. (WdI.198-5)

— Jan-Willem van Aalst, februari 2017 (vertaling van https://miraclesormurder.wordpress.com/2017/02/18/attack-is-always-self-attack/)

Een ongemakkelijk leerplan

Mijn uitgever merkte recentelijk op dat het eigenlijk verbazingwekkend is dat Een cursus in wonderen wereldwijd al meer dan drie miljoen keer over de toonbank is gegaan, want het bevat een boodschap die de wereld helemaal niet wil horen. Kenneth Wapnick heeft ooit in een workshop opgemerkt dat vanuit het ego bezien, Een cursus in wonderen een waar horror-verhaal is, en beslist niet geschikt als bijvoorbeeld een verjaardagscadeau. Waarom is het een horror-verhaal? Omdat Jezus ons telkens weer vertelt, op vele verschillende manieren, dat niet alleen het ego een leugen is, een hallucinatie die op geen enkele manier werkelijkheid is, maar dat zelfs mijn eigen persoonlijkheid, mijn individualiteit een leugen is! Niemand houdt ervan een boek te lezen dat op volstrekt consistente wijze tot de conclusie komt dat jij en ik simpelweg niet bestaan als individu.

Jezus is zich zeer bewust van onze weerstand. Ondermeer in hoofdstuk 8 van het tekstboek richt hij zich tot ons: “Ik kan je […] onderwijzen, maar alleen jij kunt kiezen of je luistert naar wat ik onderwijs. Hoe kan het ook anders, als Gods Koninkrijk vrijheid betekent?” (T8-IV.6:5). Dat soort snedige opmerkingen doen denken aan het onderricht van Jiddu Krishnamurti, een van ’s werelds echt grote nondualistische spirituele leraren (zie bijvoorbeeld zijn boek “Innerlijke vrijheid”). Ook Ken Wapnick verwees met regelmaat naar hem. Krishnamurti stond bekend om zijn vaak herhaald verzoek om alsjeblieft aandachtig te zijn. “Luisteren jullie naar wat ik hier zeg? Nee, kennelijk niet.” Dat was niet om zijn publiek te schofferen of te kleineren. Hij probeerde ze eenvoudigweg te laten inzien dat er een wereld van verschil is tussen het luisteren vanuit een ego-denkstaat, en het luisteren van uit een observator-denkstaat.

Een cursus in wonderen mag dan ruim drie miljoen keer verkocht zijn, maar er wandelen zeer zeker geen drie miljoen cursusstudenten op de aardbol rond. Helen Schucman heeft ooit zelf gezegd dat deze cursus waarschijnlijk voor “slechts een handjevol mensen” is, dat wil zeggen: degenen die werkelijk bereid zijn om de “donkere nacht van de ziel” te ondergaan, oftewel het punt bereiken dat ze inzien en aanvaarden dat alles wat ze ooit over zichzelf en de wereld dachten een vergissing was, en Jezus steeds gelijk had. De meeste mensen die Een cursus in wonderen kopen komen er niet echt aan toe om de tekst te bestuderen, laat staan het werkelijk beoefenen van de werkboeklessen zoals Jezus dat bedoelt. In plaats daarvan lezen we liever lieflijke uitspraken, zoals: “Ik ben niet een lichaam. Ik ben vrij. Want ik blijf wat ik ben, zo schiep God mij.” (WdI.208.1); “Onderwijs louter liefde, want dat is wat jij bent.” (T6.I.13); “Door elkaar te gedenken, gedenken wij God.” (T8.IV.7:6); “Uw genade is mij gegeven. [….] Ik ben de Zoon die U liefhebt.” (WdI.168.6). Dergelijke affirmaties klinken heerlijk als je ze oppervlakkig leest, maar we missen het besef van de consequenties van Jezus’ boodschap, als we de tekst niet bestuderen en de oefeningen niet doen.

Studenten die echt doorpakken in het werkelijk willen begrijpen van Jezus’ nondualistische boodschap, doen dat veelal alleen omdat ze ergens de roep van Liefde bemerken, hoe vaag ook, temidden van het gebabbel dat het ego ons serveert om de illusie van individualiteit hoog te kunnen houden. Die studenten beginnen te beseffen dat de prijs voor autonomie en individualiteit (de afscheiding van Eenheid) neerkomt op een voortdurende staat van “onzekerheid, eenzaamheid en constante angst” (T31.VIII.7:1). Omdat de afscheiding van Eenheid onvermijdelijk gepaard gaat met een onderdrukt schuldgevoel (nu) over de oerzonde (in het verleden) en de angst voor Gods vergelding (in de toekomst), blijven we steeds op zoek naar ellende die door anderen veroorzaakt wordt, om maar tegen God te kunnen zeggen dat “ja, ik ben afgescheiden, maar dat was niet mijn schuld – het kwaad is daar, buiten mij, en ik in mijn onschuld zou toegelaten moeten worden tot de Hemel – als een individu.” De nooit aflatende strijd en worstelingen in de wereld, of het nu binnen een gezin speelt of op wereldniveau, zijn slechts verschillende vormen van ditzelfde mechanisme van ontkenning en projectie: anderen zijn slecht; ik ben onschuldig. Daarom hebben veel mensen zo’n belabberd zelfbeeld: de slechtheid die ze in anderen zien doet ze onbewust denken aan de slechtheid in henzelf (vanwege de afscheiding van Eenheid).

Pas zodra we inzien dat er een betere weg moet zijn, om nog eens de hartekreet van Bill Thetford aan Helen Schucman te herhalen, vlak voor het optekenen van de Cursus begon in 1965, gaan we werkelijk het geweldige alternatief zien dat Jezus ons biedt, en waarom we dat nog steeds weigeren te aanvaarden. Jezus beschrijft dit prachtig in Hoofdstuk 13: “Onder het donkere fundament van het ego ligt de Godsherinnering, en juist hiervoor ben je werkelijk bang. Want door deze herinnering zou jij terstond je eigen plaats hervinden, en juist deze plaats heb je proberen te verlaten. Je angst voor aanval is niets vergeleken bij je angst voor liefde. Als je niet zou geloven dat je wrede wens om de Zoon van God te doden jou van de liefde zou verlossen, zou jij bereid zijn zelfs daarnaar te kijken. Want die wens heeft de afscheiding veroorzaakt, en jij hebt die beschermd omdat je niet wilt dat de afscheiding wordt genezen. Je beseft dat door de donkere wolk weg te nemen die haar aan het oog onttrekt, jouw liefde voor je Vader jou ertoe zou aanzetten Zijn Roep te beantwoorden en met een vreugdesprong de Hemel binnen te gaan. Jij gelooft dat aanval verlossing is omdat die jou hiervan zou weerhouden. Want dieper nog dan het fundament van het ego, en veel sterker dan dat ooit zal zijn, brandt jouw intense liefde voor God, en die van Hem voor jou.” (T13.III.2) Het werkelijk aanvaarden van deze intense brandende liefde betekent letterlijk de verdwijning van het universum. Geen wonder dat we in weerstand, ontkenning en projectie blijven hangen!

In Een cursus in wonderen legt Jezus dus de kern van de waanzin van de ego-denkgeest bloot: als ik werkelijk eerlijk ben over wat mij het meest na aan het hart ligt, dan is dat het intense verlangen om collectief terug te keren naar onze staat als Gods Ene Zoon. Ons diepste afgrijzen echter is de consequentie daarvan: het uitzicht op de dood, dat wil zeggen het einde van mijn diep gekoesterde individuele persoonlijkheid. En dus ben ik elke dag bezig om aan mijzelf en anderen om mij heen te bewijzen dat verlossing betekent: met persoonlijke zaken bezig zijn, in plaats van te luisteren naar Jezus die uitlegt dat individualiteit letterlijk gelijkstaat aan de hel. Daarom merkte Bill Thetford bij het helpen van Helen bij het optekenen op dat hij typte “You and your bother” (“Jij en je gedoe”) in plaats van “You and your brother” (“Jij en je broeder”). Jezus’ boodschap is voor het ego een erg ongemakkelijk leerplan. Je kunt tientallen jaren lieflijke zinnen uit de Cursus opdreunen zonder Jezus’ boodschap te leren. Het werkelijk doen van Een cursus in wonderen betekent eerst en vooral dat we gaan inzien hoe groot onze weerstand tegen deze boodschap wel niet is, om vervolgens ons denken opnieuw te richten, en wel op het fundament van “onze intens brandende liefde voor God”, de enige werkelijke realiteit. Dus Krishnamurti’s oproep aan zijn publiek was werkelijk diepgaand: weet je zeker dat je beseft wat dit ongemakkelijke leerplan echt betekent? Ben je echt bereid om aandacht te hebben voor de betekenis van de uitspraak: “Ik ben vrij, want ik blijf wat ik ben; zo schiep God mij”…?

Ter afsluiting enkele ondubbelzinnige fragmenten uit Jezus’ ongemakkelijke leerplan: “Er moet vooral worden opgemerkt dat God slechts één Zoon heeft. Als al Zijn scheppingen Zijn Zonen zijn, moet elk een integraal deel van het gehele Zoonschap uitmaken. Het Zoonschap in zijn Eenheid overstijgt de som van zijn delen.” (T2.VII.6); “Wij zijn de schepping, wij de Zonen van God. We lijken elk apart te zijn en ons niet bewust van onze eeuwige eenheid met Hem. Maar achter al onze twijfels, voorbij al onze angsten is nog altijd zekerheid. Want liefde blijft bij al haar Gedachten, terwijl haar zekerheid de hunne is. De Godsherinnering is in onze heilige denkgeest, die zijn eenheid en verbondenheid met zijn Schepper kent.” (WdII.11.4:1-5).

— Jan-Willem van Aalst, februari 2017 (vertaling van: https://miraclesormurder.wordpress.com/2017/02/11/an-inconvenient-teaching/ )

Heel letterlijk in jou

Verreweg de meeste mensen, zeker in de westerse wereld, beschouwen God als een antropomorf wezen, bewust of onbewust. Zelfs veel Cursusstudenten vinden het moeilijk om God, de Schepper van alle Leven, niet te zien als een wezen dat hen in tijd en ruimte volgt; een Autoriteit met een Plan; een “Vader” die op z’n best ons oproept om ons weer met Hem te verenigen in de denkgeest. Psychologisch gezien klampen we ons eigenlijk alleen vast aan ons eigen zelfzuchtige leventje om alle kwaad in de wereld aan anderen te kunnen toeschrijven, om zo aan God te ‘bewijzen’ dat wij onschuldig zijn. Maar tegelijkertijd zijn we toch doodsbang dat God ons uiteindelijk zal straffen voor de ‘oerzonde’ die wij begingen door Hem af te wijzen, vlak voor de oerknal.

In hoofdstuk 18 van het tekstboek wijst Jezus ons er op dat “Jij niet eens [kunt] denken aan God zonder een lichaam, of in één of andere vorm die je denkt te herkennen.” (T18.VIII.1:7). Dit komt omdat, zoals Kenneth Wapnick vaak benadrukte, jij en ik eenvoudigweg onszelf niet kunnen voorstellen zonder lichaam. In Een cursus in wonderen treedt Jezus zijn studenten tegemoet op het niveau waar zij zich bevinden. En dus schotelt Jezus ons passages voor waarin we lezen dat God eenzaam is zonder Zijn kinderen, en daar zelfs om huilt, alsof Hij traanbuizen zou hebben waaruit Hij tranen kan storten. Dergelijke beeldspraak is louter metaforisch bedoeld, omdat onze denkgeesten nu eenmaal iets van een vorm nodig hebben om iets mee te kunnen; we zijn tenslotte allemaal “nieuwelingen op het verlossingspad” (T17.V.9).

Ongeveer tien jaar geleden waren er op de grote buitenreclame masten langs de snelweg enorme borden met maar drie woorden: “God is liefde”. In plaats van dit te interpreteren als een oproep om je aandacht terug te brengen naar God als wezen, met als doel je eigen verlossing te bespoedigen, zou het kunnen helpen om het woord “is” te vervangen door een = teken: “God = Liefde”, en dus ook “Liefde = God”. God is tenslotte volledig buiten tijd en ruimte, totaal vormloos. Het kan dus behulpzaam zijn om onvoorwaardelijke, onveranderlijke Liefde letterlijk als God te zien. En het ligt in ieders vermogen om ervoor te kiezen die onvoorwaardelijke, onveranderlijke Liefde hier in tijd en ruimte te weerspiegelen — middels vergeving, door het kiezen van het wonder, een heilig ogenblik, los van de ongeveer 60.000 ego-gedachten die normaliter op een dag door de denkgeest gaan. Probeer daarom eens om “God” als synoniem te zien voor “Liefde”, net zoals we dat al doen met een begrip als “Eenheid”.

Zo lezen we in werkboekles 41 “God vergezelt me, waar ik ook ga”: “Het is heel goed mogelijk God te bereiken. In feite is het heel makkelijk, omdat dit de allernatuurlijkste zaak ter wereld is. Je zou zelfs kunnen zeggen dat dit het enige natuurlijke ter wereld is. De weg zal zich voor jou openen als je gelooft dat het mogelijk is.” (WdI.41.8:1-4). Hoewel dit onzinnig lijkt als je aan God denkt als een wezen, wordt het heel natuurlijk als je voor het woord “God” het woord “Liefde” leest, als in onvoorwaardelijke, onveranderlijke Liefde. Die liefde kan zich weerspiegelen in jouw handelen in de wereld. Uiteraard blijft het ego verleidingen voorschotelen — en dat gebeurt vaak al na een paar seconden oefenen — maar het is iedereen gegeven om onvoorwaardelijke, onveranderlijke Liefde in ons leven te weerspiegelen. Daarom wijst Jezus ons er graag op dat “De Heilige Geest [d.w.z., de Stem namens Liefde] is in heel letterlijke zin in jou” (T5.II.3:7). Iedereen heeft het vermogen om te kiezen voor die onvoorwaardelijke, onveranderlijke Liefde, ook al doen we dat het leeuwendeel van de tijd niet. Als Liefde heel letterlijk in mij en jou zit, dan is God ook letterlijk in jou en mij (dat wil zeggen, in de denkgeest, niet letterlijk in het lichaam).

Dit geldt net zo goed voor het ego, dat wil zeggen de gedachte van aanval, afscheiding en individualiteit. Hoewel er miljarden verschillende strijdende ego’s lijken te bestaan, is het mechanisme in elk van deze schijnbaar afgescheiden ego’s precies hetzelfde: proberen zelf god te zijn (een authentieke autoriteit in tijd en ruimte) in een bedreigende wereld waartegen verdediging voortdurend nodig is. Onze dichter Willem Kloos wordt voornamelijk nog herinnerd dank zij zijn strofe “Ik ben een god in het diepst van mijn gedachten”. Dit verwoordt de ambitie van ieder schijnbaar afgescheiden ego. Helaas beschouwen velen het ego als één of andere formidabele vijand die op zichzelf denkt en handelt. Talloos zijn de mensen die hun ego bevechten in een nutteloze poging om het ego te overwinnen en uit te schakelen. Het kan moeilijk zijn om je te beseffen dat het ego niet een boosaardig wezen in zichzelf is, maar simpelweg een deel van de gespleten denkgeest waar we ooit voor kozen en nog steeds voor kiezen, omdat die keuze het voortbestaan van onze gekoesterde individualiteit bewerkstelligt. Dus net als in het geval van God zien we Jezus met regelmaat over het ego praten alsof het een los wezen is dat zelf handelt: “Ik heb over het ego gesproken alsof het een losstaand ding was dat zelfstandig opereert. Dit was nodig om jou ervan te overtuigen dat je het niet luchtig weg kunt wuiven…” (T4.VI.1:3).

Onze denkgeest is dus een slagveld. Zowel Liefde als ego bevinden zich heel letterlijk in onze denkgeest. Daarom benadrukt Jezus steeds opnieuw dat Een cursus in wonderen een leerplan is voor het trainen van de denkgeest. Pas wanneer we in staat zijn om de neutrale observator “aan te zetten” boven het slagveld (T23.V.1), kunnen we zien dat het ene deel van die gespleten denkgeest illusoir is, en het andere deel volkomen waar. God (= Liefde) is en blijft letterlijk in ons, hoe lang we ook proberen die liefde op een afstand te houden, terwijl het ego in het niets verdampt zodra we werkelijk voor Liefde kiezen. Het is geen wonder dat veel spiritualiteiten ons aanzetten om onszelf te observeren, om zo langzaamaan gewaar te worden van ons goddelijke of hogere Zelf.

Een cursus in wonderen is als spiritualiteit uniek in de wereld, in de zin dat die ons haarfijn uitlegt waarom we zoveel moeite stoppen in het niet kiezen voor liefde. En ook waar het antwoord dan wél te vinden is. Om het bekende citaat nog maar eens aan te halen: “Probeer […] niet de wereld te veranderen, maar kies ervoor je denken over de wereld te veranderen.” (T21.in.1:7). Zolang je het licht van onvoorwaardelijke, onveranderlijke Liefde buiten jezelf zoekt, hou je jezelf eigenlijk in het donker. Het Licht is heel letterlijk in jou, nu (zie bijv. WpI.188.1). Zo lezen we, wederom in hoofdstuk 18 van de tekst: “De Hemel is geen plaats, en evenmin een toestand. Het is louter een gewaarzijn van volmaakte Eenheid, en het weten dat er niets anders is; niets buiten deze Eenheid, en niets anders daarbinnen.” (T18.VI.1:5-6).

— Jan-Willem van Aalst, januari 2017 (vertaling van https://miraclesormurder.wordpress.com/2017/01/28/literally-within-you/)