Blog

Vooruit naar onze terugkeer

Een bijzonder raadselachtige uitspraak in Een cursus in wonderen is: “Wij zien de reis [van de tijd] slechts vanaf het punt waarop ze eindigde en kijken erop terug, terwijl we ons inbeelden dat we haar nog eens maken; en we zien mentaal opnieuw wat is voorbijgegaan.” (Wd1.158.4). Laten we in deze tijd waarin de wereld in angst en chaos lijkt weg te glijden eens kijken naar hoe de Cursus het fenomeen tijd beschrijft. Mocht je daar echt diep in willen duiken, dan raad ik aan om Kenneth Wapnicks “A vast illusion: time according to A Course in Miracles“, te lezen, verkrijgbaar in het Engels via http://www.facim.org. Voor je spirituele voortgang in Jezus’ leerplan van vergeving is het van belang dat je de betekenis van het begrip ‘tijd’ tot op zekere hoogte doorgrondt.

Zoals ik in vrijwel elke blog opmerk, is Een cursus in wonderen een strikt nondualistische spiritualiteit. Dat betekent dat, volgens de Cursus, uitsluitend God werkelijk is. God heeft geen vorm en staat buiten tijd en ruimte, en daarmee buiten ons zintuiglijk begrip. Bijgevolg is alles in onze dualistische wereld van waarneming, tijd en ruimte volstrekt illusoir, als in een droom. En de Cursus bedoelt dat niet alleen theoretisch. Als afgescheiden lichamen bestaan jij en ik in werkelijkheid helemaal niet, ook al zeggen onze zintuigen iets heel anders. In werkelijkheid is al het leven één collectieve geest, in de Cursus genaamd ‘De Zoon van God’, die zich nog steeds in het Hart van God [Liefde] bevindt, maar die lijkt te dromen over verbanning (T10.1.2:1). Deze droom is de mijmering van de Zoon over hoe het zou zijn om los te bestaan van God, en dat is de droom van tijd en ruimte. Het doel van Een cursus in wonderen als leerplan is om ons het verschil te doen beseffen tussen de ellende van het dualisme en de vrede en Liefde van het nondualisme. De Cursus wijst ons de weg naar het einde van de droom van tijd en ruimte, en dus het einde van je individualiteit. Als je liefst een spiritualiteit zoekt waarmee je je eigen zelfbeeld keurig in stand kunt houden maar dan zonder al je lijden, dan is Een cursus in wonderen niet jouw pad. En dat is niet erg; uiteindelijk leiden alle spirituele paden naar God [Liefde]; de Cursus is er maar één van. Maar wel één die veel tijd kan besparen.

Werkboekles 167 gaat in op de notie van slapen en waken, en hoe de tijd zelf feitelijk een droom is: “Wat het tegendeel van leven schijnt, is alleen in slaap. Wanneer de denkgeest besluit te zijn wat hij niet is, en verkiest een vreemde macht aan te nemen die hij niet heeft, een oneigen toestand waartoe hij niet komen kan, of een kunstmatige gesteldheid die binnen zijn Bron niet bestaat, lijkt hij slechts een poosje te gaan slapen. Hij droomt van de tijd: een interval waarin wat schijnt te gebeuren nooit heeft plaatsgevonden, de teweeggebrachte veranderingen geen substantie hebben en alle gebeurtenissen nergens zijn. Wanneer de denkgeest ontwaakt, gaat hij slechts voort zoals hij altijd is geweest.” (Wd1.167.9; mijn cursivering). Bedenk wel: dit ‘gaat hij slechts voort…’ gebeurt volledig buiten tijd en ruimte. Omdat ons brein de abstractie van nondualisme niet echt kan begrijpen, gebruikt Jezus hier het woord ‘gaat voort’ alsof er tijd zou zijn in de eeuwigheid, wat natuurlijk een contradictio in terminis is.

De Jezus die ons Een cursus in wonderen heeft gegeven, via Helen Schucman en Bill Thetford, beschrijft zichzelf als een manifestatie van de Heilige Geest (H6.1), oftewel de Stem namens Liefde. Deze manifestatie zouden we niet moeten verwarren met de Bijbelse Jezus, wiens persoonlijkheid is opgetekend door schriftgeleerden die nog door hun eigen ego naar hem keken. Ondanks hun ongetwijfeld goede bedoelingen, gaf dat toch een behoorlijk vertekend beeld. De Jezus van Een cursus in wonderen staat volledig buiten tijd en ruimte. Hij weet dus al precies hoe en wanneer de tijd zal eindigen. Sterker nog, Jezus verzekert ons dat toen hij ontwaakte uit de illusie van tijd en ruimte, wij met hem waren. Dus aan eenieder van ons die nog rotsvast gelooft dat wat er in het leven in onze tijd hier op aarde gebeurt erg belangrijk is, vertelt hij ons op milde toon: “Tijd is een kunstgreep, een goocheltoer, een immense illusie waarin figuren als bij toverslag komen en gaan. Toch zit er een plan achter alle verschijningsvormen dat niet verandert. Het draaiboek is geschreven. Wannéér ervaring een eind komt maken aan jouw twijfelen staat vast. Want wij zien de reis slechts vanaf het punt waarop ze eindigde en kijken erop terug, terwijl we ons inbeelden dat we haar nog eens maken; en we zien mentaal opnieuw wat is voorbijgegaan.” (Wd1.158.4).

Sommige Cursusstudenten interpreteren deze uitspraak als dat alles in de tijd al voorbestemd is, en het dus niets uitmaakt wat we denken, zeggen of doen. Dat is echter niet zo. Hoewel het waar is dat het wanneer en hoe van het einde van de tijd vaststaat, moeten we niet vergeten dat tijd niet lineair verloopt. Alles in de tijd gebeurt nu. We kunnen ons een enorme hoeveelheid tijd besparen door ware vergeving nu te beoefenen. Dit is het wonder, oftewel (a) het besef dat wij de dromer van de droom zijn, en (b) het besef dat het in elk moment aan onszelf is om óf voor angst óf voor liefde te kiezen. “Het wonder bekort de tijd door die samen te vouwen, met als gevolg dat bepaalde tijdsspannes daarbinnen verdwijnen. Het doet dit evenwel binnen het grotere verloop van tijd. […] De fundamentele beslissing van een wondergericht iemand is niet langer dan nodig de tijd te rekken. Tijd is een verspilling, en kan verspild worden. De wonderdoener aanvaardt daarom de factor tijdsbeheersing graag. Hij erkent dat iedere samenvouwing van de tijd iedereen dichter bij de uiteindelijke verlossing van de tijd brengt, waarin de Zoon en de Vader één zijn.” (T1.II.6; T1.V.2).

Het is misschien moeilijk te begrijpen dat Jezus ons vertelt dat het enige nut van de tijd is om de noodzaak voor nog meer tijd ongedaan te maken (T5.VI.12). De duidelijkste verklaring hiervoor vinden we wellicht in hoofdstuk 26 van het Tekstboek, waarin hij onze linaire “horizontale” begrip van tijd vergelijkt met zijn holografische “verticale” begrip van tijd: “Elke dag, en iedere minuut van elke dag, en elk ogenblik dat iedere minuut bevat, herbeleef je slechts het ene ogenblik waarop de tijd van verschrikking de plaats van de liefde innam.” (T26.V.13:1). Met andere woorden: alles dat ooit is gebeurd in de tijd, en alles wat nog zal gebeuren in de tijd gebeurt nu, in elk geval vanuit Jezus’ perspectief van buiten de droom van tijd en ruimte: “[…] nu is de dichtst mogelijke benadering van de eeuwigheid die deze wereld biedt. In de werkelijkheid van het ‘nu’, zonder verleden of toekomst, begint het besef van de eeuwigheid. Want alleen ‘nu’ is hier, en alleen ‘nu’ biedt de gelegenheid voor de heilige ontmoetingen waarin verlossing kan worden gevonden.” (T13.IV.7). Dus onze voortdurende focus op het verleden en de toekomst leidt ons enorm af van de enige keuze die we hebben om de noodzaak voor nog meer tijd te verkorten: vergeving, nú. Maar aangezien dat uiteindelijk het einde van het ego zou betekenen, houden we onszelf steeds bezig in de tijd met trivialiteiten, om deze keuze maar zo lang mogelijk uit te stellen.

“De Verzoening is het middel waarmee je jezelf van het verleden kunt bevrijden terwijl je voorwaarts gaat. Ze maakt je vroegere vergissingen ongedaan en maakt het aldus voor jou onnodig steeds weer op je schreden terug te keren zonder dichter bij je terugkomst te komen.” (T2.II.6). Dit is zo omdat naarmate we consequenter vergeving leren toe te passen in onze dagen hier (wat het wonder is), we feitelijk teruggaan naar dat ontologische oorspronkelijke begin van de tijd, net vóór de Oerknal, waarmee de droom van tijd en ruimte begon: “Evolutie is een proces waarin je van het ene naar het volgende niveau lijkt voort te gaan. Je corrigeert je eerdere misstappen door stappen vooruit te doen. Dit proces is in temporele zin eigenlijk onbegrijpelijk, omdat je terugkeert en tegelijkertijd vooruitgaat.” (T2.II.6).

“In die zin bespaart de Verzoening tijd, maar heft die, net als het wonder dat ze dient, niet op. Zolang Verzoening nodig is, is er tijd nodig. Maar de Verzoening heeft als voltooid plan een unieke relatie tot de tijd. Tot het moment waarop de Verzoening is voltooid, zullen de verschillende fasen ervan in de tijd verlopen, maar de totale Verzoening staat aan het eind van de tijd. Dan is de brug van terugkeer gebouwd.” (T2.II.6). Dus de hoeveelheid tijd die we nog nodig hebben voordat we ontwaken uit de droom hangt af van wie we als gids voor ons denken kiezen: ofwel het ego (dat voor meer tijd zal zorgen), ofwel de Heilige Geest, die buiten de tijd staat met ons ware Zelf, en die geduldig wacht totdat we de juiste keuze maken. Daarom kan het consequent beoefenen van vergeving ons wel “duizend jaar besparen” (Wd1.97.3), dat wil zeggen: vele reïncarnaties in lichamen in de tijd en ruimte.

De tijd is dus inderdaad een “een truc, een goocheltoer, een immense illusie” — een onjuist concept dat wij verzonnen: de droom van tijd en ruimte, bedoeld om ons te kunnen verstoppen voor een ingebeelde wraakzuchtige God. Deze zotte droom kunnen we beëindigen door voor het wonder te kiezen, ofwel vergeving. “Tijd en eeuwigheid bevinden zich beide in je denkgeest, en zullen conflicteren totdat je ziet dat de tijd louter een middel is om de eeuwigheid te hervinden. […] Leer dat de tijd tot jouw beschikking staat, en dat niets ter wereld jou deze verantwoordelijkheid kan ontnemen” (T22.II.10:2). Gelukkig! Wij zijn geen slaaf van de tijd, ondanks wat onze waarneming van alle verval in de tijd ons vertelt: “De tijd zelf is jouw keuze. Als jij je de eeuwigheid wilt herinneren, dien je alleen oog te hebben voor het eeuwige.” (T10.V.14:3).

Hoe leren we om alleen oog te hebben voor het eeuwige? Door alle veroordeling op te geven; door het “gelaat van Christus” van pure onschuld in iedereen te zien; door geen enkel schijnbaar conflict meer de macht te geven je vrede te verstoren. We delen immers allemaal hetzelfde hoogste belang, namelijk: het terugkeren naar eeuwige Liefde, Eenheid, God, onze Schepper. Een cursus in wonderen helpt ons om die fundamentele keuze helder voor ogen te krijgen en houden: “Als jij jezelf veroorlooft totaal door het tijdelijke in beslag te worden genomen, leef je in de tijd. Zoals steeds wordt jouw keuze bepaald door wat jij waarde toekent. Tijd en eeuwigheid kunnen niet beide werkelijk zijn, want ze zijn met elkaar in tegenspraak. Als je alleen het tijdloze als werkelijk aanvaardt, zul je de eeuwigheid beginnen te verstaan en je die eigen maken. […] De tijd lijkt in één richting te verlopen, maar wanneer je zijn eind bereikt, zal hij zich oprollen als een lange loper, achter je uitgerold over het verleden, en verdwijnen. Zolang je gelooft dat de Zoon van God schuldig is, zul je over deze loper lopen, overtuigd dat hij leidt naar de dood. En de reis zal lang, bar en zinloos lijken, want dat is ze ook.” (T10.V.14:6-9; T13.I.3:5-6).

Zodra we in vreugde en dankbaarheid de leiding van de Heilige Geest aanvaarden, kunnen we ons veroorloven om geduldig vertrouwen te hebben in de goede afloop. De keuze voor een wonder levert direct genezende resultaten op, zowel voor jezelf als voor allerlei zielen die je wellicht nog nooit hebt ontmoet, allemaal volgens het ‘plan’ van de Heilige Geest: “Wat jij nu moet leren is: alleen oneindig geduld sorteert onmiddellijk effect. Op deze manier wordt de tijd voor de eeuwigheid verruild. Oneindig geduld roept oneindige liefde op [door het aanvaarden van het wonder] en door nu resultaat op te leveren maakt het de tijd overbodig.” (T5.VI.12).

Ter afsluiting: zolang we nog geloven dat we een lichaam zijn, afgescheiden van alle andere lichamen, elk met eigen belangen, elk met eigen angsten, maken we voor onszelf meer tijd om de Verzoening op een afstandje te houden. Maar dat is onze eigen keuze, en die kunnen we veranderen. Zodra we van gids veranderen, omdat “we slecht onderwezen werden” (T28.I.7:1), beseffen we dat we allemaal hetzelfde hoogste belang hebben, en allemaal even onschuldig zijn: “Wanneer je de heilige metgezellen ziet die met jou meereizen, zul je beseffen dat er geen reis is, maar alleen een ontwaken.” (T13.I.7:1). Daarom is het voltooien van het leerplan van Een cursus in wonderen een “reis zonder afstand naar een doel dat nooit veranderd is” (T8.VI.9). “Wat God voor jou gewild heeft is van jou. Hij heeft Zijn Wil geschonken aan Zijn schat, wiens schat dit is. Jouw hart is waar jouw schat is, evenals het Zijne. Jij die door God bemind bent, bent volkomen gezegend. Leer dit van mij, en bevrijd de heilige wil van al degenen die even gezegend zijn als jij.” (T8.VI.10).

— Jan-Willem van Aalst, maart 2018 (vertaling van https://miraclesormurder.wordpress.com/2018/03/10/advancing-to-our-return/)

Ik heilig, jij heilig, iedereen heilig?

In het werkboek voor studenten van Een cursus in wonderen zien we vanaf les 36 het thema van onze heiligheid besproken worden, als in “Mijn heiligheid omsluit al wat ik zie”; “Mijn heiligheid zegent de wereld”; “Er is niets wat mijn heiligheid niet kan”; en zelfs “Mijn heiligheid is mijn verlossing.” (WdI.36-39). Dit is niet hoe we onszelf in het algemeen zien. Als we heel eerlijk naar binnen kijken, zien we vooral “onzekerheid, eenzaamheid, en voortdurende angst” (T31.VIII.7:1). Zoals Jezus vaak uitlegt in zijn Cursus, komt dit omdat we een gespleten denkgeest hebben: enerzijds voelen we ons verschrikkelijk schuldig over de afscheiding en dus Gods Liefde niet waardig; anderzijds weten we allemaal diep vanbinnen wel dat we allemaal in dezelfde Geest verbonden zijn. Hoe past de notie van onze heiligheid daar in?

Deze gespletenheid wordt in Een cursus in wonderen vaak gekarakteriseerd als het verschil tussen onjuist-gericht denken (wanneer onze gedachten geleid worden door het ego, de stem namens afscheiding) en juist-gericht denken (wanneer onze gedachten geleid worden door de Heilige Geest, de stem namens Liefde). Een belangrijk doel van deze lessen is om onszelf te trainen in het mild en oordeelloos aanschouwen (observeren) van onze onjuist-gerichte, of onheilige gedachten. Jezus wil dat jij en ik gaan beseffen hoe vaak we op een dag niet kiezen voor juist-gericht denken, dat wil zeggen: de oorzaak van alles wat we negatief vinden buiten onszelf zoeken. Dat is natuurlijk slechts een projectie van onze eigen ingebeelde waardeloosheid: “Verdoeming is jouw oordeel over jezelf, en dit zul jij op de wereld projecteren. Zie haar als verdoemd, en het enige wat je ziet is wat jij gedaan hebt om de Zoon van God te pijnigen. Als je onheil en rampspoed ziet, heb je geprobeerd hem te kruisigen. Als je heiligheid en hoop ziet, heb jij je met Gods Wil verbonden om hem te bevrijden” (T21.in.2:1-4).

Zolang jij en ik nog geloven dat we als afgescheiden lichaam in een wereld van afgescheidenheid leven, zitten we vast in onjuist-gericht denken. Dat wil zeggen, we denken dat we gezondigd hebben tegen onze Schepper (door op onszelf te willen zijn, losgerukt uit de Eenheid). Daar voelen we ons enorm schuldig over, wat leidt tot de doodsangst om zwaar bestraft te worden. En dus verstoppen we ons in een gefragmenteerde wereld van afgescheidenheid, hopend tegen beter weten in dat God ons niet zal vinden om zijn wraak uit te voeren, wat hopeloos is omdat we één ding zeker weten: we gaan een keer dood. Hoewel veel van deze angst onbewust is, is dit wel degelijk de vloek die wij over onszelf in stand houden. Dat is de reden dat iedereen zich “onzeker, eenzaam en voortdurend angstig” voelt. Deze vroege werkboeklessen nodigen ons dus uit om een heel andere manier van denken te verkennen, wat in de tekst visie wordt genoemd (bijv. T-12.VI). Juist-gericht denken betekent dat we inzien dat het “nietig, dwaas idee” (T27.VIII.6) een lachwekkende onwaarheid is. De waarheid is dat wij, als Zoon van God, niet hebben gezondigd. God is niet woest. Wij zijn niet ons lichaam. De wereld die we waarnemen is slechts een nare droom. De werkelijkheid van alles en iedereen is pure geest, ondanks wat onze zintuigen aan onze hersenen rapporteren.

Het idee van onze heiligheid heeft dan ook niets van doen met het lichaam of de materiële wereld om ons heen. Het duidt op ons vermogen om juist-gericht te denken; of preciezer gezegd: het vermogen van de keuzemaker in onze denkgeest om daarvoor te kiezen. Wanneer ik daadwerkelijk kies voor de heiligheid van mijn juist-gerichte gedachten, verandert mijn waarneming en interpretatie van de wereld onvermijdelijk ook. Vergeet niet dat de metafysica van Een cursus in wonderen stelt dat de wereld die we aanschouwen louter een projectie is van de gedachten die mijn denkgeest kiest. Zo binnen, zo buiten. Dus wanneer ik mezelf als heilig zie, dan moet jij dat ook zijn, en met jou iedereen, omdat heiligheid een kenmerk is van geest. En we zijn allen manifestaties van dezelfde ene Geest. In hoeverre we daadwerkelijk kiezen voor juist-gericht denken kunnen we zien door naar onze relaties te kijken: “Verlossing is een gezamenlijke onderneming” (T4.VI.8:2); “De ark van vrede wordt twee aan twee betreden” (T20.IV.6:5), en natuurlijk het vaak aangehaalde citaat “jij en hij zullen in vertrouwen jullie ogen samen opslaan, of helemaal niet” (T19.IV-D.12:8).

Dat betekent overigens niet dat ik zoveel mogelijk mensen zou moeten proberen te bekeren. Aangezien onze waarneming (interpretatie) van de wereld een gevolg is van onze keuze voor juist of onjuist-gericht denken, hoeven we onze heiligheid niet te demonstreren in uiterlijk gedrag. Zoals Jezus zegt in werkboekles 37: “Jouw heiligheid is de verlossing van de wereld. Ze laat je de wereld onderwijzen dat ze één met je is, niet door tegen haar te preken, noch door haar iets te vertellen, maar gewoon door jouw stille inzicht dat in jouw heiligheid alle dingen samen met jou gezegend zijn.” (W-pI.37.3:1-2). Dat is een ontnuchterende gedachte. Zoals Kenneth Wapnick vaak benadrukte: we hoeven niet de wereld te redden. We hoeven niet van de wereld gered te worden. We moeten slechts onze eigen denkgeest ‘redden’ van onze vergissing om in een afgescheiden wereld te geloven. We hoeven niets uiterlijks te doen om andere mensen van hun ellende te verlossen: “Bekommer je niet om de uitbreiding van heiligheid, want het wezen van wonderen begrijp je niet.” (T16.II.1:3); “Vergeving uitbreiden is de functie van de Heilige Geest. Laat dat aan Hem over. Laat het alleen jouw zorg zijn Hem te geven wat kan worden uitgebreid.” (T22.VI.9:2-4). “Laat de overdracht van wat jij leert dan ook over aan Degene die de wetten daarvan werkelijk begrijpt en die zal garanderen dat ze ongeschonden en onbeperkt blijven. Jouw aandeel bestaat er slechts in wat Hij jou heeft geleerd toe te passen op jezelf, en Hij zal de rest doen” (T27.V.10:1-2.

Dus wanneer Jezus in werkboekles 38 zegt dat er “niets is dat mijn heiligheid niet kan doen”, dan heeft hij het niet over het genezen van de zieken, het vinden van een parkeerplek, of het verplaatsen van een berg. Jezus verwijst naar het vermogen van de denkgeest (de keuzemaker) om een wonder beschikbaar te stellen aan de Heilige Geest (een wonder is de keuze voor Liefde, het einde van veroordeling). Die neemt dat geschenk graag aan en gebruikt dit op de best mogelijke manier in de collectieve denkgeest van de slapende Zoon van God: “Jouw heiligheid is in haar macht volkomen onbegrensd, omdat ze jou bekrachtigt als Zoon van God, één met de Denkgeest van zijn Schepper. Door jouw heiligheid wordt de macht van God gemanifesteerd. Door jouw heiligheid wordt de macht van God beschikbaar. En er is niets wat de macht van God niet vermag. Jouw heiligheid kan daarom alle pijn wegnemen, alle leed beëindigen en alle problemen oplossen. Ze kan dit doen met betrekking tot jezelf en ieder ander.” (Wd1.38.1:3-2:5).

Voor onze lineair geprogrammeerde hersenen is dit volstrekte nonsens. Hoe zou ik ooit alle pijn die ik on me heen zie kunnen genezen, louter door me mijn Identiteit als geest (Liefde) weer te herinneren en al mijn eigen veroordelende gedachten te vergeven? Dit werkt omdat de Heilige Geest, de Stem namens Liefde, als verbinding fungeert tussen nondualisme (werkelijkheid) en de dualistische droomwereld van tijd en ruimte. De Heilige Geest is niet gebonden aan beperkingen als tijd, ruimte, afstand, of wat voor begrenzing dan ook. We zouden altijd in gedachten moeten houden dat een wonder, dat wil zeggen de bewuste keuze voor Liefde en vergeving, helende effecten kan hebben op plekken in de wereld waar jij en ik nog nooit geweest zijn. Zowel tijd en ruimte zijn irrelevant voor het wonder. Maar er wordt, nogmaals, niet van ons verlangd dat wij dit begrijpen; alleen al het “Hem geven wat kan worden uitgebreid” (d.w.z., een liefdevolle vergevende gedachte) volstaat, en vat onze belangrijkste functie samen hier in deze denkbeeldige wereld van tijd en ruimte. En we zijn heilig omdat het ons gegeven is deze keuze te kunnen maken.

Als dit alles nou ontzettend vaag overkomt, weet dan dat het goede nieuws is dat jij en ik dit kunnen oefenen in zeer praktische situaties van dag tot dag. Wees simpelweg alert op elke negatieve gedachte die in je opkomt: “Specifieke situaties, gebeurtenissen of personen die jij associeert met allerlei liefdeloze gedachten, zijn geschikte onderwerpen voor de oefeningen van vandaag. Het is voor jouw verlossing noodzakelijk dat jij ze anders gaat zien. […] Het is van groot belang het idee [van vergeving] te gebruiken wanneer iemand een vijandige reactie in jou lijkt op te roepen. Schenk hem onmiddellijk de zegen van jouw heiligheid, zodat jij leert die in je eigen bewustzijn te bewaren.” (Wd1.39.7; Wd1.37.6:3-4). Dat laatste is erg belangrijk. Je kunt heiligheid alleen delen als je voelt dat je die zelf hebt: “Hoe zou jij, aan wie jouw heiligheid toebehoort, er dan van uitgesloten kunnen zijn? God kent geen onheiligheid. Kan het zijn dat Hij Zijn Zoon niet kent? […] Jouw heiligheid betekent het einde van schuld, en daarmee van de hel.” (W39.4:2-6).

Mijn liefdeloze gedachten over wie of wat dan ook (allemaal uiteindelijk over mezelf) houden mijzelf in de hel. Mijn heiligheid betekent dat ik een andere keuze kan maken: de keuze voor visie; de keuze om te vergeven; de keuze om de hel te beëindigen waar we nog allemaal in denken te leven. Deze keuze is in werkelijkheid de meest natuurlijke om te maken, maar vaak voelt dat niet echt zo. Om “waakzaam te zijn louter voor God en Zijn Koninkrijk” (T6.V-C) vergt discipline, aanhoudende aandacht en volhardende ijver. Daarom is het, om een bekend citaat nog maar eens aan te halen, “niet jouw taak op zoek te gaan naar liefde, maar enkel in jezelf alle hindernissen te zoeken die jij ertegen opgeworpen hebt, en die te vinden.” (T16.IV.6:1). Dat klinkt als hard werken, en dat is het ook. Maar de beloning is dan ook fantastisch: “Vrede; geluk; een kalme denkgeest; doelgerichtheid en een gevoel van waarde en schoonheid dat de wereld overstijgt; zorg en geborgenheid en de warmte van een veilige bescherming, voor altijd; een kalmte die niet kan worden verstoord, een zachtmoedigheid die nooit kan worden gekwetst; een diepe, blijvende troost, en een rust zo volmaakt dat die nooit kan worden geschonden.” (Wd1.122.1:2-6). Als dat niet motiveert! Veel inspiratie gewenst!

— Jan-Willem van Aalst, maart 2018 (vertaling van https://miraclesormurder.wordpress.com/2018/03/04/holy-me-holy-you-holy-all/)

Lezen dat je niet je lichaam bent

Een cursus in wonderen is een leerplan voor gedachtentraining, met als doel om je denken te richten op de ervaring van blijvende innerlijke vrede. Jezus, als bron van de Cursus, staat voor de formidabele taak om de lezer, die nog meent dat hij een lichaam is die een boek vasthoudt, er van te overtuigen dat je niet je lichaam bent; sterker, dat de materiële wereld om ons heen in werkelijkheid niet bestaat (WdI.132.6:2), en dat alles wat we waarnemen niet echter is dan wat we in onze nachtelijke dromen meemaken. Dit is één van de redenen dat Jezus zoveel symbolisme en poëtische beeldspraak gebruikt in zijn Cursus, want een boodschap die zó radicaal is laat zich niet in rationele wetenschappelijke termen vatten. Onze wetenschap is immers gestoeld op de basis-aanname dat tijd en ruimte echt zijn, en dat wij de wereld kunnen begrijpen en beïnvloeden door te bekijken wat goed doordachte experimenten in die wereld opleveren. Maar Jezus legt juist uit dat wij niet uit materie bestaan, maar uit pure geest, die in werkelijkheid nog steeds Thuis is in het Hart van God (synoniem met Liefde). De materiële wereld is louter een nachtmerrie, waaruit we heel goed in staat zijn om te ontwaken. Kortom, Jezus probeert een nondualistische boodschap over te brengen op een dualistisch lezerspubliek dat zich nog steeds innig identificeert met een lichaam in tijd en ruimte, bewust of onbewust. Hoe gaat hij daar in slagen?

In Hoofdstuk 18 van het Tekstboek stelt Jezus ons de vraag: “Kun jij die jezelf in een lichaam ziet jezelf kennen als een idee? Alles wat jij ziet vereenzelvig je met uiterlijkheden, met iets buiten zichzelf. Je kunt niet eens denken aan God zonder een lichaam, of in een of andere vorm die je denkt te herkennen.” (T18.VIII.1:5-7). Laat dat eens even binnenkomen! In het daaropvolgende hoofdstuk vat Jezus de inherente onwerkelijkheid van het fysieke lichaam samen: “Het lichaam sterft evenmin als het kan voelen. Het doet niets. Van zichzelf is het noch vergankelijk, noch onvergankelijk. Het is niets.” (T19.IV-C.5:2-5). Om ons er verder van te overtuigen dat wij heel goed zonder ons lijf kunnen bestaan, vertelt hij over zijn eigen leerproces: “Ik was een mens die zich de geest en de kennis van de geest herinnerde.” (T3-IV.7:3); en in de Verklaring van Termen gaat hij daar verder op in, verwijzend naar zichzelf: “De naam Jezus is de naam van iemand die mens was, maar in al zijn broeders het gelaat van Christus zag, en zich God herinnerde. Zo werd hij met Christus vereenzelvigd, een mens niet langer, maar één met God. De mens was een illusie, want hij leek een afgescheiden wezen te zijn, op zichzelf staand, in een lichaam dat zijn zelf leek weg te houden van het Zelf, wat alle illusies doen. […]. Door zijn volledige vereenzelviging met de Christus – de volmaakte Zoon van God – […] werd Jezus wat jullie allen zijn. Hij ging jou voor, zodat je hem kunt volgen.” (VvT-5.2:1-3:2).

Nogmaals, het moeilijke hieraan is dat het een nondualistische boodschap is, gericht aan lezers voor wie dualiteit nog steeds de dagelijkse ervaring is. Om die dualiteit in één keer op te geven voor iets wat volslagen onbekend is, kan nogal beangstigend zijn, om het zacht uit te drukken. Jezus beseft dit terdege, en daarom is zijn onderricht altijd mild en geduldig. Nergens beveelt Jezus ons om ons diep gekoesterde lichaam op te geven: “Toch is het haast onmogelijk zijn bestaan in deze wereld te ontkennen. Wie dit doet, begaat een bijzonder onwaardige vorm van ontkenning. […] Het lichaam kan alleen verkeerd handelen wanneer het gehoor geeft aan verkeerd denken.” (T2.IV.3:10-11; 2:5). Het is zelfs zo dat de Heilige Geest, waar Jezus als de auteur van deze Cursus één manifestatie van is, het concept van het fysieke lichaam kan gebruiken om het ego van alle kracht te ontdoen, door de uitweg uit de nachtmerrie te illustreren: “Het lichaam werd niet door liefde gemaakt. Toch veroordeelt de Liefde het niet en kan ze het liefdevol gebruiken, omdat ze respect heeft voor wat de Zoon van God heeft gemaakt en dit aanwendt om hem van illusies te verlossen.” (T18.VI.4:7-8). Dus het lichaam wordt niet afgedaan als iets negatiefs, zoals in zoveel andere spiritualiteiten wel gebeurt. Het lichaam kan een nuttig leermiddel zijn om de Liefdeslessen van de Heilige Geest te leren (T6.V).

Er is slechts één Leraar van God nodig om de wereld te verlossen (H-12), namelijk jijzelf. Je doet dit door de vele andere lichamen die je lijkt te ontmoeten te herinneren aan het Alternatief wat hun denkgeest kan kiezen: de keuze voor Liefde. Lichamen zijn gescheiden, maar denkgeesten zijn verbonden: “Waarom is de illusie dat er velen zijn noodzakelijk? Alleen omdat de werkelijkheid voor hen die in waan verkeren niet te begrijpen is. Slechts zeer weinigen kunnen Gods Stem überhaupt horen […] Ze hebben een hulpmiddel nodig waardoor communicatie mogelijk wordt met degenen die niet beseffen dat ze geest zijn. Een lichaam kunnen ze zien. Een stem verstaan ze en daarnaar luisteren ze, zonder de angst waarop de waarheid in hen zou stuiten. Vergeet niet dat de waarheid alleen daar kan komen waar ze zonder angst verwelkomd wordt. Daarom hebben Gods leraren een lichaam nodig, want hun eenheid kan niet rechtstreeks worden herkend.” (H-12.3). Zo gebruikt Jezus dualiteit om zijn boodschap van nondualiteit te brengen: “Deze cursus blijft binnen het kader van het ego, waar hij nodig is. Hij houdt zich niet bezig met wat voorbij alle dwaling ligt, omdat hij alleen ontworpen is om de richting daarnaar aan te geven.” (VvT.in.3:1-2).

Nergens dwingt Jezus zijn studenten hun lichaam om te geven voordat zijn boodschap over nondualisme zonder angst kan worden aanvaard. Hij richt zich altijd op de denkgeest, die uiteindelijk de oorzaak is van het lichaam; daarom is dit een Cursus in gedachtentraining. En denkgeesten zijn verbonden. Zodra de collectieve denkgeest is genezen, wordt aan het lichaam geen enkele waarde meer toegekend, en zal het simpelweg verdwijnen omdat het simpelweg wordt vergeten; samen met alles in tijd en ruimte (daarom heet het eerste boek van Gary Renard “De verdwijning van het universum”). Maar zover zijn we nog niet: “We leggen nu de nadruk op genezing. Het wonder [van vergeving] is het middel, de Verzoening is het beginsel, en genezing [d.w.z., terugkeer naar nondualiteit] is het resultaat.” (T2.IV.1:1-2; mijn cursivering).

Ware verlossing, ofwel het aanvaarden van de Verzoening, is derhalve een langzaam leerproces binnen de dualistische droom van tijd en ruimte, en dit is precies wat we nodig hebben om onze angst voor het verlies van onze individualiteit en autonomie te kunnen laten varen, hoe illusoir die ook zijn: “Vrees niet dat je opeens zult worden opgetild en de werkelijkheid in geslingerd. De tijd is mild, en als je hem ten behoeve van de werkelijkheid benut zal hij bij jouw overgang zachtjes gelijke tred met je houden.” (T16.VI.8:1). In Hoofdstuk 27 licht Jezus dit verder toe: “Zo beangstigend is de droom, en zo schijnbaar werkelijk, dat hij [d.w.z. de slapende Zoon, wij allen dus] niet zonder angstzweet en een doodskreet tot de werkelijkheid zou kunnen ontwaken, als niet een vriendelijker droom zijn ontwaken voorafging en ervoor zorgde dat zijn gekalmeerde denkgeest de Stem verwelkomde en niet vreesde, die met liefde roept om hem te doen ontwaken; een vriendelijker droom waarin zijn lijden is genezen en zijn broeder zijn vriend is. God heeft gewild dat hij zachtjes en van vreugde vervuld wakker wordt, en hem het middel geschonken om zonder angst te ontwaken.” (T27.VII.13:4-5).

Bedenk wel dat, telkens wanneer je met de Cursus bezig bent, het niet zo is dat Jezus ons een “prettiger” leven belooft om als individu in de dualistische wereld van tijd en ruimte te kunnen blijven, zoals we bij veel andere spiritualiteiten zien. Een cursus in wonderen is compromisloos waar het gaat om het metafysische fundament: blijvende innerlijke vrede kan nooit gevonden worden in een lichaam in de dualistische droom van tijd en ruimte. Jezus bezigt poëtisch dualistisch taalgebruik louter om onze denkgeest te helpen het verschil tussen dualiteit (het ego) en nondualiteit (God; Eenheidsliefde) helder te krijgen. Het is daarbij een grote troost te lezen dat verlossing per definitie vaststaat. Dat wil zeggen, iedereen zal vroeg of laat het lichaam achter zich laten, niet uit spijt maar met een zucht van verlichting: “Het draaiboek is geschreven. Wannéér ervaring een eind komt maken aan jouw twijfelen staat vast. Want wij zien de reis slechts vanaf het punt waarop ze eindigde en kijken erop terug, terwijl we ons inbeelden dat we haar nog eens maken; en we zien mentaal opnieuw wat is voorbijgegaan.” (Wd1.158.4:3-5).

Dus steeds wanneer je met dat blauwe boek van Jezus’ leerplan bezig bent, probeer je dan gewaar te zijn van de nondualistische boodschap die achter poëtische dualistische woorden schuil gaat. Aanvaard voor nu dat je jezelf nog steeds innig met je lichaam identificeert; je hoeft je daar niet schuldig om te voelen. Maar door Jezus’ aanwijzingen in de tekst te volgen en de dagelijkse werkboeklessen te oefenen, train je de denkgeest om jezelf steeds meer als vormloze geest te zien; het abstracte, eeuwige Licht van Liefde wat wij allemaal zijn: de Ene Zoon van God die in werkelijkheid nooit Zijn Thuis in het Hart van God heeft verlaten. Zonde bestaat niet. Onze Vader houdt van Zijn Zoon “en Hij wil niets anders” (T8.VI.4:4). Wijs je lichaam niet af, maar laat het steeds iets meer naar de achtergrond opschuiven. Breng tegelijkertijd het Licht van Eenheid steeds wat meer naar de voorgrond. Je zult merken dat dit de hele wereld om je heen doet oplichten, want jouw ervaring van de wereld weerspiegelt slechts de staat van je denken.

We besluiten met een passage uit de prachtige werkboekles 190: “Mijn heilige broeder, denk eens een moment hieraan: de wereld die jij ziet doet niets. Ze heeft absoluut geen gevolgen. Ze is slechts de weergave van jouw gedachten. En ze zal volkomen veranderen zodra jij besluit je denken te veranderen en jij de vreugde van God kiest als wat jij werkelijk verlangt. […] Leg je wapens neer en ga zonder verdediging de stille plaats binnen waar de hemelse vrede alles tenslotte in stilte bewaart. Leg alle gedachten aan gevaar en angst af. Laat geen aanval met jou mee naar binnen gaan. Leg het wrede zwaard des oordeels neer dat je tegen je eigen keel houdt, en stop de vernietigende aanslagen waarmee jij je heiligheid probeert te verbergen. Hier zul je inzien dat er geen pijn is. Hier behoort de vreugde van God jou toe.” (Wd1.190.6:1-4; 9:1-10:2).

— Jan-Willem van Aalst, maart 2018 (vertaling van https://miraclesormurder.wordpress.com/2018/02/25/the-body-that-reads-hes-not-a-body/)

Welke dromen willen we?

In werkboeklessen 31 en 32 in Een cursus in wonderen lezen we dat wij niet het slachtoffer zijn van de wereld die we zien, omdat wij de wereld zelf bedacht hebben (Wd1.32.1:2). Waarop Jezus direct vervolgt: “Je kunt haar even gemakkelijk opgeven als je haar gemaakt hebt. Je zult haar zien of niet zien, al naar je wenst.” (Wd1.32.1:3-4). Dit klinkt op z’n zachtst gezegd nogal vreemd, zelfs beledigend. Heb ik alle ellende bedacht die ik op het journaal zie? Heb ik de ziektes gemaakt die ik bij de dierbaren om mij heen zie toeslaan? Heb ik alles gemaakt wat zo mis lijkt te gaan in mijn leven? Waar heeft Jezus het over?

In deze vroege werkboeklessen introduceert Jezus op een subtiele manier de metafysica van Een cursus in wonderen. De strikt nondualistische essentie van de Cursus is erg radicaal en compromisloos. Het vereist een zorgvuldige kennismaking ermee, willen we ooit bereid worden die te aanvaarden. Want waar hebben we het over: volgens de Cursus is de wereld waarin jij en ik lijken te leven, net zo goed een droom als onze nachtelijke dromen. Als we ’s ochtends wakker worden, dan worden we wakker in de ‘waakdroom’, die net zo illusoir is als onze nachtelijke dromen. Tijd en ruimte zélf zijn niet echt. Het lichaam werd louter gemaakt om een leven binnen tijd en ruimte te kunnen ervaren; het kan er niet aan voorbij gaan. Onze werkelijke essentie is niet een lichaam, maar geest, buiten tijd en ruimte. Lichamen zijn vorm; geest is inhoud. Een lichaam bestaat even, maar de geest is eeuwig. Alle miljarden lichamen (fauna, flora en mineraal) die hier lijken te bestaan komen allemaal voort uit dezelfde inhoud: geest.

Voor iedereen die zichzelf hier in een afgescheiden lichaam ervaart lijkt deze hele redenatie klinkklare nonsens, in elk geval zolang we geloven dat onze zintuigen ons de waarheid tonen. Maar is dat wel de waarheid? Kwantumfysici stellen al een poos dat zowel tijd en ruimte uiteindelijk denkbeeldig zijn. Door de meeste wetenschappers wordt dit echter nog steeds goeddeels genegeerd; dit aanvaarden zou betekenen dat een eeuw wetenschappelijke inzichten overboord gegooid kan worden, en dat is te pijnlijk; bovendien lijkt de kwantumfysica weinig praktische betekenis te hebben voor ons dagelijks leven. Maar volgens Jezus in Een cursus in wonderen is de werkelijke reden van het onze weerstand hiertegen weigeren op te geven, dat we deze wereld niet willen opgeven; dat zou namelijk het einde betekenen van onze waargenomen afgescheiden autonomie, het ‘zelfje’ dat jij en ik denken te zijn.

Nogmaals, vanuit een metafysisch, nondualistisch oogpunt is de oorzaak van de wereld het “nietig, dwaas idee” (T27.VIII.6:2) van de wens om op onszelf te zijn, afgescheiden van de Eenheidsliefde die God is. Wij allen samen, als Christus, de Ene Zoon van God, zijn het effect van die Liefde. Het “nietig, dwaas idee” is de kwantummogelijkheid dat de Zoon van God zich inbeeldt dat hij niet een effect is, maar zelf schepper; op zichzelf, los van zijn eigen Schepper. In die kwantummogelijkheid is bewustzijn geboren, en dus het ego. Het ego is geen wezen op zichzelf. Het ego is slechts het denksysteem van afscheiding, van individualiteit, en dus van de aanval op Eenheid. En in die kwantummogelijkheid neemt de Zoon van God dat denksysteem serieus. Zodra de Zoon zich echter realiseert dat de Eenheid daarmee verbroken is, wordt zijn denkgeest overspoeld met schuldgevoel. Om aan de ingebeelde straf van zijn eigen Schepper te ontkomen, volgde de Zoon het advies van het ego op om zich te verstoppen in verdere fragmentatie van zichzelf. Dit veroorzaakte de Oerknal, en het begin van de droom van tijd en ruimte, die nu al zo’n veertien miljard jaar lijkt te duren.

Dus wanneer Jezus ons vertelt dat wij de wereld die wij zien zelf hebben bedacht, dan bedoelt hij dat letterlijk. Elke afgescheiden vorm die jij en ik om ons heen ervaren, is slechts een deel van de ‘waakdroom’ die we hebben bedacht om de straf van God te kunnen ontlopen, terwijl we wél autonoom kunnen blijven. Helaas blijkt dat niet te werken: omdat het schuldgevoel over deze oerzonde te afgrijselijk is om onder ogen te zien, wordt deze steeds weg-geprojecteerd, zodat al het kwaad nu buiten het eigen zelf lijkt te zijn. Dus elk fragmentje in de waakdroom van tijd en ruimte denkt dat de zonde en de schuld altijd in een ander zitten. Ik zal dus vroeg of laat zeker worden aangevallen, en daarom loop ik hier net als iedereen “onzeker, eenzaam, en in voortdurende angst” rond (T31.VIII.7:1). Daarom lezen we in de Cursus dat “de wereld werd gemaakt als een aanval op God” (Wd2.3.2:1) en dat deze waakdroom een ware hel is (P2.IV.3:1) — let wel: een hel die we zelf hebben verzonnen, en die niets meer dan een droom blijft (nachtmerrie, eigenlijk), waaruit we goed in staat zijn om te ontwaken, als we dat zouden wensen.

Eén van Jezus’ meest confronterende boodschappen in Een cursus in wonderen is dat deze wereld – deze hel – ons niet zomaar is overkomen: we wilden deze, we maakten deze; we willen die nog steeds, we maken die nog steeds. We kiezen nog steeds voor een hel. Dit is de ego-strategie om de illusie van afgescheidenheid van God (Liefde; Eenheid) hoog te houden, maar om er anderen voor verantwoordelijk te houden: “De wereld die jij ziet is een precieze weergave van wat jij dacht te hebben gedaan. Behalve dat je nu denkt dat wat jij deed jou is aangedaan. De schuld voor wat jij hebt gedacht wordt buiten jezelf gelegd, op een schuldige wereld die in jouw plaats jouw dromen droomt en jouw gedachten denkt. […] Als je eenmaal jezelf zover hebt gebracht hun de schuld te geven, zul je de oorzaak niet zien van wat ze doen, omdat jij verlangt dat de schuld op hen rust.” (T27.VIII.7:2-4;8:2). Hierdoor kan ik blijven geloven dat ik het onschuldige slachtoffer ben, en dat God anderen zou moeten straffen.

Dus wanneer Jezus zegt dat wij de wereld die wij zien zelf bedacht hebben, bedoelt hij in de eerste plaats “Ik heb mijn interpretatie van de wereld die ik zie zelf bedacht”. Ik heb ervoor gekozen de wereld te interpreteren als schuldig en vijandig; als onschuldig individu kan ik steeds aangevallen worden. Hiermee kies ik voor het ego als de gids van mijn gedachten. Maar omdat de keuze voor deze interpretatie mijn eigen keuze is, kan ik ervoor kiezen de wereld anders te interpreteren. Deze keuzevrijheid is mijn enige hoop om een uitweg uit alle pijn te vinden; een uitweg uit de droom, uit tijd en ruimte, terug naar mijn ware erfgoed als het effect van de eenheidsliefde van God. Je ontsnapt uit deze hel door je waarneming en interpretatie van deze wereld te veranderen, door een andere Leraar te kiezen voor je denken. Gelukkig kwam deze Leraar met ons mee in de droom van tijd en ruimte, omdat onze eenheid met God nooit verbroken kan worden, zelfs niet in een droom.

In Een cursus in wonderen heet deze andere Leraar de Heilige Geest. In het werkboek wordt hij geïntroduceerd in les 34: “Ik zou in plaats hiervan vrede kunnen zien”. Deze lestitel had net zo goed kunnen zijn: “Ik zou in plaats hiervan de Heilige Geest kunnen horen”, of “Ik zou in plaats hiervan Gods Liefde kunnen ervaren”, of “Ik zou in plaats hiervan naar Jezus kunnen luisteren” – allemaal vormen van dezelfde inhoud. Zodra ik mij realiseer dat deze wereld mij niet zomaar overkomt, maar dat ik (als holografisch deel van de slapende Zoon van God) de dromer van de droom van tijd en ruimte ben, kan ik mijn gehechtheid aan allerlei vormen daarin anders bezien, en me meer richten op de inhoud erachter. Deze inhoud is altijd ofwel angst (het ego) ofwel liefde (de Heilige Geest). In plaats van overal schuld, haat, aanval en pijn om me heen te zien (wat ook betekent dat ik dit onbewust in mezelf zie, ook al besef ik dat niet direct zo), zou ik er voor kunnen kiezen om voorbij al die vormen te kijken naar dezelfde liefdevolle inhoud van het pure licht dat de kern is van alles wat ik waarneem. Jezus noemt dat ware waarneming. En dat is een keuze – de belangrijkste keuze die ik in mijn leven kan maken.

“Uit jouw vredige denkgeest vloeit een vredige waarneming van de wereld voort.” (Wd1.34.1:4). Daarom is Een cursus in wonderen een leerplan in het trainen van je denkgeest (T1.VII.4:1). Meestal is onze denkgeest verre van vredig, maar dat hoeft niet zo te zijn (T4.IV.1). Een vredige denkgeest is een keuze, en Een cursus in wonderen is een goed hulpmiddel om de denkgeest te leren focussen op ware waarneming en innerlijke vrede. Zeker zal deze ervaring van innerlijke vrede niet direct alle ellende oplossen die we op het journaal zien. Maar in plaats van nog steeds de wereld als de waarheid te beschouwen en steeds te blijven proberen de wereld te verbeteren (wat nooit zal werken omdat het de oorzaak van de wereld niet aanpakt), zouden we ervoor kunnen kiezen voorbij de waakdroom te zien en te luisteren naar de Heilige Geest, die onze echte wil vertegenwoordigt. Als ik ooit vrede in mijn leven wil ervaren, dan zal dat bij mijzelf moeten beginnen, dat wil zeggen: in mijn denkgeest. Niets buiten mij zal mij enige vrede brengen. Herinner je deze vaak geciteerde uitspraak: “Probeer dan ook niet de wereld te veranderen, maar kies ervoor je denken over de wereld te veranderen.” (T21.In.1:7).

Het veranderen van mijn denken over de wereld nodigt ware waarneming uit, waarmee ik de werkelijke wereld ga zien. Die bevindt zich nog steeds in tijd en ruimte, maar brengt geen verdere afscheiding, schuld, haat en angst meer voort. Over motivatie gesproken! Naarmate je deze nieuwe waarneming langer beoefent (middels de dagelijkse Cursuslessen), word je een lichtbaken in deze wereld die de duisternis van onzekerheid, eenzaamheid en voortdurende angst mild weg schijnt. En dat zal niet onopgemerkt blijven! Vrede uitstralen resulteert in vrede om je heen. Welke dromen willen we, oftewel: welke gids willen we om ons in deze wereld te leiden? Dit is uiteindelijk onze enige keuzevrijheid in deze droomwereld. Kies daarom wijselijk, ondanks je twijfels en angsten. “Concentreer je alleen hierop [d.w.z., je bewuste keuze voor Liefde], en wees er niet over verstoord dat schaduwen haar omringen. Daarom juist ben je gekomen. Als jij zonder ze kon komen, zou je het heilig ogenblik niet nodig hebben.” (T18.IV.2:4-6). Vredige dromen gewenst!

— Jan-Willem van Aalst, februari 2018 (Vertaling van https://miraclesormurder.wordpress.com/2018/02/18/which-dream-do-we-want/)

Bevecht de wereld niet langer

In ons leven proberen we steeds manieren te vinden om zo min mogelijk pijn te ervaren en zoveel mogelijk genot. Dat is de basis-drijfveer in alle levende wezens. In beide varianten proberen we dat te bereiken door de wereld om ons heen te manipuleren, of ons er in elk geval aan aan te passen. En hoewel we ergens onbewust knarsetandend zullen toegeven dat dit nooit 100% zal lukken, omdat er altijd wel iets langskomt dat ons genot vergalt, zwoegen we koppig voort. Tegenslag hoort tenslotte bij het leven, toch? In schril contrast hiermee lezen we in Een cursus in wonderen dat “dit niet zo hoeft te zijn” (T4.IV). Het is zelfs zo dat Jezus ons verzekert dat we alle pijn voorgoed achter ons zouden kunnen laten; niet door de wereld te veranderen, maar eenvoudigweg door totale vergeving. Hoe zou dat kunnen?

In werkboekles 23 lezen we: “Ik kan ontsnappen aan de wereld die ik zie door aanvalgedachten op te geven.” Vaak als Jezus het over ‘de wereld’ heeft, beschrijft hij dit als een oord van angst, woede, depressie, haat, wraak; kortom: pijn. Soms ervaren we deze wereld als mooi, prachtig of wonderlijk, maar vroeg of laat realiseren we ons dat alles een keer voorbij gaat. Niets hier is eeuwig. Zelfs de allergrootste bergketens vergaan uiteindelijk. Onder het dunne laagje genot realiseren we ons dat pijn nooit ver weg is. Waarom is dat toch? Zet je schrap voor de ultieme waarheid die Jezus ons onthult: wij hebben deze wereld gemaakt als aanval op God (wd2.3.2:1). Probeer maar eens een andere spiritualiteit te vinden die datzelfde beweert!

In Een cursus in wonderen betekent de term ‘wij’ in het algemeen de denkgeest van de slapende Zoon van God (al het collectieve leven bij elkaar), die het idee overweegt hoe het zou zijn om los te bestaan van zijn Schepper. Door dit idee serieus te nemen ontstond bewustzijn, en daarmee het ego: de Zoon die zich bewust wordt van zichzelf en van iets buiten hem (zijn Vader). Zijn denkgeest wordt schijnbaar overspoeld met schuldgevoel omdat de eenheid van de eeuwigheid kennelijk is vernietigd (zo denkt hij althans). Het ego (de gedachte van afgescheidenheid) spoort te Zoon aan zich te verstoppen voor de Schepper door verdere fragmentatie, dat wil zeggen: versplinteren in miljarden en miljarden stukjes. Dit kennen we als de Oerknal en het ontstaan van het materiële universum. Daarom is alles wat we denken waar te nemen niets meer of minder dan een gevolg van deze angstige versplintering, wat weer een gevolg was van het schuldgevoel over onze ingebeelde aanval op God (Liefde; Eeuwigheid; Eenheid).

Een cursus in wonderen is een strikt nondualistische spiritualiteit, in de zin dat nondualiteit wordt gezien als de enige waarheid. Al het andere, inclusief het hele universum en het fenomeen ‘tijd’, heeft ooit kunnen gebeuren, en is dus ook nooit werkelijk gebeurd. Alles in tijd en ruimte is slechts een zotte droom, hoe beangstigend die ook mag lijken. De wereld waarin wij denken te leven is er dus in werkelijkheid helemaal niet! In het werkboek verwoordt Jezus het zo: “Elk van je waarnemingen van de ‘uiterlijke werkelijkheid’ is een weergave in beelden van je eigen aanvalgedachten” (Wd1.23.3:2). En in het Tekstboek lezen we: “Ze [d.w.z. de wereld] getuigt van de staat van jouw denkgeest, de uiterlijke weergave van een innerlijke toestand” (T21.In.1:5). De wereld die we om ons heen ervaren hebben we dus zelf verzonnen, in een poging om los van God te kunnen bestaan. We klampen ons vast aan onze ‘unieke autonomie’. Dergelijk onderricht legt de verantwoordelijkheid voor onze pijn en ons genot in onze eigen schoot! Hoe werkt dat dan?

Jezus verklaart: “Als de oorzaak van de wereld die jij ziet aanvalgedachten zijn, moet je leren dat je juist deze gedachten niet wilt. Het heeft geen zin te jammeren over de wereld. Het heeft geen zin te proberen de wereld te veranderen. Ze is niet te veranderen, omdat ze slechts een gevolg is. Maar het heeft zeker zin je gedachten over de wereld te veranderen. Hiermee verander jij de oorzaak. Het gevolg zal dan vanzelf veranderen” (Wd1.23.2). Dit is, nogmaals, omdat we niet “zomaar” in deze wereld zijn beland; we hebben die gemaakt door de waanzinnige gedachte dat we moeten vluchten voor een wraakzuchtige God die ons beslist zou straffen voor onze zonde van afscheiding van Hem. Jezus troost ons: “Niets ergers dan een ijdele droom heeft Gods Zoon angst aangejaagd en ervoor gezorgd dat hij dacht dat hij zijn onschuld verloren, zijn Vader verloochend, en een oorlog tegen zichzelf gevoerd heeft” (T27.VII.13:3).

Jezus onderwijst ons dat de enige reden dat we aanval, haat en pijn om ons heen ervaren is omdat we nog steeds kiezen voor dergelijke gedachten: “We moeten dus met jouw gedachten aan het werk, wil jouw waarneming van de wereld veranderen” (Wd1.23.1:5). In Een cursus in wonderen lezen we dat we slechts twee soorten gedachten hebben: ofwel liefhebbende, ofwel hatelijke. Er zijn bijgevolg slechts twee gidsen voor onze gedachten waar we naar kunnen luisteren: ofwel de Stem namens Liefde (de Heilige Geest, of Innerlijke Leraar), of de stem namens angst (het ego). Jezus probeert ons uit te leggen dat we daadwerkelijk afscheid zouden kunnen nemen van alle pijn in ons leven, simpelweg door alle aanvalgedachten achter ons te laten, waarmee het ego beetje bij beetje ongedaan gemaakt wordt. De oefening lijkt eenvoudig: kies er steeds voor om uitsluitend de Stem namens Liefde te horen.

Het lijkt misschien simpel, maar het doorleven daarvan blijkt enorm moeilijk. Waarom? Omdat we het geluk dat Jezus ons belooft wel willen ervaren, maar alleen als ego individu. De beloofde eeuwige staat van geluk betekent dat we niet langer kunnen vasthouden aan onze persoonlijkheid en individualiteit, en dat is een tikkeltje beangstigend, op z’n zachtst gezegd. We kunnen onszelf honderd keer vertellen dat die keuze geweldig is omdat we dan eindelijk terug Thuis zijn in de onveranderlijke eeuwige Eenheid, waar louter Liefde is die nooit uitdooft… maar diep vanbinnen vrezen we nog steeds dat dit lichaam en en dit leven het enige is wat we hebben. Om ons niet te ontmoedigen verzekert Jezus ons dat dit ‘spiritueel ontwaken’ een langzaam proces is dat niet pijnlijk of beangstigend hoeft te zijn: “Zo beangstigend is de droom, en zo schijnbaar werkelijk, dat hij [d.w.z, wij] niet zonder angstzweet en een doodskreet tot de werkelijkheid zou kunnen ontwaken, als niet een vriendelijker droom zijn ontwaken voorafging en ervoor zorgde dat zijn gekalmeerde denkgeest de Stem verwelkomde en niet vreesde, die met liefde roept om hem te doen ontwaken; een vriendelijker droom waarin zijn lijden is genezen en zijn broeder zijn vriend is. God heeft gewild dat hij zachtjes en van vreugde vervuld wakker wordt, en hem het middel geschonken om zonder angst te ontwaken” (T27.VII.13:3-5).

De weg hiernaartoe bestaat uit het voortdurend oefenen met het vergeven van alle duistere plekken waar we in onze niet-vergevende denkgeest nog aan vastklampen. Dit leerplan heet Een cursus in wonderen omdat het wonder de (h)erkenning is dat jij en ik de dromer van de droom zijn die we de wereld noemen, en dat wij ons dit allemaal zelf aandoen (T27.VIII.10:1). Wij zijn geen slachtoffers! Door consequent te kiezen voor de Stem namens Liefde (d.w.z., de Heilige Geest, of Jezus, of welk symbool voor totale Liefde dan ook) kunnen we stukje bij beetje alle pijn in ons leven achter ons laten. Dit legt, nogmaals, de verantwoordelijkheid voor het geluk in ons leven in onze eigen schoot: “Het corrigeren van angst is jouw verantwoordelijkheid. Wanneer jij vraagt om bevrijding van angst, suggereer je dat dit niet zo is. Je zou in plaats daarvan hulp moeten vragen in de omstandigheden die de angst hebben teweeggebracht. Deze omstandigheden hebben altijd te maken met de wens afgescheiden te zijn.” (T2.VI.4:1-4). Het beoefenen van vergeving betekent het voorbij zien aan aan alle zotte vormen in de wereld, en plaats daarvan de inhoud van de liefde en gelijkheid in al het leven – inclusief jezelf! – te aanvaarden als de focus van je gedachten.

Deze Cursus vraagt niet van ons om te ontkennen wat we op het journaal zien. Er zullen altijd en overal misdaad, angst en ellende zijn. We kunnen niet zonder rechtbanken en gevangenissen. We hebben medicijnen nodig om acute pijn te verlichten. In elk geval zolang we nog geloven dat we in deze wereld werkelijk bestaan. Een cursus in wonderen legt ons simpelweg uit dat alle perceptie van pijn louter om vergeving (compassie) vraagt, niet om aanval, angst of depressie. Om nog maar eens één van de vaakst aangehaalde citaten uit de Cursus te herhalen: “Probeer dan ook niet de wereld te veranderen, maar kies ervoor je denken over de wereld te veranderen” (T21.In.1:7). Alle duisternis die ik om me heen ervaar heeft niets met degenen om mij heen van doen: het wijst louter op een duistere plek in mijn eigen denkgeest. Daar ligt je écht belangrijke dagelijkse werk. Hoe zou je de wereld kunnen verbeteren als je niet eens de duisternis in je eigen denkgeest de baas bent?

Een cursus in wonderen is een leerplan voor gedachtetraining. Het is geen Cursus in Liefde, maar een Cursus in het vinden en ongedaan laten maken van alle barrières die we tegen Liefde hebben opgeworpen (zie T16.IV.6). Jezus herinnert ons er steeds aan dat iedereen blijvend geluk kan vinden, als we stoppen met het bevechten van de wereld (buiten ons) en onze aandacht naar binnen gaan richten en Jezus of de Heilige Geest toestaan dat alle pijn en duisternis stukje bij beetje ongedaan wordt gemaakt voor ons. Pas als jij je ontslaat als je eigen leraar (T12.V.8:3) herinner jij je eigen ware Identiteit weer: pure Geest, pure Liefde. “Wees alleen waakzaam voor God en Zijn Koninkrijk” (T6.V-C), en “Onderwijs louter Liefde, want dat is wat jij bent” (T6.III.2:5). Je beleving van de wereld en je leven kan niet anders dan meegaan met deze verandering van denken.

— Jan-Willem van Aalst, februari 2018 (vertaling van: https://miraclesormurder.wordpress.com/2020/11/14/stop-fearing-and-fighting-the-world-2/)

Waarom wachten op de Hemel?

In werkboekles 156 (“Ik ga met God in volmaakte heiligheid”) van Een cursus in wonderen beschrijft Jezus een waarneming van onze wereld die – op z’n zachtst gezegd – niet van deze wereld lijkt te zijn: “Al wat leeft brengt jou geschenken en legt ze in dankbaarheid en vreugde aan je voeten neer. De golven buigen zich voor je, en de bomen strekken hun armen uit om je tegen de hitte te beschutten en leggen hun bladeren vóór je op de grond opdat je op een zacht tapijt zult wandelen, terwijl de wind zakt tot een gefluister rond jouw heilig hoofd.” (WdI.156.4:2,4). Hoewel het ego zich ongetwijfeld enorm gevleid voelt om deze beschrijving van zoveel speciaalheid, zal het ook direct concluderen dat deze Cursus klaarblijkelijk een fantasieverhaal is, dat niet echt serieus genomen kan worden. Dus hoe zit dat?

Als we deze les wat beter bekijken, dan wordt duidelijk dat Jezus niet zegt dat dit onze letterlijke ervaring zal zijn in deze wereld waarin we denken te leven: hij schetst een beeld van wat onze beleving van de wereld zou kunnen zijn. Zie bijvoorbeeld de zesde alinea, waarin we lezen: “Als jij een stap terugdoet, treedt het licht in jou naar voren en omgeeft de wereld.” (WdI.156.6:2; mijn cursivering). ‘Een stap terugdoen’ betekent dat we in blijdschap “onszelf ontslaan als onze eigen leraar” (T12.V.8:3), in het besef dat wij het over alles in het leven bij het verkeerde eind hadden, dat Jezus gelijk heeft, en dat we nu liever willen luisteren naar de impuls van de Heilige Geest (de Stem namens Liefde) om onze dagen mee te vullen. Praktisch gezien betekent dit dat wij ons steeds meer gewaar worden van de ‘duistere plekken van niet-vergevingsgzindheid’ (d.w.z., veroordeling) die we nog koesteren in onze denkgeest. Zo kunnen wij onszelf daarvoor vergeven; dat wil zeggen onszelf niet meer schuldig voelen, maar vragen aan onze nieuwe Leraar wat liefde zou doen.

Maar zelfs als het ons zou lukken om die oefening de hele dag door vol te houden, zouden we niet moeten verwachten dat ‘de golven zich voor ons buigen, en de bomen hun armen naar ons uitstrekken om ons tegen de hitte te beschermen’. Het gaat er om dat we inzien dat Jezus vaak poëtisch, metaforisch taalgebruik bezigt. Dergelijke woorden zouden we niet letterlijk moeten nemen. Jezus doet dit tamelijk vaak in zijn Cursus; dat komt omdat de nondualistische waarheid waarmee hij ons kennis wil laten maken, en waar we diep vanbinnen – achter alle zware ego-verdedigingslagen – altijd naar smachten, niet in woorden kan worden uitgedrukt. Zie bijvoorbeeld werkboekles 20, “Ik ben vastbesloten te zien”. Als je dit letterlijk opvat, slaat dit nergens op, want je kunt al zien, tenzij je fysiek blind bent. Jezus heeft het hier dus niet over het zicht van de ogen, maar de innerlijke visie van het geestesoog. Dit is een goed voorbeeld van het verschil tussen vorm en inhoud waar Kenneth Wapnick het zo vaak over had. De vormen die onze ogen waarnemen zijn legio (en inherent zonder betekenis), terwijl de inhoud waar de denkgeest (‘het geestesoog’) betekenis aan geeft, maar twee opties kent: ofwel liefde, ofwel angst/haat (of, zoals Ken Wapnick vaak zei: ofwel liefde, ofwel een roep om liefde, T14.X.7:1).

Jezus probeert ons dus uit te leggen dat zodra wij onze gehechtheid aan de vormen in de wereld geleidelijk loslaten (die uiteindelijk toch slechts zijn gemaakt om de denkgeest van de slapende Zoon af te leiden van de mogelijkheid om toch weer voor Liefde te kiezen), door onszelf te vergeven en om hulp te vragen de dingen anders te bezien, de inhoud van de Liefde van de Heilige Geest zich als vanzelf zal manifesteren. Dit laat ons uiteindelijk ons eigen Erfgoed weer herinneren, dat wil zeggen onze Identiteit als de Ene Zoon van God, die geen vorm heeft. Het probleem is dat wij denken dat we deze gehechtheid aan vorm niet los willen laten, omdat we de gehechtheid aan onze unieke individualiteit niet willen loslaten. Zolang wij nog geloven dat dat wat onze ogen zien de objectieve waarheid is, zullen we er koppig aan vasthouden. We zien misschien heel af en toe de inhoud achter de vorm, maar zeker niet altijd en overal. Dat is waarom een aanzienlijk deel van het werkboek gaat over het leren inzien dat gehechtheid aan vorm nooit tot het geluk en de vrede zal leiden waar we in ons leven zo naar snakken. En dus probeert Jezus onze overtuigingen om te buigen, zoals, wederom, in werkboekles 20, “Ik ben vastbesloten te zien”: “Jij wilt verlossing. Jij wilt gelukkig zijn. Jij wilt vrede. […] Het enige wat voor visie nodig is, is jouw besluit om te zien. […] De oefeningen voor vandaag bestaan erin jezelf er door de dag heen aan te herinneren dat jij wilt zien.” (WdI.20.2:3-5;3:1;4:1; mijn cursivering).

Nu zeg je misschien iets als: “Oké, dus als ik dit probeer zie ik misschien niet de bomen die hun armen uitstrekken om mij tegen de hitte te beschermen, maar wat zou visie mij dan wel brengen?” Zo’n ervaring blijkt helemaal niet zo wereldvreemd te zijn. Denk je eens in dat je op een zonnige dag aan het kuieren bent in een natuurreservaat, een bos, een park, of bij een beekje. Velen van ons kennen de ervaring van het volledig één worden met de natuur, zodra we ons op dat moment richten op de stilte. Probeer je een moment te herinneren, misschien al lang geleden, dat de wereld naar de achtergrond leek te gaan, en je opging in een gevoel van totale vrede en eenheid, hoe kort ook. Kun jij je zo’n moment herinneren? Zodra je weet dat je je denkgeest zo kunt richten, zou je er ook voor kunnen kiezen dit elke dag te beoefenen. Elke dag komen wij dozijnen mensen tegen. Wat zou er gebeuren als we ervoor zouden kiezen om voorbij de vormen van die lichamen te zien, en in plaats daarvan hetzelfde witte licht te zien in iedereen die we tegenkomen? Nogmaals, het ego doet dat af als fantasie, maar voor de Heilige Geest betekent dit dat we ervoor kiezen het Licht van de Hemel hier in de illusoire droom van tijd en ruimte te willen weerspiegelen.

Dit is het licht dan wij allemaal delen, en dat nooit uitdooft. Jezus benoemt dit in les 156: “Het licht in jou is wat het universum verlangt te zien. Alle levende wezens zijn stil in jouw aanwezigheid, want ze herkennen Wie jou vergezelt. Het licht dat jij [d.w.z., iedereen] draagt is dat van hen. […] Als jij een stap terugdoet [d.w.z., wilt doen], treedt het licht in jou naar voren en omgeeft de wereld [d.w.z., iedereen]. […] Zonde verdwijnt in lichtheid en gelach, omdat haar grillige absurditeit wordt gezien. 5Het is een dwaze gedachte, een onnozele droom, niet beangstigend, lachwekkend misschien, maar wie wil ook maar een moment verspillen aan zo’n zinloze gril terwijl hij God Zelf benadert?” (WdI.156.5-6).

Wel, kennelijk willen we allemaal nog tijd verspillen aan zinloze grillen, zoals Jezus ook duidelijk vervolgt: “Toch heb jij aan precies deze dwaze gedachte vele, vele jaren verspild.” (WdI.156.7:1). En als je bedenkt dat dit hoogstwaarschijnlijk niet de eerste keer is dat je op deze planeet bent geboren, dan betekent “vele, velen jaren” dus eigenlijk duizenden jaren. Daarom is één van de kernvragen in Jezus’ Cursus: “Waarom wachten op de Hemel?”, zoals we lezen in werkboek 188: “Waarom wachten op de Hemel? Zij die het licht zoeken bedekken slechts hun ogen [d.w.z., geestesoog]. Het licht is nú in hen. Verlichting is slechts een herkenning, en allerminst een verandering. Het licht is niet van deze wereld, maar ook jij die het licht in je draagt bent hier een vreemde. Het licht kwam met jou mee vanuit je geboortehuis en is bij je gebleven, omdat het jou eigen is. Het is het enige wat jij met je meebrengt van Hem die jouw Oorsprong is. Het straalt in jou, omdat het je huis verlicht, en leidt je terug naar waar het vandaan gekomen is en waar jij thuis bent.” (WdI.188-1).

Het probleem, nogmaals, zit in onze enorme weerstand om ons denken doorlopend te richten op de inhoud van licht in plaats van op de vormen van de wereld, omdat dat het einde van het ego zou aankondigen. We blijven gehecht aan het ego omdat we alleen zo onszelf als autonoom individu kunnen blijven ervaren. Daarom eindigt werkboekles 156 met de zeer belangrijke en zeer behulpzame vraag: “Wie vergezelt mij? – Deze vraag moet duizend keer per dag worden gesteld” (WdI.156.8:1). En ik blijf zeggen dat Jezus dit letterlijk bedoelt. Telkens als we merken dat we iets afwijzen of veroordelen, hoe klein het ook lijkt te zijn, zouden we uit gewoonte moeten gaan denken: “Wie vergezelt mij nu?” Kies ik voor het ego, dat altijd tot negativiteit zal leiden, of voor de Heilige Geest, die mij altijd leidt naar aanvaarding, vrede en vreugde? Voorbij onze zintuigen ‘gaan’ we absoluut met God in perfecte heiligheid. Maar het gaat erom dat wij ons dat Erfgoed willen herinneren, door een stapje terug te doen (zie les 155), en weer voor de leiding van de Heilige Geest willen kiezen om ons daar te brengen. Het ego vermaant ons steeds streng dat als we onze controledwang over het leven loslaten, alles chaos zal worden. Maar zodra je het werkelijk probeert zul je merken, in vreugdevolle verbijstering, dat je leven veel prettiger gaat stromen.

Neem je vandaag voor om te zien. Het enige wat van je gevraagd wordt is de bereidheid een stapje terug te doen. Daarom eindigt werkboekles 20 zo vreugdevol: “Wat je wilt is al van jou. Vat de geringe inspanning die van jou gevraagd wordt niet ten onrechte op als een teken dat ons doel van weinig waarde is. Kan de verlossing van de wereld een onbetekenend doel zijn? En kan de wereld verlost worden als jij niet wordt verlost?” (WdI.20.3:2-5). Oefen hier dagelijks mee, door te stoppen met veroordelen, en in plaats daarvan om hulp vragen in het maken van een betere, liefdevolle keuze. Oefen dit vaak vandaag. En herinner je Jezus’ troost, wanneer hij ons verzekert: “Raak niet van slag als je dit vergeet, maar doe echt je best om eraan te denken. […] Wat je verlangt zul je zien. Dat is de werkelijke wet van oorzaak en gevolg zoals die in de wereld werkt.” (WdI.20.5:2;5-6). Jij en ik willen de Hemel, dus waarom zouden we daar op wachten?

— Jan-Willem van Aalst, januari 2018 (vertaling van https://miraclesormurder.wordpress.com/2018/01/23/why-wait-to-choose-heaven/(

Ziekte is je eigen schuld?

Ernstige ziekten vormen een onderwerp dat niet gemakkelijk bespreekbaar is, vooral waar het aankomt op de oorzaak van de ziekte. Dit is in het algemeen in de samenleving zo, maar zeker in spirituele kringen, waar men geneigd is de waarde van het lichaam te bagatelliseren, waarmee een ‘ernstige boodschap’ van het lichaam extra pijnlijk wordt. De onderliggende kwestie gaat altijd over schuld. Als je geconfronteerd wordt met een ernstige lichamelijke ziekte, dan komt vroeg of laat de onbewuste vraag naar boven over de grondoorzaak: heb ik mijn eigen ziekte veroorzaakt? Aardig wat mensen duiken vooral in spiritualiteit omdat men daarmee hoopt allerlei ernstige ziektes te kunnen vermijden of afwenden. Dat kan natuurlijk niet werken, omdat het ontkennen van het belang van het lichaam niet betekent dat het er niet meer is, noch dat dat men er niet stiekem nog steeds heilig in gelooft.

In de onderzoekswereld van gezondheid wordt de rol van het individu in het ontstaan van ziekten, en dan met name de manier van leven (‘lifestyle’) steeds nadrukkelijker bekeken. Zo is het inmiddels algemeen bekend en aanvaard dat een leven lang roken leidt tot een aanzienlijke kans op longkanker. En weinigen twijfelen er nog aan dat serieus overgewicht gecombineerd met te weinig beweging tot een sterk verhoogde kans op suikerziekte leidt. “Lifestyle medicine” is de nieuwe trend. Het idee erachter is dat de ziekten waar we individueel genetisch bevattelijk voor zijn kunnen worden vermeden of uitgesteld door zo gezond mogelijk te leven. Maar hoewel een gezonde levensstijl ongetwijfeld bijdraagt aan een gezond lichaam, gaat dit nog goeddeels voorbij aan de rol die onze onbewuste denkgeest speelt in het aansturen van het lichaam. Sommige vooruitstrevende onderzoekers zoals Bruce Lipton (“De biologie van de overtuiging”) en Joe Dispenza (“Jij bent het placebo”) gaan gelukkig wel degelijk die richting op; maar de focus ligt in het algemeen nog meer op het ombuigen van “blokkerende overtuigingen” over je eigen persoonlijkheid, dan op het ongedaan maken van het oorspronkelijke schuldgevoel over de oorspronkelijke afscheiding van eenheid.

In Een cursus in wonderen is Jezus volstrekt compromisloos over de gezondheidskwestie, zoals eigenlijk de hele Cursus compromisloos is. Enkele illustratieve voorbeelden: “Alle ziekte is mentale ziekte” (P2.IV.1:1); “Ziekte is iets van de denkgeest, en heeft niets met het lichaam van doen” (H5.II.3:2); “Elk soort ziekte kan worden gedefinieerd als het resultaat van de zienswijze het zelf te zien als iets wat zwak, kwetsbaar, slecht en bedreigd is, en dus voortdurend verdediging behoeft.” (P2.IV.6:1). Dat zijn ferme uitspraken. Jesus zegt eigenlijk dat telkens wanneer het lichaam symptomen vertoont, die louter een gevolg zijn van de denkgeest die voor ziekte gekozen heeft. De denkgeest doet dat door het voortdurende afwijzen en veroordelen. Dergelijke oordelen kunnen over van alles gaan, maar ze symboliseren uiteindelijk slechts het ontologische moment waarop we besloten om van God af te scheiden, wat in realiteit helemaal niet kan en daarom nooit is gebeurd. Onbewust houden we ons echter koste wat kost vast aan de overtuiging dat dit wel degelijk echt is gebeurd, want alleen dán kunnen we onzelf als uniek individu ervaren.

Volgens Jezus ervaren we fysieke symptomen omdat “alle aanval altijd een aanval op je Zelf is” (T10.II.5:1). De denkgeest valt aan, en het lichaam weerspiegelt die aanval. Echter, in tegenstelling tot veel andere spiritualiteiten denigreert Een cursus in wonderen het lichaam niet, zelfs niet in deze dualistische droomwereld. Het ziet het lichaam louter als een neutraal gevolg van de staat van de denkgeest. In weerwil van onze dagelijkse ervaring opereert het lichaam niet volstrekt zelfstandig: “Het [lichaam] probeert niet van pijn een bron van vreugde te maken en naar blijvende genoegens te zoeken in het stof. Het zegt jou niet wat zijn bedoeling is, en kan niet begrijpen waartoe het dient. […] Het lijdt niet onder de straf die jij geeft, omdat het geen gevoel heeft. Het gedraagt zich op de manier die jij wilt, maar maakt nooit de keuze. Het is niet geboren en het sterft niet. Het kan slechts doelloos het pad volgen waarop het is gezet” (T-28.VI.1:4-5;2:2-5). De zinsnede over ‘het is niet geboren en het sterft niet’ verwijst uiteraard naar de metafysische grondslag van het nondualisme, waar de Cursus van uitgaat: aangezien alles in tijd en ruimte illusoir is, wordt niets hier werkelijk geboren, en niets sterft hier werkelijk: dit lijkt slechts zo voor onze zintuigen. Het is de denkgeest die deze droom kiest en ervaart. Maar een illusie blijft een illusie.

Voor het ego is lichamelijke ziekte een favoriet instrument om aan de slapende Zoon van God (d.w.z, wij allemaal) te ‘bewijzen’ dat de afscheiding van eenheid daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. De eenheid van God (= Liefde) is versplinterd, en gebrek wordt het kenmerk van de dagen van de Zoon van God, inclusief gebrek aan gezondheid. De vormen zijn legio, en ze voeden altijd schuld en angst. Zo worden fysieke symptomen soms geïnterpreteerd als Gods bestraffing voor onze kardinale zonden; of, beter gezegd, als voorproefje van de straf die ons te wachten staat zodra we overlijden. Velen die lijden onder een ernstige ziekte vragen zich vertwijfeld af dit Gods straf is voor hun ‘slechtheid’. Anderen, waaronder veel spiritueel ingestelde mensen, gebruiken de symptomen als ‘bewijs’ van hun onschuld: in een wrede wereld zullen zij die goed zijn onvermijdelijk lijden. “Bezie mij, God. Mijn hele leven ben ik een goed mens geweest, en het leven hier behandelt mij wreed. Ik lijd in weerwil van mijn goedheid. Verschaf mij toegang tot de hemel en verdoem alle slechteriken!”

Beide interpretaties zijn echter afleidingsmanoeuvres van het ego, om de patiënt vooral niet te laten kijken naar waar de ware oplossing ligt: in ons vermogen om van gedachten te veranderen over onszelf. Jezus licht toe: “Aanvaarden dat ziekte een beslissing is van de denkgeest, terwille van een doel waarvoor hij het lichaam gebruiken wil, is de basis van genezing. En dit geldt voor genezing in elke vorm.” (H5.II.2:1-2). “Ziekte is derhalve een vergissing die correctie behoeft” (P2.IV.7:1). De correctie, vanuit een metafysisch standpunt bekeken, ligt in het besef dat “Zoon van God, jij hebt niet gezondigd, maar je hebt je wel zeer vergist.” (T10.V.6:1). Als ik dus mijn denkgeest genees door in te zien dat ik mij heb vergist over mezelf, en mijzelf daar voor vergeef, dan zal het lichaam volgen (hoewel in het algemeen niet à la minute, omdat materie traag is). Het probleem is dat iedereen die zichzelf nog als een fysiek lichaam beschouwt een ongenezen denkgeest heeft, wat voor zo’n beetje iedereen op deze planeet geldt. Daarom besteedt Een cursus in wonderen zoveel aandacht aan het ongedaan maken van onze basisovertuiging dat jij en ik een lichaam zijn. Lessen 201 t/m 220 laten ons dagelijks herhalen: “Ik ben niet een lichaam. Ik ben vrij. Want ik blijf zoals ik ben, zo schiep God mij.” (WdI.201-220). Het achterliggende idee is dat hoe meer ik mij identificeer met zijn Zelf (hoofdletter Z) als geest in plaats van met het kleine ego-zelf, hoe minder snel de staat van mijn denkgeest zal leiden tot lichamelijke symptomen.

Dit inzicht overtuigt echter studenten van Een cursus in wonderen (en veel andere spirituele zoekers) absoluut niet. Het is tenslotte behoorlijk pijnlijk als je meent spiritueel goed bezig te zijn en dan plotseling te merken dat je toch ziek wordt. Dit is wederom een krachtige ego-strategie om jou te overtuigen van zijn gelijk: “Zie je wel? Spiritualiteit is een farce. Het werkt voor geen meter, zoals je duidelijk kunt zien. Niet voor jou, en voor niemand niet. Ik kan dozijnen spirituele goeroes opnoemen die veel te vroeg aan allerlei verschrikkelijke ziekten zijn overleden. Je kunt beter terugkeren naar je overtuiging dat je een schuldige zondaar bent, want dan ben je tenminste eerlijk over wat je bent – ja, ellendig en eenzaam en in pijn, maar je bestaat tenminste als autonoom individu, los en onafhankelijk van God. Dat was de bedoeling vanaf het begin, toch? Wel, deze ziekte bewijst dat dat nog steeds zo is!”

Bijgevolg is ziekte voor veel spirituele studiegroepen een moeilijk gespreksonderwerp, om het zacht uit te drukken. Voor studenten van Een cursus in wonderen is dat niet anders. Zo is het feit dat zowel Helen Schucman als Kenneth Wapnick op hun 71e aan kanker overleden, en Bill Thetford op z’n 65e aan een hartaanval, voor sommigen een reden om zich serieus af te vragen of deze Cursus wel werkt. Deze focus op anderen is echter louter een truc van het ego om de denkgeest af te leiden van het werkelijke huiswerk: de Verzoening aanvaarden voor zichzelf – in de denkgeest. Zolang de denkgeest geobsedeerd wordt door pogingen om de levensduur van het lichaam te verlengen blijft die gevangen in dualiteit en is dus ongenezen. In werkelijkheid bestaat er niet zoiets als de tijd! Waarom zou je dan proberen de tijd van je lichaam zoveel mogelijk te rekken? Hoewel reïncarnatie onderdeel van de droom van tijd en ruimte is en derhalve net zo illusoir als tijd zelf, kun je er zeker van zijn dat jij hiervoor al honderden lichamen op deze planeet hebt gehad, waarvan sommige op een vreselijke manier aan hun einde zijn gekomen. Dus waarom zou je niet overwegen om je leven in een breder perspectief te zien? Volgens Boeddhisten is het lichaam een “jas die je van leven tot leven verwisselt”, totdat je karma (d.w.z. duisternis in je denkgeest) is opgeschoond.

Dus du moment dat je jezelf – of een geliefde – geconfronteerd ziet met ernstige fysieke symptomen, kun je – in plaats gelijk in de slachtofferrol te schieten – dit zien als een nuttig teken van op te schonen duisternis in de denkgeest. Deze duisternis vraagt om compassie en vergeving, en om niets anders. Op deze manier bekeken wordt ziekte één van de middelen die de Heilige Geest kan aanwenden voor de spirituele ontwaking van zelf naar Zelf. Niet dat Hij je de ziekte aanbiedt, maar hij maakt je wel gewaar van de boodschap ervan. Het zal beslist niet altijd comfortabel aanvoelen, zeker niet als een geliefde aan een ziekte bezwijkt, maar het is en blijft in essentie een oproep aan de denkgeest om zich gewaar te worden van de illusoire aard van de wereld, en onvoorwaardelijke vergeving te blijven oefenen. Het is daarbij van het grootste belang om een normaal mens te blijven. Neem de tijd om te rouwen als een geliefde overlijdt. Neem de tijd om te huilen. Uiteindelijk ga je misschien beseffen dat die emoties de hardnekkige keuze weerspiegelen om gehecht te blijven aan lichamen en dus aan individualiteit, en dus aan de afscheiding van God. De Heilige Geest brengt je zo weer een les in (zelf)vergeving.

Dit alles betekent overigens niet dat je nooit meer iets medisch zou moeten (laten) doen. Het zou een erg tragische vergissing zijn om te weigeren een arts of ziekenhuis te bezoeken omdat “de ware genezing uit de denkgeest moet komen”. Medisch handelen mag dan een vorm van ‘magie’ zijn, maar Jezus benadrukt in hoofdstuk 2 van het Tekstboek dat daaruit niet volgt dat medisch handelen slecht zou zijn. Hij wil ons er echter wel op wijzen dat magie nooit tot blijvende verlossing leidt. Een Cursusstudent die in balans is, beoefent vergeving en zorgt tegelijkertijd goed voor het lichaam, daarbij nooit vergetend dat de denkgeest altijd de oorzaak is en het lichaam het gevolg daarvan, en bovendien dat iedereen uiteindelijk zal ontwaken uit de dualistische droom; wellicht niet in dit leven, maar dan toch zeker in een toekomstig leven. Jezelf schuldig voelen over je ziekte is dus zo’n beetje het slechtste wat je jezelf kunt aandoen. Besef dat dit slechts een ego-poging is om de afscheiding in stand te houden, en ga vervolgens door met het beoefenen van (zelf)vergeving.

Een laatste wenk over het ‘vroegtijdig’ overlijden van Helen, Bill en Ken. Helen besefte zich ten volste dat ze tot haar laatste snik aan haar ego vasthield, waarmee ze Jezus’ geschenk nog niet volledig voor zichzelf kon ervaren. Voor Bill en Ken lag de situatie volgens mij iets anders. Ik denk dat zij simpelweg hun laatste taak in dit leven hadden voltooid, waarmee ze geen reden hadden hier nog langer ‘rond te hangen’. Veel studenten kennen het verhaal van Bill’s “afstuderen” van de Cursus in zijn laatste levensjaren, toen hij vol vreugde op straat uitriep: “Ik ben vrij, ik ben vrij!”. Kenneth Wapnick verzekerde in zijn laatste dagen iedereen om hem heen dat hij niet stervende was. Het leven, legde hij vaak uit, heeft niets met het lichaam van doen. Hij realiseerde zich ten volste dat hij niet dat lichaam was. Ik vraag me sterk af of Bill en Ken hier nog zullen reïncarneren. Maar, nogmaals, dergelijke mijmeringen over anderen zijn feitelijk afleidingen voor je eigen beoefening van het aanvaarden van de Verzoening. De Heilige Geest (of ‘Innerlijke Leraar’) is de enige Gids die je nodig hebt in je leven. Hij zal je naar je Thuis leiden buiten tijd en ruimte. Voel je niet schuldig over ziek zijn; wees niet bang voor de dood. Alles is een les in liefde die de Heilige Geest je aanbiedt. Om te besluiten met de lieflijke slotzinnen van “De geschenken van God”, opgetekend door Helen in 1978: “Vergeet alles, behalve Mijn onveranderlijke Liefde. Vergeet alles, behalve dat Ik hier ben.” (De Geschenken van God, p.128).

— Jan-Willem van Aalst, december 2017 (Vertaling van: https://miraclesormurder.wordpress.com/2017/12/16/guilty-of-being-ill/)

Geen enkele ontmoeting is toeval

Deze blog heeft een iets ander stramien dan gewoonlijk, in die zin dat ik een soort Kenneth-achtig commentaar geef bij alinea’s van de sectie “De selectie van patiënten” in de “Psychotherapie” Aanvullingen. Niet dat ik zonodig de behoefte voel om Kenneth Wapnick te imiteren, maar zoals Gary Renard in zijn laatste, aan Kenneth opgedragen boek opmerkte: “Ik kan niet jou zijn; maar net als jij, kan ik wel bij de waarheid blijven.” De twee Aanvullingen (“Psychotherapie” en “Het Lied van het Gebed”) worden nog wel eens over het hoofd gezien. Ze waren niet in het dikke blauwe boek opgenomen tot aan de derde editie, en moesten tot dan apart worden aangeschaft. Naar mijn mening presenteert Jezus in deze aanvullingen niet alleen erg belangrijk aanvullend studiemateriaal, maar trakteert hij ons ook op een aantal van de meest ontroerende poëtische passages die de Cursus bevat, om ons te helpen die diep verlangde innerlijke vrede te kunnen vinden. De sectie die we in deze blog bespreken (P.3.I) gaat uit van de notie dat iedereen in deze wereld zowel leerling als leraar is; iedereen is zowel patiënt als therapeut; iedereen demonstreert en leert de hele tijd. Ieders gedrag weerspiegelt slechts de overtuigingen of toewijdingen (altaren) in de denkgeest, en denkgeesten zijn allemaal verbonden. We kunnen er derhalve voor kiezen om onze verlossing te herkennen in iedereen die we tegenkomen. Bovendien is geen enkele ontmoeting toeval:

Ieder die naar jou wordt gezonden, is jouw patiënt. Dit betekent niet dat jij hem uitkiest, en evenmin dat jij de soort behandeling kiest die geschikt is. Maar het betekent wel dat niemand per vergissing naar jou toe komt. Er zijn geen vergissingen in Gods plan. Het zou echter wel een vergissing zijn ervan uit te gaan dat jij weet wat jij ieder die komt te bieden hebt. Het is niet aan jou dit te beslissen. De neiging bestaat aan te nemen dat jou voortdurend wordt gevraagd zelf offers te brengen ten behoeve van degenen die komen. Dit kan allerminst waar zijn. Een offer van jezelf eisen is een offer van God eisen, en Hij heeft geen weet van offers. Wie zou Volmaaktheid kunnen vragen dat Hij onvolmaakt is?” (P-3.I.1)

Wanneer we iemand op straat tegenkomen, beschouwen we die persoon in het algemeen niet als iemand die opzettelijk naar ons toe wordt gebracht om ons een vergevingsles aan te bieden. Toch verzekert Jezus ons dat er geen toevallige ontmoetingen zijn. Iedereen die we ontmoeten biedt ons de gelegenheid om ons onbewuste schuldgevoel en onze angst ongedaan te laten maken; dat wil zeggen, zodra we er voor kiezen van de ontmoeting, hoe kortdurend ook, een heilige ontmoeting te maken. Dit is de term die de Cursus gebruikt voor het besluit om geen verschil in belangen te zien tussen jou en degene die je ontmoet. We zien er natuurlijk verschillend uit, we gedragen ons anders, we hebben verschillende waarden en normen, talenten, en ambities, maar in essentie zijn we exact hetzelfde (d.w.z, van dezelfde geest) en verlangen we ten diepste naar hetzelfde: terugkeer naar de Liefde van God. Deze eenheid in zijn en doel wordt ons uitgelegd in, bijvoorbeeld, hoofdstuk 8 van het Tekstboek: “Telkens wanneer jij iemand ontmoet, bedenk dan dat het een heilige ontmoeting is. Zoals je hem ziet, zie jij jezelf. Zoals je hem behandelt, behandel jij jezelf. Zoals je over hem denkt, denk jij over jezelf. Vergeet dit nooit, want in hem zul jij jezelf vinden of verliezen. Telkens wanneer twee Zonen van God elkaar ontmoeten, wordt hun een nieuwe kans op verlossing geboden. Ga nooit bij iemand weg zonder hem verlossing gegeven en die zelf ontvangen te hebben.” (T-8.III.4:1-7).

Wanneer ik zonder hulp probeer dit gedrag te vertonen, dat wil zeggen vanuit mijn eigen ego-kracht, dan zal de onbewuste pijn van opoffering nooit ver weg zijn, aangezien het ego-axioma altijd is: de één of de ander. Als mijn ego vriendelijkheid geeft, dan ervaar ik dat onbewust als iets dat ik weggeef wat ik liever voor mezelf zou willen houden. Daarom zegt Jezus dat ik op mezelf niet kan weten wat ik eenieder die ik tegenkom kan aanbieden. Maar ik heb een Leraar tot mijn beschikking die dat wel weet: de Heilige Geest, de ware Therapeut. Pas als ik mijn gedachten laat leiden door de Heilige Geest, door niet te veroordelen, wordt de ontmoeting een heilige ontmoeting, en zullen wij allebei (ik en degene die ik ontmoet) het beste uit de ontmoeting halen. In de Psychotherapie Aanvulling vervolgt Jezus:

“Wie beslist er dan wat elke broeder nodig heeft? Zeker niet jij die nog niet inziet wie het is die vraagt. Er is Iets in hem dat jou dat zal zeggen, mits je luistert. En dat is het antwoord: luister. Eis niets, beslis niets, offer niets. Luister. Wat je hoort is waar. Zou God jou Zijn Zoon zenden zonder er zeker van te zijn dat jij inziet wat zijn noden zijn? Bedenk eens wat God jou vertelt: Hij heeft jouw stem nodig om namens Hem te spreken. Kan er iets heiliger zijn? Of een groter geschenk aan jou? Kies je liever wie er god zou zijn dan de Stem te horen van Hem die God is in jou?” (P3.I.2)

Hoe vaak wisten jij en ik absoluut zeker wat het beste zou zijn voor een bepaald persoon om te doen, waar we vervolgens op aandrongen? Dit komt echter louter neer op het projecteren van eigen ego-pijn die we nog niet onder ogen willen zien. En hoewel de Aanvulling is geschreven in de specifieke context van een wereldse patiënt – therapeut relatie, geldt dit advies voor ons allemaal: stop met veroordelen, vanuit de overtuiging dat je de waarheid kent, en luister. “Het merendeel van het onderricht in de wereld volgt een leerplan in oordelen, erop gericht van de therapeut een beoordelaar te maken.” (P–3.II.2:4). Maar laten we ons herinneren: “Als jij op de fouten van je broeders ego wijst, moet je daar wel met het jouwe naar kijken, want de Heilige Geest neemt zijn vergissingen niet waar. […] Wanneer jij überhaupt op vergissingen reageert, luister je niet naar de Heilige Geest. […] Als je Hem [de heilige Geest] niet hoort, luister je naar je ego en ben je even onzinnig als de broeder wiens vergissingen jij waarneemt.” (T9.III.3:1;4:1-4). Het beoefenen van Jezus’ Cursus in wonderen vraagt van ons dat wij een stapje terug doen en de Stem namens Liefde ons denken laat leiden.

Vervolgens wijst Jezus ons er op dat deze uitgangspunten niet alleen gelden voor mensen die we fysiek tegenkomen, maar net zo goed voor mensen waar we aan denken: “Je patiënten hoeven niet fysiek aanwezig te zijn om jou de gelegenheid te geven hen in de Naam van God te dienen. Dit is misschien moeilijk in gedachten te houden, maar God wil niet dat Zijn gaven aan jou beperkt blijven tot de enkelingen die jij daadwerkelijk ziet. Je kunt ook anderen zien, want zien is niet beperkt tot de ogen van het lichaam. Sommigen hebben jouw fysieke aanwezigheid niet nodig. Ze hebben jou even hard, en misschien zelfs meer, nodig op het ogenblik dat ze worden gezonden. Je zult hen herkennen op elke manier die voor jullie beiden het meest behulpzaam kan zijn. Het doet er niet toe hoe ze komen. 8Ze zullen worden gezonden in elke vorm die het meest behulpzaam is: als naam, als gedachte, als beeld, als idee, of misschien alleen maar als gevoel dat je met iemand ergens contact maakt. De verbinding ligt in handen van de Heilige Geest. Ze kan alleen maar lukken.” (P3.I.3).

Dit kan inderdaad lastig zijn om steeds in gedachten te houden. Als we oprecht iemand die we tegenkomen een glimlach schenken, ervaren we een direct gevolg (afhankelijk van met welke leraar we kijken). Maar te lezen dat zelfs het liefdevol denken aan een persoon een minstens zo sterk effect kan hebben, voelt onbekend of zelfs oncomfortabel voor ons. Toch, als we ons herinneren dat denkgeesten verbonden zijn, wordt dit logisch en vanzelfsprekend. Zelfs in het geval van een fysieke ontmoeting vindt de echte verbinding – en dus genezing – plaats op het niveau van de denkgeest. Dus waarom zou fysieke afstand uitmaken? Of zelfs tijd, de vierde dimensie van ruimte? Zoals Jezus uitlegt in hoofdstuk 28 van het Tekstboek: “Verbind je niet met je broeders dromen, maar verbind je met hem [zijn denkgeest], en waar jij je met de Zoon verbindt, daar is de Vader aanwezig.” (T28.IV.10:1). Dus ook liefdevolle gedachten aan overledenen kunnen onze relatie met hen helen.

“Een heilige therapeut, een gevorderde leraar van God, vergeet één ding nooit: hij stelde het leerplan van zijn verlossing niet vast, en bepaalde evenmin zijn aandeel daarin. Hij begrijpt dat zijn aandeel noodzakelijk is voor het geheel, en dat hij door middel daarvan het geheel zal herkennen, wanneer zijn aandeel compleet is. Ondertussen dient hij te leren, en zijn patiënten zijn de middelen die hem daartoe gezonden zijn. Wat kan hij anders dan om hen en jegens hen dankbaar zijn? Ze komen en dragen God met zich mee. Zou hij deze Gave willen afslaan voor een kiezelsteen, of zou hij de deur willen sluiten voor de verlosser van de wereld om een spook binnen te laten? Laat hij de Zoon van God niet verraden. Wie er een beroep op hem doet gaat zijn begrip verre te boven. En zou hij niet blij zijn dat hij antwoorden kan, wanneer hij alleen zo de roep kan horen en begrijpen dat het de zijne is?” (P3.I.4).

Jij en ik kennen waarschijnlijk niet veel therapeuten die op deze manier denken en werken. Maar zie eens hoe simpel het is (hoewel niet noodzakelijkerwijs erg gemakkelijk) om hier een dagelijkse gewoonte van te maken! We komen tenslotte elke dag mensen tegen, en als we willen kunnen we elke dag aan honderden mensen denken. Dat betekent honderden gelegenheden om de Heilige Geest toestemming te geven je eigen denkgeest te genezen! Dit vraagt van mij dat ik mijn eigen veroordelingen gadesla, naar binnen keer, een stapje terug doe en de Heilige Geest vraag om mij vanuit Liefde te gidsen. Combineer dat met het besef dat jij en ik geen lichaam zijn, maar geesten die in Christus verbonden zijn, met de garantie dat iedereen zal terugkeren naar het Hart van God (dat we nooit hebben verlaten, maar dat zijn we vergeten), dan zou ik zeggen dat jij en ik in Jezus’ Cursus een bijzonder aantrekkelijk leerplan hebben gevonden. En mocht het volledig aanvaarden van de Verzoening ons niet in dit leven lukken, dan hebben we onszelf in elk geval een groot plezier gedaan voor ons volgend leven, waarin we de “reis zonder afstand naar een doel dat nooit is veranderd” (T8.VI.9:7) kunnen voltooien. Veel inspiratie gewenst vandaag!

— Jan-Willem van Aalst, december 2017 (vertaling van https://miraclesormurder.wordpress.com/2017/12/02/no-one-comes-to-you-by-mistake/)

Angst as les

Nederland en de hele wereld lijken dit jaar behoorlijk in de ban van het Covid-19 virus. Na een relatief rustige zomer, met weinig besmettingen, lopen de emoties in de maatschappelijke discussie hierover weer hoog op, wat de tegenstellingen in de samenleving alleen maar lijkt te verscherpen. Die emoties gaan niet alleen over het virus zelf, maar ook over de strategie die de regering kiest om de crisis het hoofd te bieden, en de mogelijke gevolgen van die strategie. De één vindt dat de regering niet ver genoeg gaat, de ander vindt dat de regering de bevolking doelbewust angstig houdt vanuit hun vermeende belangenverstrengeling met de farmaceutische industrie. In beide gevallen zijn er grote zorgen over de economische en humanitaire gevolgen waar het land mee te maken gaat krijgen, waardoor het middel (de kabinetsstrategie) misschien wel erger is dan de kwaal (het virus). Het land verkeert kortom in een golf van onzekerheid en angst die sinds de tweede wereldoorlog zijn weerga niet kent.

Het is niet de bedoeling van dit blog om daar een standpunt over te ventileren. Het is overduidelijk dat corona een erg nare ziekte is, met voor mensen met een verminderde afweer dito symptomen. Tegelijkertijd blijft het aantal overledenen ver achter bij de horrorscenario’s die zijn gepresenteerd (nog steeds minder dan 0,1% van de bevolking), waarbij bovendien opvalt dat we dit jaar in plaats van de gebruikelijke 5000 griepdoden ineens nog maar 500 griepdoden lijken te hebben. Nederland kent elke dag zo’n 200 doden door de top-ziektes zoals hart- en vaatziekten, longkanker, hartfalen, dementie, beroertes en dergelijke. Overlijdens door corona dragen daar nu voor een klein deel aan bij, terwijl dus niet eens duidelijk is of daar wellicht ook de vermiste griepdoden bij zitten. Maar het schrikbeeld dat corona het – zeer pijnlijke – einde van je leven kan betekenen, zit inmiddels bij een groot deel van de bevolking tussen de oren, en de maatschappelijke ontwrichting lijkt daarmee door te zetten.

Vanuit Een cursus in wonderen bezien maakt dit alles onderdeel uit van dezelfde ‘waakdroom’, die volledig illusoir is. De Cursus stelt dat jij en ik geen lichaam zijn, maar puur geest, en dat niets in de wereld van tijd en ruimte ook maar de geringste verandering teweeg kan brengen in onze Identiteit als de Ene Zoon van God. Er is volgens de Cursus, kortom, wat ons ware leven betreft geen enkele reden om enige angst te hebben; niet in het verleden, nu niet en nooit niet. Als geest is iedereen per definitie veilig. Maar hoewel dat misschien inspirerende en geruststellende woorden lijken te zijn, identificeert elke Cursusstudent zich nog steeds innig met het kleine afgescheiden ego, waarmee we onze identiteit toch onbewust nog gelijkstellen aan ons lichaam, in elk geval een groot deel van de dag. We vertellen onszelf wel: “Ik ben niet een lichaam. Ik ben vrij. Want ik blijf zoals ik ben, zo schiep God mij” (Wd1.201-220), maar tegelijkertijd zien we nog steeds ons lichaam verouderen en aftakelen, en proberen we de dood zo lang mogelijk te vermijden.

Jezus legt in zijn Cursus uit dat wij, als de Ene Zoon van God, dit alles zelf hebben verzonnen om een plek te hebben waarin we onszelf als autonoom individu kunnen ervaren en tegelijkertijd kunnen schuilen voor de ingebeelde wraakzuchtige woede van God, die helemaal niet bestaat. In het tekstboek vraagt Jezus ons: “Bevalt jou wat je hebt gemaakt? Een wereld van moord en aanval, waardoorheen jij je schuchter een weg baant door constante gevaren, alleen en angstig, hopend dat de dood in het beste geval nog een poosje wachten zal alvorens hij jou overvalt en jij verdwijnt. Jij hebt dit verzonnen. Het is een beeld van wat jij denkt dat je bent, van hoe jij jezelf ziet. […] Dit alles zijn slechts de angstige gedachten van diegenen die zichzelf willen aanpassen aan een wereld die door hun aanpassingen angstaanjagend is gemaakt” (T20.III.4:2-6). Alles in de wereld is een droom en weerspiegelt het idee van afscheiding, aanval en dood dat het ego is.

Al vroeg in zijn Cursus wijst Jezus ons erop dat hij niet van ons eist dat we de droomwereld in tijd en ruimte ontkennen; dat zou een “bijzonder onwaardige vorm van ontkenning” zijn (T-2.IV.3:11). Zolang wij er onbewust nog van overtuigd zijn dat ons lichaam onze identiteit is (en dat is zo bij iedereen die hier nog elke ochtend in een lichaam wakker wordt), is het aan te raden goed voor dat lichaam te zorgen. Jezus is zelfs niet tegen het gebruik van medicijnen om de angst in de denkgeest over het lichaam wat te verzachten (T-2.IV.4). Sterker, het lichaam kan liefdevol worden benut door de Heilige Geest, de Stem namens Liefde, om Jezus’ boodschap hier in de wereld te manifesteren, als wij daarvoor kiezen. Zoals we al in het vorig blog lazen: “Jij bent mijn stem, mijn ogen, mijn voeten, mijn handen, waarmee ik de wereld verlos” (WdI.hV.in.9:2-3). We kunnen ons lichaam dus liefdevol inzetten.

Door mijn gedachtegang onder leiding van de Heilige Geest te plaatsen (d.w.z., de aandacht te richten op liefdevolle intuïtie), wordt alles in de wereld van deze ‘waakdroom’ een les in liefde. Aangezien er in werkelijkheid helemaal geen wereld buiten mij is en dus ook geen anderen buiten mij (en ook geen virussen), is alles wat ik waarneem en interpreteer een spiegel van hoe ik mezelf interpreteer: als zoon van het ego in een beangstigende wereld, of als Zoon van God in een droom waarin we allemaal dezelfde Lichtbron delen met elkaar, die onze essentie is als Christus, de Ene Zoon van God. Door ervoor te kiezen mijn interpretatie van alles wat ik buiten mijzelf waarneem te laten leiden door de Heilige Geest, leer ik stukje bij beetje ook mezelf in dat Licht te bezien, en uiteindelijk de Verzoening te aanvaarden.

Vanuit Cursusperspectief is dus het allerbeste wat we kunnen doen in deze tijd van maatschappelijke angst het kalm en onbevooroordeeld kijken naar onze eigen interpretatie van wat we om ons heen waarnemen. En du moment dat er toch een oordeel in onze gedachten verschijnt, kunnen we daar direct liefdevol het ego voor bedanken en de veroordeling overgeven aan de Heilige Geest, in plaats van er in weg te glijden of ons er schuldig over te voelen, wat bij veel Cursusstudenten voorkomt. Schuldgevoel houdt het ego in stand, en daarmee onze angst voor een vreselijk einde van ons fragiele leven. Het einde van schuld betekent het einde van angst en uiteindelijk het einde van de droom.

Kies ervoor een baken van vrede te zijn. Zet je niet af tegen welke wereldse mening over dit virus dan ook. Weet dat een droom een droom blijft, en laat je reacties binnen de droom leiden door de Heilige Geest, de Stem namens Liefde, door in je ratio een stapje terug te doen en je liefdevolle intuïtie te volgen. Dat betekent allerminst dat je onverschillig wordt jegens de samenleving – integendeel, je kunt dagelijks zeer betrokken zijn bij het helpen van mensen. Wat de vorm ook moge zijn, je biedt iedereen die je tegenkomt het mooiste cadeau dat er is: aanvaarding van de ander (en dus van jezelf) als de schuldeloze Zoon van God die voor eeuwig veilig is. En zo is alle angst te zien als een les in liefde.

— Jan-Willem van Aalst, september 2020

Lees ook Willems gedicht over onze dagelijkse focus in tijden van corona.

Zijn we verschillend of hetzelfde?

Vanaf het moment dat we in deze wereld geboren worden, leren we om verschillen waar te nemen. Geen twee mensen zijn identiek; zelfs eeneiige tweelingen niet. We leren bovendien waarde toe te kennen aan verschillen: we bewonderen artiesten met speciale talenten, en we streven ernaar onze eigen unieke persoonlijkheid en talenten te ontwikkelen, zodat we op onze eigen unieke manier een verschil in de wereld kunnen maken. Aan de andere kant worden verschillen ook vaak als bedreigend ervaren. Mensen met andere geloofsovertuigingen kunnen ons aanvallen omdat wij iets anders geloven – we noemen ze in het algemeen terroristen – en karakterverschillen tussen echtgenoten zorgen ervoor dat meer dan 40% van de huwelijken in een echtscheiding eindigt. Desalniettemin beamen we allemaal dat alles en iedereen in de wereld van elkaar verschilt, een waarheid die we niet kunnen ontkennen.

En dan komt Jezus langs met zijn Cursus in wonderen, om ons te vertellen dat onze perceptie (d.w.z., interpretatie) van verschillen louter afleidingen zijn door het ego, om ons geworteld te houden in de denkbeeldige droomwereld van tijd en ruimte. Als schijnbaar afgescheiden wezens, geïdentificeerd met het ego, houden we ervan om verschillen op te merken omdat dat ‘bewijst’ dat wij anders zijn dan alles om ons heen; we kunnen, kortom, blijven geloven dat het afgescheiden individu, autonoom en los van God, daadwerkelijk bestaat. Helaas leidt die focus nooit tot blijvende innerlijke vrede, laat staan tot vrede in de wereld. Onder het dunne laagje zelfgenoegzaamheid voelt iedereen zich “onzeker, eenzaam, en in voortdurende angst” (T31.VIII.7:1), terwijl we ieder jaar onze dood dichterbij zien komen. Dit aanvaarden we als een gegeven, waar iedereen maar zo goed mogelijk mee moet leren omgaan.

“Als dat de werkelijke wereld was, zou God ook wreed zijn”, verklaart Jezus in (T13.in.3:1). Hij legt uit dat het doel van zijn leerplan, namelijk het bereiken van blijvende innerlijke vrede, voor iedereen haalbaar is. Dit doel bereiken we door het opgeven van de interpretatie van verschillen, wat direct leidt tot het loslaten van veroordeling: de kern van wat ware vergeving betekent in Een cursus in wonderen. Jezus vraagt ons eigenlijk om de ‘realiteit’ van verschillen te heroverwegen; niet qua vorm, maar qua inhoud. Bekeken vanuit vorm verschilt uiteraard alles van elkaar. Maar: “Waar komen al deze verschillen vandaan? Ze lijken stellig in de buitenwereld te zijn. Maar het is beslist de denkgeest die oordeelt over wat de ogen zien. Het is de denkgeest die de boodschappen van de ogen interpreteert en er ‘betekenis’ aan geeft. En deze betekenis bestaat in de buitenwereld helemaal niet. Wat als ‘werkelijkheid’ wordt gezien, is simpelweg dat waaraan de denkgeest de voorkeur geeft. […] Alleen de denkgeest […] beslist of wat gezien wordt werkelijk is of illusoir, wenselijk of onwenselijk, aangenaam of pijnlijk.” (H8.3).

Het volledig doorgronden van het belang van het verschil tussen vorm en inhoud is cruciaal, willen we Jezus’ leerplan voltooien en blijvende innerlijke vrede bereiken. Wat als we in iedereen, los van alle verschillen in uiterlijke vormen die onze zintuigen altijd waarnemen, dezelfde geest (inhoud) zouden waarnemen in iedereen? Afwijzing zou ondenkbaar worden. “Alleen zij die verschillen kunnen aanvallen. Zo kom jij tot de conclusie dat, omdat je kunt aanvallen, jij en je broeder verschillend moeten zijn.” (T22.VI.13:1-2). We veroordelen elkaar alleen maar omdat we sommige waargenomen aspecten (vormen, fysiek of psychisch) in anderen als bedreigend interpreteren: denk bijvoorbeeld aan de ‘autoritaire manager’ op het werk. Maar stel dat ik mezelf zou aanleren om voorbij de vorm te kijken naar de inherente gelijkheid van ieder van ons als de ene Zoon van God? Jezus vervolgt: “…De Heilige Geest legt dit echter anders uit. Omdat jij en je broeder niet verschillend zijn, kun je niet aanvallen. […] De enige vraag die beantwoord moet worden om te kunnen besluiten welke [gedachtegang] waar is, is óf jij en je broeder wel verschillend zijn” (T22.VI.13:3-6).

Jezus vraagt niet van ons dat wij onze ervaringen van verschillen (in vorm) in de wereld gaan ontkennen, noch te ontkennen dat wij onze interpretatie van dergelijke verschillen zien als rechtvaardiging om ons bedreigd te voelen (en dus te mogen aanvallen). Maar hij verzekert ons dat telkens wanneer het ons lukt om voor ware vergeving te kiezen, waarmee we dus voorbij de oppervlakkige verschillen willen kijken, wij de ervaring van eenheid en innerlijke vrede uitnodigen die wij allemaal zo verlangen. Het doel van Een cursus in wonderen is om dit jouw alledaagse realiteit te laten worden. Dit bereik je door al je relaties met anderen fundamenteel anders te gaan bezien. Alle relaties, zonder uitzondering. De sleutel is je keuze om de ‘onheilige relatie’ (gebaseerd op de interpretatie van verschillen) om te willen buigen naar een ‘heilige relatie’, gebaseerd op de waarneming van inherente gelijkheid. Jezus noemt dat visie. Daarom vraagt hij ons aan het einde van elk kalenderjaar: “Maak dit jaar anders door het allemaal hetzelfde te maken. En laat al je relaties voor jou heilig worden gemaakt. Dit is onze wil. Amen” (T15.XI.10:11-14).

Merk het subtiele maar cruciale onderscheid op in “laat al je relaties voor jou heilig worden gemaakt“. Deze ombuiging kunnen we niet louter alleen op onze eigen ego-kracht bewerkstelligen. We zullen de bereidheid (motivatie) moeten vinden om een stapje terug te doen en onze denkgeest te laten leiden door een betere leraar: de Heilige Geest. Dit houdt in dat je bereid bent om je aandacht op je innerlijk te richten en daar geen gebrek te zien. De Heilige Geest, die hiermee is uitgenodigd, “…wil die [compleetheid] uitbreiden door zich met een ander te verbinden, die heel is zoals hij. […] Bedenk eens wat een heilige relatie kan onderwijzen! Hier wordt de overtuiging ongedaan gemaakt dat er verschillen zijn. Hier wordt het geloof in verschillen omgezet in geloof in gelijkheid. En hier wordt het zien van verschillen tot visie getransformeerd. Nu kan de rede jou en je broeder voeren tot de logische conclusie van jullie verbondenheid” (T22.in.3:3-4:5).

Nogmaals, deze gelijkheid en eenheid zijn beslist niet het geval op het fysieke niveau van materiële vormen; maar jij en ik zijn geen lichaam – wij zijn geest. Eén van de unieke kenmerken van Een cursus in wonderen is dat Jezus ons nooit vraagt onze wereldse (lichamelijke) ervaringen te ontkennen. Hij legt uit: “Het lichaam werd niet door liefde gemaakt. Toch veroordeelt de liefde het niet en kan ze het liefdevol gebruiken, omdat ze respect heeft voor wat de Zoon van God heeft gemaakt en dit aanwendt om hem van illusies te verlossen” (T18.VI.4:7-8). Sterker nog, Jezus moedigt ons aan om ons lichaam te benutten om zijn visie van gelijkheid te delen met iedereen die we tegenkomen: “Want dit alleen heb ik nodig: dat jij de woorden zult horen die ik spreek en ze aan de wereld geeft. Jij bent mijn stem, mijn ogen, mijn voeten, mijn handen, waarmee ik de wereld verlos” (WdI.hV.in.9:2-3).

Kortom, het aanvaarden dat de schijnbare verschillen in lichamen er niet toe doen, betekent niet dat we het lichaam of de wereld moeten afwijzen. Jezus zegt zelfs dat het koppig ontkennen van onze ervaringen in deze wereld “een bijzonder onwaardige vorm van ontkenning” is. (T2.IV.3:11). Net als Boeddha spoort Jezus ons aan om in deze wereld een spiritueel middenpad te bewandelen waarin we een normaal leven leiden, maar met het innerlijk gericht op de Heilige Geest, als de enige juiste Gids in ons leven; alleen met die Gids kunnen we onze keuze bestendigen om gelijkheid te blijven zien. Alleen door mij op die manier in de denkgeest met alle anderen te verbinden, sta ik de Heilige Geest toe om de oorspronkelijke vergissing van de afscheiding van Eenheid (God, Liefde) ongedaan te laten maken. Mijn speciale onheilige relaties worden nu heilige relaties, en ik ben genezen.

Dit betekent overigens niet dat men nooit een einde aan een relatie zou mogen maken omdat dat de vergissing zou betekenen van het zich richten op verschillen in vorm in plaats van op de gelijkheid qua inhoud. In ons spirituele leerplan zijn niet alle relaties bedoeld om een leven lang te duren. Geef het besluit om een relatie wel of niet te beëindigen over aan de Heilige Geest. Het is best mogelijk dat een vredige beëindiging van een relatie uiteindelijk het meest liefdevolle besluit voor iedereen kan zijn. Zelfs als je precies hetzelfde liefdevolle licht in iedereen ziet, kan de vorm van je relaties sterk verschillen en veranderen. Dat is prima. Zoals Kenneth Wapnick hieromtrent benadrukte: “Het verschil tussen een speciale en een heilige relatie ligt simpelweg in perceptie (interpretatie): door wiens ogen bezien we de relatie: die van het ego of die van de Heilige Geest?” Deze keuze, “tussen twee keuzen of twee stemmen”, is de enige vrijheid die wij feitelijk hebben zolang we ons nog in de illusoire droomwereld wanen. Geef aandacht aan het trainen van de keuzemaker in je denkgeest. En maak het komende jaar anders door het allemaal hetzelfde te maken.

— Jan-Willem van Aalst, november 2017 (vertaling van https://miraclesormurder.wordpress.com/2017/11/25/from-differences-to-sameness/)