Blog

Geen enkele ontmoeting is toeval

Deze blog heeft een iets ander stramien dan gewoonlijk, in die zin dat ik een soort Kenneth-achtig commentaar geef bij alinea’s van de sectie “De selectie van patiënten” in de “Psychotherapie” Aanvullingen. Niet dat ik zonodig de behoefte voel om Kenneth Wapnick te imiteren, maar zoals Gary Renard in zijn laatste, aan Kenneth opgedragen boek opmerkte: “Ik kan niet jou zijn; maar net als jij, kan ik wel bij de waarheid blijven.” De twee Aanvullingen (“Psychotherapie” en “Het Lied van het Gebed”) worden nog wel eens over het hoofd gezien. Ze waren niet in het dikke blauwe boek opgenomen tot aan de derde editie, en moesten tot dan apart worden aangeschaft. Naar mijn mening presenteert Jezus in deze aanvullingen niet alleen erg belangrijk aanvullend studiemateriaal, maar trakteert hij ons ook op een aantal van de meest ontroerende poëtische passages die de Cursus bevat, om ons te helpen die diep verlangde innerlijke vrede te kunnen vinden. De sectie die we in deze blog bespreken (P.3.I) gaat uit van de notie dat iedereen in deze wereld zowel leerling als leraar is; iedereen is zowel patiënt als therapeut; iedereen demonstreert en leert de hele tijd. Ieders gedrag weerspiegelt slechts de overtuigingen of toewijdingen (altaren) in de denkgeest, en denkgeesten zijn allemaal verbonden. We kunnen er derhalve voor kiezen om onze verlossing te herkennen in iedereen die we tegenkomen. Bovendien is geen enkele ontmoeting toeval:

Ieder die naar jou wordt gezonden, is jouw patiënt. Dit betekent niet dat jij hem uitkiest, en evenmin dat jij de soort behandeling kiest die geschikt is. Maar het betekent wel dat niemand per vergissing naar jou toe komt. Er zijn geen vergissingen in Gods plan. Het zou echter wel een vergissing zijn ervan uit te gaan dat jij weet wat jij ieder die komt te bieden hebt. Het is niet aan jou dit te beslissen. De neiging bestaat aan te nemen dat jou voortdurend wordt gevraagd zelf offers te brengen ten behoeve van degenen die komen. Dit kan allerminst waar zijn. Een offer van jezelf eisen is een offer van God eisen, en Hij heeft geen weet van offers. Wie zou Volmaaktheid kunnen vragen dat Hij onvolmaakt is?” (P-3.I.1)

Wanneer we iemand op straat tegenkomen, beschouwen we die persoon in het algemeen niet als iemand die opzettelijk naar ons toe wordt gebracht om ons een vergevingsles aan te bieden. Toch verzekert Jezus ons dat er geen toevallige ontmoetingen zijn. Iedereen die we ontmoeten biedt ons de gelegenheid om ons onbewuste schuldgevoel en onze angst ongedaan te laten maken; dat wil zeggen, zodra we er voor kiezen van de ontmoeting, hoe kortdurend ook, een heilige ontmoeting te maken. Dit is de term die de Cursus gebruikt voor het besluit om geen verschil in belangen te zien tussen jou en degene die je ontmoet. We zien er natuurlijk verschillend uit, we gedragen ons anders, we hebben verschillende waarden en normen, talenten, en ambities, maar in essentie zijn we exact hetzelfde (d.w.z, van dezelfde geest) en verlangen we ten diepste naar hetzelfde: terugkeer naar de Liefde van God. Deze eenheid in zijn en doel wordt ons uitgelegd in, bijvoorbeeld, hoofdstuk 8 van het Tekstboek: “Telkens wanneer jij iemand ontmoet, bedenk dan dat het een heilige ontmoeting is. Zoals je hem ziet, zie jij jezelf. Zoals je hem behandelt, behandel jij jezelf. Zoals je over hem denkt, denk jij over jezelf. Vergeet dit nooit, want in hem zul jij jezelf vinden of verliezen. Telkens wanneer twee Zonen van God elkaar ontmoeten, wordt hun een nieuwe kans op verlossing geboden. Ga nooit bij iemand weg zonder hem verlossing gegeven en die zelf ontvangen te hebben.” (T-8.III.4:1-7).

Wanneer ik zonder hulp probeer dit gedrag te vertonen, dat wil zeggen vanuit mijn eigen ego-kracht, dan zal de onbewuste pijn van opoffering nooit ver weg zijn, aangezien het ego-axioma altijd is: de één of de ander. Als mijn ego vriendelijkheid geeft, dan ervaar ik dat onbewust als iets dat ik weggeef wat ik liever voor mezelf zou willen houden. Daarom zegt Jezus dat ik op mezelf niet kan weten wat ik eenieder die ik tegenkom kan aanbieden. Maar ik heb een Leraar tot mijn beschikking die dat wel weet: de Heilige Geest, de ware Therapeut. Pas als ik mijn gedachten laat leiden door de Heilige Geest, door niet te veroordelen, wordt de ontmoeting een heilige ontmoeting, en zullen wij allebei (ik en degene die ik ontmoet) het beste uit de ontmoeting halen. In de Psychotherapie Aanvulling vervolgt Jezus:

“Wie beslist er dan wat elke broeder nodig heeft? Zeker niet jij die nog niet inziet wie het is die vraagt. Er is Iets in hem dat jou dat zal zeggen, mits je luistert. En dat is het antwoord: luister. Eis niets, beslis niets, offer niets. Luister. Wat je hoort is waar. Zou God jou Zijn Zoon zenden zonder er zeker van te zijn dat jij inziet wat zijn noden zijn? Bedenk eens wat God jou vertelt: Hij heeft jouw stem nodig om namens Hem te spreken. Kan er iets heiliger zijn? Of een groter geschenk aan jou? Kies je liever wie er god zou zijn dan de Stem te horen van Hem die God is in jou?” (P3.I.2)

Hoe vaak wisten jij en ik absoluut zeker wat het beste zou zijn voor een bepaald persoon om te doen, waar we vervolgens op aandrongen? Dit komt echter louter neer op het projecteren van eigen ego-pijn die we nog niet onder ogen willen zien. En hoewel de Aanvulling is geschreven in de specifieke context van een wereldse patiënt – therapeut relatie, geldt dit advies voor ons allemaal: stop met veroordelen, vanuit de overtuiging dat je de waarheid kent, en luister. “Het merendeel van het onderricht in de wereld volgt een leerplan in oordelen, erop gericht van de therapeut een beoordelaar te maken.” (P–3.II.2:4). Maar laten we ons herinneren: “Als jij op de fouten van je broeders ego wijst, moet je daar wel met het jouwe naar kijken, want de Heilige Geest neemt zijn vergissingen niet waar. […] Wanneer jij überhaupt op vergissingen reageert, luister je niet naar de Heilige Geest. […] Als je Hem [de heilige Geest] niet hoort, luister je naar je ego en ben je even onzinnig als de broeder wiens vergissingen jij waarneemt.” (T9.III.3:1;4:1-4). Het beoefenen van Jezus’ Cursus in wonderen vraagt van ons dat wij een stapje terug doen en de Stem namens Liefde ons denken laat leiden.

Vervolgens wijst Jezus ons er op dat deze uitgangspunten niet alleen gelden voor mensen die we fysiek tegenkomen, maar net zo goed voor mensen waar we aan denken: “Je patiënten hoeven niet fysiek aanwezig te zijn om jou de gelegenheid te geven hen in de Naam van God te dienen. Dit is misschien moeilijk in gedachten te houden, maar God wil niet dat Zijn gaven aan jou beperkt blijven tot de enkelingen die jij daadwerkelijk ziet. Je kunt ook anderen zien, want zien is niet beperkt tot de ogen van het lichaam. Sommigen hebben jouw fysieke aanwezigheid niet nodig. Ze hebben jou even hard, en misschien zelfs meer, nodig op het ogenblik dat ze worden gezonden. Je zult hen herkennen op elke manier die voor jullie beiden het meest behulpzaam kan zijn. Het doet er niet toe hoe ze komen. 8Ze zullen worden gezonden in elke vorm die het meest behulpzaam is: als naam, als gedachte, als beeld, als idee, of misschien alleen maar als gevoel dat je met iemand ergens contact maakt. De verbinding ligt in handen van de Heilige Geest. Ze kan alleen maar lukken.” (P3.I.3).

Dit kan inderdaad lastig zijn om steeds in gedachten te houden. Als we oprecht iemand die we tegenkomen een glimlach schenken, ervaren we een direct gevolg (afhankelijk van met welke leraar we kijken). Maar te lezen dat zelfs het liefdevol denken aan een persoon een minstens zo sterk effect kan hebben, voelt onbekend of zelfs oncomfortabel voor ons. Toch, als we ons herinneren dat denkgeesten verbonden zijn, wordt dit logisch en vanzelfsprekend. Zelfs in het geval van een fysieke ontmoeting vindt de echte verbinding – en dus genezing – plaats op het niveau van de denkgeest. Dus waarom zou fysieke afstand uitmaken? Of zelfs tijd, de vierde dimensie van ruimte? Zoals Jezus uitlegt in hoofdstuk 28 van het Tekstboek: “Verbind je niet met je broeders dromen, maar verbind je met hem [zijn denkgeest], en waar jij je met de Zoon verbindt, daar is de Vader aanwezig.” (T28.IV.10:1). Dus ook liefdevolle gedachten aan overledenen kunnen onze relatie met hen helen.

“Een heilige therapeut, een gevorderde leraar van God, vergeet één ding nooit: hij stelde het leerplan van zijn verlossing niet vast, en bepaalde evenmin zijn aandeel daarin. Hij begrijpt dat zijn aandeel noodzakelijk is voor het geheel, en dat hij door middel daarvan het geheel zal herkennen, wanneer zijn aandeel compleet is. Ondertussen dient hij te leren, en zijn patiënten zijn de middelen die hem daartoe gezonden zijn. Wat kan hij anders dan om hen en jegens hen dankbaar zijn? Ze komen en dragen God met zich mee. Zou hij deze Gave willen afslaan voor een kiezelsteen, of zou hij de deur willen sluiten voor de verlosser van de wereld om een spook binnen te laten? Laat hij de Zoon van God niet verraden. Wie er een beroep op hem doet gaat zijn begrip verre te boven. En zou hij niet blij zijn dat hij antwoorden kan, wanneer hij alleen zo de roep kan horen en begrijpen dat het de zijne is?” (P3.I.4).

Jij en ik kennen waarschijnlijk niet veel therapeuten die op deze manier denken en werken. Maar zie eens hoe simpel het is (hoewel niet noodzakelijkerwijs erg gemakkelijk) om hier een dagelijkse gewoonte van te maken! We komen tenslotte elke dag mensen tegen, en als we willen kunnen we elke dag aan honderden mensen denken. Dat betekent honderden gelegenheden om de Heilige Geest toestemming te geven je eigen denkgeest te genezen! Dit vraagt van mij dat ik mijn eigen veroordelingen gadesla, naar binnen keer, een stapje terug doe en de Heilige Geest vraag om mij vanuit Liefde te gidsen. Combineer dat met het besef dat jij en ik geen lichaam zijn, maar geesten die in Christus verbonden zijn, met de garantie dat iedereen zal terugkeren naar het Hart van God (dat we nooit hebben verlaten, maar dat zijn we vergeten), dan zou ik zeggen dat jij en ik in Jezus’ Cursus een bijzonder aantrekkelijk leerplan hebben gevonden. En mocht het volledig aanvaarden van de Verzoening ons niet in dit leven lukken, dan hebben we onszelf in elk geval een groot plezier gedaan voor ons volgend leven, waarin we de “reis zonder afstand naar een doel dat nooit is veranderd” (T8.VI.9:7) kunnen voltooien. Veel inspiratie gewenst vandaag!

— Jan-Willem van Aalst, december 2017 (vertaling van https://miraclesormurder.wordpress.com/2017/12/02/no-one-comes-to-you-by-mistake/)

Angst as les

Nederland en de hele wereld lijken dit jaar behoorlijk in de ban van het Covid-19 virus. Na een relatief rustige zomer, met weinig besmettingen, lopen de emoties in de maatschappelijke discussie hierover weer hoog op, wat de tegenstellingen in de samenleving alleen maar lijkt te verscherpen. Die emoties gaan niet alleen over het virus zelf, maar ook over de strategie die de regering kiest om de crisis het hoofd te bieden, en de mogelijke gevolgen van die strategie. De één vindt dat de regering niet ver genoeg gaat, de ander vindt dat de regering de bevolking doelbewust angstig houdt vanuit hun vermeende belangenverstrengeling met de farmaceutische industrie. In beide gevallen zijn er grote zorgen over de economische en humanitaire gevolgen waar het land mee te maken gaat krijgen, waardoor het middel (de kabinetsstrategie) misschien wel erger is dan de kwaal (het virus). Het land verkeert kortom in een golf van onzekerheid en angst die sinds de tweede wereldoorlog zijn weerga niet kent.

Het is niet de bedoeling van dit blog om daar een standpunt over te ventileren. Het is overduidelijk dat corona een erg nare ziekte is, met voor mensen met een verminderde afweer dito symptomen. Tegelijkertijd blijft het aantal overledenen ver achter bij de horrorscenario’s die zijn gepresenteerd (nog steeds minder dan 0,1% van de bevolking), waarbij bovendien opvalt dat we dit jaar in plaats van de gebruikelijke 5000 griepdoden ineens nog maar 500 griepdoden lijken te hebben. Nederland kent elke dag zo’n 200 doden door de top-ziektes zoals hart- en vaatziekten, longkanker, hartfalen, dementie, beroertes en dergelijke. Overlijdens door corona dragen daar nu voor een klein deel aan bij, terwijl dus niet eens duidelijk is of daar wellicht ook de vermiste griepdoden bij zitten. Maar het schrikbeeld dat corona het – zeer pijnlijke – einde van je leven kan betekenen, zit inmiddels bij een groot deel van de bevolking tussen de oren, en de maatschappelijke ontwrichting lijkt daarmee door te zetten.

Vanuit Een cursus in wonderen bezien maakt dit alles onderdeel uit van dezelfde ‘waakdroom’, die volledig illusoir is. De Cursus stelt dat jij en ik geen lichaam zijn, maar puur geest, en dat niets in de wereld van tijd en ruimte ook maar de geringste verandering teweeg kan brengen in onze Identiteit als de Ene Zoon van God. Er is volgens de Cursus, kortom, wat ons ware leven betreft geen enkele reden om enige angst te hebben; niet in het verleden, nu niet en nooit niet. Als geest is iedereen per definitie veilig. Maar hoewel dat misschien inspirerende en geruststellende woorden lijken te zijn, identificeert elke Cursusstudent zich nog steeds innig met het kleine afgescheiden ego, waarmee we onze identiteit toch onbewust nog gelijkstellen aan ons lichaam, in elk geval een groot deel van de dag. We vertellen onszelf wel: “Ik ben niet een lichaam. Ik ben vrij. Want ik blijf zoals ik ben, zo schiep God mij” (Wd1.201-220), maar tegelijkertijd zien we nog steeds ons lichaam verouderen en aftakelen, en proberen we de dood zo lang mogelijk te vermijden.

Jezus legt in zijn Cursus uit dat wij, als de Ene Zoon van God, dit alles zelf hebben verzonnen om een plek te hebben waarin we onszelf als autonoom individu kunnen ervaren en tegelijkertijd kunnen schuilen voor de ingebeelde wraakzuchtige woede van God, die helemaal niet bestaat. In het tekstboek vraagt Jezus ons: “Bevalt jou wat je hebt gemaakt? Een wereld van moord en aanval, waardoorheen jij je schuchter een weg baant door constante gevaren, alleen en angstig, hopend dat de dood in het beste geval nog een poosje wachten zal alvorens hij jou overvalt en jij verdwijnt. Jij hebt dit verzonnen. Het is een beeld van wat jij denkt dat je bent, van hoe jij jezelf ziet. […] Dit alles zijn slechts de angstige gedachten van diegenen die zichzelf willen aanpassen aan een wereld die door hun aanpassingen angstaanjagend is gemaakt” (T20.III.4:2-6). Alles in de wereld is een droom en weerspiegelt het idee van afscheiding, aanval en dood dat het ego is.

Al vroeg in zijn Cursus wijst Jezus ons erop dat hij niet van ons eist dat we de droomwereld in tijd en ruimte ontkennen; dat zou een “bijzonder onwaardige vorm van ontkenning” zijn (T-2.IV.3:11). Zolang wij er onbewust nog van overtuigd zijn dat ons lichaam onze identiteit is (en dat is zo bij iedereen die hier nog elke ochtend in een lichaam wakker wordt), is het aan te raden goed voor dat lichaam te zorgen. Jezus is zelfs niet tegen het gebruik van medicijnen om de angst in de denkgeest over het lichaam wat te verzachten (T-2.IV.4). Sterker, het lichaam kan liefdevol worden benut door de Heilige Geest, de Stem namens Liefde, om Jezus’ boodschap hier in de wereld te manifesteren, als wij daarvoor kiezen. Zoals we al in het vorig blog lazen: “Jij bent mijn stem, mijn ogen, mijn voeten, mijn handen, waarmee ik de wereld verlos” (WdI.hV.in.9:2-3). We kunnen ons lichaam dus liefdevol inzetten.

Door mijn gedachtegang onder leiding van de Heilige Geest te plaatsen (d.w.z., de aandacht te richten op liefdevolle intuïtie), wordt alles in de wereld van deze ‘waakdroom’ een les in liefde. Aangezien er in werkelijkheid helemaal geen wereld buiten mij is en dus ook geen anderen buiten mij (en ook geen virussen), is alles wat ik waarneem en interpreteer een spiegel van hoe ik mezelf interpreteer: als zoon van het ego in een beangstigende wereld, of als Zoon van God in een droom waarin we allemaal dezelfde Lichtbron delen met elkaar, die onze essentie is als Christus, de Ene Zoon van God. Door ervoor te kiezen mijn interpretatie van alles wat ik buiten mijzelf waarneem te laten leiden door de Heilige Geest, leer ik stukje bij beetje ook mezelf in dat Licht te bezien, en uiteindelijk de Verzoening te aanvaarden.

Vanuit Cursusperspectief is dus het allerbeste wat we kunnen doen in deze tijd van maatschappelijke angst het kalm en onbevooroordeeld kijken naar onze eigen interpretatie van wat we om ons heen waarnemen. En du moment dat er toch een oordeel in onze gedachten verschijnt, kunnen we daar direct liefdevol het ego voor bedanken en de veroordeling overgeven aan de Heilige Geest, in plaats van er in weg te glijden of ons er schuldig over te voelen, wat bij veel Cursusstudenten voorkomt. Schuldgevoel houdt het ego in stand, en daarmee onze angst voor een vreselijk einde van ons fragiele leven. Het einde van schuld betekent het einde van angst en uiteindelijk het einde van de droom.

Kies ervoor een baken van vrede te zijn. Zet je niet af tegen welke wereldse mening over dit virus dan ook. Weet dat een droom een droom blijft, en laat je reacties binnen de droom leiden door de Heilige Geest, de Stem namens Liefde, door in je ratio een stapje terug te doen en je liefdevolle intuïtie te volgen. Dat betekent allerminst dat je onverschillig wordt jegens de samenleving – integendeel, je kunt dagelijks zeer betrokken zijn bij het helpen van mensen. Wat de vorm ook moge zijn, je biedt iedereen die je tegenkomt het mooiste cadeau dat er is: aanvaarding van de ander (en dus van jezelf) als de schuldeloze Zoon van God die voor eeuwig veilig is. En zo is alle angst te zien als een les in liefde.

— Jan-Willem van Aalst, september 2020

Lees ook Willems gedicht over onze dagelijkse focus in tijden van corona.

Zijn we verschillend of hetzelfde?

Vanaf het moment dat we in deze wereld geboren worden, leren we om verschillen waar te nemen. Geen twee mensen zijn identiek; zelfs eeneiige tweelingen niet. We leren bovendien waarde toe te kennen aan verschillen: we bewonderen artiesten met speciale talenten, en we streven ernaar onze eigen unieke persoonlijkheid en talenten te ontwikkelen, zodat we op onze eigen unieke manier een verschil in de wereld kunnen maken. Aan de andere kant worden verschillen ook vaak als bedreigend ervaren. Mensen met andere geloofsovertuigingen kunnen ons aanvallen omdat wij iets anders geloven – we noemen ze in het algemeen terroristen – en karakterverschillen tussen echtgenoten zorgen ervoor dat meer dan 40% van de huwelijken in een echtscheiding eindigt. Desalniettemin beamen we allemaal dat alles en iedereen in de wereld van elkaar verschilt, een waarheid die we niet kunnen ontkennen.

En dan komt Jezus langs met zijn Cursus in wonderen, om ons te vertellen dat onze perceptie (d.w.z., interpretatie) van verschillen louter afleidingen zijn door het ego, om ons geworteld te houden in de denkbeeldige droomwereld van tijd en ruimte. Als schijnbaar afgescheiden wezens, geïdentificeerd met het ego, houden we ervan om verschillen op te merken omdat dat ‘bewijst’ dat wij anders zijn dan alles om ons heen; we kunnen, kortom, blijven geloven dat het afgescheiden individu, autonoom en los van God, daadwerkelijk bestaat. Helaas leidt die focus nooit tot blijvende innerlijke vrede, laat staan tot vrede in de wereld. Onder het dunne laagje zelfgenoegzaamheid voelt iedereen zich “onzeker, eenzaam, en in voortdurende angst” (T31.VIII.7:1), terwijl we ieder jaar onze dood dichterbij zien komen. Dit aanvaarden we als een gegeven, waar iedereen maar zo goed mogelijk mee moet leren omgaan.

“Als dat de werkelijke wereld was, zou God ook wreed zijn”, verklaart Jezus in (T13.in.3:1). Hij legt uit dat het doel van zijn leerplan, namelijk het bereiken van blijvende innerlijke vrede, voor iedereen haalbaar is. Dit doel bereiken we door het opgeven van de interpretatie van verschillen, wat direct leidt tot het loslaten van veroordeling: de kern van wat ware vergeving betekent in Een cursus in wonderen. Jezus vraagt ons eigenlijk om de ‘realiteit’ van verschillen te heroverwegen; niet qua vorm, maar qua inhoud. Bekeken vanuit vorm verschilt uiteraard alles van elkaar. Maar: “Waar komen al deze verschillen vandaan? Ze lijken stellig in de buitenwereld te zijn. Maar het is beslist de denkgeest die oordeelt over wat de ogen zien. Het is de denkgeest die de boodschappen van de ogen interpreteert en er ‘betekenis’ aan geeft. En deze betekenis bestaat in de buitenwereld helemaal niet. Wat als ‘werkelijkheid’ wordt gezien, is simpelweg dat waaraan de denkgeest de voorkeur geeft. […] Alleen de denkgeest […] beslist of wat gezien wordt werkelijk is of illusoir, wenselijk of onwenselijk, aangenaam of pijnlijk.” (H8.3).

Het volledig doorgronden van het belang van het verschil tussen vorm en inhoud is cruciaal, willen we Jezus’ leerplan voltooien en blijvende innerlijke vrede bereiken. Wat als we in iedereen, los van alle verschillen in uiterlijke vormen die onze zintuigen altijd waarnemen, dezelfde geest (inhoud) zouden waarnemen in iedereen? Afwijzing zou ondenkbaar worden. “Alleen zij die verschillen kunnen aanvallen. Zo kom jij tot de conclusie dat, omdat je kunt aanvallen, jij en je broeder verschillend moeten zijn.” (T22.VI.13:1-2). We veroordelen elkaar alleen maar omdat we sommige waargenomen aspecten (vormen, fysiek of psychisch) in anderen als bedreigend interpreteren: denk bijvoorbeeld aan de ‘autoritaire manager’ op het werk. Maar stel dat ik mezelf zou aanleren om voorbij de vorm te kijken naar de inherente gelijkheid van ieder van ons als de ene Zoon van God? Jezus vervolgt: “…De Heilige Geest legt dit echter anders uit. Omdat jij en je broeder niet verschillend zijn, kun je niet aanvallen. […] De enige vraag die beantwoord moet worden om te kunnen besluiten welke [gedachtegang] waar is, is óf jij en je broeder wel verschillend zijn” (T22.VI.13:3-6).

Jezus vraagt niet van ons dat wij onze ervaringen van verschillen (in vorm) in de wereld gaan ontkennen, noch te ontkennen dat wij onze interpretatie van dergelijke verschillen zien als rechtvaardiging om ons bedreigd te voelen (en dus te mogen aanvallen). Maar hij verzekert ons dat telkens wanneer het ons lukt om voor ware vergeving te kiezen, waarmee we dus voorbij de oppervlakkige verschillen willen kijken, wij de ervaring van eenheid en innerlijke vrede uitnodigen die wij allemaal zo verlangen. Het doel van Een cursus in wonderen is om dit jouw alledaagse realiteit te laten worden. Dit bereik je door al je relaties met anderen fundamenteel anders te gaan bezien. Alle relaties, zonder uitzondering. De sleutel is je keuze om de ‘onheilige relatie’ (gebaseerd op de interpretatie van verschillen) om te willen buigen naar een ‘heilige relatie’, gebaseerd op de waarneming van inherente gelijkheid. Jezus noemt dat visie. Daarom vraagt hij ons aan het einde van elk kalenderjaar: “Maak dit jaar anders door het allemaal hetzelfde te maken. En laat al je relaties voor jou heilig worden gemaakt. Dit is onze wil. Amen” (T15.XI.10:11-14).

Merk het subtiele maar cruciale onderscheid op in “laat al je relaties voor jou heilig worden gemaakt“. Deze ombuiging kunnen we niet louter alleen op onze eigen ego-kracht bewerkstelligen. We zullen de bereidheid (motivatie) moeten vinden om een stapje terug te doen en onze denkgeest te laten leiden door een betere leraar: de Heilige Geest. Dit houdt in dat je bereid bent om je aandacht op je innerlijk te richten en daar geen gebrek te zien. De Heilige Geest, die hiermee is uitgenodigd, “…wil die [compleetheid] uitbreiden door zich met een ander te verbinden, die heel is zoals hij. […] Bedenk eens wat een heilige relatie kan onderwijzen! Hier wordt de overtuiging ongedaan gemaakt dat er verschillen zijn. Hier wordt het geloof in verschillen omgezet in geloof in gelijkheid. En hier wordt het zien van verschillen tot visie getransformeerd. Nu kan de rede jou en je broeder voeren tot de logische conclusie van jullie verbondenheid” (T22.in.3:3-4:5).

Nogmaals, deze gelijkheid en eenheid zijn beslist niet het geval op het fysieke niveau van materiële vormen; maar jij en ik zijn geen lichaam – wij zijn geest. Eén van de unieke kenmerken van Een cursus in wonderen is dat Jezus ons nooit vraagt onze wereldse (lichamelijke) ervaringen te ontkennen. Hij legt uit: “Het lichaam werd niet door liefde gemaakt. Toch veroordeelt de liefde het niet en kan ze het liefdevol gebruiken, omdat ze respect heeft voor wat de Zoon van God heeft gemaakt en dit aanwendt om hem van illusies te verlossen” (T18.VI.4:7-8). Sterker nog, Jezus moedigt ons aan om ons lichaam te benutten om zijn visie van gelijkheid te delen met iedereen die we tegenkomen: “Want dit alleen heb ik nodig: dat jij de woorden zult horen die ik spreek en ze aan de wereld geeft. Jij bent mijn stem, mijn ogen, mijn voeten, mijn handen, waarmee ik de wereld verlos” (WdI.hV.in.9:2-3).

Kortom, het aanvaarden dat de schijnbare verschillen in lichamen er niet toe doen, betekent niet dat we het lichaam of de wereld moeten afwijzen. Jezus zegt zelfs dat het koppig ontkennen van onze ervaringen in deze wereld “een bijzonder onwaardige vorm van ontkenning” is. (T2.IV.3:11). Net als Boeddha spoort Jezus ons aan om in deze wereld een spiritueel middenpad te bewandelen waarin we een normaal leven leiden, maar met het innerlijk gericht op de Heilige Geest, als de enige juiste Gids in ons leven; alleen met die Gids kunnen we onze keuze bestendigen om gelijkheid te blijven zien. Alleen door mij op die manier in de denkgeest met alle anderen te verbinden, sta ik de Heilige Geest toe om de oorspronkelijke vergissing van de afscheiding van Eenheid (God, Liefde) ongedaan te laten maken. Mijn speciale onheilige relaties worden nu heilige relaties, en ik ben genezen.

Dit betekent overigens niet dat men nooit een einde aan een relatie zou mogen maken omdat dat de vergissing zou betekenen van het zich richten op verschillen in vorm in plaats van op de gelijkheid qua inhoud. In ons spirituele leerplan zijn niet alle relaties bedoeld om een leven lang te duren. Geef het besluit om een relatie wel of niet te beëindigen over aan de Heilige Geest. Het is best mogelijk dat een vredige beëindiging van een relatie uiteindelijk het meest liefdevolle besluit voor iedereen kan zijn. Zelfs als je precies hetzelfde liefdevolle licht in iedereen ziet, kan de vorm van je relaties sterk verschillen en veranderen. Dat is prima. Zoals Kenneth Wapnick hieromtrent benadrukte: “Het verschil tussen een speciale en een heilige relatie ligt simpelweg in perceptie (interpretatie): door wiens ogen bezien we de relatie: die van het ego of die van de Heilige Geest?” Deze keuze, “tussen twee keuzen of twee stemmen”, is de enige vrijheid die wij feitelijk hebben zolang we ons nog in de illusoire droomwereld wanen. Geef aandacht aan het trainen van de keuzemaker in je denkgeest. En maak het komende jaar anders door het allemaal hetzelfde te maken.

— Jan-Willem van Aalst, november 2017 (vertaling van https://miraclesormurder.wordpress.com/2017/11/25/from-differences-to-sameness/)

Beter omgaan met boosheid

In deze wereld ontkomt niemand aan boosheid, in elk geval niet altijd en overal. Als jij meent dat jij de boosheid voorbij bent, probeer dan bijvoorbeeld eens een Ayahuasca ritueel of een gerichte psychotherapie, om de boosheid te ervaren die zich onder de waterspiegel bevindt van de ijsberg die je denkgeest is. In de zestiger en zeventiger jaren waren therapieën zoals Janos’ Oerschreeuwtherapie, waarin je je woede zo intens mogelijk naar buiten brengt, erg populair. Dat we daar nu veel minder over horen illustreert het feit dat het uiten van woede niets doet met de onderliggende oorzaak. Niets wordt opgelost, en de woede komt vroeger of later weer naar buiten. Er moet een betere manier zijn om met boosheid om te gaan.

In Een cursus in wonderen is het effectief omgaan met boosheid (of, beter gezegd: de oorzaak van boosheid) een belangrijk thema, zoals we lezen in de “Psychotherapie” aanvulling: “Haar [d.w.z.: Psychotherapie] hele functie is de patiënt te helpen één fundamentele dwaling aan te pakken: de overtuiging dat woede hem iets brengt wat hij werkelijk wil, en dat door een aanval te rechtvaardigen hij zichzelf beschermt.” (P2.In.1:5). Aanval volgt uit woede, wat weer voortkomt uit veroordeling. De Cursus onderwijst ons dat veroordeling gelijkstaat aan ‘niet-vergeving’. “Want psychotherapie, mits juist begrepen, onderwijst vergeving en helpt de patiënt deze te herkennen en aanvaarden.” (P1.In.2:6). Dus Jezus vindt dat het omgaan met boosheid een cruciaal onderdeel is van zijn leerplan voor blijvende innerlijke vrede, en dit leren we door het beoefenen van vergeving.

Maar waar gaat onze boosheid eigenlijk over? Waarom blijven we toch steeds maar veroordelen, terwijl we net zo makkelijk voor innerlijke vrede zouden kunnen kiezen? We blijven met z’n allen bijvoorbeeld maar klagen over het weer, terwijl we heel goed weten wat we daar geen enkele invloed op hebben. Ook blijven veel mensen steeds maar klagen over anderen – hun collega’s, manager, ouders, noem maar op – terwijl ze best weten dat al dat geklaag beslist geen gedragsverandering teweeg gaat brengen in de ander. Dus waarom blijven we dat doen? Zoals wel vaker vermeld in deze blogs, houden we ervan om te kunnen vingerwijzen naar mensen en situaties om ons heen, zodat we kunnen bewijzen dat ‘het kwaad’ zich buiten ons bevindt, en niet in onszelf. We projecteren daarmee ons onbewuste schuldgevoel weg over de ‘slechtheid’ van onze (schijnbare) afscheiding van God. Dankzij dit vingerwijzen zal al het kwaad ‘buiten mij’ gestraft worden, terwijl ik zal worden toegelaten tot de Hemel.

Hoewel dit alles vanuit het oogpunt van Een cursus in wonderen volstrekt illusoir is, omdat tijd en ruimte zelf denkbeeldig zijn, zijn we er niettemin nog steeds rotsvast van overtuigd dat de afscheiding van God werkelijk heeft plaatsgevonden; immers, alles wat onze ogen, oren, neus, tong en aanrakingen bemerken getuigt hiervan. Nogmaals, aangezien wij het schuldgevoel hierover te verschrikkelijk vinden om onder ogen te zien, projecteren we deze ‘kardinale zonde van afscheiding’ weg, zelfs terug naar God zelf: “Je was in vrede tot je om een speciale gunst hebt gevraagd [d.w.z., erkend te worden als autonoom individu; de afscheiding van eenheid]. En God heeft die niet verleend, want het verzoek was Hem wezensvreemd, en je kon zoiets niet vragen van een Vader die Zijn Zoon waarlijk liefheeft. Daarom heb jij van Hem een liefdeloze vader gemaakt, en van Hem geëist wat alleen een dergelijke vader geven kon.” (T13-III.10:2-4).

Met andere woorden, al onze boosheid, of dat nu het weer betreft, onze leidinggevende, of ons eigen aftakelende lichaam, is uiteindelijk slechts een flauwe weerspiegeling van onze boosheid jegens God, Die ‘weigert’ ons te op te merken als belangrijk, speciaal, autonoom individueel wezen. Talloze generaties hebben onophoudelijk tot God gebeden om ze in deze wereld te helpen met van alles en nog wat, en wat zien we: God antwoordt niet, omdat vanuit de Hemel gezien er hier niets te ‘fixen’ valt, omdat er geen wereld is. Onze conclusie: God wijst ons af! Dat we elke dag moeten ondervinden dat onze poging om God als ultieme Schepper van de troon te stoten heeft gefaald (dingen lopen immers altijd anders, en het lichaam takelt af en sterft), maakt onze woede alleen maar groter. We schreeuwen voortdurend: “Zo wil ik het hebben!”, maar we ervaren voortdurend conflicten, omdat iedereen nu eenmaal iets anders wil en wij elkaar door veroordeling en aanval alleen maar schade berokkenen. Jezus licht toe: “Je broeder is je ‘vijand’, omdat jij in hem de rivaal voor jouw vrede ziet, een plunderaar die zijn vreugde van jou rooft en jou met niets anders achterlaat dan een donkere wanhoop, zo bitter en meedogenloos dat er geen hoop overblijft. Nu is wraak het enige wat er nog te wensen valt.” (WdI.195.3:1). Zo rechtvaardigen wij onze boosheid, waarbij ‘boosheid’ alles inhoudt van “een lichte ergernis tot intense woede” (Wd1.21.2:5).

In Een cursus in wonderen onderwijst Jezus ons dat het “…wellicht nuttig is te onthouden dat niemand kwaad kan worden op een feit.” (H17.4:1). Woede ontstaat altijd door mijn interpretatie van een situatie of persoon. Derhalve concludeert Jezus: “Als woede voortkomt uit een interpretatie en niet uit een feit, is die nooit gerechtvaardigd. Zodra dit begrepen wordt – al is het maar vaag –, dan staat de weg open. Nu is het mogelijk de volgende stap te zetten. Eindelijk kan de interpretatie gewijzigd worden.” (H17.8:6-9). Ah, dus daarom instrueert Jezus mij om mijn denkgeest te trainen om zich steeds iets sneller te realiseren dat “Ik nooit onvrede voel om de reden die ik denk” (Wd1.5). Ik dacht altijd dat ik boos werd op wat mijn zintuigen mij voorschotelen, en wat ik beslist als de waarheid beschouw; maar nu kan ik zien dat ik boos word vanwege mijn interpretatie van iemand of iets, wat sowieso niets met de werkelijkheid van doen heeft. “Er is geen wereld!” (Wd1.132.6:2) Mijn boosheid gaat dus uiteindelijk over mijn onbewuste projectie van mijn schuld op God (Die hier helemaal niets van weet, buiten tijd en ruimte). Daarom is het zo belangrijk dat ik leer mezelf te vergeven voor de duisternis in mijn eigen denkgeest.

Dat gezegd hebbende, zouden jij en ik niet moeten denken dat we hoger op de ‘ladder van vergeving’ zijn dan waar we feitelijk staan. Dit principe van vergeving intellectueel vatten betekent beslist niet dat we nooit meer boos zullen worden. Integendeel, dit inzicht zorgt er juist voor dat onze ‘heksenketel’ van onderdrukte woede alleen maar duidelijker in beeld komt. De Heilige Geest gebruikt onze dagelijkse situaties als lesruimte om ons gelegenheden te bieden deze duisternis stukje bij beetje ongedaan te laten maken. Maar het helpt niet om onszelf te vertellen dat onze woede niets voorstelt “omdat er in werkelijkheid geen wereld is”. Dat maakt de woede niet ongedaan. Het is veel beter om de woede volledig in het gewaarzijn toe te laten, maar dan als observator (of keuzemaker) boven het slagveld (T23.IV). Als je als observator de woede heel goed in je lijf kunt voelen, maar het niet uit te leven, en in plaats daarvan te vragen: “Gaat dit mij helpen? Wat als ik hier anders mee zou omgaan?”, dan zul je merken dat de golf van woede langzaam wegebt. De keuzemaker heeft voor de Heilige Geest gekozen, Die met vreugde Zijn licht doet schijnen op je duisternis, en die duisternis daarmee vervangt met de vrede van God.

Een laatste wenk over dit bedrieglijk eenvoudige proces: het werkt pas echt goed als je zonder boosheid het metafysische principe kunt aanvaarden dat de Zoon van God (d.w.z. al het leven) één is, en dat individualiteit nooit tot blijvende innerlijke vrede zal leiden – niet nu, en nooit niet. Zeker in het begin van mijn oefeningen ben ik best bereid om naar de Stem van de Heilige Geest te luisteren, maar alleen op voorwaarde dat ik mijn eigen kleine zelfje mag behouden. Dat is de reden dat de meeste psychotherapieën uiteindelijk niet werken, zoals we in de Psychotherapie-aanvulling lezen: “Hun [d.w.z., de patiënten] oogmerk is hun zelfbeeld precies zo te kunnen handhaven als het is, maar zonder het lijden dat dit met zich meebrengt. Hun hele evenwicht berust op de krankzinnige overtuiging dat dit mogelijk is.” (P2.In.2:3-4). Dat is de reden dat Jezus ons onderwijst dat gedurende dit proces van het onder de knie krijgen van totale vergeving, wij door een “donkere nacht van de ziel” zullen gaan, waarin wij ons realiseren dat verlossing is gelegen in het inzicht dat autonome individualiteit een aanval op de Hemel is. Verlossing vraagt van ons dat wij loslaten wat wij als onze individuele kern beschouwen. Maar zelfs dat gezegd hebbende, is het altijd voldoende om ons vertrouwen te stellen in Jezus / de Heilige Geest, die ons naar blijvende innerlijke vrede zullen leiden, naar de werkelijke wereld, in het tempo dat wij bereid zijn te aanvaarden. Voel je dus beslist niet schuldig zodra je merkt dat je weer boos wordt, maar probeer wel om dit als keuzemaker zo snel als mogelijk over te geven aan je Innerlijke Leraar.

— Jan-Willem van Aalst, november 2017 (vertaling van https://miraclesormurder.wordpress.com/2017/11/18/angry-deal-with-it/)

We nemen waar wat we wensen

Wij zijn allemaal grootgebracht met het idee dat degenen die op deze planeet de beste kansen hebben om te overleven, degenen zijn die zich het beste aanpassen aan de omgeving waarin ze leven. Ons is geleerd om de mensen, plaatsen en situaties om ons heen goed te beoordelen, en er dan zó op te reageren dat dit ons welzijn en onze effectiviteit in dit leven helpt. We kijken om ons heen; we geven betekenis aan wat onze zintuigen waarnemen, en reageren daar vervolgens op. Deze wereld is duidelijk een stimulus-respons omgeving waar wij ons zo goed mogelijk aan proberen aan te passen.

Hoe ontstellend is het dan om in Een cursus in wonderen te lezen dat dat een volstrekt omgekeerde uitleg van de werkelijkheid is! De nondualistische metafysica van Een cursus in wonderen, waar overigens veel elementen uit de kwantumfysica in zitten, vertelt ons dat wij geen effect zijn van de wereld waarin we lijken te leven: wij hebben die gemaakt, de gehele notie van tijd en ruimte incluis. Het is duizelingwekkend om te lezen dat de collectieve denkgeest die we allemaal delen (een beetje zoals de collectieve beweging van een zwerm vogels), de hele kosmos in tijd en ruimte heeft bedacht, waarin die zich versplintert in miljarden stukjes materie en “leven”, zonder herinnering aan de oorzaak ervan, alleen maar om zich te kunnen verstoppen voor de wraakzuchtige Schepper die boos op Zijn Zoon is vanwege de ongehoorde afscheiding van Eenheid. Maar dat is precies wat Jezus ons probeert duidelijk te maken in zijn Cursus: onze zintuigen tonen ons niet de werkelijkheid; wij hebben zintuigen gemaakt om de werkelijkheid van de Eenheid buiten tijd en ruimte uit ons geheugen te bannen, om in een dualistische droom onszelf als autonoom individu te kunnen ervaren.

In het werkboek vertelt Jezus ons: “Het doel van al het zien is jou te tonen wat jij wenst te zien. Al het horen brengt jouw denkgeest slechts de geluiden die hij horen wil. Zo werden specifieke vormen gemaakt.” (WdI.161.2:5-3:1). En uit het tekstboek: “Je ziet wat je verwacht, en je verwacht wat je uitnodigt. Je waarneming is het resultaat van je uitnodiging, en komt naar je toe zoals je haar hebt besteld.” (T12.VII.5:1-2). Vandaar Jezus’ algemene stelregel, die we op allerlei plekken in de Cursus teruglezen: projectie maakt perceptie (T13.V.3:5; T-21.in.1:1). De schijnbaar slapende ene Zoon van God projecteerde zijn schuldgevoel over de schijnbare zonde van afscheiding weg; de schuld wordt nu gezien in de miljarden fragmentjes, met het overgebleven waargenomen zelf als onschuldig slachtoffer in een onberekenbare wereld. Toch blijven zowel schuld als onschuld in alle denkgeesten, want ideeën verlaten niet hun bron (T26.VII.4:7). We hebben lichamen in allerlei vormen buiten onszelf verzonnen zodat we alle schuld buiten onszelf kunnen zien. En we zijn voortdurend op onze hoede, angstig dat die vormen ons vroeg of laat zullen aanvallen en vermoorden.

Daarom, zo legt Jezus uit, is alles en iedereen die we waarnemen, onszelf incluis, slechts een vorm van niet-vergeving: “Het is zeker zo dat alle ellende er niet slechts als niet-vergeven uitziet. Maar dat is de inhoud achter de vorm.” (WdI.193.4:1-2). Omdat we rotsvast geloven dat wat onze ogen en oren zien en horen klopt, vragen we ons nooit af of onze waarneming misschien wel een foutieve interpretatie zou kunnen zijn: “Van één ding was je zeker: van al de vele oorzaken die jij zag als brengers van pijn en lijden voor jou, was jouw schuld er niet een van. En evenmin heb jij er op enige wijze voor jezelf om verzocht. Zo ontstonden alle illusies. Degene die ze maakt ziet zichzelf niet als hun maker, en hun realiteit berust niet op hem. Welke oorzaak ze ook hebben staat volkomen los van hem, en wat hij ziet is gescheiden van zijn denkgeest. Hij kan de werkelijkheid van zijn dromen niet in twijfel trekken, omdat hij niet ziet welk aandeel hij erin heeft ze te produceren en een schijn van werkelijkheid te verlenen.” (T-27.VII.7:4-9)

Samenvattend tot zover: Een cursus in wonderen, een strikt non-dualistisch spiritueel leerplan, onderwijst ons dat wij niet eerst waarnemen en dan reageren: we kiezen eerst wat we (onbewust) wensen, en vervolgens nemen we dat waar. Onze oorspronkelijke wens was om los van God (Eenheid) te bestaan, en om de schuld daarover die we niet onder ogen willen zien kwijt te raken, verzonnen we een hele verzameling (levens)vormen waar we alle schuld in zien, buiten onszelf. Dat is de inhoud achter alle vorm. Onze zintuigen nemen die vormen waar en bevestigen dat alle zonde en schuld zich inderdaad buiten onszelf bevindt. Dit proces van voortdurend waarnemen leidt de denkgeest zo af dat we ons nooit afvragen of onze waarneming en interpretatie eigenlijk wel zijn te vertrouwen. En zo strompelen we voort in deze wereld als bannelingen in een vreemd oord, “onzeker, eenzaam, en in voortdurende angst” (T31.VIII.7:1).

Je zou hier tegenover kunnen stellen dat dit alles misschien klopt vanuit de metafysica gezien, maar dat dat voor ons leven hier weinig praktische waarde heeft. Zolang wij onszelf nog ervaren in de tijd en de ruimte, hoe kan dit inzicht nu allen helpen die “…nog steeds de uren tellen aan de hand waarvan ze opstaan, werken en gaan slapen?” (WdI.169.10:4) Welk praktisch nut heeft abstracte nondualiteit eigenlijk zolang we ons nog steeds moeten bekommeren om het betalen van de rekeningen en de belastingen, en een klein beetje orde en structuur te houden in de uren, dagen en jaren van ons leven? Dit brengt ons bij de kern van Jezus’ boodschap in Een cursus in wonderen: ‘Misschien geloof je nog niet ten diepste dat de wereld in werkelijkheid niet bestaat, maar je kunt wel inzien dat je een gespleten denkgeest hebt die op elk moment kiest tussen veroordeling (de stem van het ego) en vrede (de stem van de Heilige Geest, ofwel ware intuïtie).’

“Wiens manifestaties wil je zien? Van wiens tegenwoordigheid wil je overtuigd worden? Want je zult geloven in wat je manifesteert, en zoals je naar buiten kijkt zo zul je naar binnen zien. […] Het ego vindt wat het zoekt, en niets meer dan dat. Het vindt geen liefde, want dat is niet wat het zoekt. Maar zoeken en vinden zijn hetzelfde, en als je twee doelen zoekt, zul je die vinden, maar geen van beide herkennen. Bedenk steeds dat jij ziet wat je zoekt, want wat je zoekt, zul je vinden.” (T12.VII.5:3-6:3). Met andere woorden: hoewel we gewoonlijk vooral zonde en schuld om ons heen waarnemen, omdat we de wereld daarvoor hebben gemaakt, heeft de keuzemaker in onze denkgeest de mogelijkheid om een andere Gids voor het denken te kiezen: de Heilige Geest, de Stem namens Liefde. Dit is een cruciale keuze, willen we ooit onze ellende achter ons kunnen laten: waar we voorheen naar afscheiding en autonomie zochten, kiezen we er nu voor om gelijkheid en eenheid waar te nemen. Niet qua vorm, maar qua inhoud. En Jezus legt ons geduldig uit dat de eerste manier van kijken louter leidt tot lijden, terwijl de tweede manier altijd tot innerlijke vrede leidt.

“Wie vergezelt mij?’ Deze vraag moet duizend keer per dag worden gesteld, tot zekerheid een eind aan twijfel heeft gemaakt en vrede tot stand heeft gebracht.” (WdI.156.8:1-2). Jezus bedoelt dit tamelijk letterlijk. Omdat we onszelf zó geconditioneerd hebben in het zien van ellende en (potentiële) boosdoeners buiten ons, zelfs als we dat ontkennen in een roze wolk van ‘gelukssulligheid’, zouden we steeds alert moeten zijn op welke gids de keuzemaker in onze denkgeest van moment tot moment kiest: we luisteren ofwel naar de stem van het ego, of die van de Heilige Geest. Deze keuze maken we letterlijk duizenden keren per dag. Het loont dus om ons vaak af te vragen voor welke stem we eigenlijk kiezen.

Ik besluit met een inspirerende passage uit dezelfde werkboekles 156, die ons eraan doet herinneren dat verlossing niet is gelegen in hoe wij de wereld interpreteren, maar in hoe de Heilige Geest deze wereld interpreteert, namelijk als lesruimte om onvoorwaardelijke vergeving onder de knie te krijgen, waarmee alle duisternis in de denkgeest mild ongedaan wordt gemaakt, wat tot blijvende innerlijke vrede leidt (WdI.156.6): “Als jij een stap terugdoet, treedt het licht in jou naar voren en omspant de wereld. Het kondigt niet het eind van zonde aan in straf en dood. Zonde verdwijnt in lichtheid en gelach, omdat haar grillige absurditeit wordt doorzien. Het is een dwaze gedachte, een onnozele droom, niet beangstigend, lachwekkend misschien, maar wie wil ook maar een moment verspillen aan zo’n zinloze gril terwijl hij God Zelf benadert? Toch heb jij aan precies deze dwaze gedachte vele, vele jaren verspild. Het verleden met al zijn fantasieën is voorbij. Ze houden je niet langer gebonden. De nadering tot God is nabij. En in de kleine tussenpoos van twijfel die nog rest, verlies jij misschien je Metgezel uit het oog en verwar je Hem met de zinloze, oeroude droom die nu voorbij is. […] Laat vandaag twijfel eindigen. God spreekt voor jou en geeft met deze woorden antwoord op jouw vraag:

Ik ga met God in volmaakte heiligheid. Ik verlicht de wereld, ik verlicht mijn denkgeest en alle denkgeesten die God als één met mij geschapen heeft.”

— Jan-Willem van Aalst, november 2017 (vertaling van https://miraclesormurder.wordpress.com/2017/11/11/we-wish-and-then-perceive/)

De hartslag van de vrede hinderen

De laatste vijf lessen in het werkboek van Een cursus in wonderen hebben allemaal dezelfde lijvige titel: “Dit heilig ogenblik wil ik U geven. Neemt U het in handen. Want U wil ik volgen, in de zekerheid dat Uw leiding mij vrede geeft.” (WdII.361-365). Eén van Jezus’ belangrijkste doelen met het werkboek is overduidelijk m zijn studenten te motiveren een stapje terug te doen, in het besef dat zij het over alles in het leven bij het verkeerde eind hadden, om hun levens voortaan te laten leiden door het advies van de Heilige Geest, op welke manier dan ook. De beloning: “Vrede; geluk; een kalme denkgeest; doelgerichtheid en een gevoel van waarde en schoonheid dat de wereld overstijgt; zorg en geborgenheid en de warmte van een veilige bescherming voor altijd” (WdI.122.1). Dat lijkt aanlokkelijk genoeg, zou je zeggen? Dus waarom kiezen we daar dan toch steeds niet voor?

Veel studenten van Een cursus in wonderen weten maar al te goed waarom wij nog steeds niet doorlopend voor die Leiding kiezen: we denken nog steeds als afgescheiden zelf beter te weten wat we moeten doen om blijvende innerlijke vrede en geluk te vinden. Uiteraard lopen alle pogingen daartoe uiteindelijk op niets uit, simpelweg omdat elke ingebeelde poging om iets anders dan perfecte eenheid te zijn per definitie niet kan werken: “Je was in vrede tot je om een speciale gunst hebt gevraagd. En God heeft die niet verleend, want het verzoek was Hem wezensvreemd, en je kon zoiets niet vragen van een Vader die Zijn Zoon waarlijk liefheeft. Daarom heb jij van Hem een liefdeloze vader gemaakt, en van Hem geëist wat alleen een dergelijke vader geven kon” (T13.III.10:2-4). En dus hebben we deze ingebeelde god laten weten dat wij heel goed voor onszelf kunnen zorgen, en heel goed in staat zijn om zélf vrede en geluk te vinden.

Al vroeg in het tekstboek rekent Jezus af met de mythe die als basis dient voor ons geloof dat we op onszelf vrede en geluk zouden kunnen vinden: “Ten eerste: je gelooft dat wat God geschapen heeft, door jouw eigen denkgeest kan worden veranderd. Ten tweede: je gelooft dat wat volmaakt is, onvolmaakt of gebrekkig kan worden gemaakt. Ten derde: je gelooft dat je de scheppingen van God, jouzelf inbegrepen, kunt misvormen. Ten vierde: je gelooft dat jij jezelf kunt scheppen en dat de richting van je eigen schepping door jou wordt bepaald. Deze onderling verwante verdraaiingen geven een beeld van wat zich eigenlijk afspeelde bij de afscheiding oftewel de ‘omweg door de angst’ (T2.I.1:9-2:1). Jezus maakt het op vele plekken in zijn Cursus duidelijk dat dit alles nooit heeft kunnen gebeuren; tijd en ruimte vormen samen de illusie van dualiteit, waarin iedereen en alles “onzeker, eenzaam en in voortdurende angst” (T31.VIII.7:1) probeert te overleven. Maar in ons dagelijks leven geloven we er rotsvast in dat de afscheiding daadwerkelijk is gebeurd, en dat wij nog steeds heel goed zelf kunnen bepalen wat ons verlossing (of vervulling) zal brengen.

In hoofdstuk 29 van het tekstboek schotelt Jezus ons de kern van zijn boodschap voor: “Wat wil je liever, gelijk of geluk? Wees blij dat jou gezegd is waar het geluk woont, en zoek niet langer elders” (T29.VII.1:9-10; mijn cursivering). Geluk is gelegen in de keuze om onze gekoesterde autonome individualiteit af te leggen, en ervoor te kiezen terug te keren naar de Eenheid in het Hart van God. Dis is de ultieme verschrikking voor het ego, want dit betekent zijn ondergang. Jezus vervolgt: “Niemand komt hier zonder nog enige hoop, een of andere langslepende illusie, of een droom te hebben dat er buiten hem iets is wat hem geluk en vrede brengen zal” (T29.VII.2:1). Dit geldt voor eenieder die nog op deze planeet rondwandelt. Iedereen die hier is geboren heeft de gedachte omarmd, als afgescheiden fragmentje van de ene slapende Zoon van God, dat geluk misschien hier in tijd en ruimte als individu toch te vinden zal zijn. Jezus legt ons met groot geduld uit dat dit niet zo is, en dat er bovendien iets veel beters is, wat we zullen ervaren zodra we ontwaken uit de ego-droom van dualiteit.

Het ego leest ‘ontwaken’ als ‘zelfvernietiging’. Omdat we ons zo enorm vereenzelvigen met het ego, saboteren we onze spirituele voortgang voortdurend (dat wil zeggen, we blijven maar afwijzen, oordelen en veroordelen), totdat de pijn ons teveel wordt en we uitroepen dat er ‘een betere weg’ moet zijn. Volgens Een cursus in wonderen heet die ‘betere weg’ vergeving – niet in de zin van het kijken naar de serieuze fouten van anderen en daar dan in alle nobelheid zand over te doen, maar in de zin van het zien van ‘het gelaat van Christus’ in elk levend wezen, en vreugdevol iedereen als dezelfde Zoon van God beschouwen, die niet kan zondigen. Dit beoefenen van ware vergeving is een traag proces dat uiteindelijk leidt tot het ontwaken tot de werkelijke wereld, waarin we onszelf nog steeds in een lichaam ervaren dat samen met andere lichamen leeft, maar die allemaal als de ene Zoon van God worden waargenomen, zonder vergelijk, zonder afwijzing of veroordeling. Van buiten tijd en ruimte gezien zijn we al ontwaakt. We herbeleven slechts de film van de tijd tot het moment waar de film nu lijkt te zijn.

Deze blije denkstaat van vergeving, of juist gericht denken, is niet iets wat ik kan cultiveren in het ego-deel van mijn denkgeest. Dat zou vruchteloos zijn, omdat het ego nu eenmaal het idee van afscheiding, veroordeling en aanval is. Wel kan ik me realiseren dat ik behalve voor het ego, ook voor een andere gids zou kunnen kiezen (de Heilige Geest), die óók nu al in mijn denkgeest huist: “De Heilige Geest is in heel letterlijke zin in jou. Het is Zijn Stem die jou terugroept naar waar je vroeger was, en weer zult zijn. Zelfs in deze wereld is het mogelijk alleen die Stem te horen en geen andere” (T5.II.3:7-9). En uit hoofdstuk 18 uit het tekstboek: “Je hebt je vergist te denken dat het nodig is jezelf op Hem voor te bereiden. Het is onmogelijk op een arrogante manier voorbereidingen voor heiligheid te treffen en niet tegelijk te geloven dat jij de voorwaarden voor vrede bepaalt. God heeft die bepaald. […] Jouw bereidwilligheid is alleen nodig om het mogelijk te maken jou te onderwijzen wat ze zijn” (T18.IV.4:3-5;7). Het kiezen voor vergeving is dus een voortdurende oefening om steeds vaker voor de Heilige Geest te kiezen, waarmee het getetter van het ego steeds iets meer naar de achtergrond verschuift. Zo worden duistere plekken in de denkgeest één voor één mild ongedaan gemaakt.

De stem van de Heilige Geest is als het ware de hartslag van de vrede die altijd in mijn denkgeest klopt, maar die verduisterd blijft zolang ik mijn aandacht op mijn ego gericht hou, door steeds mensen en situaties om me heen te blijven aanvallen. De kern van een goede beoefening van vergeving is dus het niet langer hinderen van deze hartslag van de vrede. Dit doe je door simpelweg niet langer meer te beschuldigen en te veroordelen. En als ik zeg ‘simpelweg’, dan betekent dat niet dat het makkelijk is om vol te houden. Écht stoppen met veroordelen kun je min of meer vergelijken met de pogingen van talloze mensen om écht te stoppen met roken: je weet dat het slecht voor je is, en toch ga je er mee door. Allereerst hebben we een helder besef nodig van ons doel hier in dit leven in tijd en ruimte (dat wil zeggen: het leren inzien dat wij de dromer van de droom zijn en dat we de Verzoening met Eenheid kunnen leren aanvaarden), en wat verder nodig is, is een goed besef van wat jij en ik feitelijk zijn: de pure geest van de ene Zoon van God, die desalniettemin lijkt te slapen in een droom die over tijd en ruimte gaat. Het kan behulpzaam zijn om je te realiseren dat jij en ik hier waarschijnlijk niet voor het eerst op deze planeet rondlopen, en ook niet voor het laatst. Zolang er nog ware vergevingslessen te leren zijn, zullen we blijven reïncarneren, niet omdat we gestraft worden, maar omdat wij zélf nog steeds voor veroordeling kiezen. Dus, nogmaals: de ‘koninklijke weg’ naar de werkelijke wereld is: stop met het hinderen van de puls van de vrede, door er steeds vaker voor te kiezen niet te veroordelen.

Telkens als ik mezelf erop betrap geïrriteerd te raken over wat dan ook, kan ik mezelf realiseren dat de betreffende situatie zelf niets met mijn verlossing van doen heeft; sterker nog: met mijn irritatie richt ik het zwaard op mezelf. Veroordeling pijnigt mijn eigen denkgeest, omdat dit het ego voedt en de Stem van de Heilige Geest verder doet verstommen. Als bijvoorbeeld mijn echtgenote of mijn ouders weer eens als een angel werken, kan ik me realiseren dat het niet belangrijk is, althans niet voor verlossing. Dat betekent niet dat je je van de wereld zou moeten afkeren. Elke ego-pijn die naar voren komt mag liefdevolle aandacht krijgen, vanuit het besef dat het allemaal in de denkbeeldige wereld gebeurt. Maar het is ook niet handig om gelijk al je verzekeringen op te zeggen omdat “God in deze wereld voortaan voor me zal zorgen”. Als leraar van God leef je een normaal leven net als iedereen, alleen straal je nu veel krachtiger vrede uit, waar je voorheen veroordeelde. Die innerlijke vrede blijft niet onopgemerkt! “Wanneer ik genezen word, word ik niet alleen genezen” (WdI.137). Vrede uitstralen nodigt vrede uit. Als je een maand lang redelijk succesvol oefent met het loslaten van veroordeling, zul je je op een gegeven moment met verbazing realiseren hoe vredig je je voelt in vergelijking met vorige jaren, die gevuld waren met afwijzing en aanval. Deze realisatie voedt weer ‘het kleine beetje bereidheid’ (T18.IV) dat Jezus van ons vraagt om hem te volgen naar de werkelijke wereld, waar we de poort naar ons ware Thuis waarnemen, en waar we niet zullen aarzelen om die te betreden, waarna we opgaan in de eeuwige vrede van onze Schepper die ‘alle begrip te boven gaat’.

— Jan-Willem van Aalst, november 2017 (vertaling van https://miraclesormurder.wordpress.com/2017/11/04/hindering-the-pulse-of-peace/)

Grip krijgen op je eigen negativiteit

Hoezeer wij ook proberen om aardig, liefdevol en behulpzaam te zijn in ons leven, we hebben allemaal last van negatieve gedachten. We vertellen onszelf streng dat we dergelijke negativiteit echt niet willen, en dus zwoegen we voort in onze pogingen om vriendelijk en meelevend te zijn. Negativiteit lijkt echter hardnekkig de kop op te blijven steken. Cursussen voor persoonlijke ontwikkeling kunnen soms een indrukwekkend kortdurend effect hebben, maar vroeg of laat worden we weer door een spreekwoordelijke angel gestoken, en vervallen we weer in negativiteit, hoe kort ook. En door onze ervaring leren we dat goeroes die in één keer de oplossing voor alle negativiteit hebben, niet vertrouwd zouden moeten worden. Dus wat dan wel?

In Een cursus in wonderen besteedt Jezus een heel hoofdstuk in de Handleiding voor Leraren over het omgaan met negatieve gedachten. In zijn leerplan heeft hij het over ‘magische gedachten‘: feitelijk is alles wat niet neerkomt op liefde, vrede of vreugde een goede kandidaat voor het label ‘magische gedachte’. Als je er zo naar kijkt, dan hebben jij en ik heel wat magische gedachten op een dag, en elk uur van die dag. Het is duidelijk dat Jezus er belang aan hecht om het uitgebreid te hebben over hoe hier mee om te gaan: “Dit is zowel voor de leraar als de leerling een cruciale vraag. Als deze kwestie verkeerd wordt behandeld, heeft de leraar van God zichzelf gekwetst en bovendien zijn leerling aangevallen.” (H17.1:1-2). In het Handboek zijn jij en ik de leraar (voor iedereen om ons heen, die onze leerlingen zijn), hoewel we niet zouden moeten vergeten dat elke Leraar van God zelf ook leerling is (van de Heilige Geest, de enige ware Psychotherapeut).

We zouden dus niet simpelweg onze schouders moeten ophalen en het afdoen met “Ach ja, zeker word ik gekweld door negativiteit, maar zo is het leven nu eenmaal.” Jezus spoort ons duidelijk aan een ferme grip hierop te krijgen, willen we ooit enige mate van innerlijke vrede in dit leven ervaren, wat in zekere zin het hoogste doel van elke Cursusstudent is. Dit begint met de realisatie dat wij nooit van streek zijn om de reden die we denken (zie bijv. Werkboekles 5). We denken dat onze gedachten ‘zuur’ worden door mensen of situaties buiten ons. “Ik was eigenlijk best vredig, totdat hij of zij begon te zeuren over iets volstrekt onbelangrijks.” Of het komt doordat de beurs in mineur is. Of doordat de files vandaag twee keer zo lang waren als gisteren. Of omdat mijn manager me niet zo aardig aankeek. Bla bla.

Al deze redenen zijn niet waarom we van streek zijn. Jezus legt uit dat wij van streek zijn omdat we iets (willen) zien dat er in werkelijkheid niet is (werkboekles 6). Daarom is het zo belangrijk af en toe te denken aan de metafysische grondslag van Een cursus in wonderen: “Er is geen wereld! Dit is de kerngedachte die de Cursus probeert te onderwijzen.” (WdI.132.6:2). Alles en iedereen die we om ons heen waarnemen is in essentie niets meer of minder dan een projectie van de gespleten denkgeest van de Zoon van God die ervoor koos te dromen over afscheiding en speciaalheid in een verzonnen universum van tijd en ruimte. We zijn er zó van overtuigd dat wat wij zien de waarheid is; maar Een cursus in wonderen helpt ons in te zien dat onze ware Identiteit niet in een lichaam in tijd en ruimte gevangen zit. Wij zijn met z’n allen één pure geest, die een nachtmerrie lijkt te dromen over tijd, ruimte en versplintering.

Dus als er in werkelijkheid niemand anders buiten mij bestaat, omdat alles wat ik waarneem een spiegel is van een aspect van de gespleten denkgeest van de slapende Zoon, waarom zou ik dan negatief reageren op wat dan maar ook lijkt te gebeuren? Zoals Jezus benadrukt komt dat neer op een aanval op mijn eigen denkgeest, naast de duidelijke aanval op degenen waar de negativiteit over gaat. “Als een magische gedachte enige vorm van woede opwekt, dan kan Gods leraar er zeker van zijn dat hij zijn eigen geloof in zonde versterkt, en zichzelf heeft veroordeeld.” (H17.1:6-7). Dit verklaart waarom we voor negativiteit in de eerste plaats kiezen: elke negativiteit weerspiegelt de oorspronkelijke negativiteit, zo’n 14 miljard jaar geleden, toen we God afwezen (zonde), ons daarover direct enorm schuldig voelden. Die schuld projecteerden we snel weg, maar dat voedde alleen maar de angst voor bestraffing voor wat werd geprojecteerd. Telkens als we van streek zijn dan is dat louter omdat we die ontologische negativiteit willen herleven in de illusoire droomwereld, om het idee van afgescheiden individualiteit levend te kunnen houden.

Dit is dus de lesruimte die de Heilige Geest ons biedt: telkens als een persoon of een situatie mij van streek lijkt te maken, dan heeft de keuzemaker in mijn denkgeest de mogelijkheid om dit te bezien ‘van boven het slagveld’ (T-23.IV), zodat ik kan inzien dat de ergernis niet is wat die lijkt: er is niets of niemand daarbuiten die de Zoon van God kan verwonden. Dit inzicht wordt de basis voor een betere reactie. De keuze is aan ons: reageren we met ‘gerechtvaardigde ergernis’ of vanuit milde vriendelijkheid? “Aanval kan alleen zijn intrede doen als het zien van afzonderlijke doelen is binnengeslopen. […] Hierop kan dan ook gemakkelijk worden gereageerd met slechts één antwoord, en dit antwoord zal feilloos in de denkgeest van de leraar doordringen. Van daaruit straalt het de denkgeest van de leerling binnen, en maakt die één met die van hem.” (H17.3:3;6-7).

Hier speelt echter een valkuil waar we ons altijd van bewust zouden moeten zijn terwijl we Jezus’ advies beoefenen: die van de verheven heilige. In Een cursus in wonderen heet dit ‘vergeving-ter-vernietiging’ (LvG-II.2). Hiervan is sprake als je antwoord lijkt op het volgende: “Ja, het is verachtelijk wat je hebt gedaan, maar aangezien ik zo nobel ben, zal ik het over het hoofd zien en je alsnog vergeven.” Dit is overduidelijk niet wat Jezus hier bedoelt. Zoals Kenneth Wapnick herhaaldelijk uitlegde, komt zo’n houding neer op het proberen te onderhandelen met God: “Zie eens hier, God, wat een goed persoon ik ben. Hier zijn al die slechte mensen die me aanvielen, en toch blijf ik vergevingsgezind en behulpzaam. Aanvaard mij alstublieft terug in de hemel, en stuur de anderen naar de hel.” Dit is een verholen poging om het schuldgevoel in onszelf over de oorspronkelijke aanval naar buiten te projecteren, omdat we dit niet durven aanzien. En we willen al helemáál niet zien dat de afscheiding nooit heeft kunnen plaatsvinden en individualiteit dus niet bestaat.

In hetzelfde hoofdstuk 17 in het Handboek voor Leraren onderwijst Jezus dat het nuttig is “…te onthouden dat niemand kwaad kan worden op een feit. […] Louter door haar aanwezigheid bevestigt een magische gedachte een afscheiding van God. […] Dat dit allerminst een feit kan zijn, ligt voor de hand. Maar dat kan worden geloofd dat het een feit is, ligt evenzeer voor de hand. En hier staat de wieg van schuld.” (M-17.4: 1;5:3;5:5-6). De oplossing is dus, ten eerste, om in te zien dat we van streek zijn door onze interpretatie van een persoon of een situatie, en, ten tweede, dat we een wereld interpreteren die er in werkelijkheid niet is. Een keuze voor negativiteit gaat dus letterlijk nergens over!

“Kan niets woede opwekken? Allerminst. Bedenk dan, leraar van God, dat woede een werkelijkheid ziet die er niet is; toch is de woede het zekere bewijs dat jij in de feitelijkheid ervan gelooft. Nu is een uitweg onmogelijk, tot je inziet dat je hebt gereageerd op je eigen interpretatie die je op de buitenwereld hebt geprojecteerd. Laat dit meedogenloze zwaard nu uit je handen worden genomen. Er is geen dood. Dit zwaard bestaat niet. De angst voor God is zonder oorzaak.” (H-17.9:5-12). Dit betekent ook dat onze angst over wat dan ook in de illusoire droomwereld van tijd en ruimte geen gegronde oorzaak heeft. Het is niet de bedoeling ons te verschuilen achter roze ‘gelukssulligheid’, of dat we ontkennen dat we nog wel eens negativiteit voelen. Als ik weer eens gewaar word van negativiteit in mezelf, kan ik in alle rust beamen dat ik nog steeds een gespleten denkgeest heb, dat mijn onrust gaat over mijn interpretatie, niet over een feit, en – het allerbeste – dat mijn denkgeest het vermogen heeft om een betere keuze te maken, met hulp van de Heilige Geest. Dat is een heel effectieve manier om grip te krijgen op je negatieve gedachten.

— Jan-Willem van Aalst, oktober 2017 (Vertaling van https://miraclesormurder.wordpress.com/2017/10/28/getting-grip-on-negative-thoughts/)

Nooit meer eenzaam

Je hoort er niet zo vaak over in het nieuws, maar één van de meest voorkomende “kwalen” bij mensen is eenzaamheid. De onderzoeksstatistieken verschillen enigszins per studie, maar ongeveer éénderde van alle mensen geven aan dat ze regelmatig geplaagd worden door eenzaamheid. Dit gaat gepaard met het gevoel dat het leven betekenisloos en onbetekenend is, en dat het geluk ze steeds door de vingers lijkt te glippen, wat ze ook proberen. Het lijkt vaker voor te komen bij oudere mensen. En dan hebben we het alleen nog maar over mensen die er zich bewust van zijn, en zich erover willen uitspreken. Maar al te vaak leidt men zich gauw af met wat dan ook maar voorhanden is, om de eenzaamheid uit het bewustzijn te weren. Intussen wordt een zorgwekkend aantal antidepressiva voorgeschreven en geslikt, die vooral het milieu aantasten nadat ze in het lijf geen enkele blijvende verbetering teweeg hebben gebracht.

In Een cursus in wonderen benoemt Jezus het thema van eenzaamheid met enige regelmaat. In hoofdstuk 31 van het Tekstboek, doet hij er ons aan herinneren dat wij allen “…onzeker, eenzaam, en in constante angst” (T31.VIII.7:1) door deze wereld dwalen. In Werkboekles 182 licht Jezus een belangrijke onderliggende oorzaak toe voor deze eenzaamheid: deze wereld is niet ons thuis. Jezus verzekert ons dat in ons diep begraven onbewuste, wij ons allemaal hier als een balling voelen: “Deze wereld waarin jij lijkt te leven, is niet jouw thuis. En ergens in je denkgeest weet jij dat dit waar is. Een herinnering aan thuis blijft je achtervolgen, alsof er een plek was die jou oproept terug te keren, ofschoon je de stem niet herkent, noch wat het is waaraan die jou herinnert. Toch voel je je nog steeds een vreemde hier, van wie weet waarvandaan.” (WdI.182.1). Dus alle gevoel van eenzaamheid weerspiegelt in feite de oorspronkelijke eenzaamheid die de slapende Zoon van God zelf verkoos door te besluiten zich af te scheiden van God en – middels de oerknal – een materieel universum te bedenken waarin hij zich zou kunnen verstoppen voor de wraakzuchtige God.

In dezelfde Werkboekles schrijft Jezus poëtisch over de Zoon van God, die “onzeker rondloopt in een eindeloze zoektocht. […] Hij maakt zich duizend plaatsen tot een thuis, maar niet één stelt zijn rusteloze denkgeest tevreden. Hij begrijpt niet dat hij vergeefs bouwt. Het thuis dat hij zoekt, kan niet door hem worden gemaakt. Er is geen substituut voor de Hemel.” (WdI.182.3). Met andere woorden, Jezus stelt dat iedereen zich hier wel eenzaam moet voelen, omdat wij ons echte Thuis in het Hart van God (Liefde) denken te hebben verlaten. Dus, wij zouden in dit verband niet moeten vragen: “Hoe kan ik mijn eenzaamheid hier verzachten?”, maar eerder: “Wil ik echt blijven vasthouden aan het idee dat ik afgescheiden van mijn Bron wil zijn?” Ik kan mezelf verliezen in hobby’s, in vele relaties, in een carrière, in drank of in snoep, maar die vormen lossen de bitterheid van de inhoud niet op, namelijk mijn onderdrukte keuze om mijzelf als afgescheiden van Liefde te blijven zien, helemaal op mezelf in een wrede wereld. Alleen het gedrag veranderen werkt nooit lang. Pas als de denkgeest zichzelf de vraag durft te stellen: “Wat ben ik?” wordt werkelijke verandering mogelijk.

“Wat ben ik?” is de meest fundamentele vraag die eenieder zich vroeg of laat zal moeten stellen. Zolang we deze vraag blijven beantwoorden met “Ik ben een uniek lichaam met een speciale persoonlijkheid”, dan kiezen we voor kleinheid, en blijven we “onzekerheid, eenzaamheid en constante angst (voor de wraak van God, die ons nooit zal vergeven)” uitnodigen. Eenieder die nog steeds dit antwoord geeft, en iedereen doet dat zolang hij hier nog in tijd en ruimte denkt te leven, wordt door Jezus als volgt omschreven: “Hij beseft niet dat hij juist hier echt bang is en dakloos eveneens, een uitgestotene, zo ver van huis en zo lang al rondzwervend, dat hij niet beseft dat hij vergeten is waarvandaan hij kwam, waarheen hij gaat en zelfs wie hij werkelijk is. […] Hij lijkt een zielige figuur, vermoeid en afgetobd, in vodden gehuld en met bloedende voeten, geschramd door de rotsige weg die hij bewandelt. Er is niemand die zich niet met hem vereenzelvigd heeft, want ieder die hier komt heeft het pad gevolgd dat hij volgt, en heeft mislukking en hopeloosheid gevoeld zoals hij die nu voelt.” (WdI.166.4:4-6:2)

Hoe verfrissend is het dan om te lezen in sectie 14 van deel II van het Werkboek, getiteld: “Wat ben ik?” (net na les 350), dat jij en ik puur geest zijn. Het lichaam is slechts een illusie in een droom! “Jij hebt een slaap verkozen waarin je boze dromen hebt gehad, maar die slaap is niet werkelijk en God roept je op te ontwaken.” (T6.IV.6:3). Een belangrijk doel van Een cursus in wonderen is ons uit te nodigen om uit deze nachtmerrie te ontwaken: “Kom thuis. Je hebt je geluk niet gevonden in uitheemse oorden en wezensvreemde vormen die geen betekenis voor je hebben, hoewel je geprobeerd hebt ze betekenis te verlenen. Deze wereld is niet waar jij thuishoort. Jij bent een vreemde hier. Maar het is jou gegeven het middel te vinden waardoor de wereld niet langer voor wie ook een gevangenis of kerker schijnt.” (WdI.200.4)

Dat is de sleutel. Jezus maant ons niet aan tot zelfmoord, wat alleen maar zou neerkomen op het tot werkelijkheid maken van de vergissing van dualiteit/afscheiding, en daar vervolgens tegen vechten. “Er is helemaal niets gebeurd behalve dat jij jezelf in slaap hebt gebracht, en een droom hebt gedroomd waarin jij voor jezelf een vreemde was…” (T28.II.4:1). De uitweg uit eenzaamheid is simpelweg jezelf realiseren dat wij, als geest, hier niet alleen zijn. “God is geen vreemde voor Zijn Zonen, en Zijn Zonen zijn geen vreemden voor elkaar…” (T3.III.6:3). Bovendien is deze wereld van tijd en ruimte, vanuit Jezus’ perspectief, allang voorbij; we herleven slechts wat allang verdwenen is (WdI.158.4). Daarom kan hij ons in het volste vertrouwen vertellen dat “jij een reis zult ondernemen [terug naar de eenheidsliefde in nondualiteit], omdat jij in deze wereld niet thuis bent.” (T12.IV.5:1). Dat is ook waarom Jezus zegt dat dit een verplichte cursus is, en dat onze enige vrijheid eruit bestaat dat wij kiezen wanneer we die zullen doen. (T-in.1:3). De reis bestaat simpelweg uit het steeds vaker kiezen voor de leiding van de Heilige Geest in plaats van de leiding van het ego.

Vroeg of laat zal iedereen ervoor kiezen deze reis naar Huis aan te vangen, als de pijn van alle onzekerheid, eenzaamheid en voortdurende angst ons teveel wordt. Dat hoeft overigens niet per se via Een cursus in wonderen te zijn; Jezus benadrukt zelf dat zijn cursus maar één vorm van de universele cursus is en dat er vele duizenden andere vormen zijn (H-1.4:1), en dat we nooit anderen zouden moeten veroordelen voor het kiezen van een ander pad. Maar als studenten van Een cursus in wonderen hebben we alle reden om ons niet te verliezen in deprimerende gedachten over eenzaamheid, maar juist onze rol als Leraar van God te vervullen, dat wil zeggen: de innerlijke vrede van God te demonstreren die ieders erfgoed is: “Hoewel jij hem [je wil om één te zijn met God] in slaap kunt houden, kun je hem niet tenietdoen. […] Rust komt niet voort uit slapen, maar uit waken [uit de droom van dualiteit]. De Heilige Geest is de Oproep te ontwaken en blij te zijn. De wereld is erg moe, omdat ze het denkbeeld van vermoeidheid is. Ons komt de vreugdevolle taak toe haar te doen ontwaken voor de Roep namens God.” (T5.II.1:5;10:4-7).

Dus mocht ik weer gevoelens van eenzaamheid bij mijzelf bemerken, dat kan ik me gelijk realiseren dat dit zo niet hoeft te zijn (T4.IV.1-8), omdat ik niet een lichaam ben; ik ben vrij, zo schiep God mij [d.w.z., als puur geest, één met al het leven] (WdI.201-220). Het is een nuttige oefening om jezelf er zo af en toe aan te herinneren “hoeveel gelegenheden je hebt gehad om jezelf blij te maken, en hoeveel ervan je hebt verworpen” (T4.IV.8:1). Ik kan mezelf verblijden omdat ik het allesomvattende licht van God in al mijn broeders kan zien, en dus ook in mezelf: “Het licht is niet van deze wereld, maar ook jij die het licht in je draagt bent hier een vreemde. Het licht kwam met jou mee vanuit je geboortehuis en is bij je gebleven, omdat het jou eigen is. Het is het enige wat jij met je meebrengt van Hem die jouw Oorsprong is. Het straalt in jou, omdat het je huis verlicht, en leidt je terug naar waar het vandaan gekomen is en waar jij thuis bent.” (WdI.188.1:5-8). Dus ter afronding: leef een normaal leven in deze droomwereld, maar vanuit je voortdurende gewaarzijn van je ware Thuis, waar wij allemaal nu al zijn, en je zult nooit en te nimmer meer eenzaam zijn.

— Jan-Willem van Aalst, oktober 2017 (vertaling van https://miraclesormurder.wordpress.com/2017/10/21/lonely-nevermore/)

Schuldig omdat je vergat te oefenen

Ieder mens begaat kleine en grote blunders in het leven. Dat is hier onvermijdelijk. Kun jij je een bijzonder gênante situatie herinneren waarin je simpelweg vergat op te letten, waardoor iets helemaal fout ging? Ik wel. Het voelt enorm ongemakkelijk. Zo nu en dan lijken dergelijke situaties zich aan te dienen, schijnbaar ongevraagd. Zulke gevoelens van verlegenheid en onwaardigheid houden je gedachten een poosje bezig, totdat de dagelijkse bezigheden onze aandacht weer opeisen en we het gevoel terzijde schuiven. Maar vroeger of later komt er toch weer zo’n situatie langs, die ons er weer aan herinnert. We lijken het verleden voortdurend levend te houden. Dat is overduidelijk één van de vele strategieën van het ego om schuld springlevend te houden in de denkgeest. Want wie zouden we zijn zonder schuld?

Een cursus in wonderen helpt ons in te zien dat alle gevoelens die wij over schuld, schaamte en ontoereikendheid hier lijken te ervaren, slechts flauwe weerspiegelingen zijn van de oorspronkelijke schuld die we voelden vanwege onze zonde om ons van God af te scheiden, vlak voordat de tijd begon. We kennen deze ‘oorspronkelijke vergissing’ allemaal van het Bijbelse verhaal over Adam en Eva in het boek Genesis. Deze archetypische prototypen van het ego zondigden tegen God door van de verboden vrucht van de boom der kennis te eten. Ze realiseerden zich dat ze iets verschrikkelijks hadden gedaan, en voelden zich direct enorm schuldig en onwaardig. En ja hoor: God strafte ze zwaar voor hun ‘blunder’. Dit is het metaforische verhaal van ons allemaal. Doordat we ervoor kozen een leven los van God te willen leiden, in volkomen afscheiding van Hem, hebben we onszelf veroordeeld tot een leven van lijden, pijn en dood (zoals Kaïn en Abel daarna duidelijk demonstreerden), en zullen we voortdurend blunders blijven maken.

Een cursus in wonderen ontdoet dat verhaal van de mythologische beeldspraak en verklaart het psychologische beginsel dat de denkgeest regeert over dit concept van zonde en schuld. Het goede nieuws is dat het allemaal denkbeeldig is (want afscheiding van God kan in werkelijkheid helemaal niet). We leken slechts in slaap te vallen, en dromen nog steeds over tijd en ruimte, waarin we autonoom en op onszelf zijn. Het slechte nieuws is dat we zijn vergeten dat we de hele tijd slapen. Omdat onze angst voor de bestraffing door God voor onze oerzonde van afscheiding ons ertoe leidde onszelf te verbannen naar een ingebeeld universum van versplinterde materie, herinneren wij ons niet dat het onze keuze was om in een nachtmerrie van fragmentatie, waarneming en tijd te geraken. Zoals Jezus het zegt: “En hier vind je de oorzaak van jouw blik op de wereld. Ooit was jij je niet bewust van wat in werkelijkheid de oorzaak moet zijn van alles wat de wereld jou ongenood en ongevraagd leek op te dringen. Van één ding was je zeker: van al de vele oorzaken die jij zag als brengers van pijn en lijden voor jou, was jouw schuld er niet een van. En evenmin heb jij er op enige wijze voor jezelf om verzocht.” (T27.VII.7:2-5). Daar klampen we ons aan vast.

We worden geplaagd door schuldgevoel, maar in deze droomwereld verbeelden we ons dat alle oorzaak van onrust en schaamte altijd buiten onszelf ligt: onbetrouwbare mensen, de wet van Murphy, het weer, ouders, politici, bazen, noem maar op. Ik ben onschuldig; het kwaad bevindt zich buiten mij. En toch, onder al dat vingerwijzen, blijft steeds dat onbestemde knagende gevoel van onze eigen onwaardigheid, en de angst dat als we daar werkelijk naar zouden kijken, wij zouden moeten inzien dat wij de schuldige zondaar zijn, niet iemand anders. Jezus legt dit als volgt uit: “Jij denkt dat slechtheid, duisternis en zonde in jou huizen. Jij denkt dat als iemand de waarheid over jou kon zien, hij zou worden afgestoten en voor je terug zou deinzen als voor een giftige slang. Jij denkt dat als jou de waarheid over jou werd geopenbaard, je met zo’n intense afschuw zou worden vervuld, dat je halsoverkop de hand aan jezelf zou slaan, omdat het je onmogelijk zou zijn nog verder te leven na dit te hebben gezien. Dit zijn overtuigingen die zo vast verankerd zijn dat het moeilijk is je te helpen inzien dat ze op niets zijn gebaseerd.” (WdI.93.1). Ze zijn op niets gebaseerd omdat de droomwereld waarin we denken te leven op niets is gebaseerd.

Niemand ontkomt aan volledig aan dat knagende schuldgevoel dat we steeds wegdrukken maar dat af en toe toch weer opduikt, schijnbaar ongevraagd. Dat geldt net zo goed voor Cursusstudenten. Het werkboek zelf is daar een goed voorbeeld van. Het is welbekend dat geen enkele Cursusstudent het werkboek perfect in één jaar voltooit. Het is zelfs zo dat Jezus zijn werkboek heeft opgezet om ons te doen inzien dat we toch niet zo verlicht zijn als we gehoopt hadden: het vergt een lang en langzaam proces van ijverige oefening om onszelf toe te laten een stapje terug te doen (loslaten) en vervolgens het liefdevolle advies van de Heilige Geest te volgen (toelaten) om het ego stap voor stap ongedaan te laten maken. En toch, wie kent niet het enorme schuldgevoel dat boven komt drijven zodra je merkt dat je de specifieke les voor vandaag toch niet volgens Jezus’ instructies hebt gedaan? Dit is precies het gevoel van ontoereikendheid waarvan Jezus ons aanspoort om dit niet te ontkennen of te onderdrukken, maar in alle kalmte te bekijken – samen met hem.

Telkens als we merken dat we een werkboekles niet perfect hebben uitgevoerd en wij ons daarover schuldig of ontoereikend gaan voelen, zouden we ons in blijdschap moeten realiseren dat we onszelf zojuist een prachtige gelegenheid tot zelf-vergeving hebben geboden. Dit schuldgevoel weerspiegelt namelijk slechts het oorspronkelijke schuldgevoel van Adam en Eva (d.w.z., het ego) over hun afwijzing van God, wat het “nietig, dwaas idee” is dat in werkelijkheid nooit is gebeurd. Het ego herinnert ons slechts aan deze schuld, louter om het eigen bestaan als een afgescheiden individu zeker te kunnen stellen. Maar het is allemaal een illusie. Een veel betere reactie zou iets zijn in de trant van: “Dank je wel, ego, dat je me er weer bewust van maakt dat ik hier samen met Jezus anders naar zou kunnen kijken.” Waarop Jezus direct beaamt: “Niemand kan ontsnappen aan illusies tenzij hij ernaar kijkt, want door er niet naar te kijken worden ze beschermd. […] We zijn klaar om het denksysteem van het ego nader te bekijken, want samen hebben we de lamp die het zal verdrijven…” (T11.V.1:1,3, mijn cursivering).

In het Handboek voor leraren geeft Jezus nog wat aanvullend advies aan zijn studenten hieromtrent, in sectie 16, genaamd: “Hoe behoort een leraar van God zijn dag door te brengen?”. Hoewel Jezus ons uitlegt dat deze vraag voor de gevorderde leraar van God geen betekenis heeft, omdat “…hem [zal] worden verteld waaruit zijn rol allemaal bestaat, vandaag en alle dagen” (H16.1:5), is het overduidelijk dat de meeste studenten zo’n rotsvaste zekerheid nog niet hebben bereikt. Er zit nog steeds teveel schuldgevoel in het onbewuste! Voor al deze studenten raadt Jezus aan om de denkgeest te trainen door de dag op de juiste manier te beginnen en te eindigen, dat wil zeggen: de tijd nemen om aan God [Liefde] te denken, wat neerkomt op: tijd nemen om aan de weg naar God [Liefde] te denken: een focus op vergeving en oordeelloosheid. Hij wordt daar zelfs zo specifiek in dat hij ons aanraadt dat niet liggend te doen, maar rechtop zittend, terwijl we ons concentreren op onze ‘stiltetijd met God’ (in lijn met de oude Oosterse meditatie-adviezen). Het in kalme stilte loslaten van veroordeling is de keuze voor de Stem namens Liefde, en zo maken we schuldgevoel in onszelf ongedaan: waar we ooit dachten Liefde afgewezen te hebben, omarmen we dit nu weer.

Jezus waarschuwt ons overigens voor de valkuil van overmatig ijverige discipline in dergelijke oefeningen, omdat dat zou neerkomen op een poging schuldgevoel te bevechten, wat natuurlijk niet kan werken: “Een vaste routine is als zodanig gevaarlijk, omdat ze gemakkelijk zelf tot een god kan worden, en dan juist een bedreiging vormt voor de doelen waarvoor ze is opgesteld.” (H16.2:5). En tevens: “De duur [van de stiltetijd met God] is niet de hoofdzorg. Men kan makkelijk een uur lang met gesloten ogen stilzitten en niets bereiken. Men kan even makkelijk God slechts een ogenblik geven en zich in dat ogenblik volledig met Hem verenigen.” (H16.4:4-6). Het gaat dus niet om de kwantiteit, maar om de “kwaliteit” van onze bereidheid om ons te laten leiden, die bepaalt hoe succesvol we zijn in het afbouwen van ons (oorspronkelijke) schuldgevoel; het gaat niet om het plannen van wanneer en hoe vaak je zult oefenen. Schuldgevoel maak je ongedaan door eerst alle veroordeling los te laten, en vervolgens de Stem van God toe te laten, en daar dan bij te blijven. Doe wat je intuïtie je aangeeft te doen, en laat wat je intuïtie je aangeeft te laten. Veel inspiratie gewenst!

— Jan-Willem van Aalst, oktober 2017 (Vertaling van https://miraclesormurder.wordpress.com/2017/10/14/guilty-for-not-practicing/)

Gebruik je lichaam wijs

Vrijwel zonder uitzondering zijn we niet echt heel blij met ons fysieke lijf. Wel in je twintiger jaren, maar naarmate je ouder wordt, en je het trage maar onvermijdelijke verval begint te merken in kleine pijntjes en dingen die het niet zo goed meer doen, leer je steeds meer om daar in te berusten en er maar ‘het beste van te maken’. In menige spiritualiteit wordt het lichaam gezien als iets negatiefs. De oude gnostiek bijvoorbeeld, zo’n tweeduizend jaar geleden, beschouwde het lichaam als vuiligheid, iets wat veracht en overwonnen zou moeten worden, door de denkgeest zodanig te trainen dat die zijn ware identiteit als lichtwezen weer ging herinneren.

Aangezien Een cursus in wonderen een strikt nondualitisch spiritueel en psychologisch denksysteem is waarin alle materie als louter illusoir wordt beschouwd, zou je verwachten dat ook de Cursus het lichaam zou afwijzen. Maar dat is beslist niet het geval. Hoewel Jezus wel degelijk beaamt dat “van zichzelf het lichaam geen waarde heeft” (T8.VII.2:7), benadrukt hij ook dat “het lichaam iets volkomen neutraals is” (Wd2.294). In hoeverre het lichaam ons van dienst is, hangt volledig af van het doel dat we er aan geven. Herinner je dat in Een cursus in wonderen alles draait om doel. Dat geldt net zo voor het fysieke lichaam.

In zekere zin draait het hele idee van Jezus’ leerplan in Een cursus in wonderen erom ons te onderwijzen dat wij, in tegenstelling tot onze dagelijkse ervaring, niet een lichaam zijn: “Ik ben niet een lichaam. Ik ben vrij. Want ik blijf wat ik ben, zo schiep God mij (d.w.z., als pure geest als uitbreiding van Gods Liefde)” (WdI.201-220). Intellectueel mag ons dit misschien aanspreken, maar zodra onze aandacht weer wordt afgeleid door een pijnlijk fysiek symptoom, zouden we er goed aan doen ons te realiseren dat we dit nog niet werkelijk geloven. In elk geval nog niet helemaal. En toch vertelt Jezus ons in het tekstboek dat het lichaam slechts de orders van de denkgeest opvolgt, als een marionet aan touwtjes. Dit komt doordat de staat van het lichaam slechts die van de denkgeest weerspiegelt: de denkgeest is de bron, het lichaam het effect.

Iedere ziekte betekent dan ook dat de denkgeest het lichaam gebruikt om aan te vallen. Dit hoeft niet per se een fysieke aanval te zijn. Iedere negatieve gedachte manifesteert zichzelf uiteindelijk in het lichaam (vaak eerst in de kwaliteit van de samenstelling van de bloedbaan, zoals endocrinologen vaak benadrukken). Maar Jezus gaat een stap verder. Zelfs jezelf en anderen als lichamen beschouwen, is in feite al een vorm van aanval. Dat komt omdat zo’n gedachte voortkomt uit het idee van afscheiding, en afscheiding is aanval. Zoals Jezus toelicht in hoofdstuk 8, waarin hij het gebruik van het lichaam als communicatiemiddel bespreekt: “Het lichaam waarnemen als een afzonderlijke entiteit kan niet anders dan ziekte bevorderen, want het is niet waar.” (T8.VII.11.4).

En toch, aan de andere kant, in hetzelfde hoofdstuk: “Genezing is het resultaat wanneer het lichaam uitsluitend voor communicatie wordt gebruikt.” (T8.VII.10:1) Dit betekent een verschuiving in doel. “Gezondheid is daarom niets dan een vereend doel.” (T8.VII.13:4). Zodra ik ervoor kies mijn denkgeest te laten leiden door de Heilige Geest, verander ik het doel waarvoor ik het lichaam wil gebruiken: “Als je het alleen gebruikt om de denkgeest te bereiken van hen die geloven dat ze een lichaam zijn, en hun door middel van het lichaam leert dat dit niet zo is, zul jij de macht van de denkgeest die in jou is begrijpen. […] Dienend om te verenigen wordt het een prachtige les in gemeenschap, die waarde heeft tot er gemeenschap is.” (T-8.VII.3:2;4). En, iets verderop: “Het lichaam is mooi of lelijk, vredig of woest, nuttig of schadelijk, al naargelang het gebruik dat ervan wordt gemaakt. […] Als het lichaam een instrument wordt dat jij aan de Heilige Geest geeft om ten behoeve van het verenigen van het Zoonschap te gebruiken, zul jij in iets fysieks niets anders zien dan wat het is.” (T8.VII.4:3;5).

Jezus vertelt ons kortom dat het beschouwen van een broeder als louter een lichaam, een fysieke entiteit, betekent dat we hem hebben aangevallen, omdat we ervoor kozen hem niet te zien zoals hij werkelijk is (namelijk: louter geest). Maar aangezien de wereld van materiële fenomenen slechts een projectie van de denkgeest is, moet dit wel betekenen dat wij eerst onszelf hebben aangevallen, dat wil zeggen: we beschouwen onszelf als slechts een lichaam, een fysieke entiteit. De remedie hiervoor, zoals altijd, is om de bereidheid op te brengen om een stapje terug te doen en de controle over onze gedachten over te dragen aan Jezus of de Heilige Geest: “Verheug je dan dat jij van jezelf uit niets kunt. Jij bent niet van jezelf. Hij van Wie jij bent heeft jouw kracht en heerlijkheid voor jou gewild, waarmee je Zijn heilige Wil voor jou volmaakt volbrengen kunt wanneer jij die voor jezelf aanvaardt.” (T8.VII.6:1-3).

Deze waarheid voor mezelf aanvaarden vraagt van mij dat ik ijverig blijf oefenen in het weigeren mijn broeders als lichamen te willen zien, zonder uitzondering. “Telkens wanneer je van een ander vindt dat hij tot of door zijn lichaam is beperkt, leg jij jezelf deze beperking op. Ben je bereid dit te aanvaarden wanneer juist de bedoeling van wat je leert zou moeten zijn aan alle beperkingen te ontkomen? […] Je hebt jezelf veroordeeld, maar veroordeling is niet iets van God. Daarom is ze niet waar.” (T8.VII.14:3-4;15:4-5). Dus telkens als mijn ogen een lichaam zien, zou ik moeten proberen daar aan voorbij te zien, en in plaats daarvan de pure geest (of het pure licht) in die persoon te zien, wat slechts mijn eigen essentie weerspiegelt. Dit is bepaald niet makkelijk om de hele tijd vol te houden, omdat lichamen nu eenmaal geneigd zijn elkaar aan te vallen (om de afscheiding te bevestigen), wat de duistere plakken van niet-vergeving in de denkgeest weerspiegelt.

De Heilige Geest gebruikt deze wereld waarin we lijken te leven om ons precies die lessen voor te schotelen waar we aan toe zijn. Het is bemoedigend om in hoofdstuk 9 te lezen: “Wanneer jij een broeder verbetert, zeg je hem dat hij mis is. Hij is op dat moment misschien niet verstandig, en het staat vast dat hij niet verstandig zal zijn zolang hij vanuit het ego spreekt. Maar het is nog altijd jouw taak hem te zeggen dat hij juist is. Je zegt hem dat niet met zoveel woorden als hij onzin praat. De correctie die hij nodig heeft, ligt op een ander vlak, omdat zijn vergissing op een ander vlak ligt. Hij is nog altijd juist, omdat hij een Zoon van God is. Zijn ego is altijd mis, wat het ook zegt of doet. Als jij op de fouten van je broeders ego wijst, moet je daar wel met het jouwe naar kijken, want de Heilige Geest neemt zijn vergissingen niet waar. […] Wanneer jij überhaupt op vergissingen reageert, luister je niet naar de Heilige Geest. Hij heeft er gewoon geen acht op geslagen, en als jij er aandacht aan schenkt hoor je Hem niet.” (T9.III.2:4-10;4:1-2).

Concluderend: ik kan mijn lichaam wijs gebruiken door mijn oordeel (eigenlijk: veroordeling) op te geven over wat mijn broeders lichaam lijkt te doen (fysiek of mentaal). Sterker nog, het loslaten van veroordeling is de keuze om een stapje terug te doen en Jezus (of de Heilige Geest) aan het roer te zetten. Langzaamaan ga ik me realiseren dat hoe ik een ander lichaam beoordeel veel zegt over hoe ik mijn eigen lichaam zie, wat weer de staat van mijn eigen denken weerspiegelt. Hoe weet ik dat ik op de juiste weg ben? Door in alle mensen om mij heen allereerst hetzelfde lieflijke eenheidslicht te zin in plaats van een fysieke entiteit. Telkens wanneer een lichaam mij lijkt te hinderen (dat van mijzelf, in het geval van ziekte, of van iemand anders, bijvoorbeeld overlast door jongeren, of een overval) weet ik dat de Heilige Geest aan het werk is, via lichamen, in de lesruimte die ik ‘mijn leven’ noem. Het voelt beslist niet altijd gelijk erg comfortabel, maar als blijf oefenen in het vragen aan Jezus of de Heilige Geest hoe ik deze situatie vanuit liefde zou kunnen bezien, dus zonder veroordeling, dan weet ik zeker dat ik mijn lichaam (dat dus mijn denkgeest weerspiegelt) inzet vanuit eenheid en verbinding, de Wil van God: “Met een deel van God Zelf communiceren betekent voorbij het Koninkrijk reiken naar de Schepper ervan, via Zijn Stem die Hij tot deel van jou heeft gemaakt.” (T8.VII.5:9). Dus gebruik je neutrale lichaam wijs vandaag!

— Jan-Willem van Aalst, oktober 2017 (vertaling van https://miraclesormurder.wordpress.com/2017/10/07/using-the-body-constructively/)