Blog

Een koninkrijk om te regeren

Eén van de meer geliefde cantates van Johann Sebastian Bach is Bwv.82 (uit 1727), genaamd “Ich habe genug”, wat zich vertaalt als “I heb genoeg”, in de zin van “Ik ben content.” Het is niet een bombastische, glorieuze hymne die de Hemel prijst; in tegendeel, het is een tamelijk persoonlijke en introspectieve compositie, meer voor bij het haardvuur, terwijl je het leven overdenkt. De zanger besluit “Ik heb genoeg” omdat hij Jezus als zijn verlosser heeft om zijn leven te leiden; meer heeft hij niet nodig. Aan het einde van de cantate concludeert hij zelfs dat de fysieke dood hierdoor niet meer van belang is.

Het onbewuste ego is het hier echter volstrekt niet mee eens. “Wees niet zo dwaas”, horen we dat boze stemmetje blazen, “er is zo’n beetje overal gebrek aan. Want zie: dag in dag uit werk je ontzettend hard, en toch is er maar net genoeg geld voor voedsel en onderdak. Maar los van dergelijke basisbehoeften is het echte gebrek nog veel erger. Geef maar toe dat jij je voortdurend onrustig en onvervuld voelt! Al die zogenaamde vrienden van jou hebben de onschatbare parel gestolen die ons geluk compleet zou maken! Ze hebben onze onschuld en vrijheid gestolen door ons zonder reden aan te vallen, alleen maar omdat ze bang zijn zelf iets te zullen missen! En toen moesten we natuurlijk terugslaan! Liefde klinkt leuk, maar vroeg of laat worden we verraden. Dus hou jezelf niet langer voor de gek dat je genoeg hebt: vrede bereiken betekent je voorbereiden op oorlog. Dat is het lot van iedereen hier. En nu weer aan het werk, jij slaaf!”

Een cursus in wonderen biedt ons een echte uitweg uit dit ‘slagveld’, door ons te onderwijzen hoe we ons bewustzijn boven het slagveld kunnen brengen, en het vervolgens te bezien voor wat het is. Werkboekles 236 vat dit mooi samen in de titel: “Ik regeer mijn denkgeest, die alleen ik regeren moet.” In deze les laat Jezus ons tegen onszelf zeggen: “Ik heb een koninkrijk te regeren. Bij tijd en wijle lijkt het allerminst dat ik daarvan de koning ben. Het lijkt over mij te triomferen en me voor te schrijven wat ik moet denken, wat ik moet voelen en doen.” Jij en ik zullen vast erkennen dat er geen ziel ter wereld is die dit gevoel niet kent. En dan komt Jezus met het goede nieuws: “En toch is het mij geschonken om elk doel te dienen dat ik er maar in zie.” (Wd2.236.1)

Voor elke spirituele leerling is het een openbaring om de kracht van de denkgeest te leren ervaren, en gaandeweg te beseffen dat de kwaliteit van het leven in grote mate afhangt van de keuzes die we met de denkgeest maken. De ultieme verwoording hiervan krijgen we voorgeschoteld door Jezus in werkboekles 253, waarin hij ons het volgende laat overdenken: “Het is onmogelijk dat iets, wat ook, tot mij zou kunnen komen waar ik niet zelf om heb gevraagd. Zelfs in deze wereld ben ik het die mijn lot beheerst. Wat gebeurt, is wat ik verlang. Wat niet plaatsvindt, is wat ik niet wil dat gebeurt. Dit moet ik aanvaarden.” (Wd2.253.1) Als goede cursusstudenten weten we natuurlijk dat Jezus hiermee doelt op inhoud, niet op vorm. Uiteraard zijn jij en ik niet direct verantwoordelijk voor, laten we zeggen, een verwoestende aardbeving op een breuklijn, maar we zijn wel verantwoordelijk voor de mate van innerlijke vrede in onze denkgeest, of het gebrek daaraan. Niets of niemand heeft de macht om onze denkgeest pijn of leed te bezorgen, of geluk of vrede af te dwingen. We moeten elke staat van denken aanvaarden als onze eigen verantwoordelijkheid.

Eén van de unieke kenmerken van Een cursus in wonderen als spiritualiteit is de volstrekte consistente redenatie over waarom gebeurtenissen in de wereld irrelevant zijn voor onze staat van denken: dat is omdat er geen wereld is! (Wd1.132.6:2). Waarneming is niet hetzelfde als waarheid. Het ego probeert ons ervan te overtuigen dat dat nonsens is, want onze zintuigen vertellen ons iets anders. Het is toch waanzin om te ontkennen wat je ogen zien? En als ik mijn teen stoot tegen een rots, moet ik dan koppig volhouden dat de pijn niet echt is? Pas als we aandachtig kijken naar recent wetenschappelijk onderzoek over bijna-dood-ervaringen, waarin overlevenden verbluffende verhalen vertellen over de tijd dat ze klinisch ‘dood’ waren omdat er geen meetbare hersenactiviteit meer was, kunnen we leren openstaan voor de mogelijkheid dat denkgeest en hersenen niet hetzelfde zijn. Een moderne theorie zoals de kwantumfysica stelt zelfs dat tijd en ruimte zelf uiteindelijk onwerkelijk zijn. Maar zoiets voelt te ongemakkelijk om zomaar te aanvaarden.

Waarom voelt dat zo ongemakkelijk? Omdat het een uitweg biedt uit het koppig vasthouden aan het ‘kruis’ van het ego, waar wij ons nog steeds intiem mee identificeren. Het gehele materiële universum is een schijnbare hallucinatie over autonomie en afscheiding van God, de Schepper. Het is de ‘kwantummogelijkheid’ dat de Zoon mijmert over het scenario dat er iets beters is dan Gods Liefde, en dat de Zoon los van God beter af zou zijn. De bijna veertien miljard jaar sinds de Oerknal zijn niets meer of minder dan de film waarin dit droomscenario wordt uitgespeeld. Maar aangezien de trigger voor dit scenario neerkomt op ‘afwijzing, aanval en afscheiding’, is alles in deze droom van tijd en ruimte daarvan doordrenkt. Buiten tijd en ruimte, in de eeuwigheid, heeft helemaal niets de vrede van God en Zijn Scheppingen verstoord (Wd2.234.1). En nu hebben we Een cursus in wonderen, waarin Jezus onze pijn verzacht door uit te leggen dat dit [d.w.z. alle leed] niet zo hoeft te zijn (T4.IV.3). Onze denkgeest is krachtig genoeg om te besluiten deze zotte film te bezien boven het slagveld. Zodra wij ons realiseren dat de droom niets voorstelt en dat we niet in gevaar zijn, kunnen we een betere keuze maken.

Kenneth Wapnick heeft in zijn boeken en workshops vaak benadrukt hoe belangrijk het is dat we ten volste beseffen dat jij en ik een keuzemaker zijn. Telkens als Jezus in de Cursus het ego contrasteert met de boodschap van de Heilige Geest, spreekt hij ons aan als keuzemaker. Hij nodigt ons uit om een betere keuze te maken, net als hij ooit deed: “Er is niets aan mij wat jij niet kunt bereiken. Ik heb niets wat niet van God afkomstig is. Het huidige verschil tussen ons is dat ik niets ánders heb. Daardoor verkeer ik in een toestand die in jou alleen potentieel aanwezig is.” (T1.II.3:10-13). Dit betekent dat ik tot nu toe in de war ben over wat mijn werkelijke wil eigenlijk is. Het ego is de poging om een wil te hebben die los staat van God, maar dat is alleen (schijnbaar!) mogelijk in de koortsachtige droom die we tijd en ruimte noemen. Als ik heel eerlijk naar mezelf toe ben, dan moet ik toegeven dat dit ‘experiment’ helemaal niet werkt. Ondanks mijn koortsachtige wens om autonoom te zijn, blijft mijn wil voor altijd verbonden met Die van mijn Schepper: onvoorwaardelijke Liefde. Dat is mijn wil omdat dat is wat ik ben. In werkelijkheid is het koninkrijk van mijn denkgeest één met het Koninkrijk van de Hemel, omdat er in werkelijkheid niets buiten de Hemel bestaat.

In hoofdstuk 6 bevestigt Jezus dit: “Nergens in het Koninkrijk heerst er enige duisternis, maar jouw rol is slechts ervoor te zorgen dat er geen duisternis in je eigen denkgeest heerst. Deze afstemming op het licht is onbeperkt, want ze is op het licht van de wereld afgestemd. Ieder van ons is het licht van de wereld, en door onze denkgeesten in dit licht met elkaar te verbinden, verkondigen wij tezamen en als uit één mond het Koninkrijk van God.” (T6.II.13:3). Ik heb dus inderdaad een koninkrijk om te regeren. Gelukkig wordt het regeren daarvan gemakkelijk als ik de Heilige Geest aanstel als mijn koninklijke raadsheer. Als de heerser van mijn eigen denkgeest is het mij gegeven om tijd en ruimte boven het slagveld te bezien, zonder veroordeling, om vervolgens alle waargenomen pijn over te dragen aan Jezus (of de Heilige Geest), waarmee ik mijn denkgeest reinig. Wat overblijft is blijvende innerlijke vrede.

Natuurlijk zullen er nog steeds verwoestende aardbevingen zijn. We zullen absoluut mensen tegenkomen die ons in de steek laten. Het fysieke lijf zal onontkoombaar aftakelen en sterven. Dit alles maakt niet meer uit, zodra we aanvaarden dat wij de enige heerser zijn over de staat van de denkgeest. “Als je denkt dat wat jij gemaakt hebt jou kan vertellen wat jij ziet en voelt, en jij geloof stelt in zijn vermogen dit te doen, verloochen jij je Schepper en geloof je dat jij jezelf hebt gemaakt. Want als je denkt dat de wereld die jij gemaakt hebt de macht heeft van jou te maken wat zij wil, dan verwar je de Zoon met de Vader, het gevolg met de Bron.” (T21.II.11:3). Laten we dankbaar zijn dat dit zo is, en onze dagen doorbrengen in het besef dat we de wereld wel ervaren, maar dat we er niet van zijn. Door het advies van de Heilige Geest te volgen, zullen we vergeven waar we voorheen veroordeelden. Dat is de koninklijke weg naar innerlijke vrede! Groet jezelf als de heerser van je eigen denkgeest. Regeer uw koninkrijk met wijsheid, majesteit. Jij en ik hebben inderdaad genoeg, omdat we Jezus en de Heilige Geest hebben om ons te leiden.

— Jan-Willem van Aalst, april 2017 (vertaling van https://miraclesormurder.wordpress.com/2017/04/08/a-kingdom-to-rule/

N.B. Voor een inspirerende uitvoering van Bach’s cantate Bwv82, zie bijvoorbeeld: https://www.youtube.com/watch?v=IeuiUnMNPcI

 

 

Advertenties

Vals bewijs dat heel echt lijkt

Heb je wel eens een top-5 lijst gemaakt van je ergste angsten? Hoewel dit voor iedereen anders is, zien we de volgende angsten vaak hoog op de lijst staan: geconfronteerd worden met een terminale ziekte; verlies van inkomen; een natuurramp zoals een aardbeving of overstroming; verlaten worden door die speciale liefdespartner waar je je zo afhankelijk van voelt… niet voor niets is een oud-Hollands gezegde: “Een mens lijdt het meest door het lijden dat hij vreest, doch in zijn tijd nooit komen zal.” Bovendien bewijzen vele persoonlijke ontwikkeltrainingen dat we heus niet zo hulpeloos zijn als we soms denken. We kunnen veel doen om te voorkómen dat de zorgen en angsten in ons leven werkelijkheid worden.

Een cursus in wonderen bespreekt het thema ‘angst’ op diepere niveaus. Om te beginnen vertelt Jezus ons dat er slechts twee basisemoties zijn: angst en liefde (T13.V.I). Jezus doelt hier natuurlijk op inhoud. Er bestaan veel verschillende vormen van emotie, maar qua inhoud bestaan er maar twee, waarvan er maar één werkelijk is. Direct bij de inleiding van het Tekstboek vertelt Jezus ons: “Het tegendeel van liefde is angst, maar wat alomvattend is kent geen tegendeel.” (T-In.1:8). Aanvankelijk lijkt dat moeilijk te slikken. Onze angsten voelen tenslotte bijzonder echt! In hoofdstuk 13 van het Tekstboek verklaart Jezus verder: “Je hebt slechts twee emoties: een die jij gemaakt hebt [angst] en een die jou gegeven is [liefde]” (T13.V.10:1). In Een cursus in wonderen verwijst het werkwoord ‘maken’ vrijwel altijd naar illusies in de droomwereld van tijd en ruimte. Aangezien deze hele materiële wereld een verdediging van het ego tegen liefde is, bestaat ze volledig uit angst. Juist omdat angst zo echt voelt, helpt de Cursus ons onze angsten ongedaan te laten maken door ons denken te veranderen, onder leiding van de Heilige Geest, de Stem namens Liefde. Goed nieuws, maar intussen voelt de angst nog steeds heel echt aan… dus wat nu?

Om angst ongedaan te maken, moet ik eerst goed begrijpen waarom ik zo angstig ben, en waar die angst precies over gaat. Dit proces lijkt op het afpellen van de lagen van een ui. Naarmate ik de Cursus langer beoefen, ga ik inzien dat mijn angsten over een terminale ziekte, over verlies van inkomen, of verlaten worden, slechts schaduwen zijn van een veel diepere angst. Onder de oppervlakte van mijn bewustzijn blijkt een ware heksenketel met schuld te borrelen: schuldgevoel over mijn overtuiging dat ik mijn Schepper heb afgewezen en verlaten omdat ik zo graag een leven los van Hem wil. Het ego is letterlijk de gedachte van afscheiding van Eenheid. De ‘oerzonde’ van het afwijzen van ‘onvoorwaardelijke Liefde’ (een treffend synoniem voor ‘God’) moet wel leiden tot verschrikkelijke schuld — het is het meest vreselijke wat we ons kunnen voorstellen. Geen wonder dat deze schuld leidt tot angst voor vergelding door de wraakzuchtige Schepper, die volledig gerechtvaardigd is mij te straffen. Dat is een behoorlijk angstwekkende situatie waarin ik mezelf ervaar…!

De meesten van ons beseffen niet hoeveel tijd wij in ons leven besteden om bepaalde autoriteitsfiguren tevreden te houden, in de angstige hoop dat straf (pijn) ons bespaard blijft. Velen van ons lijden jarenlang volstrekt onnodig, puur om te ‘bewijzen’ dat zij medelijden verdienen en geen straf, omdat ze zichzelf al aan het straffen zijn. Daarnaast zijn we enorm vaardig in het vingerwijzen naar alle ‘kwaad’ buiten ons, wederom om te kunnen ‘bewijzen’ dat anderen zondig zijn en ik onschuldig. Ik ben overduidelijk slechts slachtoffer van krachten waar ik geen invloed op heb, dus anderen zouden gestraft moeten worden; ik heb recht op mijn plekje in de Hemel. Al deze voorbeelden illustreren slechts de dynamiek van projectie: ik voel me schuldig over het afwijzen van God, maar aangezien ik de schuld daarover te pijnlijk vind om onder ogen te zien, projecteer ik die weg uit mijn denkgeest, en zie ik alle zonde en afwijzing buiten mij (ook in God), waar ik vervolgens zo bang voor word. In vergelijking daarmee stellen mijn angsten over ziekte of geld helemaal niets voor.

Echter, zodra we denken dat we hier serieus mee aan het werken zijn, heeft Jezus een nieuwe verrassing voor ons in petto: deze geprojecteerde angst over de afscheiding is nog niets vergeleken met de angst die daaronder ligt. “Je zou zelfs zonder angst naar de donkerste hoeksteen van het ego kunnen kijken, als je niet geloofde dat je, zonder het ego, iets in jezelf zou vinden waar je nog banger voor bent. Je bent niet werkelijk bang voor de kruisiging. Je echte doodsangst betreft de verlossing.” (T13.III.1:9-11). Over deze uitspraak gaan op z’n minst de wenkbrauwen omhoog. Dit lijkt tenslotte volstrekt ridicuul. Dus ik zou er doodsbenauwd voor zijn om te horen dat mijn Schepper mij tot in de eeuwigheid liefheeft? Maar Jezus vervolgt: “Als je niet zou geloven dat je wrede wens om de Zoon van God te doden jou van de liefde zou verlossen, zou jij bereid zijn zelfs daarnaar te kijken. Want die wens heeft de afscheiding veroorzaakt, en jij hebt die beschermd omdat je niet wilt dat de afscheiding wordt geheeld.” (T13.III.2:4-5)

Ho, wacht even. Wat bedoelt Jezus met “Ik wil niet dat de afscheiding wordt geheeld”? Zijn niet al mijn inspanningen als een goede Cursusstudent er juist op gericht om de afscheiding ongedaan te maken, door ijverig mijn niet-vergevende gedachten gade te slaan, en vervolgens niet meer voor afscheiding te kiezen? Het antwoord: nee, niet zolang ik mijzelf en iedereen om me heen nog steeds zie als duidelijk onderscheidbare individuen. Hierom is het zo belangrijk om de nondualistische metafysica van Een cursus in wonderen enigszins te begrijpen. Het citaat hierboven betekent eigenlijk: “Je beschermt de afscheiding omdat je niet wilt dat jouw individualiteit eindigt.” Onze angst voor de verlossing is de angst voor Eenheid, oftewel een staat zonder individualiteit. Hoe spiritueel gevorderd ik ook inmiddels misschien ben, uiteindelijk beschouw ik mezelf nog steeds als een lichaam, los van al het andere leven. Zolang jij en ik er nog voor kiezen om over de tijd en de ruimte te dromen, betekent het concept “Een Eenheid als één verbonden” helemaal niets (T25.I.7). Ik geloof eerder dat ik in het niets zou verdwijnen als ik mijn individualiteit zou opgeven. Voor het ego is dat de hel, maar in waarheid is het de Hemel. Dus, nogmaals: wat nu?

De boodschap van Jezus’ leerplan is niet om het lichaam af te doen door zelfmoord te plegen. Zelf-aanval leidt immers alleen maar tot meer schuld, waarmee het ongedaan maken van tijd en ruimte alleen maar langer duurt (je zult nog een extra keer moeten reïncarneren alvorens je werkelijk de “betere weg” kiest). Als ik serieus ben over mijn doel om blijvende innerlijke vrede te ervaren, zal ik mijn denkgeest moeten trainen om de lagen van angst ongedaan te maken. Hiervoor moet ik de metafysische grondslag van nondualiteit aanvaarden. Ik hoef niet alle metafysische principes grondig te begrijpen (dat is vrijwel onmogelijk voor onze lineair geprogrammeerde hersenen), maar ik zou in elk geval de bereidwilligheid moeten tonen om te aanvaarden dat er iets veel beters is dan individualiteit. Twee citaten die daarbij misschien behulpzaam zijn: “Er moet vooral worden opgemerkt dat God slechts één Zoon heeft. Als al Zijn scheppingen Zijn Zonen zijn, moet elk een integraal deel van het gehele Zoonschap uitmaken. Het Zoonschap in zijn Eenheid overstijgt de som van zijn delen.” (T2.VII.6:1). En uit het werkboek: “Wij zijn de schepping, wij de Zonen van God.  We lijken elk apart te zijn en ons niet bewust van onze eeuwige eenheid met Hem. Maar achter al onze twijfels, voorbij al onze angsten is nog altijd zekerheid. Want liefde blijft bij al haar Gedachten, terwijl haar zekerheid de hunne is.  De Godsherinnering is in onze heilige denkgeest, die zijn eenheid en verbondenheid met zijn Schepper kent.” (WdII.4:1-5). Slechter nieuws dat dit kan het ego zich niet voorstellen.

Terwijl we Jezus’ leerplan doorlopen gaan we ons langzaam realiseren, zonder overspoeld te worden door schuld, hoe waar dergelijke uitspraken in feite zijn: “Jij hebt jouw hele krankzinnige geloofssysteem opgebouwd omdat je meent in Gods Tegenwoordigheid hulpeloos te zijn, en jij wilt jezelf van Zijn Liefde verlossen omdat je denkt dat die jou tot niets vermalen zou.  Je bent bang dat ze jou van jezelf weg zou vagen en jou nietig zou maken, omdat je gelooft dat grootheid in verzet besloten ligt, en aanval allure heeft. Jij denkt dat je een wereld hebt gemaakt die God zou willen vernietigen, en dat je door Hem lief te hebben, wat je doet, die wereld weg zou werpen, wat je ook zou doen. […] Waanzin kun je aanvaarden omdat jij die hebt gemaakt, maar liefde kun je niet aanvaarden, want die heb je niet gemaakt. Jij wilt liever een slaaf van de kruisiging zijn dan een verloste Zoon van God. […] Je bent meer bevreesd voor God dan voor het ego, en liefde kan niet binnengaan waar ze niet welkom is.” (T-13.III.4;5)

Juist omdat wij angst helemaal zelf hebben gemaakt, ligt het ook in onze macht om dit alles volledig ongedaan te maken, of beter: voor ons ongedaan te laten maken. Hoe? Je raadt het: vergeving, het centrale thema van Een cursus in wonderen. De sleutel heet vergeving – niet van wat ik denk dat anderen mij aandeden, maar van wat ze me niet hebben aangedaan, omdat alle kwaad buiten mij slechts een projectie is van mijn eigen niet-vergevende gedachten. Op dezelfde manier vergeef ik mijzelf (als denkgeest) voor wat ik niet heb gedaan, want de afscheiding heeft in werkelijkheid nooit plaatsgevonden, en tijd en ruimte zijn illusoir. In (T1.VI.5) lezen we: “Volmaakte liefde verdrijft angst. Als er angst bestaat, dan is er geen volmaakte liefde. Maar: Alleen volmaakte liefde bestaat. Als er angst is, brengt die een toestand teweeg die niet bestaat.

Het gaat er niet om dat we onze angstgevoelens ontkennen. Het gaat erom de werkboeklessen te oefenen om zo de denkgeest te trainen deze angstgevoelens anders te bezien. Jazeker kies ik er nog steeds voor om een droomwereld in tijd en ruimte te ervaren, maar ik kan dat vanuit juist-gericht denken doen, vanuit een houding van vergeving. Angst is eigenlijk niets meer dan ‘vals bewijs dat heel echt lijkt’. In de “Psychotherapie” aanvulling lezen we: “Niemand in deze wereld ontkomt aan angst, maar ieder kan de oorzaken daarvan opnieuw overdenken en die de juiste waarde leren verlenen. God heeft iedereen een Leraar gegeven, wiens wijsheid en hulp elke bijdrage die een aardse therapeut maar kan leveren, verre te boven gaan.” (P1.1:3). Door al mijn niet-vergevende gedachten zonder veroordeling te bezien en ze vervolgens vreugdevol aan Jezus (of de Heilige Geest) over te dragen, wordt de schuld die al deze angst voedt, eindelijk ongedaan gemaakt. En je zult merken dat zorgen over inkomen, ziekte, natuurrampen of persoonlijke afwijzing zachtjes naar de achtergrond verdwijnen, omdat het niet meer uitmaakt. Van belang is dat ik ervoor kan kiezen een gelukkige leerling van dit leerplan te zijn, wetend dat we in werkelijkheid toch al veilig Thuis zijn. De wereld van angst wordt een lesruimte in vergeving, waarin het ons gegeven is om wonderen hun werk te laten doen via jou en mij.

— Jan-Willem van Aalst, april 2017 (vertaling van https://miraclesormurder.wordpress.com/2017/04/01/false-evidence-that-appears-real/)

Het lichaam liefdevol gebruiken

Veel studenten van Een cursus in wonderen ervaren nogal wat spanning over hoe ze hun eigen lichaam zien. De zesde herhaling in het werkboek (lessen 201-220) vraagt ons tenslotte om twintig dagen achter elkaar te herhalen: “Ik ben niet een lichaam. Ik ben vrij. Want ik blijf wat ik ben, zo schiep God mij.” Passages zoals “Ik heb me vergist toen ik dacht dat ik los van God leefde, als een afzonderlijk wezen dat zich in afzondering bewoog, aan niets gebonden, en gehuisvest in een lichaam.” (WdII.223.1) lijken het lichaam niet bepaald welgezind. In plaats daarvan spoort Jezus ons aan om te kiezen voor “…de geest, en heel de Hemel buigt zich om je ogen aan te raken en je heilig zicht te zegenen, opdat je de wereld van het vlees niet meer zou zien behalve om te genezen, te troosten en te zegenen.” (T31.VI.1:8). In Een cursus in wonderen brengt Jezus ieders ambivalentie over het lichaam vol in het bewustzijn, en dat kan bij tijd en wijle als pijnlijk worden ervaren.

Hieruit volgt echter niet dat het lichaam slecht zou zijn, of dat we het zoveel mogelijk zouden moeten negeren. Integendeel; als je de citaten hierboven zorgvuldig tot je neemt, wordt het duidelijk dat Jezus ons uitnodigt om het lichaam te gebruiken om te genezen, te troosten en te zegenen. In hoofdstuk 18 lezen we de volgende zeer belangrijke passage: “Het lichaam werd niet door liefde gemaakt. Toch veroordeelt de liefde het niet en kan ze het liefdevol gebruiken, omdat ze respect heeft voor wat de Zoon van God heeft gemaakt en dit aanwendt om hem van illusies te verlossen.” (T18.VI.4:7). Deze cruciale uitspraak is wat Een cursus in wonderen onderscheidt van de meeste wereldse religies en zelfs van de meeste spiritualiteiten, waarin de zondigheid (of juist heiligheid) van het lichaam voorop staat. Jezus ziet dat anders. Het gaat niet om wat voor kenmerk van het lichaam dan ook (daar alles in de materiële wereld illusoir is); het gaat om het doel dat richting geeft aan wat we met het lichaam doen. Dit doel is altijd één van de volgende twee opties: ofwel om te verwonden, of te genezen; ofwel om aan te vallen, ofwel om lief te hebben; ofwel een wonder, ofwel moord. Zolang wij nog geloven in tijd en ruimte te leven, kunnen we het lichaam inderdaad uitstekend benutten: om te genezen, te troosten en te zegenen.

De praktische betekenis van zo’n verandering van gedachten kan enorm zijn. Velen zijn bijvoorbeeld extreem onzeker over de aantrekkelijkheid van hun eigen lichaam. Voor sommigen wordt dat een allesoverheersende dagelijkse obsessie. De commerciële glamour-wereld heeft hele generaties gehersenspoeld over wanneer je er enigszins acceptabel uitziet. Vrouwen mogen vrijwel geen vet hebben, en mannen zien er het liefst uit als Tarzan. Dergelijke gekmakende conditionering versterkt slechts de vreemde overtuiging dat om gelukkig te kunnen zijn in dit leven, je de kenmerken van het lichaam moet optimaliseren (en daaraan vooral veel geld uitgeven natuurlijk). Hoe tragisch! Pas als ik Jezus’ troostende woorden in het citaat uit hoofdstuk 18 lees, kan ik inzien dat de visuele aantrekkelijkheid van het lichaam er volstrekt niet toe doet. Misschien voldoe ik niet aan de standaard van de magazines, maar ik kan mijn lichaam nog steeds gebruiken om te genezen, te troosten en te zegenen. Dat geeft mijn leven betekenis. Ik hoef niet eens mijn ego te overstijgen om dit te kunnen doen. De keuze om iemand ergens te helpen kan ik altijd maken, hoe onbeduidend de hulp ook lijkt. In het Handboek voor leraren lezen we: “Zelfs op het niveau van de meest terloopse ontmoeting is het mogelijk dat twee mensen hun afzonderlijke belangen uit het oog verliezen, al was het maar voor een moment. Dat moment zal volstaan. Verlossing is gekomen.” (H3.2:6). Ik geloof nog steeds dat ik in een lichaam besta, maar ik koos er op dat moment voor dat lichaam liefdevol te gebruiken.

Seks is ook zo’n thema dat veel spirituele aspiranten erg ongemakkelijk doet voelen. Is seks tenslotte niet het schoolvoorbeeld van het verheerlijken van het lichaam? De meeste spirituele scholen onderwijzen dat seksuele activiteit niet echt helpt om verlichting te bereiken. Ook Een cursus in wonderen lijkt ons te onderwijzen dat de speciale (lichamelijke) relatie feitelijk een kannibalistisch ritueel is met als doel om uit de ander te graaien wat we in onszelf lijken te missen om vervulling te ervaren. We houden onszelf compleet voor de gek wanneer we “seks” gelijkstellen aan “liefhebben”. Seks is primair ego-gedreven. Dat betekent echter niet dat liefhebben, als in het verbinden van denkgeesten, niet mogelijk is bij seks. “Bedenk dat liefde inhoud is, en geen vorm, van welke soort ook. De speciale relatie is een ritueel van de vorm, dat erop aanstuurt de vorm te verheffen zodat die ten koste van de inhoud de plaats van God in kan nemen. De vorm heeft geen betekenis en zal die ook nooit hebben.” (T16.V.12). Het gaat er dus om je niet langer schuldig te voelen over de vorm van het ritueel (seks, in dit geval) maar je louter te richten op de inhoud ervan, wat idealiter neerkomt op het doel van ware liefde, de verbintenis van twee schijnbaar afgescheiden denkgeesten, waarmee de afscheiding ongedaan gemaakt wordt. Dus zelfs bij seks kan de focus verschuiven van het lichaam (de vorm) naar de denkgeest (de inhoud), zonder schuld of onzekerheid. Pfoe!

Waarom zou de aantrekkelijkheid van het lichaam überhaupt van belang zijn? Mijn lichaam floreert in de eerste twintig jaren van mijn leven… daarna zal ik moeten omgaan met vijftig tot zeventig jaar van verval, wat onontkoombaar eindigt in de dood. Wetenschappers staan misschien op het punt om de levensduur van het lichaam aanmerkelijk te kunnen verlengen, maar met welk doel? Misschien slagen we er in meer jaren te leven, maar levert ons dat meer levensgeluk op? Diep vanbinnen beseffen we best dat dit niet zo zal zijn. Als je bovendien uitgaat van het oosterse concept van reïncarnatie, dan bewonen wij — als geest — vele, vele lichamen in de loop van de eeuwen. Het gaat er dus niet om een lichaam zo krachtig of aantrekkelijk mogelijk te maken, maar te leren hoe we de cyclus van reïncarnatie kunnen beëindigen. In zijn boek “Jouw onsterfelijke werkelijkheid” beschrijft auteur Gary Renard in niet mis te verstane beeldspraak een visioen waarin zijn leraren Pursah en Arten hem meenamen op een visuele reis waarin hij in zeer snelle opeenvolging alle lichamen ziet die hij ooit heeft gehad. Zeer ontluisterend! Gary heeft zelfs een audioboek gepubliceerd (in het Engels), getiteld: “Het einde van reïncarnatie”, waarin hij uitlegt dat onze koppige drang om te blijven proberen autonomie te ervaren in een lichaam — leven na leven — uiteindelijk vergeefs is. Pas als je dankbaar “ontslag neemt als je eigen leraar” (T12.V.8) en de Heilige Geest toestaat je gedachten te laten leiden, leer je hoe je alle duisternis in je denkgeest vergeeft en naar Huis terugkeert, buiten tijd en ruimte, “waar God wil dat wij zijn” (T31.VIII.12).

Kortom: voel je niet langer onzeker, schuldig of gedeprimeerd over je lichaam. Het gaat niet om hoe je tegen je lichaam aankijkt; het gaat om het doel waartoe je je lichaam inzet. Kenneth Wapnick sprak vaak over het onderscheid tussen de voorgrond en achtergrond van de focus van onze denkgeest. De commerciële marketing heeft ons voortdurend geleerd om de (interpretatie van de) visuele waarneming op de voorgrond te zetten, en zaken van de denkgeest naar de achtergrond te laten vervagen. Jezus in Een cursus in wonderen nodigt ons uit om dat compleet om te draaien: plaats de denkgeest op de voorgrond, en plaats zintuiglijke waarneming in tijd en ruimte naar de achtergrond. Ik zie en ervaar het lichaam nog steeds, maar in de achtergrond. Mijn focus richt zich vooral op het doel van liefhebben. Daarmee verschuift de focus van de keuze voor het verheerlijken van het lichaam naar de keuze om de Heilige Geest toe te staan het lichaam te gebruiken om te genezen, te troosten en te zegenen, oftewel: het einde van de afscheiding. Zo krijgt het lichaam waarlijk een heilig doel. Dat is iets wat jij en ik op elk moment van de dag zouden kunnen doen. Waarom eigenlijk niet gewoon hier en nu?

— Jan-Willem van Aalst, maart 2017 (vertaling van https://miraclesormurder.wordpress.com/2017/03/25/using-the-body-lovingly/)

De strijd tegen tijd

Hoe vaak ervaar jij tijdsdruk? Hoe vaak heb jij het gevoel dat er simpelweg te weinig tijd is voor alles wat je graag zou willen doen? En valt het jou wel eens op dat, telkens wanneer je uit gemeende interesse vraagt hoe het met iemand gaat, hoe vaak mensen klagen dat ze het “zo enorm druk hebben”? Het informatietijdperk verbindt ons heel gemakkelijk met zowat alles en iedereen, en dat maakt het alleen maar erger. “Stress” of “tijdsdruk” wordt steeds vaker als ziekte nummer één bestempeld. We kunnen veilig stellen dat zo’n vierhonderd jaar geleden het fenomeen “tijdsdruk” veel minder speelde, ongeacht welk continent je beschouwt. Wetenschappers stellen zelfs dat mensen toentertijd aanmerkelijk langzamer spraken. Kun je je voorstellen hoe dit je denkgeest opjaagt? Tegenbewegingen zoals “slow management” en “mindfulness” lijken slechts een druppel op de gloeiende plaat van dit alarmerend snel groeiende probleem.

Is het een probleem? Dat lijkt zeker het geval, zowel fysiek, mentaal, als spiritueel bekeken. Op fysiek niveau leidt stress tot hogere en instabiele hersengolf frequenties. Dat hindert de hersenen om de lichaamsfuncties adequaat te kunnen blijven besturen. Veel moderne endocrien gerelateerde ziekten zoals burn-out en Parkinson hebben waarschijnlijk een directe relatie met de hersengolven. Op mentaal niveau gunnen we onszelf steeds minder tijd om ons te bezinnen op waarom we doen wat we doen. We komen terecht in een denkmodus van een soort automatische piloot waarin we proberen twee dozijn draaiende bordjes tegelijkertijd in de lucht te houden. De epidemie van ADHD-gerelateerde stoornissen heeft veel te maken met de overdosis aan stimuli waaraan ouders hun kinderen blootstellen, wat vaak weer komt doordat die ouders te druk zijn met hun eigen waslijst aan activiteiten.

Spiritueel gezien zal het duidelijk zijn dat al die drukte slechts dient om de denkgeest af te leiden van het overdenken van fundamentele levensvragen, zoals “Wat ben ik?”, “Wat is mijn doel hier?”, of algemener: “Wat is de betekenis van mijn leven?” Als je de tijdlijn van het universum, zo’n dertien miljard jaar, als een lijntje op een vel papier tekent, dan wordt het hele begrip “tijdsdruk” een zotte klucht. Op die tijdlijn is de mensheid op de planeet aarde slechts een stip aan het einde van de lijn. Jij en ik winden onszelf enorm op over honderden zinloze zorgen over zaken die meestal over een paar uur of een paar dagen gaan, of hooguit een paar jaar. In de context van het grotere plaatje wordt onze stress volkomen onbeduidend en absurd. En toch blijven jij en ik dit doen. Waarom? Omdat ik zo bang ben dat mijn leven zal mislukken als ik niet dit of dat bereik voordat ik sterf. Mijn ‘zelf’, als speciaal individu, moet ik betekenisvol maken, anders heeft mijn bestaan geen zin. En dus worstel ik om mijn leven belangrijk te maken, uiteindelijk (onbewust) richting God. Wat een worsteling!

Natuurlijk kan dit niet werken. Het zit er dik in dat ik aan het einde van mijn leven verreweg mijn meeste inspanningen zal evalueren als ofwel mislukt, ofwel onbelangrijk. Wat overblijft is de vraag hoeveel liefde ik mezelf heb toegestaan te uiten (en te ontvangen) gedurende mijn leven. Het is ontnuchterend om in de Bhagavad Gita, zo’n vierduizend jaar oud, te lezen, dat “zolang jij jezelf op zelfzuchtige verlangens richt, je leven volkomen verspild is”. En toch is dat precies wat we ruim zeven miljard mensen dagelijks zien doen, inclusief onszelf: ervoor zorgen dat ik voorzie in mijn materiële behoeften; en mijn denkgeest bezig houden met een eindeloze reeks speciale afgoden, om aan mezelf en iedereen (God incluis) te bewijzen dat mijn leven niet volkomen verspild is, ook al ben ik het grotere plaatje maar een kort oplichtend vuurvliegje.

In Een cursus in wonderen toont Jezus ons de fundamentele uitweg uit deze hel, door ons botweg de compromisloze nondualistische metafysica voor te schotelen van de onwerkelijkheid van tijd en ruimte. Laten we eens kijken naar tijd, de vierde dimensie in dualiteit. Jezus zegt hierover: “Tijd is een kunstgreep, een goocheltoer, een immense illusie waarin figuren als bij toverslag komen en gaan. Toch zit er een plan achter alle verschijningsvormen dat niet verandert. Het draaiboek is geschreven. […] We ondernemen slechts een reis die al voorbij is. Toch schijnt ze een toekomst te hebben die ons nog onbekend is.” (WdI.158.4;3). Omdat onze hersenen uitsluitend lineair werken, duizelt het ons om ons iets voor te stellen bij de onwerkelijkheid van de tijd. Wij lezen dit tenslotte toch nu, in de tijd? We werken met Een cursus in wonderen in de tijd, toch? Hoezo is tijd onwerkelijk? Jezus legt in hoofdstuk 25 uit dat zolang wij denken dat wij in de tijd vertoeven, zijn boodschap aan ons ook in een tijdgebonden vorm wordt aangeboden: “Dit alles neemt notitie van tijd en plaats alsof dat losstaande zaken waren, want zolang jij denkt dat een deel van jou afgescheiden is, heeft het denkbeeld van een Eenheid die als Eén verbonden is, geen betekenis.” (T25.I.7:1). Jezus ontmoet ons in de toestand waarin wij ons denken te bevinden.

De bevrijding die Jezus ons biedt ligt in het dagende besef dat wij de dromer van een nachtmerrie zijn, die onze realiteit in de eeuwigheid volstrekt niet raakt. Zo lezen we in werkboekles 167: “Wanneer de denkgeest besluit te zijn wat hij niet is, en verkiest een vreemde macht aan te nemen die hij niet heeft, een oneigen toestand waartoe hij niet komen kan, […] lijkt hij slechts een poosje te gaan slapen. Hij droomt van de tijd: een interval waarin wat schijnt te gebeuren nooit heeft plaatsgevonden, de teweeggebrachte veranderingen geen substantie hebben en alle gebeurtenissen nergens zijn. Wanneer de denkgeest ontwaakt, gaat hij slechts voort zoals hij altijd is geweest.” (WdI.167.9). Let wel, “voortgaan zoals hij altijd is geweest” verwijst niet naar tijd, want in de eeuwigheid bestaat geen tijd. Jezus gebruikt de beeldspraak van een tapijtstrook die zich in de tijd voor ons lijkt uit te rollen: “De tijd lijkt in één richting te verlopen, maar wanneer je zijn eind bereikt, zal hij zich oprollen als een lange loper, achter je uitgerold over het verleden, en verdwijnen.” (T13.I.3)

Dus zolang wij menen dat we de zingeving in ons leven moeten vinden binnen tijd en ruimte, houden we onszelf voor de gek. Onze realiteit en verlossing liggen buiten tijd en ruimte. Kunnen we ons hier een voorstelling van maken? In werkboekles 107 probeert Jezus ons hierbij te helpen: “Probeer je een moment te herinneren — misschien een minuut, zelfs minder misschien — waarop niets jouw vrede kwam verstoren, waarop je er zeker van was dat jij bemind en veilig was. Probeer je dan voor te stellen hoe het zou zijn wanneer dat moment werd uitgebreid tot het einde der tijden en tot in eeuwigheid. Laat dan het gevoel van rust dat je voelde honderdmaal vermenigvuldigd worden en dan opnieuw honderdmaal. En nu heb je een beetje een idee, niet meer dan slechts een uiterst vage duiding, van de staat waarin je denkgeest zal verkeren wanneer de waarheid gekomen is.” (WdI.107.2). Die keuze is aan ons, niet iets wat God ons opdringt of onthoudt, afhankelijk van hoe zondig we waren. God heeft helemaal geen weet van zoiets als de tijd, laat staan deze hele materiële wereld. In hoofdstuk 26 lezen we dat deze dualistische droom nooit werkelijkheid was, is, of zal worden: “niet één noot in het lied van de Hemel werd gemist.” (T26.V.5:4).

Allemaal leuk en aardig, maar hoe leer ik dan Jezus’ lessen terwijl ik nog steeds geloof hier in de 21e eeuw te zijn, en daarin een leven probeer op te bouwen? Jij en ik zullen heus niet de volgende ochtend buiten tijd en ruimte wakker worden, dat staat vast. De troostende boodschap is dat dat ook niet hoeft. Ontwaken is een langzaam proces. Net zoals de Bhagavad Gita ons aanraadt om hier een normaal leven te leiden (“wees heel actief in deze wereld, maar als iemand die vanuit zijn diepste kern denkt en handelt”), zo onderwijst Jezus ons om te oefenen met het heilig ogenblik; een keuze in het nu voor de onvoorwaardelijke Liefde van God, waarmee we zowel verleden als toekomst even geheel vergeten. “nu is de dichtst mogelijke benadering van de eeuwigheid die deze wereld biedt” (T13.IV.6). Die uitspraak zette overigens Eckhart Tolle aan tot het schrijven van zijn bestseller “De kracht van het Nu”. De boeddhisten zeggen: “Het verleden is voorbij; de toekomst nog niet hier. Je leeft alleen nu, in het huidige moment.” Hoe haalbaar is dat?

Het werkbroek van Een cursus in wonderen is een lesprogramma voor gedachtentraining waarmee je jezelf aanleert om steeds wat vaker in het nu te leven, waarin de denkgeest zich richt op vergeving, op onvoorwaardelijke liefde. Zo nodig je de Heilige Geest uit als gids van je gedachten, en die uitnodiging aanvaardt Hij graag. Na een poosje oefenen merk je dat je denkgeest veel kalmer wordt, en het leven veel meer vanzelf lijkt te gaan stromen. Het dagelijkse leven kan bij tijd en wijle nog steeds druk lijken, maar brengt veel minder stress, en veel betere uitkomsten. Veel Cursusstudenten kunnen dit beamen. Het is deze ervaring van innerlijke vrede die het doel vormt van Een cursus in wonderen, en uiteindelijk van je leven hier. Hoeveel onvoorwaardelijke liefde sta jij jezelf toe te uiten (en te ontvangen) vandaag? Oefen in blijdschap en dankbaarheid met het heilige ogenblik, en keer dan terug naar de drukke wereld, maar vanuit de intuïtieve leiding van de Heilige Geest, die niet falen kan.

— Jan-Willem van Aalst, maart 2017 (vertaling van https://miraclesormurder.wordpress.com/2017/03/19/fighting-against-time/ )

We lijken met velen, maar we zijn één

Als je ooit naar een grote zwerm vogels in de lucht hebt gekeken, zullen de wonderbaarlijke patronen die ze als één groep in de lucht maken, je niet ontgaan zijn. Een groeiende groep wetenschappers ziet dit als aanwijzingen voor het bestaan van iets dat ‘collectief bewustzijn’ heet. Want niet één van deze vogels heeft ooit op een school geleerd hoe je gezamenlijk in perfecte wiskundige patronen kunt vliegen. Geen van deze vogels heeft ooit enig examen afgelegd. En toch weten ze precies wat ze moeten doen. Je zou kunnen beargumenteren dat dit instinctmatig gedrag is dat gedurende duizenden jaren uiteindelijk geconditioneerd is geraakt, maar dan nog — de groepsbewegingen als geheel illustreren overduidelijk de werking van een soort collectief mechanisme. Het is alsof ze een collectieve denkgeest met elkaar delen.

In Een cursus in wonderen onderwijst Jezus ons dat dit een universeel principe is van al het leven: denkgeesten zijn verbonden. Laten we eens kijken naar de dualistische wereld van tijd en ruimte die wij nog steeds als onze dagelijkse realiteit beschouwen. Onze zintuigen vertellen ons dat er miljarden ego’s lijken te zijn die deze planeet bevolken. We vergeten daarbij echter dat onze perceptie niets meer is dan de vervulling van een geprojecteerde wens (om afgescheiden te lijken). “Projectie maakt waarneming” (T21-In.1). Omdat de materiële wereld in werkelijkheid helemaal niet bestaat (WdI.132.6), is alles wat ik waarneem een weerspiegeling van iets in mij dat ik naar buiten wil projecteren omdat ik het niet onder ogen wil zien. Bijgevolg delen wij met z’n allen niet alleen dezelfde collectieve Identiteit als de Zoon van God (buiten de droom), maar delen we ook exact hetzelfde ego (in de droom). En net als bij de zwerm vogels resoneert elke ego-gedachte door elke schijnbaar afgescheiden denkgeest, ook al nemen we dat zo niet direct waar.

Dit ene ego, dat zich vermomt als miljarden individuele fragmentjes, is honderd procent haat. Niet dat we elk moment van de dag haten, maar zodra we voor onjuist gericht denken kiezen, komt dit neer op haat, hoewel vaak versluierd. Dit kan niet anders, omdat het ego het idee van afscheiding van perfecte Eenheid is. Afscheiding betekent aanval. En het eerste concept dat leek te ontstaan in de dualiteit van het ego is bewustzijn: een denkgeest die zichzelf als iets afzonderlijks van iets anders lijkt te beschouwen. En zo gaat het al sinds de Oerknal. Aanval gaat echter onvermijdelijk gepaard met schuld. En als die schuld over de oerzonde van afscheiding van de Schepper gaat, wordt dat schuldgevoel ondraaglijk. Bovendien gaat die schuld gepaard met angst voor de vergelding door God Zelf, die uiteraard volstrekt in z’n recht staat om ons zwaar te bestraffen voor deze zonde. In een poging om aan Gods toorn te ontkomen, versplintert het ego zichzelf in vrijwel ontelbare fragmentjes, om als het ware ‘ongrijpbaar’ te worden. Het ‘geniale’ van de Oerknal, waarmee tijd en ruimte leken te ontstaan, is dat de eenheid die er ooit was voorgoed verloren leek te zijn. Bovendien kan elk afgescheiden fragmentje van bewustzijn al het ‘kwaad’ nu in andere fragmentjes zien, en niet in zichzelf. Voor het ego is dat een dubbele traktatie, en een ingenieuze strategie!

Helaas werkt deze strategie van projecteren niet, omdat (a) het collectieve karakter van het ego niet verdwenen is, maar slechts uit het gewaarzijn is verdrongen, en (b) projecties altijd naar degene die projecteert terugkeren, omdat “verdedigingen juist doen waartegen ze verdedigen” (T17.IV.7). In Hoofdstuk 24 van het tekstboek beschrijft Jezus in beeldend taalgebruik hoe wij het kwaad altijd in anderen zien. Iedereen wil “de ander naar een afgrijselijke afgrond voeren en hem daarin storten” (T24.V.4). We denken onszelf te moeten verweren tegen een bedreigende wereld. Maar onbewust is de situatie veel erger. Zoals elke goede psycholoog ons kan vertellen: alles waar we anderen van beschuldigen vrezen we heimelijk in onszelf. Zoals Jezus benadrukt in Hoofdstuk 7: “De overtuiging dat je [schuld] uit je innerlijk hebt geweerd door het buiten jou te zien is een totale vervorming van de macht van uitbreiding. Om die reden zijn zij die projecteren waakzaam voor hun eigen veiligheid. Ze zijn bang dat hun projecties zullen terugkeren en hen pijn doen. Door te geloven dat ze hun projecties uit hun denkgeest hebben gewist, geloven ze ook dat hun projecties weer proberen naarbinnen te sluipen. Aangezien de projecties hun denkgeest niet hebben verlaten, zijn ze gedwongen zich voortdurend in allerlei activiteiten te storten om dit niet onder ogen te hoeven zien.” (T7.VIII.3).

Probeer je gedurende de dag bewust te zijn alles dat je als “slecht” bestempelt buiten jezelf. Het zou je buur kunnen zijn, je manager, je collega’s, hangjongeren, de president, de politie, religieuze extremisten, het weer, noem maar op. Zoals Kenneth Wapnick vaak toelichtte in zijn workshops, is het enorm behulpzaam om je gewaar te worden van alle angstige gedachten over slechtheid buiten jezelf, je vervolgens te realiseren dat dergelijke percepties eigenlijk projecties zijn van slechtheid die je heimelijk in jezelf vreest… en daar dan simpelweg naar te kijkenNiets meer dan dat. Zodra je immers anders dan met volstrekt oordeelloze observatie reageert op dergelijke percepties, heb je jezelf alweer verloren in het ego. Als het je echter lukt om de oordeelloze observator ‘boven het slagveld’ aan te zetten, plaats je jezelf in de positie om het wonder toe te laten waar deze Cursus zijn titel aan ontleent, namelijk: de angst in je denkgeest mild ongedaan laten maken door de Heilige Geest, door Hem toe te laten in je denkgeest, door je te realiseren dat “God daar anders over denkt” (T23.I.2), omdat er immers geen wereld bestaat. Wees er overigens zeker van dat je niet je gevoelens ontkent of onderdrukt, maar oefen ermee om jezelf er niet in te verliezen.

Terug naar ons thema van collectief bewustzijn. We kunnen nu zien waarom Jezus ons vertelt dat “alle macht op aarde en in de Hemel jou is gegeven. Er is niets wat jij niet kunt doen. Je speelt het spel van de dood, speelt dat je hulpeloos bent, jammerlijk verklonken aan ontbinding en verval in een wereld die jou geen genade betoont. Maar als jij haar genade verleent, zal haar genade op jou stralen.” (WdI.191.9). Dat is fantastisch nieuws! Telkens als ik waarlijk vergeef, straalt vergeving door het geheel van schijnbaar versplinterd leven in het gehele universum, in minder dan een mum van tijd! Dat is de actieve werking van het wonder, dat wij geenszins hoeven te begrijpen — we hoeven slechts het wonder voor onszelf te aanvaarden. Het klopt dat het in de praktijk zo helemaal niet lijkt te werken. Als ik bijvoorbeeld mijn buurman steeds blijf vergeven voor het feit dat hij zijn auto precies voor mijn raam parkeert, zal er waarschijnlijk niets veranderen. Je hoort mensen daarop als volgt klagen: “Dat vergeven, dat heb ik geprobeerd, maar het werkt niet. Ik heb het op Jan geoefend, maar hij blijft gewoon een vreselijk persoon!”. Door zo te redeneren vergeten we dat Jan louter een geprojecteerd deel van het ego is dat we niet in onszelf willen zien. Door mijn afkeuring over Jan in stand te houden, hou ik feitelijk mijn afkeur over mijzelf in stand, en is er helemaal niets vergeven.

In Een cursus in wonderen lezen we dat het wonder, dat voortkomt uit vergeving, allerlei helende effecten kan hebben op onverwachte plekken in de wereld waar wij zelf nog nooit geweest zijn, zelfs in tijden die allang voorbij zijn of die nog moeten komen. Er wordt van ons, nogmaals, niet verlangd dat wij dit begrijpen. We worden slechts gevraagd het wonder voor onszelf te aanvaarden en Jezus’ lessen in de praktijk te brengen. “Dat het wonder op jouw broeders een uitwerking kan hebben die zich aan jouw waarneming onttrekt, is niet jouw zorg. Het wonder zal altijd jou zegenen” (T1.III.8). Dit is ook waarom het antwoord op de vraag hoeveel Leraren van God er nodig zijn om de wereld te redden, één is. Dit is zo omdat er maar één Zoon van God is, waar we allemaal een holografisch deel van zijn. Vergeet het idee van de ‘honderdste aap’ dat stelt dat vrede pas kan komen als genoeg mensen er voor kiezen. Zoek niet buiten jezelf. Vergeef jezelf nu, en het ‘kwaad’ zal verdwijnen, hoewel dat niet altijd à la minute lijkt te gebeuren. Jij en ik hebben “alle macht op aarde en in de Hemel”, dankzij het wonder. We ervaren universele vrede louter door er in onze collectieve denkgeest voor te kiezen (wat trouwens ook de ware betekenis van gebed is: communie).

Het collectieve bewustzijn dat we in de zwerm vogels zien is kortom universeel. We lijken met velen te zijn, maar we zijn één. Jij en ik en de president en de meest verachtelijke terrorist zijn verbonden, omdat er slechts één Zoon is. Een vredige, vergevingsgezinde denkgeest is het mooiste geschenk dat jij en ik kunnen bieden aan alle schijnbaar afgescheiden ego’s om je heen. Oefen in vrede!

— Jan-Willem van Aalst, maart 2017 (vertaling van https://miraclesormurder.wordpress.com/2017/03/11/the-seemingly-many-are-one/)

In gevangenschap geboren

Al rond 500 voor Christus publiceerde de Griekse filosoof Plato zijn Allegorie van de grot in zijn monumentale werk De Staat.  Een allegorie kan een handige vorm zijn om iemand zich gewaar te laten worden van een pijnlijk aspect in zijn leven dat werd ontkend en verdrongen juist omdat het onder ogen zien ervan te pijnlijk zou zijn. Voor Plato was zijn Allegorie van de grot niet alleen een manier om mensen eraan te herinneren dat zij onbewust kiezen voor een leven in verdoving (Plato zegt ‘onwetendheid’), terwijl echt geluk wordt bereikt door te kiezen voor kennis van ‘het Goede’; deze allegorie was voor Plato ook een uitlaatklep voor zijn diepe frustratie over de moord op zijn leraar Socrates, die om het leven was gebracht juist omdat hij diezelfde ongemakkelijke boodschap over het belang van ‘mindfulness’ had verkondigd.

In de Allegorie van de grot, die Plato presenteert als een dialoog tussen Plato’s broer Glaucon en zijn mentor Socrates, lezen we over een groep gevangenen die al hun hele leven aan de nek, handen en voeten zijn vastgeketend in een grot. Hun zicht is een grijze muur; ze kunnen niet om zich heen kijken, laat staan zich omdraaien. Vanuit de ingang van de grot achter ze werpt het zonlicht schaduwen op de muur van de reizigers op de weg die langs de grot loopt. Voor de geketende gevangenen zijn de vluchtige schaduwen de enige werkelijkheid die ze kunnen waarnemen. Ze menen zelfs dat de geluiden van de langstrekkende kooplieden worden voortgebracht door de schaduwen op de muur. Elk van hen is geboren in deze gevangenis in de grot. Ze ervaren het echter niet als een gevangenis; integendeel, ze ervaren het als thuis, hun hele wereld. Ze weten niets van enige vorm van leven buiten hun grot.

Echter, op een gegeven moment raken de ketenen van één van de gevangenen los (de wet van Murphy werkt tenslotte overal en altijd). Deze gevangene (die uiteraard model staat voor de filosoof Socrates zelf) begint verwonderd om zich heen te kijken. Aanvankelijk wordt zijn zicht verblind door het zonlicht bij de ingang, en hij deinst terug. Maar uiteindelijk wint zijn nieuwsgierigheid het van zijn angst voor het onbekende, en zodra zijn ogen enigszins gewend zijn aan het daglicht, begint hij langzaam de buitenwereld te verkennen. Stel je voor hoe zijn aanvankelijke verbijstering omslaat in vreugde zodra hij leert dat het leven buiten de grot zoveel beter is! Hij voelt zich een gezegend man en wordt vervuld van medelijden met zijn lotgenoten in de grot. Hij besluit om ze de blijde tijding van het licht van de wereld te brengen, zodat zij in zijn vreugde kunnen delen.

De mensen in de grot zijn echter helemaal niet blij met de boodschap van onze filosoof. Zij merken dat hij door het daglicht vrijwel niets meer kan onderscheiden in de grot, en zij beredeneren dat de buitenwereld alleen maar tot pijn zal leiden. Ze besluiten unaniem dat het niet verstandig zou zijn om ook zo’n reis te gaan ondernemen, want dat kan alleen maar in rampspoed eindigen. En het wordt nog erger: ze zweren om iedereen om te brengen die ook maar zou proberen om ze over te halen hun grot te verlaten. En dat is natuurlijk precies wat er met Socrates is gebeurd. Dit is de reden dat “een profeet nooit welkom is in zijn eigen stad”: zijn boodschap brengt mensen teveel uit hun ‘comfort zone’, wat alleen maar leidt tot vlijmscherpe weerstand.

Jezus staat voor dezelfde uitdaging om onze slapende denkgeesten te overtuigen van zijn milde boodschap van vrede in Een cursus in wonderen. In hoofdstuk 20 van het Tekstboek verwijst hij zelfs expliciet naar Plato’s allegorie om zijn punt duidelijk te maken: “Gevangenen die jarenlang in zware ketenen lagen, uitgehongerd en uitgemergeld, zwak en uitgeput, en wier ogen zo lang in het donker neergeslagen waren geweest dat zij zich het licht niet meer herinneren, springen niet op van vreugde op het moment dat ze worden bevrijd. Het kost hun een tijdje om te begrijpen wat vrijheid is.” (T-20.III.9). In zekere zin lijkt Jezus erg op deze Griekse filosoof die de boodschap van het licht verkondigt aan gevangenen die hun hele leven alleen maar duisternis hebben gekend. Als je Een cursus in wonderen al een tijdje bestudeert zal het je zijn opgevallen hoe oneindig geduldig Jezus is in het steeds opnieuw naar voren brengen van zijn blijde tijding. Niet éénmaal scheldt hij zijn studenten uit omdat ze steeds maar de domme keuze maken om verdoofd te blijven in de duisternis. Want elke goede therapeut weet heel goed dat je nooit iemands verdedigingsmechanismen moet afpakken.

Als je in de gevangenis wordt geboren, hou je van de gevangenis, omdat dat alles is wat je kent. Als je ooit de film “The Shawshank redemption” (nog steeds nummer één op IMDB’s Top 250 films) hebt gezien, zul je je realiseren hoe waar dit is. Brooks Hatlen was een man die het grootste deel van zijn leven in de gevangenis had doorgebracht. In 1954 werd hij op 72-jarige leeftijd vrijgelaten. Hij ontmoette een wereld die drastisch was veranderd sinds zijn jeugd.  Hoewel hij zijn best deed, kwam hij tot de conclusie dat hij niet meer in staat was zich aan te passen aan een samenleving die hij nooit had gekend, en hij pleegde zelfmoord. Toen zijn medegevangenen zijn afscheidsbrief onder ogen kregen, zeiden ze tegen elkaar: “Hij had in de gevangenis moeten sterven.” Aan de andere kant zette deze gebeurtenis de hoofdpersoon ertoe om serieus werk te maken van zijn eigen ontsnapping, terug naar de vrije wereld, wat uiteindelijk ook lukte.

In Een cursus in wonderen legt Jezus ons uit dat wij allemaal (schijnbaar) in de gevangenis zijn geboren die we de wereld noemen. We doen alleen onze uiterste best de wereld niet als gevangenis te ervaren. Ondanks alle ellende en strijd die we op het journaal zien, zijn we intiem verliefd op onze materiële wereld. Bovendien zijn we er van overtuigd dat dit alles is wat we hebben, wat deels de vurige geestdrift verklaart van alles wat we roepen over ‘een duurzame toekomst voor onze planeet’. Wanneer Jezus ons als volgt onderwijst: “ik ben niet een lichaam. Ik ben vrij. Want ik blijf wat ik ben, zo schiep God mij” (WdI.201), dan kunnen we ons daar eigenlijk geen voorstelling bij maken, omdat het compleet vormloos is, wat voor ons het onbekende is. En net zoals de wereld buiten de grot volstrekt onbekend was voor de gevangenen, is de gedachte om alles wat wij kennen in te ruilen voor iets volstrekt onbekends, simpelweg te angstaanjagend. En dus klampen we ons vast aan onze wereldse uiterlijkheden, net zoals de gevangenen in de grot besloten dat het te gevaarlijk zou zijn om de grot te verlaten.

Jezus kent zijn studenten goed, en daarom besteedt hij zoveel pagina’s aan pogingen om ons te overtuigen van de aard van onjuist gericht denken, en hoeveel pijn wij onszelf daarmee bezorgen. Daarom benadrukte Kenneth Wapnick herhaaldelijk dat Een cursus in wonderen niet primair over liefde gaat. De Cursus is een leerplan in het ontkennen van onze ontkenning van Liefde. We zullen het niet aandurven om Jezus’ uitgereikte hand te pakken zolang wij ons niet ten diepste de aard van de grot realiseren waarin wij onszelf gevangen houden, en waarvan we nog steeds zoveel houden. Nogmaals, Jezus weet dat dit acceptatieproces tijd kost. Om dit nog eens te herhalen: “Gevangenen die jarenlang in zware ketenen lagen, uitgehongerd en uitgemergeld, zwak en uitgeput, en wier ogen zo lang in het donker neergeslagen waren geweest dat zij zich het licht niet meer herinneren, springen niet op van vreugde op het moment dat ze worden bevrijd. Het kost hun een tijdje om te begrijpen wat vrijheid is.” (T20.III.9)

Om in de vrijheid van het licht te stappen, volstaat het om Otto Scharmers principe van “Loslaten, toelaten” toe te passen. Dat wil zeggen: loslaten van onze koppige overtuiging dat wij zelf wel weten waar het doel van ons leven en dat van de wereld over gaat, en steeds vaker Jezus / De Heilige Geest toelaten als gids van onze gedachten, louter door onze veroordeling van alles buiten ons op te geven. In hoofdstuk 20 vervolgt Jezus: “Verstevig je greep en sla je ogen op naar je sterke metgezel, in wie de betekenis van jouw vrijheid schuilt. Hij leek naast jou gekruisigd. En toch is zijn heiligheid onaangetast en volmaakt gebleven, en met hem aan je zijde zul je heden met hem het Paradijs betreden en de vrede van God kennen. […] Dit is het doel dat jou gegeven werd. Denk niet dat jouw vergeving van je broeder enkel jullie tweeën dient. Want heel de nieuwe wereld rust in de handen van elk tweetal dat hier om te rusten binnengaat. En terwijl zij rusten beschijnt het gelaat van Christus hen, en ze herinneren zich de wetten van God, en vergeten daarbij al het overige en hunkeren er slechts naar dat Zijn wetten in henzelf en in al hun broeders volmaakt worden vervuld. Denk jij, wanneer dit is bereikt, dat je zonder hen zult rusten? Jij kunt evenmin een van hen buiten laten staan als ik jou zou kunnen achterlaten, en een deel van mijzelf vergeten.” (T20.III.19; IV.7).

Laten we ons ter afsluiting dit bekende Cursuscitaat nog eens herinneren: “Het geheim van verlossing is slechts dit: dat jij dit jezelf aandoet.” (T27.VIII.10). Eenieder die in alle eerlijkheid heeft besloten om een spiritueel pad te bewandelen gaat zich realiseren dat een leven in een grot niet alleen niet aantrekkelijk is, maar zelfs dat het een gevangenis is die we willens en wetens kozen en kiezen… en dat ons buiten de grot ons een veel beter leven wacht. Ook realiseren zij zich dat het even duurt voordat we aan het licht kunnen wennen. En toch is er geen grotere vreugde dan het uiteindelijk ervaren (met ons geestesoog, de psychologie van visie) hoe we het licht van de werkelijke wereld kunnen ervaren, met een Gids wiens leiding niet kan falen. Onze taak bestaat er slechts uit om ons diepgewortelde verlangen te voelen om duisternis (veroordeling) los te laten en het licht (het wonder) toe te laten, door het beoefenen van onvoorwaardelijke vergeving.

— Jan-Willem van Aalst, maart 2017 (vertaling van https://miraclesormurder.wordpress.com/2017/03/04/born-in-prison/)

De vrede van God omarmen

Voor de meesten van ons geldt dat onze dagen zich kenmerken door de vele problemen die voortdurend ons pad kruisen. Als je er echt over nadenkt, gaat er geen uur voorbij zonder dat we ons ergens zorgen over maken. Er is altijd nóg wel iets dat aandacht vereist of aangepakt moet worden. Als mensen wordt gevraagd wat het diepst gekoesterde doel in hun leven is, dan volgen vaak antwoorden zoals “Als ik nou maar eens gemoedsrust zou kunnen vinden… me niet de hele tijd zorgen hoeven maken… gewoon… vrede vanbinnen.” En vervolgens lezen we in Een cursus in wonderen dat “er geen vrede is dan de vrede van God.” (WdI.200). Jezus maakt ons zelfs duidelijk dat zijn gehele leerplan gaat over het bereiken van blijvende innerlijke vrede: “Kennis is niet de motivering om deze cursus te leren. Vrede is dat.” (T8.I.1). Pas wanneer ik echt de tekst bestudeer en de lessen uit het werkboek probeer toe te passen, begin ik me te beseffen wat het van mij vraagt om werkelijk die “vrede die alle verstand te boven gaat” (Filippenzen 4:7) te omarmen.

De kern van het besef van wat het betekent om werkelijk voor de vrede van God te kiezen, wordt mooi samengevat in werkboek 185, genaamd “Ik verlang de vrede van God”. Direct aan het begin zegt Jezus: “Deze woorden uitspreken is niets. Maar deze woorden menen is alles.” (WdI.185.1). Voor het ego is dat nogal pijnlijk, beledigend zelfs. En toch hoeven we niet heel diep in onze denkgeest te duiken om ons te realiseren hoe waar deze uitspraak is. Kijk maar eens hoe vaak je een moment hebt waarin dit of dat je niet bevalt. Een verwaarloosbare ergernis; een lichte irritatie. Je zult zeggen dat zoiets begrijpelijke dagelijkse emoties zijn die gewoon bij het leven horen. En toch is zelfs de kleinste frustratie uiteindelijk een verklaring dat je de dingen anders wilt. Je wilt dat het gaat zoals jij wilt. Je wilt kortom niet toegeven dat Jezus misschien toch gelijk heeft als hij zegt: “Wil je liever gelijk hebben of gelukkig zijn?” (T29.VII.1). Want beide kan niet. Het duurt even voordat je beseft – en aanvaardt – dat “een lichte krimp van ergernis niets anders is dan een sluier over intense woede.” (WdI.21.2). Het vraagt bescheidenheid om te aanvaarden dat ik het inderdaad niet echt meen wanneer ik mezelf vertel dat ik de vrede van God verlang.

En toch verzekert Jezus ons in werkboekles 200 dat “…Vrede de brug is waarover ieder gaan zal om de wereld achter zich te laten. […] Alleen God is zeker en Hij zal onze voetstappen leiden. Hij zal Zijn Zoon in nood niet in de steek laten, noch hem voor eeuwig laten ronddolen ver van zijn thuis. De Vader roept; de Zoon zal gehoor geven.” (WdI.200.9:4). Maar als ik steeds tegen de muur loop in mijn mislukte pogingen om veroordelende emoties achter me te laten, hoe pak ik dat dan aan? Hoe kom ik van het zeggen dat ik vrede van God wil naar het werkelijk menen dat ik de vrede van God wil? Mezelf martelen met zonde, schuld en angst gaat natuurlijk niet werken. Ook een leven als monnik in een berggrot gaat niet werken. Dus hoe ziet dat ‘pad naar de vrede van God’ er uit?

De eerste stap is om gewoon eerlijk te beseffen dat alle speciale afgoden die ik najaag en plezier aan beleef in mijn leven, uiteindelijk niet werken. Daar vallen ook mijn carrière, mijn hobbies, mijn reizen, bezit, en speciale relaties onder. Ik mag soms momenten van extase ervaren, maar vroeg of laat komt er een vorm van ellende bij kijken. Niets blijft. Korte pleziertjes zijn een belabberde vervanging voor blijvende innerlijke vrede. In deze eerste stap kom ik er langzaam achter dat vrede nooit volgt uit het najagen van dingen buiten mijzelf.  “Zoek niet buiten jezelf. Want dat is tot mislukken gedoemd, en je zult tranen storten elke keer dat een afgod valt.”, zo lezen we in (T29.VII.1). Daar kunnen we het echter niet bij laten, want het besef dat niets in deze wereld van blijvende aard is leidt alleen maar tot diepe depressie, en dat is zéker niet de weg naar vrede. Sterker, juist omdat we ons wel realiseren dat alles uiteindelijk wegvalt, zoeken we ons heil in allerlei afleidingen en verdovingen zoals koffie, alcohol, suiker, drugs en andere zinloze zelf-saboterende bezigheden. Dus er is een volgende stap nodig.

De tweede stap is wat Een cursus in wonderen tot een waarlijk unieke eigentijdse spiritualiteit maakt: de notie dat hoewel wij ons ervaren als deel van de wereld, wij uiteindelijk niet van deze wereld zijn. Zolang we nog geloven dat wij afgescheiden lichamen zijn die in een onvoorspelbare wereld van tijd en ruimte leven, zullen we onvermijdelijk onze veiligheid buiten onszelf zoeken. De werkelijk verbijsterende boodschap van Jezus in de Cursus is de kwantumfysische notie dat tijd en ruimte uiteindelijk volledig denkbeeldig zijn. Alles wat onze zintuigen ons vertellen nemen we voor waar aan juist omdat we het waarnemen. Maar dit alles is louter een geprojecteerde angstige wens die we als ‘waarheid’ hebben aangemerkt – “Projectie maakt waarneming” (T21.in.1). Alle moeite die we ons dus getroosten om de wereld een beetje beter te maken leidt uiteindelijk tot niets: “Het heeft geen zin te proberen de wereld te veranderen. Ze is niet te veranderen, omdat ze slechts een gevolg is.” (WdI.23.2). Maar, voegt Jezus er gelijk aan toe: “Maar het heeft zeker zin je gedachten over de wereld te veranderen. Hiermee verander jij de oorzaak. Het gevolg zal dan vanzelf veranderen.”

Jezus vervolgt: “Je ziet de wereld die jij gemaakt hebt, maar je ziet jezelf niet als de maker van het beeld. Je kunt niet van de wereld worden verlost, maar je kunt wel aan haar oorzaak ontsnappen. Dit is de betekenis van verlossing, want waar blijft de wereld die jij ziet als haar oorzaak is verdwenen?” (WDI.23.4). Dit ‘veranderen van gedachten’ zoals hier bedoeld heet, je raadt het al: vergeving. Door in alle eerlijkheid al het ‘kwaad’ dat ik buiten mijzelf waarneem te vergeven, begin ik me te beseffen dat ik uiteindelijk slechts mezelf vergeef voor het maken van al die malle illusies die ik zo graag wilde zien, om mezelf ervan te overtuigen dat ik inderdaad los kan zijn van Eenheid, van mijn Bron, van mijn Schepper. Dus, samenvattend: het werkelijk aanvaarden van de vrede van God vraagt allereerst van mij dat ik aanvaard dat vrede niet buiten mijzelf gevonden kan worden; en ten tweede, dat ik aanvaard dat ik de dromer van de waakdroom ben. In deze dromer is vrede al aanwezig. Ik heb alleen nog de keuze te maken om te ontwaken. Dit lukt alleen met de hulp van de Heilige Geest, de Stem namens Liefde. In deze droom kan ik ervoor kiezen om mijn waarneming te laten leiden door de Heilige Geest. Vanuit deze nieuwe waarneming, die volgt uit mijn keuze voor het wonder, leidt de Heilige Geest mij omhoog op de ladder van de Verzoening naar de werkelijke wereld, de poort naar mijn Thuis, de onveranderlijke vrede van God.

Klinkt prachtig, nietwaar? Toch weten jij en ik echt wel dat we heus niet de volgende ochtend wakker worden en zeggen: “Ik wil de vrede van God en dit keer meen ik het echt!” Natuurlijk menen we het nog niet echt. Om zijn studenten te helpen dit eerlijke niveau van zelf-vergeving dagelijks toe te passen, gaf Jezus ons de aanvulling “Het lied van het Gebed”. Lees het (nog) eens. Niet alleen helpt dit pareltje je om je niet mislukt te voelen omdat je maar geen voortgang lijkt te boeken; het legt je ook uit, stap voor stap, hoe je die ladder van Verzoening bestijgt. Dankzij het trouw in de praktijk brengen van de inzichten in deze aanvulling begin ik me te beseffen dat gebed niets te maken heeft met het vragen om specifieke gunsten. Gebed gaat over het steeds meer vanzelf laten stromen van de natuurlijke communicatie tussen mijn denkgeest en God, door steeds vaker de Heilige Geest (de Stem namens Liefde) te aanvaarden als de gids van mijn gedachten. De wereld, hoe denkbeeldig ook, wordt een lesruimte waarin ik mijzelf mag laten leiden om een gelukkige leerling te worden op weg naar de werkelijke wereld, die vrij is van onjuiste waarneming.

De Oerknal was niet het begin van het leven; het was het begin van een zotte droom, die in werkelijkheid nooit is gebeurd. En hoewel wetenschappers nog niet weten hoe het universum zal eindigen, verzekert Jezus ons dat het zal eindigen in gelach (H14.5). Iedereen komt gegarandeerd Thuis, allen als één. Goed, misschien nog niet in dit (denkbeeldige) leven, maar gegarandeerd in een volgend (denkbeeldig) leven. Welke garantie dan deze zou meer troost kunnen bieden?

— Jan-Willem van Aalst, februari 2017 (vertaling van https://miraclesormurder.wordpress.com/2017/02/25/accepting-the-peace-of-god/)