Blog

Bid om jouw inclusie in Eenheid te aanvaarden

Zolang je in een wereld lijkt te leven vol met elkaar strijdende ego’s, kan niemand vermijden om plannen voor de eigen toekomst vol van geluk te maken, onophoudelijk in de hoop dat wat komt niet al te slecht zal uitpakken. Op een of andere manier is ‘hopen’ gewoon een ander woord voor bidden.  En dat niet perse naar een godheid; het zou van alles kunnen zijn van ‘geluk hebben’ tot ‘God’. Veel mensen bidden dat ze niet getroffen zullen worden door een of ander vreselijke terminale ziekte. Maar zelfs simpele dingen als een parkeerplaats vinden, of dat een of andere collega je morgen aardiger gaat vinden, zijn slechts verschillende vormen van gebed. Geen reden om je schuldig bij te voelen. Zoals we lezen in het pamflet “Het Lied van het gebed”:  “[…] niemand die onzeker is over zijn Identiteit kan nalaten op deze manier [dus voor specifieke zaken] te bidden.” (L.1.II.2:3). En ieder die maar blijft kiezen deze aarde te bewandelen is onzeker over zijn identiteit. Bidden betekent dus dat ik onbewust benauwd ben dat ik door wie of wat ook overweldigd kan worden. Pas zodra ik absoluut zeker ben over wat ik ben (en dat is pure geest, de essentie van Liefde), kan er geen onzekerheid meer bestaan, noch twijfel, en daarom geen angst, omdat ik “de wereld [kan] bevrijden van al wat ik haar heb toebedacht” (W-132).  Voor specifieke zaken bidden wordt dan betekenisloos. Hoe zou God (of Jezus of de Heilige Geest) aangeroepen kunnen worden om iets in een illusoire wereld te herstellen? “Er is geen wereld! Dit is de kerngedachte die de cursus probeert te onderwijzen”, lezen we in (W-pI.132.6:2). Elke keer dat ik om iets specifieks in deze wereld bid, ben ik eigenlijk bezig God te smeken (of Jezus, of de Heilige Geest): “Ik houd zo veel van je, en ik weet dat jij me liefhebt. Alsjeblieft, regel dit en dat voor me!” Nogmaals, het maakt niet uit of dat gaat over een ernstige ziekte of over een parkeerplaats. Ik zoek veiligheid in een illusoire wereld. En vanzelfsprekend blijf ik zoeken, en nimmer vinden, tegelijkertijd mijn ego gelukkig (of ongelukkig) in stand houdend. Alle twijfel (en de daaruit voortvloeiende angsten) gaan uiteindelijk over zelftwijfel. “Twijfel aan zichzelf is wat er in werkelijkheid altijd ten grondslag ligt aan twijfel over de afloop van enig probleem […] En dat houdt noodzakelijkerwijs in dat er vertrouwen werd gesteld in een illusoir zelf,… (H-7.5:1-2). “En elke twijfel moet over jezelf gaan. Christus kent geen twijfel, en uit Zijn zekerheid vloeit Zijn vredigheid voort.”(T-24.V.9:2-3). Aldus, terwijl ik Een cursus in wonderen bestudeer en in de praktijk breng, ervaar ik mezelf rondwandelend in een wereld waarin ik me onzeker voel omtrent wat ik ben. Ik kan elke dag honderden liefdevolle affirmaties herhalen, en mezelf vaak aan mijn ware Identiteit herinneren, echter zal deze zelftwijfel volharden zolang als ik de dagen en jaren blijf tellen.  De reden is dat ik een gespleten denkgeest heb. Een deel van mijn denkgeest weet dat ik eeuwig veilig ben thuis in het Hart van God, maar een ander deel van mijn denkgeest identificeert zich nog steeds sterk met mijn afgescheiden, individuele lichaam  om dat te accepteren. Dus wat is een zachtaardige en effectieve manier om dit denkgeestconflict en de zelftwijfel te beëindigen? Als het over de inhoud gaat, komt het neer op het accepteren van de Verzoening, de opname in de Eenheid, maar dat is makkelijker gezegd dan gedaan. Als we het over vormen hebben, kunnen vele gedachten en oefeningen ons gedurende onze reis terug naar het ongedaan maken van ons ego, versnellen. Laten we een vorm bespreken gericht op onze ‘innerlijke wereld’, en een vorm die op de ‘buitenwereld’ gericht is. Omdat het uiterlijke het innerlijke weerspiegelt, is het waarachtig hetzelfde. En beide hebben eenvoudigweg tijd nodig zolang wij in tijd geloven. Geloof laat zich namelijk niet na één nachtje slapen ongedaan maken.

Laten we eens kijken naar de onzekerheid over wat we zijn. Het is toch waar dat jij en ik God, Jezus en de Heilige Geest als buiten ons zich bevindende entiteiten? We mogen onszelf vertellen dat zij de ultieme garantie voor onze veiligheid zijn, maar we beschouwen ze nog steeds als ontegenzeggelijk verschillend van ons. In werkelijkheid is dat echter niet het geval. Jezus is erg duidelijk hierover in Een cursus in wonderen. Al heel vroeg staat in het tekstboek (T-1.II.3:10-12), als Jezus ons vertelt: “Er is niets aan mij wat jij niet kunt bereiken. Ik heb niets wat niet van God afkomstig is. Het huidige verschil tussen ons is dat ik niets anders heb.” En dus, zijn we “… op geen enkele wijze gescheiden of verschillend van mij [Jezus] anders dan in tijd, en tijd bestaat niet werkelijk.” (T-1.II.4:1). Tijd zal gegarandeerd eindigen. De Tweede Komst van Christus, wat een metafoor is voor het ontwaken van het Zoonschap tot zijn ware Identiteit, is onvermijdelijk. Het helpt je wellicht je geloof in een afgescheiden identiteit te wijzigen door die uitspraak van Jezus uit hoofdstuk 1 van het tekstboek af en toe te herhalen. Een meer praktijk gerichte vorm is de dagelijkse oefening in het veranderen van hoe jij je relaties ervaart met mensen en dingen om je heen. Ervaar ik aparte individuen, mogelijkerwijs erop uit iets van mij te krijgen, of ervaar ik alleen maar gedeelde belangen met iedereen die ik tegenkom? “Het is geen droom je broeder lief te hebben als jezelf.”, lezen we in (T-18.V:1). Een waarlijk behulpzame gedachteverandering komt altijd neer op een verandering in perceptie van relaties. En in ECIW lezen we dat alle relaties uiteindelijk relaties met jezelf zijn, omdat er in waarheid geen wereld daarbuiten is om relaties in te kunnen kweken. Bid dus voor jezelf opdat jij je broeder niet afwijst zodra je er een ontmoet. In het tekstboek hoofdstuk 9 lezen we: “Je kunt net zomin alleen voor jezelf bidden als je alleen voor jezelf vreugde kunt vinden. Gebed is de herformulering van inclusiviteit, onder leiding van de Heilige Geest volgens de wetten van God. Verlossing komt van je broeder.”(T-9.II.6:1-3). Je bidt voor jezelf om inclusie te aanvaarden.  Dus, de volgende ochtend als ik ontwaak, ontbijt, en mezelf voorbereid voor weer een nieuwe dag in deze illusoire wereld, kan ik (a) mezelf eraan herinneren dat Jezus (als symbool van de Liefde van God) niets bezit dat ik niet kan bereiken – en zelfs nog preciezer,  zal bereiken, en (b) iedere persoon die ik ontmoet beschouwen als een perfecte les om ware vergeving te praktiseren. Ik heb al te veel levens geleefd waar ik weigerde te vergeven. Ik kan nu mijn bereidheid in de praktijk brengen om opnieuw een keuze te maken, vanuit de zekerheid dat “Ik geen lichaam ben. Ik ben vrij. Want ik blijf wat ik ben, zo schiep God mij.” (W-pI.203.1). Ik kan dit feit wat ik in het begin niet werkelijk wilde geloven,  accepteren in mijn onderbuik (anders zou je namelijk hier niet meer zijn), maar zeker is dat mijn aanvaarding zal groeien met mijn bereidheid te blijven oefenen. Niet met inspanning, maar met vertrouwen, eerlijkheid, verdraagzaamheid, zachtmoedigheid, vreugde, verdedigingsloosheid, vrijgevigheid, geduld, trouw, en openheid-van-denken (H-4). En dit zal functioneren, zelfs wanneer ik omwegen maak door voor specifieke dingen te bidden. Ik kan leren vriendelijk te glimlachen om al die onnozelheid. En dat zal het beste werken.

© Jan-Willem van Aalst, september 2016 (vertaling: Robert J Visser)

-o-o-o-o-

Advertenties

Nog één kusje, lieverd

In onze westerse maatschappij eindigen ruwweg twee van de vijf huwelijken in scheiding, terwijl verder nog twee van de vijf eindigen in een ongelukkige, troosteloze sleur vol van onderdrukte pijn. Dan blijft er een magere 20% huwelijkse relaties over die verondersteld worden geweldig uit te pakken en een leven lang te duren. En de statistieken schijnen niet bijzonder te verbeteren, tenminste niet significant. Hoe komt het dat het blijkbaar zo moeilijk is een levenslang bevredigende relatie aan te gaan?

Psychologen beargumenteren dat een belangrijke valkuil voor vele mensen is om te focussen op fysieke aantrekkelijkheid. Ieders ogen worden onvermijdelijk naar dat toe getrokken wat we als mooi beschouwen. Net als Hannibal Lecter in The silence of the lambs Clarice eraan herinnerde: “Voel jij niet de ogen over je lichaam glijden, Clarice? En zoeken jouw ogen niet de dingen uit die je begeert?” De aanname – meestal onbewust – is dat wat mooi aan de buitenkant is, dat ook binnenin is. Natuurlijk houdt dit geen stand. We stappen gelukzalig in een nieuwe “prachtige” relatie met een “fantastische” bijzondere persoon, om alleen maar te ontdekken dat we allen dezelfde boosaardige ego-mechanismes in onze denkgeest met elkaar delen. Wanneer de onvolkomenheden in de andere persoon ons stilaan aan onze eigen onvolkomenheden herinneren, vervliegt de magie van de relatie als een verwelkte bloem.

In Een cursus in wonderen bespreekt Jezus relaties, beter gezegd onze motivatie om voor relaties te kiezen, diepgaand, zowel in het Tekstboek als het Werkboek, omdat dit overduidelijk verbonden is met het ECIW’s kernthema van het beëindigen van de afscheiding. Onze motivatie bij het kiezen is altijd gekoppeld aan doel. Wat beogen we met een relatie? In Een cursus in wonderen worden relaties ingedeeld in de categorieën speciale relaties (vanuit het ego, of het onjuist-gerichte denken komend) en heilige relaties (vanuit de Heilige Geest, of vanuit het juist-gerichte denken). Verder worden speciale relaties opgedeeld in speciale haat relaties (“Ik haat jou”) en speciale liefdesrelaties (“Ik aanbid jou”, of “Ik verafgood mijn auto”). Terwijl in speciale relaties de vorm enorm verschilt, wordt ons in ECIW bijgebracht dat de inhoud altijd dezelfde is: om de speciaalheid van het ego te verheerlijken. Terwijl dit duidelijk te zien is in de speciale haat relatie, is dit op het eerste gezicht niet zo zonneklaar in de speciale liefdesrelatie. Komt mijn oprechte liefde voor een ander speciaal menselijk wezen niet overeen met de liefde van God, hier op aarde?

“Nee, niet zo lang als jouw belangrijkste aandacht op het lichaam gericht is, of enig ander aspect dat betrekking heeft op vorm”, zou Jezus zeggen. In feite gaat Jezus zelfs zo ver te beweren dat alle speciale relaties kannibalistisch zijn, hoewel hij dat woord niet bezigt. In ECIW lees ik dat ik tot een speciale persoon aangetrokken word omdat ik geloof dat zo’n persoon iets kan leveren dat ik ervaar als inherent ontbrekend in mijzelf. Mijn speciale (maar incomplete) persoonlijkheid wordt aangetrokken tot de “onschatbare parel” die ik in jouw speciale persoonlijkheid zie (T-23.II.11). Anders gezegd, mijn motivatie om een speciale liefdesrelatie met jou aan te gaan is, dat ik bezig ben iets terug te krijgen waarvan ik geloof dat het van me weggenomen is. Vanzelfsprekend komt dit “terugnemen” met een behoorlijke brok onbewuste schuld, die ik onderdruk en naar buiten deze wereld projecteer, zolang jij voldoet aan mijn speciale behoeftes, en die te bevredigen. Dat betekent, zo lang als jij mij pleziert, mij aanbidt, seks met me hebt, me helpt, me gehoorzaamt, noem het maar op – zo lang als dat allemaal voortduurt, blijft het kwaad ergens daarbuiten in deze wereld en bevinden wij ons in een “vereniging gesmeed in de Hemel” (T-16.V.8).

Helaas is deze complete wereld van tijd en ruimte geboren uit het idee van afscheiding, en dat is wat het zal teweegbrengen zo lang als de tijd bestaat. Onvermijdelijk zullen er een paar kleine irritaties over dingen aan de oppervlakte komen, waarmee ik het niet helemaal eens ben. Oordeel en veroordeling zijn in de relatie binnengekomen. En een lichte krimp van ergernis is niets anders dan een sluier over intense woede (W-pI.21:2), dus is de instorting van de relatie gewoonlijk slechts een kwestie van tijd. Dit is het mechanisme van alle speciale liefdesrelaties op deze planeet, tenminste zo lang onze motivatie gevoed wordt door een brandende behoefte iets uit de relatie te halen, iets waarvan jij voelt dat het in jouzelf ontbreekt. Jij denkt dat jij jezelf compleet kunt maken door jezelf “in te ruilen” voor het zelf van een ander (T-16.V:7). In een dergelijk spel zijn schuld en dus pijn nooit ver weg.

Natuurlijk is er een betere weg. In plaats van dit onophoudelijke “zoeken-en-niet-vinden” (T-12.V.7), betoogt Jezus onze speciale relaties om te vormen in heilige relaties. En dat brengt altijd een verschuiving van vorm naar inhoud met zich mee. Het idee daarbij is als volgt: Blijkbaar sla ik de plank behoorlijk mis als het gaat over waar ik wil dat een relatie toe dient. De reden is dat ik in verwarring was over wat ik ben (T-24.V.9). Zolang ik mezelf beschouw als een speciaal afzonderlijk lichaam zullen speciale liefdesrelaties gaan over een speciale afzonderlijke vorm. Door Een cursus in wonderen te bestuderen en in de praktijk te brengen, ga ik me realiseren – en ervaren! – dat ik geen lichaam ben, maar een holografisch deel van de Ene Zoon van God – dat wil zeggen, een deel van het vereende Zoonschap. De enig mogelijke relatie kan ik dus alleen met mijn ware Zelf hebben, die Liefde is, buiten tijd en ruimte – wat Jezus een Heilige relatie noemt. Wat mij aantrekt zou dus niet vorm moeten zijn, maar de inhoud van jou als een perfecte weergave van het onschuldige, lieflijke en eeuwig beminde ware Zelf. In mijn voorwerp van attractie herken ik het Gelaat van Christus. Vormen spelen geen rol meer. Of je nu fysiek aantrekkelijk bent of niet, doet er niet toe. Ik treed binnen in een heilige relatie omdat ik uitsluitend gedeelde interesses en onze gedeelde Identiteit waarneem.

Hier aanbeland zou je wellicht zeggen: “Dus… ik zou met wie dan ook daarbuiten een relatie kunnen beginnen?” Antwoord: Jazeker, dat zou je kunnen, maar zolang jij de Heilige Geest niet toestaat jouw keuze te leiden, blijft je relatie voortgedreven door je ego, zonder een vergrote kans op blijvend geluk. Waarlijk behulpzame relaties ontstaan niet bij toeval. In onze levens biedt de Heilige Geest ons drie soorten relaties aan – en dus leersituaties. Type één gebeurt in willekeurige ontmoetingen – behalve dat ze beslist geen toevallige ontmoetingen zijn. Elke ‘toevallige’ ontmoeting is een les waarin jij kunt leren compleet het zicht op gescheiden belangen kwijt te raken. Slaag je daarin, dan zal dat voldoende zijn – verlossing is gekomen (HvL-3.3). Het tweede type relatie is een duurzamer relatie waarin je een behoorlijk intense onderwijs/leer situatie ervaart, die vervolgens weer blijkt te eindigen. Bijvoorbeeld, je collega’s op het werk. Het derde type relatie duurt als type een leven lang, zoals met je gezin en/of levenspartner. Het overkoepelende punt dat Jezus maakt, is dat hoewel de vorm of intensiteit verschilt, de inhoud steeds hetzelfde is: gelegenheden om te leren slechts gemeenschappelijke belangen te zien. En dat is altijd een keuze van de denkgeest.

Jezus’ boodschap betreffende relaties kan dus bondig samengevat worden: als het doel om een relatie te kiezen op enigerlei wijze het lichaam behelst, vraag je om pijn. En je krijgt altijd waar je om vraagt. Daaruit volgt nu ook weer niet dat elke focus op het lichaam inherent zondig is. Dit is een vaak voorkomende valkuil bij spirituele aspiranten. Als een goede Cursus-student, kan ik geneigd zijn elke aandacht voor het lichaam (het mijne of dat van een ander) als een domme fout weg te poeieren. Als gevolg zou ik kunnen afzien van fysieke intimiteit, van zoenen en omarmingen, omdat die “overduidelijk een verkeerd gerichte focus is op vorm in plaats van eenheid in geest?” Mooi niet, dat hoeft helemaal niet zo te zijn! Laten we T-8.VII.3 eens zorgvuldig lezen: “Als jij het lichaam voor een aanval gebruikt, berokkent het jou schade. Als je het alleen gebruikt om de denkgeest te bereiken van hen die geloven dat ze een lichaam zijn, en hun door middel van het lichaam leert dat dit niet zo is, zul jij de macht van de denkgeest die in jou is begrijpen.. Dienend om te verenigen wordt het [lichaam] een prachtige les in gemeenschap, die waarde heeft tot er gemeenschap is.”

Samengevat: ja, maak alsjeblieft en beslist gebruik van je lichaam in relaties. Gebruik het liefdevol. Gebruik het om de allesomvattende Liefde te weerspiegelen die in je denkgeest aanwezig is, zoals ze in ieders denkgeest is, zij het vaak diep begraven. Slechts één kus, maar gegeven vanuit de juiste manier van denken, kan een kannibalistisch verzoek om pijn veranderen in één van de heiligste plekken op aarde, omdat een oeroude haat een huidige liefde is geworden (T-26.IX.6:1). Nou en of, precies als Jezus tweemaal bepleit in ECIW: “Onderwijs louter Liefde, want dat is wat je bent”(T-6.I.13:2). Nogmaals, waardeer en gebruik je lichaam, in dienst van die kennis.

© Jan-Willem van Aalst, september 2016 (vertaling: Robert J Visser)

-o-o-o-o-

Natuurlijk wil ik liefde…of niet soms?

Laten we zeggen, ik ben een dag vrij. Buiten is ’t prachtig weer. Ik besluit om een fietstocht te maken naar de bossen om van de prachtige natuur te genieten, om tegelijkertijd wat te ontstressen. En bovendien herinner ik me de werkboekles van vandaag (“Ik dank mijn Vader voor Zijn gaven aan mij”- Les 123, simpel als een 1-2-3-tje) en besluit m’n les in de praktijk te brengen terwijl ik van het bos geniet. Ik spring goedgemutst op de fiets en vertrek. Maar binnen vijf minuten na ik vertrokken ben, word ik bijna door een auto aangereden die van links komt – de bestuurder zag me eenvoudigweg niet door het verblindende zonlicht. Dat was behoorlijk beangstigend. Ik voel mijn hart bonzen en mijn stemming zakken. Nog geen twee minuten later ervaar ik problemen bij het inhalen van een groep tieners op hun fietsen, achteloos de gehele breedte van het fietspad innemend, bij een snelheid waar zelfs een schildpad geen moeite mee zou hebben. Ook reageren ze nou niet bijzonder vriendelijk op mijn verzoek me alsjeblieft te laten passeren. Kortom, tegen de tijd dat ik de bossen bereik, ben ik mijn lust voor de mooie natuur verloren – mijn focus is nu gevestigd op mijn irritatie over al die vervelende mensen om me heen.

Als ik het woongebied achter me laat en de bossen inga, komt mijn trouwe dagelijkse oefening als Een cursus in wonderen student weer naar boven, en begin ik op dat moment naar mijn gedachten te kijken, en naar wat er daarnet nu werkelijk gebeurde. Ik besef bijvoorbeeld dat ik gewoon blanke woede voelde, en dat ik psychologisch zo ongeveer iedereen aangevallen heb die ik tegenkwam sinds ik op de fiets sprong. Ook besef ik, voor de zoveelste keer, hoe moeilijk het kan zijn om op een les gefocust te blijven; ik heb mijn Vader nauwelijks bedankt voor Zijn gaven aan mij (die zijn: Vrede, Liefde, Eenheid, eeuwige Veiligheid, de zekerheid van mijn Identiteit, enzovoorts). Integendeel, ik was deze gaven totaal vergeten. Als ik oprecht eerlijk ben, stel ik vast dat ik zelfs bij de kleinste afleiding in gedachteloze veroordeling verval. Hoe komt het dat ik na al die jaren oefenen nog steeds lastig gevallen word door een dergelijk veroordelende en niet vergevende denkgeest? Ik ben er vast van overtuigd dat de Eenheid en Liefde van God mijn diepste verlangen is. Natuurlijk wil ik liefde… of niet soms?

De unieke bijdrage van Een cursus in wonderen als spiritualiteit is, dat het veel aandacht besteedt aan de gedachtesystemen in ons dagelijks leven. Zeker, er bestaan verheven metafysische begrippen over tijd, ruimte, holografie en onze ware Identiteit als zuivere Geest. Die zijn noodzakelijk om ons te doen inzien dat we meer zijn dan dit kleine hoopje klei wat we ons lichaam noemen. Maar een eenvoudige analyse van hoe en waarom we een gedachte kiezen, is minstens zo belangrijk, in het bijzonder het waarom. En dit waarom is metaforisch gezien “gekmakend”. Als een Cursus student ga je je realiseren dat wij allemaal letterlijk een denkgeest bezitten, die met zichzelf in conflict is: we schakelen continu tussen onjuist denken en juist denken. Ja, we willen liefde, zo lang als die aan de behoefte van ons ego voldoet om onze speciaalheid te versterken. En nee, we willen geen liefde als die ons herinnert aan ons verlangen terug te keren naar de Eenheid van onze Vader, wat elke keer het geval is als we gemeenschappelijke belangen zien in plaats van belangen die gescheiden zijn van elkaar.

Ik realiseer me plotseling dat die kinderen op hun fietsen niet mijn irritatie veroorzaakten, en evenmin deed de bestuurder in de auto dat. Ik heb deze gedachten actief gekozen, die vrijwel onmiddellijk naar de daarmee samenhangende biochemie (emoties) in mijn lichaam voerden. Ik heb deze gedachten actief gekozen zodat ik het kwaad in iets buiten me kon zien, en niet in mezelf. Aha, juist, Jezus onderwijst ons dat we heimelijk (dat wil zeggen, onbewust) geloven dat wij het thuis zijn van het kwaad, de duisternis, en de zonde, en dat wanneer iemand deze waarheid over ons zou kunnen zien, hij terug zou deinzen als bij het zien van een giftige slang. We geloven dat als deze waarheid ons geopenbaard zou worden, we met zo’n intense afschuw vervuld zouden worden dat we halsoverkop de hand aan onszelf zouden slaan, omdat het ons onmogelijk zou zijn nog verder te leven na dit te hebben gezien. (W-pI.93). Om er voor te zorgen dat we dat niet hoeven te zien, projecteren we dat beeld naar buiten op alles buiten ons met de bedoeling verschillen te onderstrepen en aanval te rechtvaardigen. De schuld voor zonde moet altijd in iets anders zijn! Mijn gedachten,  beter gezegd mijn waarneming, speurt onophoudelijk naar aanwijzingen buiten me om me zelfs het geringste flintertje schuld te melden. En die waarneming van me sleept dat schreeuwend voor mijn meester (mijn onjuiste denkgeest), om te worden verslonden. (T.19-IV.A.12). Nu ben ik geheel gerechtvaardigd die miserabele, zondige wereld buiten me aan te vallen. Het punt is dat dit bewijst dat ik me waarachtig afgescheiden heb van mijn Schepper, maar, ho eens, ik daar niet verantwoordelijk voor gehouden kan worden. Ik ben een onschuldig slachtoffer in een kwaadaardige wereld. Dus, alsjeblieft, lieve God, het is nu overduidelijk dat op het moment jij de zondaren veroordeelt naar de eeuwige hel, ik daar niet bij hoor. Mijn onschuld is evident, terwijl mijn individuele uitzonderlijkheid verzekerd blijft. Lang leve mijn ego!

Ongelukkigerwijze richten vele spirituele tradities zich hoofdzakelijk op wat Kenneth Wapnick gelukssukkeligheid noemt. Het overkoepelende idee hierbij is dat, wanneer je je denkgeest traint om op Liefde en Eenheid te focussen, je het oordelende deel van je denkgeest conditioneert om langzaam te verdwijnen, precies als een laaiend vuur gereduceerd wordt tot nagloeiende as zodra je ophoudt het te voeden. Samengevat beweren dergelijke spirituele leersystemen dat het ego overwonnen (of ongedaan gemaakt) kan worden door het helemaal geen aandacht te schenken. Dit is precies het tegenovergestelde van wat Jezus ons leert in Een cursus in wonderen. Zoals Jezus uitlegt: door niet naar illusies (onze onjuiste denkgeest) te kijken is dé manier ze te beschermen (T-10.IV.1). Elke dag gelukzalig liefdevolle affirmaties herhalen creëert een sluier van vredige liefde in de denkgeest, maar de “vlekken en roest” (W-pI.133.8) van de onbewuste veroordelende ijsberg onder het wateroppervlak in jouw denkgeest zal niet erg lang onopgemerkt blijven. Een gevoel van leegte blijft knagen aan de uiteinden van die denkgeesten vol van gelukssukkeligheid. Dat is de reden dat Jezus ons waarschuwt: “Vertrouw niet op je goede voornemens. Die zijn niet genoeg.” (T.18-IV.2)

Om waarlijk Gods gaven van Vrede, Liefde, Eenheid, Veiligheid, zekerheid van Identiteit als eeuwige zuivere Geest, te ontvangen, moet ik eerst leren waarom ik deze gaven niet al aanvaard. Ik zal naar mijn gedachten moeten kijken. Dat is de betekenis van het wonder: Het slaat slechts verwoesting gade, en doet in alle rust niets. (W-pII.13.1). Het herinnert me er slechts aan dat ik de dromer van de droom ben, en dat deze droom niet de waarheid is. Houd dat woord alsjeblieft in je denkgeest vast: verwoesting. Het wonder kijkt niet naar liefde; het kijkt naar verwoesting, dat wil zeggen, naar al die aandrang in mijn niet-vergevende denkgeest om aan te vallen. Die neigingen vormen mijn ego-aandrang om rechtvaardiging te vinden voor dat aanvallen, wat mijn individualiteit versterkt en mijn veronderstelde onschuld. Een cursus in wonderen toont ons daarom niet alleen waarom we veroordeling blijven kiezen in plaats van vergeving, maar het biedt tevens een uitweg uit deze boosaardige cirkel van vergeetachtigheid: de dagelijkse praktijk van het inschakelen van de waarnemer “boven het slachtveld” van de denkgeest, en dan simpelweg te kijken. Niet oordelend. Vanuit die denkstaat, zijn we in staat onze aandacht te richten op stilheid, en plaats te maken voor de stem van de Heilige Geest, die meestal geen stem is, maar een vredige of gelukkige impuls. Het is dit simpele kijken en rustige vragen om leiding dat de slapende Zoon van God uiteindelijk een weg biedt uit deze helse droom die schijnbaar zo’n veertien miljard jaar aan de gang is. Dus waarom op de Hemel wachten? De vrede van God straalt nu in mij.(W-pI.188).

Juli 2016, Jan-Willem van Aalst (vertaling: Robert J. Visser)

Medicijn is magie… nou en?

Als we Een cursus in wonderen lezen, wordt ons duidelijk dat hoewel jij en ik ziekte over het algemeen in ons lichaam ervaren, alle symptomen slechts een weerklank zijn van onjuist denken. Kijk bijvoorbeeld eens naar lessen 136 tot 138, en lees het pamflet “Psychotherapie”. Een van de belangrijkste lessen in het leerprogramma van ECIW  is, dat deze hele wereld van vorm om ons heen een projectie is, opzettelijk door ons gekozen (wij als de slapende Zoon van God) in een schuldbeladen poging ons te verstoppen voor een wraakzuchtige Schepper die Zijn zondige zoon beslist in het niets zal doen verdwijnen, omdat die zich van zijn Bron afgescheiden heeft! Dit denken in termen van zonde-schuld-angst, dat is het ego. Het wordt onjuist denken genoemd in Een cursus in wonderen. Het ego zit zo in elkaar dat het onze denkgeest onafgebroken afleidt naar uiterlijkheden, hoe illusoir die ook zijn, opdat de slapende Zoon van God nimmer naar binnen kijkt, en de onschuld en het gedeelde verlangen ziet van alle schijnbaar gefragmenteerde levensvormen: de hunkering om naar de Vader terug te keren, daarbij tevens ruimte en tijd, evenals individualiteit voor eens en altijd ongedaan te maken.

Ego-afleidingen bestaan in vele vormen: milde irritaties over ‘verwerpelijk’ gedrag; oordelen over het weer; of het wereldnieuws, en al het andere dat je wellicht niet mag. Afleidingen treden ook in de vorm van lichamelijke ziekte op. Hoewel dit op het eerste gezicht een aparte categorie lijkt, legt Jezus uit dat alle ervaren gevolgen van onjuist denken hetzelfde zijn qua inhoud, ongeacht hun waargenomen vorm. Voor het ego doet het er niet toe of ik ellende nu in deze wereld of in mijn lichaam ervaar: de bedoelde afleiding van de denkgeest richting uiterlijkheden wordt opnieuw verzekerd. Daarom raadt Jezus ons aan niet te proberen gevolgen te wijzigen, maar oprecht de bron van de ellende te onderzoeken: en dat is onze keuze voor veroordeling en afscheiding. Een beroemd ECIW citaat zegt het zo: “Probeer dan ook niet de wereld [inclusief je lichaam] te veranderen, maar kies ervoor je denken over de wereld te veranderen (T-21.In.1:7).

Als we les 136 zorgvuldig lezen, die volgens Kenneth Wapnick tot de belangrijkste lessen uit het werkboek behoort, leren we beseffen dat “Ziekte is geen toevalligheid. Zoals elke verdediging, is ze een waanzinnig middel tot zelfmisleiding. En net als alle andere is het doel ervan de werkelijkheid te verbergen, aan te vallen, te veranderen, absurd te maken, te vervormen, te verdraaien, of terug te brengen tot een hoopje losse onderdelen.” (W-d1.136.2). Doen we dat opzettelijk? Op het niveau van het onbewuste beschouw ik ziekte als een duidelijk bewijs dat de afscheiding van God daadwerkelijk gelukt is. Voorts kan ik er niet verantwoordelijk voor gehouden worden, omdat deze wereld duidelijk een wrede plek is waar de goedhartigen – zoals ikzelf – constant tot slachtoffer gemaakt worden door mensen die duidelijk de hel verdienen. Als iemand terug in de Hemel geaccepteerd wordt zonder straf, moet beslist ik dat zijn. En oh, zie eens hoe ik lijd om mijn fout mij af te scheiden: mijn ziekte verdient beslist de compassie van mijn Schepper…? – En zo ga ik maar door, als voorbeeld van Jezus z’n duiding van hoe wij denken: “Ziekte is een beslissing. Het is niet iets wat jou overkomt, geheel ongezocht, dat je zwak maakt en je lijden brengt. […] Nu ben je ziek, opdat de waarheid zal weggaan en jouw verworvenheden niet langer zal bedreigen.” (W-d1.136.7:1+4).

Genezing moet dan net zo goed een keuze van de denkgeest zijn. Jezus legt uit dat dit een bereidwilligheid vereist ‘de waarheid van wat ik ben’ te accepteren, en dat is: zuivere geest. Telkens wanneer ik me dan ziek voel, kan ik mezelf eraan herinneren dat ik … “ dan mezelf opnieuw misplaats, en een lichamelijke identiteit gevormd heb die het lichaam zal aanvallen, want de denkgeest is ziek.” (W-d1.136.19:2) Dan kan ik mezelf vertellen: “Ik ben vergeten wat ik werkelijk ben, want ik heb mijn lichaam met mezelf verward. Ziekte is een verdediging tegen de waarheid. Maar ik ben geen lichaam. En mijn denkgeest kan niet aanvallen. Dus kan ik niet ziek zijn.” (W-d1.136.20:3-7). Het resultaat evenwel is zeer waarschijnlijk dat ik me schuldig en depressief zal voelen, omdat de fysieke symptomen niet onmiddellijk verdwijnen door deze waarheid te beseffen. In feite lijken de fysieke symptomen veelal geheel niet beïnvloed door hoe liefdevol mijn gedachten ook door de dag heen schijnen te zijn.

Op dit punt aangekomen zouden we moeten beseffen dat we gevoelig zijn voor wat Kenneth  Wapnick noemt ‘niveau-verwarring’. Jezus zijn uitspraken over ziekte van de denkgeest behoren tot een Niveau-I perspectief, waarin er niet zo iets bestaat als een wereld en afscheiding – er bestaat uitsluitend geest. Vanuit een Niveau-II perspectief daarentegen, in de schijnbare droom van tijd en ruimte en waarneming, voelen deze wereld en mijn lichaam tastbaar echt, en worden we niet verondersteld dat te ontkennen. In deze wereld, hoe illusoir ze ook mag zijn, zijn er keuzes te maken, waarbij ik ervoor kies of door onjuist  gericht denken (ego) ofwel door juist gericht denken (Heilige Geest) geleid te worden. De schoonheid van Een cursus in wonderen is dat hij ons niet zal uitlachen voor onze fysieke ervaringen (en pijn!) in deze illusoire wereld.

Er zijn momenten dat onze fysieke pijn te zeer een hindernis vormt om wat voor spirituele boodschap dan ook in de praktijk te brengen. Medicatie afwijzen als ‘een vorm van magie die niet werkelijk zal genezen’, is een vergissing die voortvloeit uit niveau-verwarring. Jezelf pijn laten lijden past nauwelijks bij de mildheid die Jezus in zijn leerprogramma bepleit. In hoofdstuk 2 van het tekstboek lezen we: “Elk stoffelijk middel dat je als remedie tegen lichamelijke kwalen aanvaardt is een herbevestiging van magische beginselen […] Hieruit volgt echter niet dat het gebruik van dergelijke middelen ten behoeve van herstel slecht is. Soms heeft de ziekte zo’n sterke greep op iemands denkgeest, dat het hem tijdelijk ontoegankelijk maakt voor de Verzoening. In dat geval kan het verstandig zijn om ten opzichte van lichaam en denkgeest een tussenweg te bewandelen, waarbij aan iets van buitenaf tijdelijk genezende werking wordt toegeschreven.” (T-2.IV.4:1+4-6].

Als je dus hoofdpijn hebt, neem alsjeblieft gerust een aspirientje. Als je te maken hebt met een meer serieuze ziekte, volg alsjeblieft precies het advies op van je arts. Het gebruik van medicijnen mag dan niet resulteren in het soort genezing zoals Jezus dat definieert in de zin van het ongedaan maken van schuld om zo de werkelijke wereld in de denkgeest te bereiken. Maar het zorgt wel voor meer ruimte in de denkgeest, waardoor je in de eerste plaats de kalmte gaat ervaren die je nodig hebt om vredig in je denkgeest te worden. Raad alsjeblieft je gezin en vrienden niet aan om medische behandeling af te wijzen, door te beargumenteren dat dergelijk gebruik van magie uiteindelijk niet wérkelijk zal genezen. Dat is geen liefdevolle houding; dat is een vergissing, door te menen dat jij het ’t beste weet. Als je je hart opent voor de stem van de Heilige Geest (je ware intuïtie), zul je weten dat elke ingreep die pijn kan verlichten (en in het bijzonder de daaruit volgende angst) nuttig kan zijn, op z’n minst tijdelijk. Het eerste altijd eerst: je hebt allereerst fysiek verzachtende genezing nodig voordat je de ruimte in je denkgeest ervaart om te werken met Jezus’ leermethode in gedachte-training.

In geval je fysiek gezond bent en uitkijkt naar spiritueel advies bedoeld om genezing van je niet-vergevende denkgeest te bewerkstelligen, wat ware genezing is, is het niet eens nodig een psychotherapeut te vinden die zich baseert op Een Cursus in Wonderen. Ware genezing bevindt zich in je eigen denkgeest. Niemand is in staat jouw denkgeest voor jou te veranderen. Een psychotherapeut van een bepaalde spirituele school opzoeken is vaak een subtiele dekmantel om verantwoordelijkheid af te schuiven voor het denkwerk, dat jij moet doen om je eigen ego-focus ongedaan te maken. Er is slechts één Psychotherapeut, die gedurende de hele dag met perfecte helderheid spreekt als je Hem alleen maar binnen nodigt: en dat is de Heilige Geest, die zich in jou bevindt in de meest letterlijke zin (T-5.II.3). Een doeltreffende manier deze openheid-van-denkgeest te bereiken zou bijvoorbeeld zijn om Kenneth Wapnick’s magnifieke serie “Journey through … [Textbook | Workbook | Manual for teachers ] of a Course in Miracles” te bestuderen. Dat is een geweldige manier om geheel te begrijpen waarom, om les 140 te citeren, “Alleen van de verlossing kan worden gezegd dat ze geneest.”, hoewel aspirines daarbij prima in orde zijn.

© 17 augustus 2016, Jan-Willem van Aalst (vertaling: Robert J. Visser)

Gekruisigd in de supermarkt

Wat verbindt een supermarkt met een kruisiging? Niets, zouden de meesten van ons zeggen. Maar vanuit het gezichtspunt van Een Cursus in Wonderen is er een duidelijke verbinding. Net als met al zulke beschrijvingen heeft ‘kruisiging’, volgens Een Cursus in Wonderen niets te maken met een lichaam. Het slaat uitsluitend op wat de denkgeest beslist, omdat het lichaam een gevolg van die denkgeest is. Kruisiging staat gelijk aan veroordeling. Onszelf kruisigen is iets dat jij en ik dagelijks doen, en ook nog eens vrijwillig – we zijn het ons meestal niet bewust. Daarom is Een Cursus in Wonderen een cursus in gedachtetraining. Laten we eens even bekijken hoe dit werkt, en hoe je kunt stoppen jezelf te kruisigen.

Laten we eens aannemen dat je je in een supermarkt bevindt om wat te eten en drinken te halen. Ongelukkigerwijze staan er bij de kassa niet minder dan drie mensen voor jou in de rij te wachten. Natuurlijk gaan de andere kassa’s niet open. De contante betaling van de oudere dame vooraan lijkt wel eindeloos te duren, omdat ze moeite heeft de muntjes van elkaar te onderscheiden. De klant na haar doet alsof hij twaalf dingen heeft af te rekenen (het maximum voor de snelle rij), terwijl jij er vrij zeker van bent dat het er dertien zijn. Kort samengevat, jij voelt de irritatie zich langzaam in je bloedbaan opbouwen. Biochemisch gesproken ben je bezig je bloed te vergiftigen met adrenaline en cortisol, wat je normaal gesproken niet zou willen doen… maar al die vreselijke mensen laten je geen keus, is het niet?

Als een student van Een Cursus in Wonderen leer je je denkgeest te trainen veel sneller een stap terug te doen, om dan de innerlijke waarnemer in te schakelen, en dan oprecht naar je gedachten te kijken. Niet met de bedoeling je schuldig te gaan voelen over je gebrek te kunnen vergeven, maar om je duidelijk te maken hoe ongelofelijk je met je eigen speciale kleine zelf verbonden bent. Dat oprecht te beseffen vormt de basisvoorwaarde om in staat te zijn “opnieuw te kiezen” voor het wonder van vergeving dat we gewoonlijk in de denkgeest verstoppen. Een Cursus in Wonderen doet ons inzien dat we niet heen en weer geslingerd worden in een wereld die aan onze controle ontgaat, maar dat we bereidwillig alle pijn kiezen die we ervaren (maar dan wel alle anderen daarvoor de schuld geven). Dit “bewijst” niet alleen dat de afscheiding van Eenheid daadwerkelijk gebeurde (bij de Oerknal), maar het toont ook duidelijk aan dat God iemand anders ervoor zal straffen, niet mij. Natuurlijk gaat dit niet werken, omdat mijn onophoudelijk oordelen alleen maar toevoegt aan mijn eigen schuld. Kort gezegd: elke keer dat ik veroordeel, kruisig ik slechts mezelf, omdat ik de pijn ervaar.

Om ons te helpen deze denk-waanzin te ontmantelen, leidt Jezus ons op zachtaardige wijze naar het ongedaan maken van ´ons dubbele schild van vergetelheid” (W-pI.136.5:2) dat we opgeworpen hebben om onszelf in de onjuiste denkgeest te houden, ofwel de “ego-modus”. Allereerst kan ik mezelf eraan herinneren dat ik nooit onvrede voel om de reden die ik denk (W-pI.5). Niet alleen ben ik het die kiest hoe ik de langzame betaling van de oudere dame en het valse gedrag van de man interpreteer, maar deze mensen zijn zelf projecties van de ego-denkgeest. Ik heb voor mezelf een ego bedacht net als voor iedereen die ik tegenkom. Ik ben gewoon bezig te projecteren! Hetzelfde moment dat ik de projectie terugneem, besef ik dat mijn werkelijke verstoring ontstond omdat ik mijzelf stiekem aanklaag zo krom te denken. Ik raakte de overtuiging kwijt dat ik een miserabele zondaar ben, door die angst op de anderen om me heen te projecteren. Als ik die projectie terugneem kan ik plots zien dat ik al die tijd slechts bezig was mezelf aan te vallen, echter zonder me dat te realiseren. Zoals we in de Cursus lezen: “Wil ik mezelf hiervan beschuldigen?” (W-pI.134.9:3). Want dat is wat ik aan het doen ben.

Nu moet de tweede stap (het ongedaan maken van het tweede schild van vergetelheid) snel volgen, want anders zal ik ernstig depressief raken. In Een Cursus in Wonderen legt Jezus uit dat ik helemaal geen lichaam ben, dat er in feite geen materiële wereld en tijd bestaan (W-pI.132.6). Ik heb mezelf abusievelijk geïdentificeerd met een hoopje stof, een bergje klei, lichaam genaamd (T-19.IV.B.4), in een nachtmerrie van de slapende Zoon van God. Daarom betekent die tweede stap dat je beseft dat je lichaam geenszins je ware wezen is. Mijn essentie is zuivere geest. Ik ben en zal te allen tijde veilig bij God thuis zijn. In zekere zin is dit ook het terugnemen van een projectie: en wel die van de ontologische schuld in een myriade van gefragmenteerde materie en “levende” lichamen. In waarheid heeft God slechts één Zoon, zelfs in de droom van tijd en ruimte. Dus zelfs in de supermarkt kan ik alleen maar mijzelf aanvallen, of zegenen, de verschijningsvormen ten spijt. Door deze tweede projectie terug te nemen ga ik me realiseren dat “Wat ik denk [interpreteer] is niet de waarheid” (W-pI.134.7:5). Ik heb mezelf gekruisigd: ten eerste mijn denkgeest, door mezelf te veroordelen, wat meteen daarna verdrongen wordt, gevolgd door het beoordelen van andere mensen; en ten tweede mijn lichaam, door cortisol in mijn bloedbaan te injecteren. Totdat ik zulke dwaasheid besef, ben ik vrij mezelf te kruisigen zo vaak ik dat maar wil (T-4.In.3:9), me daarbij genotvol wentelend in mijn speciale ego-identiteit. Zodra dat te pijnlijk wordt, kan ik het alternatief kiezen dat naar blijvende innerlijke vrede leidt: vergeving.

Dus, de volgende keer dat ik de supermarkt bezoek en mezelf aan het eind van de rij klanten zie staan wachten, die me schijnbaar beginnen te irriteren, kan ik nu snel mijn juiste manier van denken kiezen, vriendelijk glimlachen, en tot mezelf zeggen: “Ah, ik ken dit. Ik doe het weer. Natuurlijk doe ik het, omdat ik nog steeds enorm geïdentificeerd ben met mijn ego en mijn fysieke lichaam. Ik zie overal domheid en kwaad om me heen omdat ik dat niet in mijzelf wens waar te nemen. Maar ik ben niet een lichaam. Ik ben vrij. Want ik blijf wat ik ben, zo schiep God mij (W-pI.205). Dus ik zou in plaats hiervan vrede kunnen zien (W-pI.34). Ik heb simpelweg verkeerd gekozen. Natuurlijk deed ik dat, omdat de besluiten van het ego altijd verkeerd zijn. Ik wens anders te beslissen, omdat ik in vrede wens te zijn. Ik voel me niet schuldig, want de Heilige Geest zal alle gevolgen van mijn verkeerde keuze ongedaan maken als ik Hem laat begaan. Ik kies ervoor Hem te laten begaan, door toe te laten dat Hij voor mij voor God kiest.” (T-5.VII.6:10-11). Het geheim van de verlossing is slechts dit: dat jij dit jezelf aandoet (T-27.VIII.10:1).

De vervelende valkuil is om ontmoedigd te raken met je oefenen, omdat je er maar in blijft trappen, opnieuw en opnieuw. Besef echter, dat dit onvermijdelijk is. Daarom ben je in deze wereld gekomen (T-16.V.3), om te leren dat ze opnieuw geïnterpreteerd kan worden als een nuttige lesruimte. Als je niet alsmaar in die valkuil zou struikelen, zou je niet hier zijn – je zou al in de Hemel zijn. Feitelijk ben je al in de Hemel, maar nu bezig in de droom te leren ontslag te nemen als je eigen leraar (omdat je slecht onderwijs kreeg, T-28.VII.1), en om ervoor te kiezen de Heilige Geest steeds vaker te vragen hoe de omstandigheden en mensen in deze wereld van tijd en ruimte opnieuw te interpreteren. En het antwoord komt steeds weer neer op het kiezen van een wonder door oordelen tegen te houden, en jezelf te vergeven voor je niet vergevende denkgeest. Gun jezelf wat ruimte. Verlichting komt zelden van de ene op de andere dag. Door geduldig de leiding van de Heilige Geest te volgen, ben je aardig op weg te ontwaken uit deze dualistische nachtmerrieachtige hel van tijd en ruimte.

© Jan-Willem van Aalst, augustus 2016 (vertaling: Robert J Visser)

In Godsnaam

De uitroep boven is meestal een schreeuw uit frustratie of woede over een bepaalde persoon. Het is bepaald geen subtiele poging iemand te overtuigen z’n gedrag te wijzigen. Gezien vanuit Een Cursus in Wonderen krijgt dit taalgebruik beslist een andere betekenis. Hoewel de meeste mensen aan ‘Jezus’ denken telkens als ze “Christus” lezen, in ECIW verwijst de term ‘Christus’ naar al het leven bij elkaar, jou en mij incluis, en zelfs de meest vreselijke moordenaar. Christus is de slapende Zoon van God, het gezamenlijke Zoonschap, voor eeuwig schuldeloos en voor eeuwig veilig. Jij en ik die onszelf als individuen ervaren, hallucineren slechts over fragmentatie en afscheiding in een droom van tijd en ruimte. Een Cursus in Wonderen is tot ons gekomen in dit psychologisch geavanceerde tijdperk, als een pleidooi vanuit Jezus om oprecht te kijken naar deze wereld van gedachten, die we onze eigen individuele persoonlijkheid noemen. Jezus nodigt ons uit om illusies te doorzien voor wat ze zijn, en over onvoorwaardelijke vergeving te leren als de enige functie in ons leven. Het is een leergang in gedachtetraining, met blijvende innerlijke vrede als diens onvermijdelijke uitkomst door het aanvaarden van de Verzoening..

In het denksysteem van Een Cursus in Wonderen is “In Godsnaam” gelijkwaardig met “voor je eigen goed”, wat betekent “voor blijvend geluk, je eigen net zo goed als dat van ieder ander”. Dit is Jezus’ oproep aan ons in ieder hoofdstuk van het tekstboek, en elke les in het werkboek, evenals het handboek voor leraren. Het kan nuttig zijn dit in gedachten te houden elke keer dat je een ander hoofdstuk of les leest waarin Jezus je niets minder dan een totale omkering van je gehele denksysteem vraagt, nog afgezien van het opgeven van zelfs je individualiteit! In les 133 lezen we dat we niets dat niet blijvend is waarde zouden moeten toekennen (W-pI.133.6), wat zo ongeveer alles insluit dat ons dagelijks bezig houdt. Veel ECIW lezers hebben het gevoel dat Jezus een te groot offer van ons verlangt. Wat we geloven, onze verlangens, plannen, en hartstochten lijken wenselijker te zijn dan een of ander vage belofte dat dit alles opgeven ons beter zal doen voelen. En dus lezen we een beetje over spiritualiteit zo nu en dan, maar blijven lekker op de automatische piloot leven. Tot de pijn te veel wordt. Uiteindelijk zul je het punt bereiken waar leegheid zo ondragelijk wordt dat je uitroept “Er moet een betere weg zijn!”. Door in Een Cursus in Wonderen te lezen, begin je enkele sleutelbegrippen te heroverwegen die je zo’n lange tijd aan het dromen gehouden hebben. Hier zijn er een paar:

Als Jezus ons oproept “in Godsnaam” (voor je eigen bestwil), begin dan het idee te overwegen dat je je leven niet op de autopiloot moet leven. Je hebt een koninkrijk te regeren, dat je denkgeest genoemd wordt (W-pI.236,1). Je bent volledig tot respons in staat. En dat betekent, dat je actief kunt kiezen hoe je in welke situatie dan ook wilt reageren. Elke keer dat je merkt uit balans te raken, kun je beseffen dat je “in deze situatie vrede zou kunnen zien in plaats van wat ik er nu in zie” (W-pI.-34.6). Waarna je nimmer meer totaal gedachteloos in je leven hoeft te zijn. Alles wat nodig is te doen, is beginnen te kijken naar je eigen oordelen en jezelf af te vragen “gaat dit me vrede bezorgen?” Zodra je dit vaker oefent zul je vaststellen dat de lijst van zaken die je vroeger in verwarring brachten, maar die je nu een glimlach bezorgen, steeds langer wordt. Wat een vreugde!

In Godsnaam (voor het geluk van allen, het jouwe incluis), word je bewust van de universele wet die zegt: “zoals je zaait, zo zal je oogsten”. Met oordeel en aanval reageren op een als zodanig ervaren aanslag zal uitlopen op meer oordeel en aanval, wat tienduizenden jaren menselijke geschiedenis duidelijk illustreren. Wil je liefde? Geef het! Hoe meer liefde je in je gedachten en daden investeert, des te meer liefde zal in je leven terugstromen. Toegegeven, meestal komt dat niet van de mensen of op ogenblikken waarvan je het verwacht, maar op een of andere manier of weg komt het tienvoudig naar je terug! Gezien vanuit ECIW is dit overduidelijk, omdat er niemand anders is: er is slechts één Zoon van God, en we delen ook nog eens hetzelfde ego. Je kan alleen aan jezelf geven (W-pI.108). En dat is de reden dat er slechts één nodig is om deze wereld te redden: jij.

In Godsnaam (voor je eigen en ieders geluk), denk nu na over welke soort gedachten je zou willen kiezen voor de rest van je dagen op deze planeet. Aan het eind van je aardse leven zullen je bezittingen en verworvenheden (of het ontbreken ervan) niet belangrijk zijn. Wat belangrijk zal zijn, is hoeveel liefde je jezelf toegestaan hebt tot uitdrukking te brengen. Hoe zou je herinnerd willen worden? Het moment om plannen te maken voor de volgende twintig jaar van je leven is nu, niet twintig jaar later. Om een Leraar van God te zijn, is het niet eens nodig in God te geloven, maar het vereist beslist dat je vergeving zonder uitzondering verkiest boven veroordeling. Kan dat een moeilijke keuze om te maken zijn, in Godsnaam?

Welnu…, in de praktijk: ja, het is drommels moeilijk elke waarde die je erop na houdt te heroverwegen en om je volledige goed geconditioneerde denksysteem om te keren. Dus, hoe doen we dat? Beslist niet door jezelf te bevechten (T-30.II.1). Eén praktisch antwoord is dermate simpel dat het velen van ons ontgaat. De sleutel is namelijk je te realiseren dat je niets hoeft te doen. Je hoeft alleen maar je bereidwilligheid te oefenen je denkgeest te laten veranderen voor jezelf. In les 132 lezen we (W-pI.132.15): “Rust dan alleen maar, alert, maar zonder inspanning, en laat in stilte je denken zo worden veranderd dat deze wereld wordt bevrijd, samen met jou. Je hoeft niet te merken dat er genezing optreedt bij vele broeders in verre delen van de wereld, alsook bij hen die jij dichtbij je ziet, wanneer jij deze gedachten uitzendt om deze wereld te zegenen.”

Stilheid doet het ego-denksysteem verstommen, daarbij plaats makend voor de Heilige Geest (je ware intuïtie) om gehoord te worden. Dit is de stem die jou gegarandeerd naar blijvende innerlijke vrede leidt. Neem zo nu en dan tijd om van je drukdoenerij afstand te nemen, om stil te zijn. Rust en stilte in praktijk brengen is een vaardigheid die velen van ons in deze hectische maatschappij vergeten zijn, maar feitelijk is het de meest waardevolle tijd die je ooit doorbrengt. Dus, in Godsnaam, blijf je ervaring met stilheid verdiepen – het is de sleutel om je denkgeest op zachtaardige wijze te transformeren, voor je eigen bestwil…

© Jan-Willem van Aalst, juli 2016 (vertaling: Robert J Visser)

Het spijt me dat ik besta

In een onlangs gehouden therapiesessie met familie-opstelling, waarin ik één van de representanten was, vatte de dame in kwestie dat wat ze in de kern over zichzelf voelde, samen als “Het spijt me dat ik besta”. Direct nadat ze dit zei, kon je letterlijk de pijn en de herkenning voelen die door de hele groep heen trok. Ze gaf weliswaar toe dat er ook nog een ander klein stemmetje was dat zei “Het is zo fijn dat ik besta”, maar die stem kon de depressieve kernovertuiging dat haar komst in deze wereld een zonde was, nooit helemaal uitwissen.

Als ze met Een Cursus in Wonderen vertrouwd geweest was, zou ze ogenblikkelijk geweten hebben wat er aan de hand was. Het raakt de kern van de existentiële schuld die wij allemaal ervaren over het feit dat we God, onze Schepper, klaarblijkelijk afgewezen hebben. Jij en ik projecteren deze schuld effectief naar buiten, op deze wereld, zodat we haar uit de gewaarwording kunnen wissen, en ons voor God kunnen verstoppen, én voor onze denkgeest. Op het ontologische moment waarin de Zoon van God het concept van afscheiding (‘het kleine dwaze idee’) overwoog, en hallucineerde dat het warempel gelukt was, overstroomde ondraaglijke schuld de denkgeest. Wij, de slapende Zoon van God, ontstaken naar ‘t schijnt de Oerknal, daarmee een droom van tijd en ruimte in gang zettend, om op die manier ons als het ware te kunnen verstoppen voor de vermeende wraakzuchtige vergelding door God, en daarmee alle andere opgesplitste delen blijvend te demonstreren dat voortdurende afscheiding in tijd en ruimte bewijst dat jij en ik bestaan.

De meeste goedbedoelende professionele psychotherapeuten zullen waarschijnlijk proberen het zelfbeeld van hun patiënten te verbeteren. Ze zullen hun patiënten uitnodigen hun eigenwaarde nogmaals te heroverwegen en hun bijzondere talenten te onderzoeken. Ze zullen pogen de denkgeest van hun patiënt te ‘herstellen’ door het tellen van hun speciale zegeningen in het leven, in plaats van op depressieve gedachten te blijven hangen. De patiënt ondersteunt dit maar al te graag, omdat zij/hij dringend een meer welwillend concept van zichzelf nodig heeft, zonder de vermeende identiteit van zichzelf te moeten opgeven. In Een Cursus in Wonderen legt Jezus uit, in het bijzonder in het pamflet “Psychotherapie”, dat dergelijke therapeuten de fout begaan te geloven dat zij de leiding hebben in het therapeutische proces en daarom verantwoordelijk zijn voor het eindresultaat. (P-2.VII.4:4). Dit gaat niet lukken, omdat de vergissingen van de patiënt nu de mislukkingen van de therapeut worden. Jezus merkt op dat de aardse psychotherapie methode weinig tot niets onderricht over de werkelijke principes van genezing – in tegendeel, ze onderwijst je hoe je genezing onmogelijk maakt. Waarom is dat zo?

Als iemand de noodzaak voelt een ander te genezen (of door die ander genezen te worden), trappen beiden steeds weer in de ego-val van afscheiding. Genezing gebeurt zodra òf de therapeut òf de patiënt in begint te zien dat het enige probleem ‘niet-vergeven’ is. Genezing is niets anders dan het onderkennen van gezamenlijke belangen, en het vergeven van alle gedachten die iets anders rondbazuinen. Genezing begint zodra tenminste één van hen onze gedeelde Identiteit als zuivere geest begint te onderkennen. Zoals Jezus zegt in (P-2.VII.1): “Wie is nu de therapeut, en wie de patiënt? Uiteindelijk is iedereen beide. Hij die genezing behoeft, dient anderen te genezen. Geneesheer, genees uzelf. Wie anders valt er te genezen? En wie anders heeft genezing nodig? Elke patiënt die bij een therapeut komt biedt hem de gelegenheid zichzelf te genezen. […] God heeft geen weet van afscheiding. Het enige wat Hij weet is dat Hij één Zoon heeft. Zijn kennis wordt weerspiegeld in de ideale patiënt-therapeutrelatie.”

Dus, wat moet een psychotherapeut nu dan doen? De patiënt alleen maar voorhouden dat “Welnu, als ik eerlijk ben, bestaan jij en ik eigenlijk helemaal niet, en liefde kan in deze wereld niet gevonden worden”, gaat geen grote hulp zijn, hoezeer het de waarheid ook mag zijn. In tegendeel; waarschijnlijk gaat het alleen maar het gevoel van depressie versterken in de patiënt, wellicht leidend naar gedachten over zelfdoding. Maar lees werkboekles 129, “Voorbij deze wereld is een wereld die ik verlang”. We zullen alleen dan gemotiveerd worden een betere keuze te maken als we een beter alternatief zien! Lessen als deze illustreren het belang de metafysische grondslag van Een Cursus in Wonderen tot op zekere hoogte te vatten. In deze les verwijst Jezus naar de werkelijke wereld, wat natuurlijk geen andere fysieke wereld betekent, maar slechts een verandering in de waarneming van onze wereld van tijd en ruimte waarin wij geloven als een individu te bestaan. Door de werkelijke wereld, of juist gericht denken te kiezen wordt het einde van alle andere illusies ingeluid, en daarmee van alle ziekte (P-2.VI.5).

Vanuit een juist denkende gemoedstoestand, ontstaan uit onvoorwaardelijke vergeving, neem ik mijzelf in de werkelijke wereld nog steeds waar als een individu, maar tevens vereend met al mijn broeders omdat dat de wil van God is, én de waarheid. Al mijn handelen in de tijd-illusie dient er alleen maar toe de behoefte aan meer tijd overbodig te maken. Nu het me gelukt is me te realiseren dat mijn wezen geen lichaam maar zuivere geest is, mag ik waarachtig dankbaar zijn me te realiseren dat ik überhaupt niet werkelijk besta, als een individu. Iedere verstoring weerspiegelt mijn angst dat ik niet één ben met mijn Schepper. Iedere keer dat ik erin slaag waarachtig te vergeven wat me van streek schijnt te maken, wordt me de vanzelfsprekendheid van gedeelde Identiteit nog duidelijker, precies als de ervaring van innerlijke vrede dat doet. En het is de ervaring die motivatie aanvuurt. Wij ervaren de weerschijn van de Hemel op momenten dat we oefenen stil te luisteren: “Wees stil en weet dat Ik God ben”(T-4.In.2).

Dus, hoe kan het therapeutische proces effectiever opgezet worden? De therapeut begint met naar zijn eigen zelfoordeel te kijken, en nodigt de patiënt uit hetzelfde te doen. Beiden worden uitgenodigd te leren kijken en te luisteren. Beiden kunnen zo leren in de ander waar te nemen wat zij bij zichzelf nog niet vergeven hebben (P-2.VI.6). Door het (zelf)oordeel los te laten, wordt de Heilige Geest binnen genodigd. Hij zal het therapeutische proces op de best mogelijke manier richting geven, zodra we ons toestaan Hem te horen. Een wonder is binnen getreden waar daarvoor oordeel en afscheiding heersten. En het zachtaardig vergeven van het kleine zelf maakte dit mogelijk.

© Jan-Willem van Aalst, juli 2016 (vertaling: Robert J Visser)