Blog

Elke dag oefenen dus!

Een klassieke bekende grap over muziek, meestal toegeschreven aan violist Jascha Heifetz, gaat over een toerist die hem beleefd vraagt: “Kunt u mij vertellen hoe ik in Carnegie Hall kom?” Waarop Heifetz met een volkomen strak gezicht antwoordt: “Oefenen, oefenen, oefenen!” Als we, analoog hieraan, de innerlijke vrede willen ervaren die Een cursus in wonderen ons belooft, dan zullen we de werkboeklessen moeten oefenen, oefenen, oefenen, want “… Een ongetrainde denkgeest kan niets tot stand brengen. Het is het doel van dit Werkboek je denkgeest te trainen om te denken volgens de richting die het Tekstboek aangeeft.” (WdI.In.1). Dit zal leiden tot “...een andere waarneming van alles en iedereen in deze wereld“. Deze Cursus is iets heel anders dan een gemiddeld schoolpracticum; het doel is niets minder dan een complete omkering van alle waarneming, en het opnieuw inregelen (of ongedaan maken) van de manier waarop de denkgeest tot nu toe opereert.

Hoewel Jezus ons instrueert om niet meer dan één les per dag te proberen, moedigt hij ons wel aan om het werkboek elke dag te oefenen. Iedere musicus weet dat zoiets een absolute randvoorwaarde is voor meesterschap. Een paar dagen niet oefenen merk je gelijk in je voordracht. En het oefenen gaat zelden gelijk perfect; daarom juist is het een oefening. Jezus weet heel goed dat zijn studenten de werkboeklessen niet perfect zullen beoefenen. Er is geen Cursusstudent die niet vroeg of laat bemerkte hoe snel de les voor vandaag was vergeten; soms een paar uur, soms zelfs meerdere dagen. Een belangrijk doel van het werkboek is om ons bewust te maken van onze enorme weerstand tegen Jezus’ boodschap, en hoezeer we onze eigen individuele speciaalheid met speciale doelen en afgoden nog koesteren.

Aan de ene kant waarschuwt Jezus ons ervoor om niet te perfectionistisch te zijn in het oefenen (“Probeer het niet toe te passen op alles wat je ziet, want deze oefeningen moeten geen ritueel worden”, WdI.1.3:5). Aan de andere kant spoort hij ons wel aan om de bereidheid op te brengen om het idee van de dag toe te passen zoals beschreven (” … Sta jezelf niet toe uitzonderingen te maken in de toepassing van de ideeën die het werkboek bevat, en – wat je reacties op de ideeën ook mogen zijn – gebruik ze. […] Juist het gebruik ervan zal ze betekenis voor je laten krijgen en je tonen dat ze waar zijn.” (WdI.In.9;8). Dat betekent dat onze dagelijkse oefening een soort koorddansen is tussen een zekere ‘ijverige discipline’ om de instructies op te volgen, maar er geen dwangmatige verplichting van te maken.

Het is bekend dat veel studenten zich meer op het Werkboek richten dan op het Tekstboek. Deels komt dat omdat Jezus’ taalgebruik in het Werkboek veel meer ‘rechttoe-rechtaan’ is dat de vaak abstracte, moeilijk te volgen passages in het Tekstboek. Maar belangrijker is dat het Werkboek in het algemeen veel luchtiger overkomt dan de soms tamelijk donkere, pijnlijke of grimmige passages in het Tekstboek. Aantrekkelijke lestitels zoals “Ik ben het licht van de wereld” (61); “Ik heb recht op wonderen” (77), “Verlossing is mijn enige functie hier” (99), “Er schuilt geen wreedheid in God en evenmin in mij” (170), en “Liefde is de weg die in dankbaarheid ga” (195), kunnen de student maar al te makkelijk ‘verleiden’ om louter en alleen het vreugdevolle deel van het leerplan te zien. De dagelijkse focus wordt dan het uitsluitend zien van Gods Liefde in alles.

Dat is echter maar de helft van Jezus’ boodschap. Als je vervalt in ‘gelukssulligheid’ (Kenneth Wapnick noemde het blissninnyhood), betekent dit dat je denkt dat het ego gemakkelijk terzijde geschoven kan worden. Maar eenieder die het Tekstboek wat beter heeft bestudeerd is het ongetwijfeld opgevallen hoe vaak Jezus ons probeert te doen realiseren hoe enorm gehecht wij nog steeds zijn aan de ego-gedachten die we verkozen te maken. We associëren onze gehele identiteit en veiligheid met onze speciale ego-persoonlijkheid. Willen we ooit ruimschoots gemotiveerd raken om die conditionering om te draaien, dan zal Jezus overduidelijk moeten zijn over de vlijmscherpe aard van het ego. Zolang we ons nog niet volledig bewust zijn van de inherente pijn in de ego-wereld, kunnen we het Werkboek oefenen tot we een ons wegen… maar we zullen niet wezenlijk veranderen. Niet echt. De motivatie die nodig is voor de verandering die Jezus voorstaat bereik je pas als je de pijn in je leven echt zat bent. We moeten een werkelijke omslag maken. Een vaak aangehaald Cursuscitaat van Jezus is: “Je mag dan veel pijn kunnen verdragen, maar daaraan is een grens. Uiteindelijk begint iedereen in te zien, hoe vaag ook, dat er een betere manier moet zijn. Wanneer dit inzicht vastere grond krijgt, wordt het een keerpunt” (T2.III.3).

Laten we eens een aansprekend voorbeeld bekijken uit Hoofdstuk 19; een voorbeeld dat zo uit een horrorverhaal had kunnen komen. Het illustreert Jezus’ manier om de kwaadaardigheid van het ego denksysteem duidelijk te maken; zijn ware aard, die we proberen te verbergen achter een masker van beschaving. Achter dat masker echter leeft iedereen op deze wereld onzeker, eenzaam, en in voortdurende angst: “De boodschappers van de angst worden door een schrikbewind afgericht, en ze beven wanneer hun meester ze oproept hem te dienen. Want angst is meedogenloos, zelfs voor zijn vrienden. Zijn boodschappers sluipen schuldbewust weg in hun hongerige zoektocht naar schuld, want hun meester hongert ze uit, laat ze verkleumen, en maakt ze vreselijk vals, en vergunt ze alleen zich tegoed te doen aan wat ze naar hem hebben teruggebracht. Geen flinter schuld ontsnapt aan hun hongerige ogen. En in hun bloeddorstig zoeken naar zonde storten zij zich op elk levend wezen dat ze zien, en slepen het schreeuwend voor hun meester, om te worden verslonden. […] Ze zullen je berichten brengen van botten, vel en vlees. Hun is geleerd naar het bederfelijke op zoek te gaan, en terug te keren met de strot vol bedorven en verrotte dingen. Voor hen zijn dergelijke dingen prachtig, want ze lijken hun knagende, razende honger te stillen. Want ze zijn uitzinnig van angstpijn, en willen de straf afwenden van hem die ze uitgezonden heeft door hem dat te bieden wat ze dierbaar is.” (T19.IV-A.12:3-7;13:2-5).

Als dat nog niet overtuigend genoeg is, probeer dan eens Hoofdstuk 23 over de wetten van de chaos. De manier waarop Jezus ons systematisch deze ‘wetten’ van de wereld van tijd en ruimte en perceptie voorschotelt, laat geen ruimte meer voor enige twijfel over de “doden of gedood worden”-mentaliteit van alles hier; misschien niet altijd fysiek, maar in elk geval psychologisch. Hoe hard je ook probeert om je masker van geluk op te houden, worsteling en teleurstelling zijn nooit ver weg. Jezus heeft een gelukkige leerling nodig, die én de illusoire aard van deze nachtmerrie doorziet, én de ‘gelukzalige’ waarheid van zijn ware Identiteit als Zoon van God aanvaardt (samen met zijn broeders en alle levensvormen); maar Jezus wil er ook voor zorgen dat deze gelukkige leerling de juiste motivatie heeft gevonden om werkelijk door te zetten. Wat denk je dat een leerling meer zal motiveren: (a) hem alleen maar vertellen dat er iets veel beters is dan zijn huidige waargenomen levenswijze; of (b) overduidelijk, maar tegelijkertijd in alle kalmte, de pijn die we voortdurend proberen te verdoven weer volledig in het bewustzijn te brengen, om hem [de leerling] vervolgens uit te nodigen om samen met hem [Jezus] de werkelijke wereld (de poort naar de Hemel) te bereiken?

Als je dit leerplan echt serieus wilt nemen, bestudeer dan het Tekstboek en de Handleiding voor leraren grondig, en oefen ijverig met de werkboeklessen. Oefenen, oefenen, oefenen! Het verschil met muzikale ijver is dat we Jezus’ lessen niet zonder hem zouden moeten proberen. We zouden de bereidheid moeten opbrengen om een stapje terug te doen en Jezus (of de Heilige Geest) uit te nodigen om ons te leiden in onze oefening. Ik genees mijn denkgeest niet; ik sta toe dat mijn denkgeest wordt genezen. Maar dat lukt alleen als ik elke dag die bereidheid wil opbrengen. Alleen dankzij een goed begrip van het Tekstboek kan ik inzien waarom dat zo verrot moeilijk is. Dankzij Jezus’ geduldige uitleg besef ik nu én hoe groot de onbewuste pijn van het ego eigenlijk is, én wat het gelukkige alternatief is. Alleen dan heb ik de juiste ‘mindset’ voor het beoefenen van de werkboeklessen. Natuurlijk zal ik de werkboeklessen nog steeds niet  ‘perfect’ doen, maar ik kan mezelf er altijd aan herinneren dat de uitkomst van Jezus’ leerplan al vast staat: “Het draaiboek is geschreven. Wannéér ervaring een eind komt maken aan jouw twijfelen staat vast. Want we zien de reis slechts vanaf het punt waarop ze eindigde en kijken erop terug, terwijl we ons inbeelden dat we haar nog eens maken; en we zien mentaal opnieuw wat is voorbijgegaan.” (WdI.158.4:2) Deze Cursus is een opleiding waar niemand voor kan zakken! Wie zou nog meer motivatie nodig hebben?

— Jan-Willem van Aalst, mei 2017 (vertaling van https://miraclesormurder.wordpress.com/2017/05/13/its-the-daily-practice-stupid/)

 

 

Waarom takelt het lichaam af?

Iedereen beschouwt het ogenschijnlijk onvermijdelijke verval en de dood van het fysieke lichaam als één van de onwrikbare waarheden van het leven. Veel godsdiensten zien het als Gods bestraffing voor onze kardinale zonde van ongehoorzaamheid. Wetenschappers zijn er nog steeds niet uit waarom entropie (verval) onvermijdelijk lijkt. Waarom takelt het lichaam eigenlijk af?

In tegenstelling tot wat de meeste religies voor honderden, soms duizenden jaren onderwijzen, stelt Een cursus in wonderen dat God het lichaam niet heeft geschapen (T22.5:5); sterker nog, dat Gods niets van materie heeft geschapen, omdat God louter Liefde creëert (zie bijv. WdI.173). Het lichaam is een misleidende hallucinatiepoging van het ego om op zichzelf te kunnen zijn. Het ervaren van het lichaam ‘bewijst’ dat de afscheiding van God daadwerkelijk is gelukt. Maar als het ego het lichaam heeft verzonnen om aan God te ‘bewijzen’ dat het heel goed los van Hem kan staan, waarom zou het dan een lichaam maken dat aftakelt en sterft? Als het ego stelt dat het over God kan triomferen, zou het dan niet veel overtuigender zijn om een lichaam te maken dat eeuwig leeft? Waarom het verval?

Om hier een plausibel antwoord op te vinden, zouden we eerst nog wat beter moeten kijken naar waarom het ego het lichaam verzon. In het ontologische moment van afscheiding (wat in de kwantumfysica een kwantummogelijkheid heet, in dit geval de mogelijkheid van het afscheiden van God) ‘vertelde’ het ego de schijnbaar slapende Zoon van God direct dat God Zijn Zoon vanzelfsprekend streng zou straffen voor zo’n zondige daad. Het gevolg: schuldgevoel en doodsangst! Gelukkig, zo adviseert het ego, is er een manier om deze straf te ontlopen, namelijk: verstoppen in een schier oneindige hoeveelheid versplinterde fragmentjes. Deze ‘oplossing’ van vrijwel eindeloze verdere afscheiding is natuurlijk de enige ‘oplossing’ die het ego kan aandragen, want het ego is het idee van afscheiding. De schijnbaar slapende Zoon, die overspoeld is met schuld en met doodsangst de straf al ziet aankomen, luistert naar het ego en besluit tot de Oerknal. Vanaf dat moment lijken tijd en ruimte te bestaan. Miljarden ‘lichamen’ lijken zich te verspreiden in de leegte.

Het eerste doel van het ego – schuilen voor Liefde, de staat van Eenheid – is nu behaald. Omdat de Zoon ervoor koos het advies van het ego op te volgen, is Eenheid nu uit het bewustzijn van de schijnbaar slapende Zoon van God gewist. De Zoon van God is er nu rotsvast van overtuigd dat hij een lichaam is. Hoewel er een vaag gevoel van ambivalentie over het lichaam is, beschouwt hij het nochtans als zijn identiteit en zijn veiligheid. In Een cursus in wonderen beschrijft Jezus het lichaam in iets andere termen: “Het lichaam is een nietig hekje rond een klein deel van een glorierijk en compleet idee. Het trekt een cirkel, oneindig klein, rond een minuscuul segment van de Hemel dat zich van het geheel heeft afgesplitst, en het verkondigt dat jouw koninkrijk daarbinnen ligt, waar God geen toegang vindt.” (T18.VIII.2:5). Als je je eigen lichaam beschouwt ten opzichte van de kosmos, dan klopt dat wel ongeveer.

In werkelijkheid is dit alles volstrekt illusoir, maar laten we het verloop van die illusie eens verder volgen, omdat iedereen die nog steeds op de psychologische automatische piloot leeft, dit nog steeds rotsvast als zijn realiteit beschouwt. Het ego moet ervoor zorgen dat de Zoon van God nooit van gedachten zal veranderen over de keuze voor het ego, want dat zou beslist het einde van zijn regering betekenen. Het ego zorgt er dus voor dat het lichaam voortdurend aandacht nodig heeft, zodat er geen ruimte is voor de herinnering aan Eenheid. Wat werkt er beter om de aandacht op het lichaam gevestigd te houden dat het lichaam behoeftig te maken? We moeten elke zoveel seconden ademen, en als we niet dagelijks drinken en eten, is het snel afgelopen met het lichaam. We moeten voortdurend alert zijn op onze voeding en lichaamsbeweging, willen we niet ten prooi vallen aan legers van bacteriën, virussen en parasieten. Voor de meeste ‘levende wezens’ geldt dat het lichaam zóveel aandacht opeist dat enige psychologische of spirituele visie totaal buiten scope blijft. En intussen glimlacht het ego.

Er is echter nog een andere, veel belangrijkere reden voor het ego om de vergankelijkheid van het lichaam te benadrukken. Een lichaam dat aftakelt en sterft is het ultieme ‘bewijs’ dat Eenheid een leugen is: de aanval en afscheiding van God zijn ontegenzeggelijk werkelijk gebeurd. God is verslagen; het ego heeft gewonnen. Onze lichamen vertellen ons in elk geval één ding overduidelijk: dat we anders zijn dan de Eenheid van God. We zijn op onszelf; het is gelukt! Overweeg dit citaat uit de Cursus: “…als zijn Eenheid nog steeds onaangetast was, wie zou dan kunnen aanvallen en wie zou aangevallen kunnen worden? Wie zou overwinnaar kunnen zijn? En wie diens prooi? Wie zou slachtoffer kunnen zijn? En wie de moordenaar? En als hij niet doodging, welk ‘bewijs’ is er dan dat Gods eeuwige Zoon kan worden vernietigd?” (Wd2.5.2:4). Aangezien het ego het idee van aanval en afscheiding is, kan het slechts voortdurend aanvallen en afscheiden, zelfs in de verzonnen wereld van tijd en ruimte. Daarom moeten lichamen wel aanvallen en worden aangevallen, met de dood tot gevolg, omdat het ego niet iets anders dan zichzelf kan zijn.

Nou, daar zijn we dan: we luisterden naar het verleidelijke gefluister van het ego om autonomie uit te proberen… om vervolgens te merken dat we in een afgescheiden lichaam leven dat op de tijdlijn van de kosmos maar heel eventjes leeft; we zijn als oplichtende vuurvliegjes in de nacht. Zou de schijnbaar slapende Zoon van God hier werkelijk content mee kunnen zijn? Natuurlijk niet! Als je goed naar de wereld kijkt, zie je dat slechts zeer weinig mensen zich in een staat bevinden die ook maar enigszins als ‘gelukkig’ kan worden omschreven. Maar ja, deze ellende is ontegenzeggelijk beter dan het morbide schuldgevoel en de doodsangst voor de verschrikkelijke woede van God over onze ‘oerzonde’ van onze aanval en afscheiding van Hem. Liever ervaar ik een bestaan als een soms pijnlijk individueel lichaam, dan de vernietiging onder ogen te zien die mij ongetwijfeld te wachten zou staan als ik terug zou keren naar de Schepper die ik heb afgewezen. Daarom onderwijst Jezus ons dat wij niet werkelijk angstig zijn voor de kruisiging (d.w.z, de dood); onze werkelijke angst betreft de verlossing (T13.III.1:10), dat wil zeggen het verdwijnen van onze individualiteit zodra we wederom voor Liefde (Eenheid) zouden kiezen. En dus aanvaarden we lichamelijk verval als onwrikbare waarheid. We zijn volstrekt waanzinnig, maar de waanzin lijkt in elk geval logisch in elkaar te zitten.

Dat zet pogingen van wetenschappers om te proberen onze levensduur te verdubbelen in een heel ander licht. Ongetwijfeld zal het ze uiteindelijk lukken om de levensduur van de lichaamscellen flink op te schroeven. Er zijn al laboratoriumexperimenten bekend met cellen van kippen die aantonen dat ze tot tien keer langer kunnen meegaan zolang er geen enkele vorm van stress is. Maar dat is gelijk het addertje onder het gras: een leven zonder stress is onmogelijk in de dualiteit, zolang er nog ook maar één flintertje schuldgevoel resteert betreffende de ervaren oerzonde en de gevolgen daarvan. En zodra we uiteindelijk werkelijk de Verzoening aanvaarden en de werkelijke wereld bereiken in ons bewustzijn, zonder schuld en angst, dan zullen we niet langer meer de voorkeur geven aan het lichaam als onze identificatie. Dus de notie van ‘eeuwig leven in tijd en ruimte’ is per definitie een fabeltje.

Mocht je op dit punt vooral walging voelen over je lichaam, wacht dan even. Jezus herinnert ons eraan in het vijfde essay van deel 2 van het werkboek (“Wat is het lichaam?”), dat alles afhangt van het doel waar iets voor is. Waar we voorheen het lichaam hebben gebruikt voor aanval, afscheiding, verval en dood, kunnen we “…het doel veranderen waaraan het lichaam zal gehoorzamen, door anders te gaan denken over waartoe het dient.” (WdII.5.3:5). Met andere woorden, we kunnen het lichaam ook gebruiken als middel waarmee de schijnbaar slapende Zoon van God zijn denkgeest kan transformeren naar juist-gericht denken. Hoe? “De Zoon van God reikt zijn broeder de hand om hem te helpen samen met hem de weg te gaan. Nu is het lichaam heilig. Nu dient het om de denkgeest te genezen, terwijl het gemaakt was om die te doden. Je zult je vereenzelvigen met dat waarvan jij denkt dat het jou veiligheid biedt. […] Liefde is jouw veiligheid. Angst bestaat niet. Vereenzelvig je met liefde en je bent veilig. […] Vereenzelvig je met liefde en vind jouw Zelf.” (WdII.5.4:3-8).

Uiteindelijk maakt het totaal niet uit dat het lichaam onvermijdelijk aftakelt en sterft. Dit hoort bij de droom die we hebben gekozen, om te proberen afscheiding te kunnen ervaren. Het is niet de waarheid: “niet één noot in het Lied van de Hemel werd gemist” (T26.V.5). Als we door het bestuderen en vooral beoefenen van een leerplan zoals Een cursus in wonderen ons weer met ons ware Zelf kunnen leren identificeren, zijn we uitstekend op weg om de innerlijke vrede weer te ervaren die onze bron is; de Vrede van de Schepper, die geen greintje wrok heeft over wat wij dachten Hem aangedaan te hebben. Wij zijn als de verloren zoon uit de bijbel: bang om weer naar Huis terug te keren. Leer om in mildheid je broeder te vergeven voor alle vergissingen die je in hem zag, en leer zo over de Liefde voor je Zelf en voor God. Dat is de ‘koninklijke weg’ naar blijvende innerlijke vrede.

— Jan-Willem van Aalst, mei 2017 (vertaling van https://miraclesormurder.wordpress.com/2017/05/06/why-do-bodies-decay/)

 

Verkeerswoede als les

Wat is gewoonlijk jouw reactie als je wordt afgesneden op de snelweg? voor velen komt het neer op een combinatie van aanvankelijke schrik (want ja, het verkeer staat hoog op de lijst van doodsoorzaken) en vervolgens woede. Misschien merk je bij jezelf gedachten in de trant van: “Hoe durf je anderen zo in gevaar te brengen? Je eigen leven op het spel zetten is één ding, maar je hebt geen recht om het mijne in gevaar te brengen! Hork! Is een beetje fatsoen op de weg teveel gevraagd? Toon wat respect!” Kortom, de tirade richt zich in het algemeen volledig op de ‘dader’, totdat het adrenalineniveau weer een beetje wil zakken.

Weinigen realiseren zich dat je met dergelijke reacties, hoe begrijpelijk ook, eerst en vooral jezelf aanvalt, terwijl er bij de ‘dader’ helemaal niets verandert. Op fysiek niveau zou je er van staan te kijken hoeveel ‘giftige’ stoffen je hersenen je bloedbaan insturen door de schrik en woede. ‘Goed voor je lichaam zorgen’ gaat niet goed samen met regelmatig hoge niveaus van adrenaline en cortisol. Als je je volledig zou realiseren dat schrik en woede feitelijk een chemische aanval op je eigen lichaam zijn, zou je je misschien wel twee keer bedenken om steeds zo boos te worden. Misschien zeg je dat de cortisol in je bloedbaan veroorzaakt werd door de bestuurder die jou afsneed, en dat het niet jouw eigen keuze was. Maar is dat zo?

Een cursus in wonderen onderwijst ons dat er geen wereld is (WdI.132.3.2:1), en dat woede nooit gerechtvaardigd is, maar de Cursus zou niet erg behulpzaam zijn als die het daarbij zou laten. In Een cursus in wonderen spoort Jezus ons aan om onze gevoelens niet te ontkennen of te onderdrukken, maar om de denkgeest te trainen om te leren kijken naar onze interpretatie van de situatie — van een afstandje, zonder oordeel. Om ons vervolgens dit citaat weer te herinneren: “Projectie maakt waarneming“. (T13.V.3:5; T21.In.1). Dit biedt ons een geheel ander referentiekader om onze woede over het afgesneden te worden opnieuw te bekijken. Je ‘eis’ om opgemerkt en met respect behandeld te worden, komt blijkbaar voort uit de projectie van iets anders. Als goede Cursusstudenten weten we natuurlijk wat dat ‘iets anders’ is we eisen opgemerkt en met respect behandeld te worden door God, wat Hij steeds maar niet doet. “Je was in vrede tot je om een speciale gunst hebt gevraagd. En God heeft die niet verleend, want het verzoek was Hem wezensvreemd, en je kon zoiets niet vragen van een Vader die Zijn Zoon waarlijk liefheeft. Daarom heb jij van Hem een liefdeloze vader gemaakt, en van Hem geëist wat alleen een dergelijke vader geven kon.” (T13.III.10:2-4). En dus vinden we iedereen die ons niet opmerkt en met respect behandelt, liefdeloos en schuldig.

Vaak komt er nog een extra projectie bij als het om autoriteitsfiguren gaat, gewoonlijk onze ouders. Mensen die in hun vroege kindertijd weinig aandacht van hun ouders kregen, hebben de neiging sneller van streek te raken als familie, vrienden of collega’s ze niet steeds respect en aandacht geven. Ook deze projectie gaat terug naar het ontologische ogenblik dat wij (als de slapende Zoon van God) ogenschijnlijk het idee van autonomie serieus leken te nemen, en van God eisten dat Hij ons bestaan erkende, wat Hij natuurlijk niet doet. De realiteit van de waarheid is onveranderlijk, zonder concepten, zonder enig onderscheid, zonder iets dat zich gewaar kan zijn van iets anders. De Zoon van God kan dromen dat hij iets wenst dat niet in lijn is met de Wil van zijn Schepper, maar hij kan dat niet tot werkelijkheid maken. “De denkgeest kan denken dat hij slaapt, maar dat is alles. Hij kan niet veranderen wat zijn waaktoestand is.” (WdI.167.6:1)

We blijven ons koppig vastklampen aan deze nachtmerrie van schijnbare autonomie, totdat de pijn ons teveel wordt. Herinner je de troostende woorden uit hoofdstuk 2: “Je mag dan veel pijn kunnen verdragen, maar daaraan is een grens. Uiteindelijk begint iedereen in te zien, hoe vaag ook, dat er een betere manier moet zijn. Wanneer dit inzicht vastere grond krijgt, wordt het een keerpunt. Dit laat geestelijke visie uiteindelijk opnieuw ontwaken en tegelijk de investering in de fysieke blik afnemen.” (T2.III.3:1). Velen hebben dit keerpunt ervaren, gewoonlijk na een intens pijnlijke ervaring, hetzij fysiek, mentaal, financieel, sociaal, of emotioneel. Als Een cursus in wonderen zich op hun levenspad aandient, beginnen ze zich te realiseren dat vergeving het betere pad is. Maar ze gaan zich ook realiseren dat vergeving, zoals Jezus dat onderwijst, iets heel anders is dan hoe zij er tot dan toe over dachten.

Als jij op de snelweg merkt dat je wordt afgesneden, en je hebt jezelf aangeleerd om direct iets te denken zoals: “Ja, je hebt me afgesneden, hufter, maar ik ga je vergeven omdat ik spiritueel verder ben dan jij, en ik ga mezelf niet aanvallen om wat jij mij hebt aangedaan”, dan hou je jezelf voor de gek. Zoals Jezus uitlegt in de “Psychotherapie” aanvulling (vanaf de derde editie in het boek opgenomen), komt dit neer op “vergeving-ter-vernietiging” (P.II.2). Door mijn eigen waardigheid boven die van jou te stellen, zeg ik eigenlijk dat ik Gods liefde waardig ben, en jij niet. Bovendien stel ik dat ik in staat ben om te oordelen wie waardig is en wie niet. En nog erger: ik ben er nog steeds rotsvast van overtuigd dat anderen fundamenteel verschillen van mijn eigen glorieuze zelf. Dat is natuurlijk niet het ideale uitgangspunt om ware vergeving mee te oefenen.

“Er moet vooral worden opgemerkt dat God slechts één Zoon heeft. Als al Zijn scheppingen Zijn Zonen zijn, moet elk een integraal deel van het gehele Zoonschap uitmaken. Het Zoonschap in zijn Eenheid overstijgt de som van zijn delen.” (T2.VII.6:1-3). Ware vergeving is alleen mogelijk als ik me realiseer dat iedereen dezelfde Zoon van God is, ongeacht het gedrag wat ik waarneem. Als ik mijn denkgeest kan trainen om elk gedrag vanuit dergelijke spirituele visie te bezien, dan kan ik de betekenis van wat ik waarneem veranderen in ware perceptie: “Hij is op dat moment misschien niet verstandig, en het staat vast dat hij niet verstandig zal zijn zolang hij vanuit het ego spreekt [of handelt]. Maar het is nog altijd jouw taak hem te zeggen dat hij juist is. Je zegt hem dat niet met zoveel woorden als hij onzin praat. De correctie die hij nodig heeft, ligt op een ander vlak, omdat zijn vergissing op een ander vlak ligt. Hij is nog altijd juist, omdat hij een Zoon van God is. Zijn ego is altijd mis, wat het ook zegt of doet. Als jij op de fouten van je broeders ego wijst, moet je daar wel met het jouwe naar kijken, want de Heilige Geest neemt zijn vergissingen niet waar.” (T9.III.2:5-3:1).

Het is niet Jezus’ bedoeling om ons schuldig te laten voelen, telkens als we schrik of woede ervaren als we worden afgesneden op de snelweg, omdat we nu eenmaal nog vasthouden aan ons geloof in een afgescheiden bestaan. Het mooie aan Een cursus in wonderen als spiritualiteit is dat die niet van ons vraagt onze ervaringen in de dualiteit te ontkennen of te onderdrukken. De Cursus biedt ons een zeer doeltreffende manier om onze denkgeest te trainen voor vrede te kiezen waar we voorheen voor pijn kozen, door alles wat ons overkomt te herinterpreteren als een nuttige les in het lokaal dat we ‘dualiteit’ noemen. Dus de volgende keer dat ik word afgesneden op de snelweg, neem ik mij voor om mezelf niet schuldig te voelen over mijn schrik of boosheid, maar zal ik proberen iets sneller het punt te bereiken waarop ik mijn emoties zonder oordeel kan gadeslaan, en concluderen: “Ah, daar ga ik weer. Laat ik mij weer eens beseffen hoe gehecht ik nog steeds ben aan mijn individualiteit en persoonlijkheid. Dat is oké voor nu. Ik heb zojuist een vergevingsles aangeboden gekregen in de lesruimte van mijn leven.” In die lesruimte hebben we een bijzonder behulpzame gids, genaamd de Heilige Geest (je mag ook Jezus kiezen, als manifestatie van de Heilige Geest). Nodig hem uit door tegen jezelf te zeggen: “Beste Heilige Geest (of Jezus), help me alsjeblieft dit anders te bezien. Ongeacht welk gedrag ook, deelt iedere schijnbaar afgescheiden Zoon van God nog steeds dezelfde Bron, dezelfde Identiteit. Help me om voor vrede te kiezen in plaats van voor pijn. Help me alsjeblieft deze les werkelijk te leren.”

De keuze om veroordeling los te laten is de keuze voor de Heilige Geest. Probeer het eens zodra je weer de weg opgaat. Kies ervoor een gelukkige leerling van Jezus’ leerplan te zijn. Ervaar de innerlijke vrede, telkens als het je lukt om de les toe te passen. Een dergelijke verandering van gedachten weerspiegelt zich beslist in je lichaam, omdat de kwaliteit van de chemische samenstelling van je bloed veel beter zal zijn. En mocht het je vandaag toch niet lukken, dan kun je in elk geval je voornemen versterken om het de volgende keer nog eens te proberen, omdat je nu beseft dat de pijn van veroordeling nergens meer toe dient. Dit is een leerplan dat iedereen uiteindelijk gegarandeerd onder de knie zal krijgen. Het is aan jou hoe lang je erover doet om het leerplan af te ronden. “Het is slechts een kwestie van tijd tot iedereen de Verzoening heeft aanvaard. Door de onvermijdelijkheid van de uiteindelijke beslissing kan dit in tegenspraak lijken met de vrije wil, maar dat is niet het geval. Je kunt tijd rekken en je bent tot immens uitstel in staat, […] Maar de uitkomst is zo zeker als God.” (T2.III.3:1). Dus waar wachten we nog op?

— Jan-Willem van Aalst, april 2017 (vertaling van https://miraclesormurder.wordpress.com/2017/04/22/road-rage-as-a-classroom/)

Depressie in vertrouwen loslaten

Vrijwel alle toegewijde studenten van Een cursus in wonderen ervaren in hun beoefening van Jezus’ leerplan vroeg of laat een diep gevoel van teleurstelling. De ogenschijnlijke eenvoud van Jezus’ pleidooi om ervoor te kiezen geen verschillende belangen meer te zien, om onze broeders ‘lelies van vergeving’ te bieden waar we ze voorheen veroordeelden, vanuit het bewustzijn dat niets en niemand macht over ons denken heeft als we daarvoor kiezen, blijkt toch minder eenvoudig te zijn dan we dachten. Herinner jij je nog de laatste keer dat je merkte hoe snel je weer terugviel in ego-modus omdat er iets onverwachts gebeurde, of omdat iemand iets ‘volstrekt onacceptabels’ deed? Hoe vaak ik mezelf ook voorneem om de volgende keer in ‘juist gericht denken’ te blijven, soms lijkt het wel dat mijn spirituele groei zo langzaam gaat dat ik misschien nog wel een dozijn levens nodig heb voordat ik werkelijk de keuze maak die Jezus van mij vraagt. Dat ik nog veel intenser aan mijn ego gehecht ben dan ik voor mogelijk hield zou een waardevol inzicht moeten zijn, maar in de praktijk voelt het eerder als teleurstelling dan als vreugde.

Een cursus in wonderen gaat niet primair over liefde; het is een leerplan om alle blokkades ongedaan te maken die we tegen liefde hebben opgeworpen (T16.IV.6). Dergelijke blokkades zijn ons niet zomaar overkomen. We hebben ze zelf opzettelijk gemaakt, in een dwaze poging om ons de plaats van onze Schepper toe te eigenen; om God de laan uit te sturen en ons eigen koninkrijkje te regeren. Omdat we ons schuldgevoel over die aanval naar buiten projecteren, verwachten wij voortdurend aangevallen te worden, en dat ervaren we dan ook. Temidden van onze niet-aflatende zoektocht naar geluk in ons leven (wat we natuurlijk nooit vinden), is pijn nooit ver weg. In plaats van dergelijke pijn te verdoven (waar we allemaal erg goed in zijn geworden), nodigt Jezus ons uit om in alle eerlijkheid de waardeloosheid van onze hallucinaties onder ogen te zien, om vervolgens de ‘andere weg’ te kiezen, zoals Bill Thetford en Helen Schucman besloten te doen in 1965, het gezamenlijk besluit dat het proces van het optekenen van de Cursus in gang zette.

In Een cursus in wonderen vraagt Jezus ons om alles waar wij nu nog zo aan hechten, uiteindelijk in blijdschap los te laten. Stap voor stap wordt ons uitgelegd dat wij nog niet in staat zijn om het verschil te zien tussen wat waardevol is en wat zonder waarde is (WdI.133). “Zoek niet buiten jezelf. Want dat is tot mislukken gedoemd, en je zult tranen storten elke keer dat een afgod valt,” zo lezen we in (T29.VII.1). Met groot geduld helpt Jezus ons in het omkeren van voorgrond en achtergrond: al ons bezit, al onze passies en speciale haat- en liefdesrelaties die in ons leven op de voorgrond staan, gaan ons geen blijvende innerlijke vrede brengen, en zouden dus naar de achtergrond moeten mogen verdwijnen. Onze schijnbaar diep begraven, maar springlevend verlangen naar de Liefde van God, die we tot uitdrukking brengen door iedereen op dezelfde, oordeelloze manier te zien, zou veel meer naar de voorgrond moeten mogen komen. Jezus belooft ons dat dit de weg naar de blijvende innerlijke vrede van de werkelijke wereld is, waarin “geen enkel plekje duisternis nog overblijft om het gelaat van Christus voor wie ook te verbergen.” (T31.VIII.12:5). De werkelijke wereld is de toegangspoort tot de Hemel, ons ware Thuis. Jezus belooft ons dat aan het einde van deze ‘reis zonder afstand’ wij zullen “verdwijnen in de Tegenwoordigheid achter de sluier, om niet verloren te zijn maar gevonden; om niet gezien te worden maar gekend.” (T19.IV-D.19:1).

Kunnen wij ons een voorstelling maken van hoe de Hemel (die “geen plaats [is], en evenmin een toestand. Het is louter een gewaarzijn van volmaakte Eenheid”, T18.VI.1:5) is? Nee, onze lineair geprogrammeerde hersenen zijn hiertoe niet in staat. Jezus doet een poging in werkboekles 107: “Probeer je een moment te herinneren – misschien een minuut, zelfs minder misschien – waarop niets jouw vrede kwam verstoren, waarop je er zeker van was dat jij bemind en veilig was. Probeer je dan voor te stellen hoe het zou zijn wanneer dat moment werd uitgebreid tot het einde der tijden en tot in eeuwigheid. Laat dan het gevoel van rust dat je voelde honderdmaal vermenigvuldigd worden en dan opnieuw honderdmaal. En nu heb je een beetje een idee, niet meer dan slechts een uiterst vage aanduiding, van de staat waarin je denkgeest zal verkeren wanneer de waarheid gekomen is.” (WdI.107.2). Allemaal leuk en aardig, maar de ‘prijs’ die ik hiervoor zal moeten betalen is het opgeven van alles waar ik nu nog zo aan hecht. Ben ik bereid die prijs te betalen? Als ik heel eerlijk naar mezelf toe ben, dan is het antwoord vooralsnog “nee”: ik geef nog nog steeds de voorkeur aan mijn eigen afgoden in de dualiteit van tijd en ruimte, hoeveel pijn die afgoden soms ook lijken te veroorzaken.

Zolang ik denk dat Jezus alles van mij af wil nemen, met alleen een of andere vage belofte aan ‘iets’ beters als alternatief, zolang zal ik niet gemotiveerd zijn om zijn Cursus werkelijk te leven. Dat kan makkelijk tot depressiviteit leiden. Om echt gemotiveerd te zijn moet een veel dieper verlangen wakker gemaakt worden en op de voorgrond komen. De ‘moeilijkheid’ voor Jezus als leraar is dat dit ‘diepere verlangen’ zo enorm abstract is. Het is voor het ego bepaald niet moeilijk om ons te verleiden in de zeer concrete wereld te blijven van de zeer specifieke zoektocht naar vervulling in tijd en ruimte. Daarom bevat Een cursus in wonderen een Handleiding voor leraren. Een belangrijk onderdeel daarin betreft het ontwikkelen van vertrouwen. Om een Leraar van God te zijn, iemand die in de ‘waakdroom’ als rolmodel voor anderen het juist-gericht denken in de praktijk van dag tot dag toepast, moeten we Jezus volledig willen vertrouwen. Het opvolgen van Jezus’ advies om alles waar ik nog aan hecht in blijdschap los te laten in ruil voor iets vaags, zal ik alleen doen als ik hem en zijn boodschap volledig wil vertrouwen.

Hoe helpt Jezus ons in het ontwikkelen van dat benodigde rotsvaste vertrouwen, om de motivatie te vinden zijn Cursus daadwerkelijk te leven? Eerst en vooral door te benadrukken dat vertrouwen niet over intellectueel begrip gaat, maar over ervaring: “De leraren van God hebben vertrouwen in de wereld, omdat ze hebben geleerd dat die niet wordt geregeerd door wetten die de wereld heeft ontworpen. Ze wordt geregeerd door een kracht die in hen maar niet van hen is. […] Het is dankzij deze kracht dat de leraren van God een vergeven wereld zien. Wanneer deze kracht eenmaal is ervaren, is het onmogelijk nog op je eigen onbeduidende vermogens te vertrouwen.” (H4.I.1:4). Vervolgens beschrijft Jezus de stadia die studenten doormaken om de ‘verschuiving’ van voorgrond en achtergrond te bewerkstelligen, zoals hierboven beschreven. Het ontwikkelen van rotsvast vertrouwen kent allerlei perioden. Deze zijn niet strikt lineair (opeenvolgend). Ze beschrijven in algemene zin het proces van het loslaten van afgoden, en hoe dat van pijnlijk naar dankbaar verschuift. Laten we die stadia kort bekijken.

Jezus beschrijft de eerste periode als een periode van ongedaan maken. Hoewel we spiritueel actief zijn, worden we nog steeds diep geraakt door wat we beschouwen als verlies – het overlijden van een geliefde; een ernstige ziekte; ontslag; oorlog; noem maar op. “Het lijkt alsof er dingen worden weggenomen, en aanvankelijk wordt zelden begrepen dat men slechts hun gebrek aan waarde begint in te zien. […] En dus zal het plan soms veranderingen vragen in wat uiterlijke omstandigheden lijken te zijn. Deze veranderingen zijn altijd behulpzaam.” (H4.I.3). De les in deze eerste periode is dus om te aanvaarden dat elke verandering, mits goed beschouwd, als behulpzaam zou kunnen worden ervaren. Op dit punt schiet de metafysica van de Cursus ons te hulp. Die brengt ons in een positie om correct onderscheid te leren maken tussen wat waardevol is en wat zonder waarde is (de tweede periode). “Zonder waarde” is alles wat ons vasthoudt in deze droomwereld van tijd en ruimte. “Waardevol” is alles wat ons helpt onze ego-identificatie met de droomwereld los te laten. Zo leren we ons lichaam waar wij ons nog zo innig mee identificeren, heel anders te zien, hoewel we ons nog steeds niet goed kunnen voorstellen, laat staan ervaren, wat onze realiteit als geest werkelijk inhoudt.

In de derde periode, “een periode van loslaten”, neigen we ertoe om ‘loslaten’ gelijk te stellen aan ‘het begerenswaardige opgeven’. “Weinig leraren van God ontkomen volledig aan dit verdriet. […] Daarom zal [deze] periode er waarschijnlijk een zijn waarin de leraar van God zich geroepen voelt zijn eigen hoogste belang op te offeren ten gunste van de waarheid.” (H4.I.5). Voor veel Cursusstudenten een maar al te bekend gevoel! In de werkboeklessen wordt ons gevraagd om de oefeningen gewoon uit te voeren, ondanks de weerstand die we erover voelen: “Je hoeft de ideeën niet te geloven, je hoeft ze niet te aanvaarden, laat staan toe te juichen. Tegen een aantal ervan zul je je misschien heftig verzetten. Dit alles is niet van belang en zal hun uitwerking niet verminderen. Maar sta jezelf niet toe uitzonderingen te maken in de toepassing van de ideeën die het werkboek bevat, en – wat je reacties op de ideeën ook mogen zijn – gebruik ze.” (WdI.in.9). De grote ‘eye-opener’ is dat we, tot onze grote verrassing, op deze manier een gevoel van innerlijke vrede vinden: “Hierdoor leert hij dat waar hij verdriet verwachtte, hij daarentegen een opgewekte lichthartigheid ontdekt, en waar hij dacht dat er iets van hem werd gevraagd, hem juist een geschenk wordt gegeven.” (H4.I.5:8). Wellicht herken je wel het gevoel van diepe innerlijke vrede dat jou overspoelde toen je iets waar je erg gehecht aan was, werkelijk kon loslaten omdat je besefte dat het er feitelijk niet toe deed. Deze Cursus werkt echt!

Dit luidt de vierde periode in, “een periode van stabilisatie”. We beginnen in te zien wat werkelijk waarde heeft. “De mogelijkheden hiervan zijn letterlijk duizelingwekkend en de leraar van God is nu op een punt in zijn voortgang gekomen waarop hij hierin zijn volledige uitweg ziet. ‘Geef op wat je niet wilt en behoud wat je wel wilt.’ Zo eenvoudig is het voor de hand liggende! En zo makkelijk uit te voeren!” (H4.I.6). En toch is het onvermijdelijk dat we juist nu gaan beseffen dat we ons nog steeds vastklampen aan het verlangen om een uniek individu te zijn. Nu pas zijn we toe aan een heel ander begripsniveau over wat waardevol is en wat niet. Kenneth Wapnick legde menigmaal uit dat Een cursus in wonderen niet gaat over ons zelf ‘beter’ maken, of een gelukkiger persoon worden. De persoonlijkheid die wij menen te zijn is feitelijk zonder waarde. Wat waardevol is, is het werkelijk loslaten van gehechtheid aan het ego, wat neerkomt op het opgeven van alle veroordeling. Aanvankelijk kan dit een zeer deprimerende ervaring zijn, soms bestempeld als “de donkere nacht van de ziel”, omdat de ware aard van onze Identiteit als geest nog steeds zo abstract lijkt. Het is de concrete ervaring van innerlijke vrede die het serieus uitvoeren van de werkboeklessen ons brengt, dat ons vertrouwen in Jezus voedt. Zoals Jezus zelf beaamt: “Werd niet elke stap in deze richting zo nadrukkelijk bekrachtigd, dan zou het inderdaad moeilijk zijn!” (H4.I.7:9). Deze ervaring van innerlijke vrede leidt uiteindelijk tot de kalmte die karakteristiek is voor de laatste periode van het ontwikkelen van vertrouwen. In dit vertrouwen kan ik al mijn gehechtheden en mijn persoonlijkheid in dankbaarheid loslaten, zonder er depressief over te worden. Concluderend: blijf vooral die verrekte werkboeklessen oefenen; niet voor één jaar, maar de rest van je leven. De vruchten die je daar van plukt zijn de ervaringen van vrede die je doen beseffen dat je vertrouwen in Jezus als gids volkomen gerechtvaardigd is.

— Jan-Willem van Aalst, april 2017 (vertaling van https://miraclesormurder.wordpress.com/2017/04/15/relinquishment-depression-and-trust/)

 

Een koninkrijk om te regeren

Eén van de meer geliefde cantates van Johann Sebastian Bach is Bwv.82 (uit 1727), genaamd “Ich habe genug”, wat zich vertaalt als “I heb genoeg”, in de zin van “Ik ben content.” Het is niet een bombastische, glorieuze hymne die de Hemel prijst; in tegendeel, het is een tamelijk persoonlijke en introspectieve compositie, meer voor bij het haardvuur, terwijl je het leven overdenkt. De zanger besluit “Ik heb genoeg” omdat hij Jezus als zijn verlosser heeft om zijn leven te leiden; meer heeft hij niet nodig. Aan het einde van de cantate concludeert hij zelfs dat de fysieke dood hierdoor niet meer van belang is.

Het onbewuste ego is het hier echter volstrekt niet mee eens. “Wees niet zo dwaas”, horen we dat boze stemmetje blazen, “er is zo’n beetje overal gebrek aan. Want zie: dag in dag uit werk je ontzettend hard, en toch is er maar net genoeg geld voor voedsel en onderdak. Maar los van dergelijke basisbehoeften is het echte gebrek nog veel erger. Geef maar toe dat jij je voortdurend onrustig en onvervuld voelt! Al die zogenaamde vrienden van jou hebben de onschatbare parel gestolen die ons geluk compleet zou maken! Ze hebben onze onschuld en vrijheid gestolen door ons zonder reden aan te vallen, alleen maar omdat ze bang zijn zelf iets te zullen missen! En toen moesten we natuurlijk terugslaan! Liefde klinkt leuk, maar vroeg of laat worden we verraden. Dus hou jezelf niet langer voor de gek dat je genoeg hebt: vrede bereiken betekent je voorbereiden op oorlog. Dat is het lot van iedereen hier. En nu weer aan het werk, jij slaaf!”

Een cursus in wonderen biedt ons een echte uitweg uit dit ‘slagveld’, door ons te onderwijzen hoe we ons bewustzijn boven het slagveld kunnen brengen, en het vervolgens te bezien voor wat het is. Werkboekles 236 vat dit mooi samen in de titel: “Ik regeer mijn denkgeest, die alleen ik regeren moet.” In deze les laat Jezus ons tegen onszelf zeggen: “Ik heb een koninkrijk te regeren. Bij tijd en wijle lijkt het allerminst dat ik daarvan de koning ben. Het lijkt over mij te triomferen en me voor te schrijven wat ik moet denken, wat ik moet voelen en doen.” Jij en ik zullen vast erkennen dat er geen ziel ter wereld is die dit gevoel niet kent. En dan komt Jezus met het goede nieuws: “En toch is het mij geschonken om elk doel te dienen dat ik er maar in zie.” (Wd2.236.1)

Voor elke spirituele leerling is het een openbaring om de kracht van de denkgeest te leren ervaren, en gaandeweg te beseffen dat de kwaliteit van het leven in grote mate afhangt van de keuzes die we met de denkgeest maken. De ultieme verwoording hiervan krijgen we voorgeschoteld door Jezus in werkboekles 253, waarin hij ons het volgende laat overdenken: “Het is onmogelijk dat iets, wat ook, tot mij zou kunnen komen waar ik niet zelf om heb gevraagd. Zelfs in deze wereld ben ik het die mijn lot beheerst. Wat gebeurt, is wat ik verlang. Wat niet plaatsvindt, is wat ik niet wil dat gebeurt. Dit moet ik aanvaarden.” (Wd2.253.1) Als goede cursusstudenten weten we natuurlijk dat Jezus hiermee doelt op inhoud, niet op vorm. Uiteraard zijn jij en ik niet direct verantwoordelijk voor, laten we zeggen, een verwoestende aardbeving op een breuklijn, maar we zijn wel verantwoordelijk voor de mate van innerlijke vrede in onze denkgeest, of het gebrek daaraan. Niets of niemand heeft de macht om onze denkgeest pijn of leed te bezorgen, of geluk of vrede af te dwingen. We moeten elke staat van denken aanvaarden als onze eigen verantwoordelijkheid.

Eén van de unieke kenmerken van Een cursus in wonderen als spiritualiteit is de volstrekte consistente redenatie over waarom gebeurtenissen in de wereld irrelevant zijn voor onze staat van denken: dat is omdat er geen wereld is! (Wd1.132.6:2). Waarneming is niet hetzelfde als waarheid. Het ego probeert ons ervan te overtuigen dat dat nonsens is, want onze zintuigen vertellen ons iets anders. Het is toch waanzin om te ontkennen wat je ogen zien? En als ik mijn teen stoot tegen een rots, moet ik dan koppig volhouden dat de pijn niet echt is? Pas als we aandachtig kijken naar recent wetenschappelijk onderzoek over bijna-dood-ervaringen, waarin overlevenden verbluffende verhalen vertellen over de tijd dat ze klinisch ‘dood’ waren omdat er geen meetbare hersenactiviteit meer was, kunnen we leren openstaan voor de mogelijkheid dat denkgeest en hersenen niet hetzelfde zijn. Een moderne theorie zoals de kwantumfysica stelt zelfs dat tijd en ruimte zelf uiteindelijk onwerkelijk zijn. Maar zoiets voelt te ongemakkelijk om zomaar te aanvaarden.

Waarom voelt dat zo ongemakkelijk? Omdat het een uitweg biedt uit het koppig vasthouden aan het ‘kruis’ van het ego, waar wij ons nog steeds intiem mee identificeren. Het gehele materiële universum is een schijnbare hallucinatie over autonomie en afscheiding van God, de Schepper. Het is de ‘kwantummogelijkheid’ dat de Zoon mijmert over het scenario dat er iets beters is dan Gods Liefde, en dat de Zoon los van God beter af zou zijn. De bijna veertien miljard jaar sinds de Oerknal zijn niets meer of minder dan de film waarin dit droomscenario wordt uitgespeeld. Maar aangezien de trigger voor dit scenario neerkomt op ‘afwijzing, aanval en afscheiding’, is alles in deze droom van tijd en ruimte daarvan doordrenkt. Buiten tijd en ruimte, in de eeuwigheid, heeft helemaal niets de vrede van God en Zijn Scheppingen verstoord (Wd2.234.1). En nu hebben we Een cursus in wonderen, waarin Jezus onze pijn verzacht door uit te leggen dat dit [d.w.z. alle leed] niet zo hoeft te zijn (T4.IV.3). Onze denkgeest is krachtig genoeg om te besluiten deze zotte film te bezien boven het slagveld. Zodra wij ons realiseren dat de droom niets voorstelt en dat we niet in gevaar zijn, kunnen we een betere keuze maken.

Kenneth Wapnick heeft in zijn boeken en workshops vaak benadrukt hoe belangrijk het is dat we ten volste beseffen dat jij en ik een keuzemaker zijn. Telkens als Jezus in de Cursus het ego contrasteert met de boodschap van de Heilige Geest, spreekt hij ons aan als keuzemaker. Hij nodigt ons uit om een betere keuze te maken, net als hij ooit deed: “Er is niets aan mij wat jij niet kunt bereiken. Ik heb niets wat niet van God afkomstig is. Het huidige verschil tussen ons is dat ik niets ánders heb. Daardoor verkeer ik in een toestand die in jou alleen potentieel aanwezig is.” (T1.II.3:10-13). Dit betekent dat ik tot nu toe in de war ben over wat mijn werkelijke wil eigenlijk is. Het ego is de poging om een wil te hebben die los staat van God, maar dat is alleen (schijnbaar!) mogelijk in de koortsachtige droom die we tijd en ruimte noemen. Als ik heel eerlijk naar mezelf toe ben, dan moet ik toegeven dat dit ‘experiment’ helemaal niet werkt. Ondanks mijn koortsachtige wens om autonoom te zijn, blijft mijn wil voor altijd verbonden met Die van mijn Schepper: onvoorwaardelijke Liefde. Dat is mijn wil omdat dat is wat ik ben. In werkelijkheid is het koninkrijk van mijn denkgeest één met het Koninkrijk van de Hemel, omdat er in werkelijkheid niets buiten de Hemel bestaat.

In hoofdstuk 6 bevestigt Jezus dit: “Nergens in het Koninkrijk heerst er enige duisternis, maar jouw rol is slechts ervoor te zorgen dat er geen duisternis in je eigen denkgeest heerst. Deze afstemming op het licht is onbeperkt, want ze is op het licht van de wereld afgestemd. Ieder van ons is het licht van de wereld, en door onze denkgeesten in dit licht met elkaar te verbinden, verkondigen wij tezamen en als uit één mond het Koninkrijk van God.” (T6.II.13:3). Ik heb dus inderdaad een koninkrijk om te regeren. Gelukkig wordt het regeren daarvan gemakkelijk als ik de Heilige Geest aanstel als mijn koninklijke raadsheer. Als de heerser van mijn eigen denkgeest is het mij gegeven om tijd en ruimte boven het slagveld te bezien, zonder veroordeling, om vervolgens alle waargenomen pijn over te dragen aan Jezus (of de Heilige Geest), waarmee ik mijn denkgeest reinig. Wat overblijft is blijvende innerlijke vrede.

Natuurlijk zullen er nog steeds verwoestende aardbevingen zijn. We zullen absoluut mensen tegenkomen die ons in de steek laten. Het fysieke lijf zal onontkoombaar aftakelen en sterven. Dit alles maakt niet meer uit, zodra we aanvaarden dat wij de enige heerser zijn over de staat van de denkgeest. “Als je denkt dat wat jij gemaakt hebt jou kan vertellen wat jij ziet en voelt, en jij geloof stelt in zijn vermogen dit te doen, verloochen jij je Schepper en geloof je dat jij jezelf hebt gemaakt. Want als je denkt dat de wereld die jij gemaakt hebt de macht heeft van jou te maken wat zij wil, dan verwar je de Zoon met de Vader, het gevolg met de Bron.” (T21.II.11:3). Laten we dankbaar zijn dat dit zo is, en onze dagen doorbrengen in het besef dat we de wereld wel ervaren, maar dat we er niet van zijn. Door het advies van de Heilige Geest te volgen, zullen we vergeven waar we voorheen veroordeelden. Dat is de koninklijke weg naar innerlijke vrede! Groet jezelf als de heerser van je eigen denkgeest. Regeer uw koninkrijk met wijsheid, majesteit. Jij en ik hebben inderdaad genoeg, omdat we Jezus en de Heilige Geest hebben om ons te leiden.

— Jan-Willem van Aalst, april 2017 (vertaling van https://miraclesormurder.wordpress.com/2017/04/08/a-kingdom-to-rule/

N.B. Voor een inspirerende uitvoering van Bach’s cantate Bwv82, zie bijvoorbeeld: https://www.youtube.com/watch?v=IeuiUnMNPcI

 

 

Vals bewijs dat heel echt lijkt

Heb je wel eens een top-5 lijst gemaakt van je ergste angsten? Hoewel dit voor iedereen anders is, zien we de volgende angsten vaak hoog op de lijst staan: geconfronteerd worden met een terminale ziekte; verlies van inkomen; een natuurramp zoals een aardbeving of overstroming; verlaten worden door die speciale liefdespartner waar je je zo afhankelijk van voelt… niet voor niets is een oud-Hollands gezegde: “Een mens lijdt het meest door het lijden dat hij vreest, doch in zijn tijd nooit komen zal.” Bovendien bewijzen vele persoonlijke ontwikkeltrainingen dat we heus niet zo hulpeloos zijn als we soms denken. We kunnen veel doen om te voorkómen dat de zorgen en angsten in ons leven werkelijkheid worden.

Een cursus in wonderen bespreekt het thema ‘angst’ op diepere niveaus. Om te beginnen vertelt Jezus ons dat er slechts twee basisemoties zijn: angst en liefde (T13.V.I). Jezus doelt hier natuurlijk op inhoud. Er bestaan veel verschillende vormen van emotie, maar qua inhoud bestaan er maar twee, waarvan er maar één werkelijk is. Direct bij de inleiding van het Tekstboek vertelt Jezus ons: “Het tegendeel van liefde is angst, maar wat alomvattend is kent geen tegendeel.” (T-In.1:8). Aanvankelijk lijkt dat moeilijk te slikken. Onze angsten voelen tenslotte bijzonder echt! In hoofdstuk 13 van het Tekstboek verklaart Jezus verder: “Je hebt slechts twee emoties: een die jij gemaakt hebt [angst] en een die jou gegeven is [liefde]” (T13.V.10:1). In Een cursus in wonderen verwijst het werkwoord ‘maken’ vrijwel altijd naar illusies in de droomwereld van tijd en ruimte. Aangezien deze hele materiële wereld een verdediging van het ego tegen liefde is, bestaat ze volledig uit angst. Juist omdat angst zo echt voelt, helpt de Cursus ons onze angsten ongedaan te laten maken door ons denken te veranderen, onder leiding van de Heilige Geest, de Stem namens Liefde. Goed nieuws, maar intussen voelt de angst nog steeds heel echt aan… dus wat nu?

Om angst ongedaan te maken, moet ik eerst goed begrijpen waarom ik zo angstig ben, en waar die angst precies over gaat. Dit proces lijkt op het afpellen van de lagen van een ui. Naarmate ik de Cursus langer beoefen, ga ik inzien dat mijn angsten over een terminale ziekte, over verlies van inkomen, of verlaten worden, slechts schaduwen zijn van een veel diepere angst. Onder de oppervlakte van mijn bewustzijn blijkt een ware heksenketel met schuld te borrelen: schuldgevoel over mijn overtuiging dat ik mijn Schepper heb afgewezen en verlaten omdat ik zo graag een leven los van Hem wil. Het ego is letterlijk de gedachte van afscheiding van Eenheid. De ‘oerzonde’ van het afwijzen van ‘onvoorwaardelijke Liefde’ (een treffend synoniem voor ‘God’) moet wel leiden tot verschrikkelijke schuld — het is het meest vreselijke wat we ons kunnen voorstellen. Geen wonder dat deze schuld leidt tot angst voor vergelding door de wraakzuchtige Schepper, die volledig gerechtvaardigd is mij te straffen. Dat is een behoorlijk angstwekkende situatie waarin ik mezelf ervaar…!

De meesten van ons beseffen niet hoeveel tijd wij in ons leven besteden om bepaalde autoriteitsfiguren tevreden te houden, in de angstige hoop dat straf (pijn) ons bespaard blijft. Velen van ons lijden jarenlang volstrekt onnodig, puur om te ‘bewijzen’ dat zij medelijden verdienen en geen straf, omdat ze zichzelf al aan het straffen zijn. Daarnaast zijn we enorm vaardig in het vingerwijzen naar alle ‘kwaad’ buiten ons, wederom om te kunnen ‘bewijzen’ dat anderen zondig zijn en ik onschuldig. Ik ben overduidelijk slechts slachtoffer van krachten waar ik geen invloed op heb, dus anderen zouden gestraft moeten worden; ik heb recht op mijn plekje in de Hemel. Al deze voorbeelden illustreren slechts de dynamiek van projectie: ik voel me schuldig over het afwijzen van God, maar aangezien ik de schuld daarover te pijnlijk vind om onder ogen te zien, projecteer ik die weg uit mijn denkgeest, en zie ik alle zonde en afwijzing buiten mij (ook in God), waar ik vervolgens zo bang voor word. In vergelijking daarmee stellen mijn angsten over ziekte of geld helemaal niets voor.

Echter, zodra we denken dat we hier serieus mee aan het werken zijn, heeft Jezus een nieuwe verrassing voor ons in petto: deze geprojecteerde angst over de afscheiding is nog niets vergeleken met de angst die daaronder ligt. “Je zou zelfs zonder angst naar de donkerste hoeksteen van het ego kunnen kijken, als je niet geloofde dat je, zonder het ego, iets in jezelf zou vinden waar je nog banger voor bent. Je bent niet werkelijk bang voor de kruisiging. Je echte doodsangst betreft de verlossing.” (T13.III.1:9-11). Over deze uitspraak gaan op z’n minst de wenkbrauwen omhoog. Dit lijkt tenslotte volstrekt ridicuul. Dus ik zou er doodsbenauwd voor zijn om te horen dat mijn Schepper mij tot in de eeuwigheid liefheeft? Maar Jezus vervolgt: “Als je niet zou geloven dat je wrede wens om de Zoon van God te doden jou van de liefde zou verlossen, zou jij bereid zijn zelfs daarnaar te kijken. Want die wens heeft de afscheiding veroorzaakt, en jij hebt die beschermd omdat je niet wilt dat de afscheiding wordt geheeld.” (T13.III.2:4-5)

Ho, wacht even. Wat bedoelt Jezus met “Ik wil niet dat de afscheiding wordt geheeld”? Zijn niet al mijn inspanningen als een goede Cursusstudent er juist op gericht om de afscheiding ongedaan te maken, door ijverig mijn niet-vergevende gedachten gade te slaan, en vervolgens niet meer voor afscheiding te kiezen? Het antwoord: nee, niet zolang ik mijzelf en iedereen om me heen nog steeds zie als duidelijk onderscheidbare individuen. Hierom is het zo belangrijk om de nondualistische metafysica van Een cursus in wonderen enigszins te begrijpen. Het citaat hierboven betekent eigenlijk: “Je beschermt de afscheiding omdat je niet wilt dat jouw individualiteit eindigt.” Onze angst voor de verlossing is de angst voor Eenheid, oftewel een staat zonder individualiteit. Hoe spiritueel gevorderd ik ook inmiddels misschien ben, uiteindelijk beschouw ik mezelf nog steeds als een lichaam, los van al het andere leven. Zolang jij en ik er nog voor kiezen om over de tijd en de ruimte te dromen, betekent het concept “Een Eenheid als één verbonden” helemaal niets (T25.I.7). Ik geloof eerder dat ik in het niets zou verdwijnen als ik mijn individualiteit zou opgeven. Voor het ego is dat de hel, maar in waarheid is het de Hemel. Dus, nogmaals: wat nu?

De boodschap van Jezus’ leerplan is niet om het lichaam af te doen door zelfmoord te plegen. Zelf-aanval leidt immers alleen maar tot meer schuld, waarmee het ongedaan maken van tijd en ruimte alleen maar langer duurt (je zult nog een extra keer moeten reïncarneren alvorens je werkelijk de “betere weg” kiest). Als ik serieus ben over mijn doel om blijvende innerlijke vrede te ervaren, zal ik mijn denkgeest moeten trainen om de lagen van angst ongedaan te maken. Hiervoor moet ik de metafysische grondslag van nondualiteit aanvaarden. Ik hoef niet alle metafysische principes grondig te begrijpen (dat is vrijwel onmogelijk voor onze lineair geprogrammeerde hersenen), maar ik zou in elk geval de bereidwilligheid moeten tonen om te aanvaarden dat er iets veel beters is dan individualiteit. Twee citaten die daarbij misschien behulpzaam zijn: “Er moet vooral worden opgemerkt dat God slechts één Zoon heeft. Als al Zijn scheppingen Zijn Zonen zijn, moet elk een integraal deel van het gehele Zoonschap uitmaken. Het Zoonschap in zijn Eenheid overstijgt de som van zijn delen.” (T2.VII.6:1). En uit het werkboek: “Wij zijn de schepping, wij de Zonen van God.  We lijken elk apart te zijn en ons niet bewust van onze eeuwige eenheid met Hem. Maar achter al onze twijfels, voorbij al onze angsten is nog altijd zekerheid. Want liefde blijft bij al haar Gedachten, terwijl haar zekerheid de hunne is.  De Godsherinnering is in onze heilige denkgeest, die zijn eenheid en verbondenheid met zijn Schepper kent.” (WdII.4:1-5). Slechter nieuws dat dit kan het ego zich niet voorstellen.

Terwijl we Jezus’ leerplan doorlopen gaan we ons langzaam realiseren, zonder overspoeld te worden door schuld, hoe waar dergelijke uitspraken in feite zijn: “Jij hebt jouw hele krankzinnige geloofssysteem opgebouwd omdat je meent in Gods Tegenwoordigheid hulpeloos te zijn, en jij wilt jezelf van Zijn Liefde verlossen omdat je denkt dat die jou tot niets vermalen zou.  Je bent bang dat ze jou van jezelf weg zou vagen en jou nietig zou maken, omdat je gelooft dat grootheid in verzet besloten ligt, en aanval allure heeft. Jij denkt dat je een wereld hebt gemaakt die God zou willen vernietigen, en dat je door Hem lief te hebben, wat je doet, die wereld weg zou werpen, wat je ook zou doen. […] Waanzin kun je aanvaarden omdat jij die hebt gemaakt, maar liefde kun je niet aanvaarden, want die heb je niet gemaakt. Jij wilt liever een slaaf van de kruisiging zijn dan een verloste Zoon van God. […] Je bent meer bevreesd voor God dan voor het ego, en liefde kan niet binnengaan waar ze niet welkom is.” (T-13.III.4;5)

Juist omdat wij angst helemaal zelf hebben gemaakt, ligt het ook in onze macht om dit alles volledig ongedaan te maken, of beter: voor ons ongedaan te laten maken. Hoe? Je raadt het: vergeving, het centrale thema van Een cursus in wonderen. De sleutel heet vergeving – niet van wat ik denk dat anderen mij aandeden, maar van wat ze me niet hebben aangedaan, omdat alle kwaad buiten mij slechts een projectie is van mijn eigen niet-vergevende gedachten. Op dezelfde manier vergeef ik mijzelf (als denkgeest) voor wat ik niet heb gedaan, want de afscheiding heeft in werkelijkheid nooit plaatsgevonden, en tijd en ruimte zijn illusoir. In (T1.VI.5) lezen we: “Volmaakte liefde verdrijft angst. Als er angst bestaat, dan is er geen volmaakte liefde. Maar: Alleen volmaakte liefde bestaat. Als er angst is, brengt die een toestand teweeg die niet bestaat.

Het gaat er niet om dat we onze angstgevoelens ontkennen. Het gaat erom de werkboeklessen te oefenen om zo de denkgeest te trainen deze angstgevoelens anders te bezien. Jazeker kies ik er nog steeds voor om een droomwereld in tijd en ruimte te ervaren, maar ik kan dat vanuit juist-gericht denken doen, vanuit een houding van vergeving. Angst is eigenlijk niets meer dan ‘vals bewijs dat heel echt lijkt’. In de “Psychotherapie” aanvulling lezen we: “Niemand in deze wereld ontkomt aan angst, maar ieder kan de oorzaken daarvan opnieuw overdenken en die de juiste waarde leren verlenen. God heeft iedereen een Leraar gegeven, wiens wijsheid en hulp elke bijdrage die een aardse therapeut maar kan leveren, verre te boven gaan.” (P1.1:3). Door al mijn niet-vergevende gedachten zonder veroordeling te bezien en ze vervolgens vreugdevol aan Jezus (of de Heilige Geest) over te dragen, wordt de schuld die al deze angst voedt, eindelijk ongedaan gemaakt. En je zult merken dat zorgen over inkomen, ziekte, natuurrampen of persoonlijke afwijzing zachtjes naar de achtergrond verdwijnen, omdat het niet meer uitmaakt. Van belang is dat ik ervoor kan kiezen een gelukkige leerling van dit leerplan te zijn, wetend dat we in werkelijkheid toch al veilig Thuis zijn. De wereld van angst wordt een lesruimte in vergeving, waarin het ons gegeven is om wonderen hun werk te laten doen via jou en mij.

— Jan-Willem van Aalst, april 2017 (vertaling van https://miraclesormurder.wordpress.com/2017/04/01/false-evidence-that-appears-real/)

Het lichaam liefdevol gebruiken

Veel studenten van Een cursus in wonderen ervaren nogal wat spanning over hoe ze hun eigen lichaam zien. De zesde herhaling in het werkboek (lessen 201-220) vraagt ons tenslotte om twintig dagen achter elkaar te herhalen: “Ik ben niet een lichaam. Ik ben vrij. Want ik blijf wat ik ben, zo schiep God mij.” Passages zoals “Ik heb me vergist toen ik dacht dat ik los van God leefde, als een afzonderlijk wezen dat zich in afzondering bewoog, aan niets gebonden, en gehuisvest in een lichaam.” (WdII.223.1) lijken het lichaam niet bepaald welgezind. In plaats daarvan spoort Jezus ons aan om te kiezen voor “…de geest, en heel de Hemel buigt zich om je ogen aan te raken en je heilig zicht te zegenen, opdat je de wereld van het vlees niet meer zou zien behalve om te genezen, te troosten en te zegenen.” (T31.VI.1:8). In Een cursus in wonderen brengt Jezus ieders ambivalentie over het lichaam vol in het bewustzijn, en dat kan bij tijd en wijle als pijnlijk worden ervaren.

Hieruit volgt echter niet dat het lichaam slecht zou zijn, of dat we het zoveel mogelijk zouden moeten negeren. Integendeel; als je de citaten hierboven zorgvuldig tot je neemt, wordt het duidelijk dat Jezus ons uitnodigt om het lichaam te gebruiken om te genezen, te troosten en te zegenen. In hoofdstuk 18 lezen we de volgende zeer belangrijke passage: “Het lichaam werd niet door liefde gemaakt. Toch veroordeelt de liefde het niet en kan ze het liefdevol gebruiken, omdat ze respect heeft voor wat de Zoon van God heeft gemaakt en dit aanwendt om hem van illusies te verlossen.” (T18.VI.4:7). Deze cruciale uitspraak is wat Een cursus in wonderen onderscheidt van de meeste wereldse religies en zelfs van de meeste spiritualiteiten, waarin de zondigheid (of juist heiligheid) van het lichaam voorop staat. Jezus ziet dat anders. Het gaat niet om wat voor kenmerk van het lichaam dan ook (daar alles in de materiële wereld illusoir is); het gaat om het doel dat richting geeft aan wat we met het lichaam doen. Dit doel is altijd één van de volgende twee opties: ofwel om te verwonden, of te genezen; ofwel om aan te vallen, ofwel om lief te hebben; ofwel een wonder, ofwel moord. Zolang wij nog geloven in tijd en ruimte te leven, kunnen we het lichaam inderdaad uitstekend benutten: om te genezen, te troosten en te zegenen.

De praktische betekenis van zo’n verandering van gedachten kan enorm zijn. Velen zijn bijvoorbeeld extreem onzeker over de aantrekkelijkheid van hun eigen lichaam. Voor sommigen wordt dat een allesoverheersende dagelijkse obsessie. De commerciële glamour-wereld heeft hele generaties gehersenspoeld over wanneer je er enigszins acceptabel uitziet. Vrouwen mogen vrijwel geen vet hebben, en mannen zien er het liefst uit als Tarzan. Dergelijke gekmakende conditionering versterkt slechts de vreemde overtuiging dat om gelukkig te kunnen zijn in dit leven, je de kenmerken van het lichaam moet optimaliseren (en daaraan vooral veel geld uitgeven natuurlijk). Hoe tragisch! Pas als ik Jezus’ troostende woorden in het citaat uit hoofdstuk 18 lees, kan ik inzien dat de visuele aantrekkelijkheid van het lichaam er volstrekt niet toe doet. Misschien voldoe ik niet aan de standaard van de magazines, maar ik kan mijn lichaam nog steeds gebruiken om te genezen, te troosten en te zegenen. Dat geeft mijn leven betekenis. Ik hoef niet eens mijn ego te overstijgen om dit te kunnen doen. De keuze om iemand ergens te helpen kan ik altijd maken, hoe onbeduidend de hulp ook lijkt. In het Handboek voor leraren lezen we: “Zelfs op het niveau van de meest terloopse ontmoeting is het mogelijk dat twee mensen hun afzonderlijke belangen uit het oog verliezen, al was het maar voor een moment. Dat moment zal volstaan. Verlossing is gekomen.” (H3.2:6). Ik geloof nog steeds dat ik in een lichaam besta, maar ik koos er op dat moment voor dat lichaam liefdevol te gebruiken.

Seks is ook zo’n thema dat veel spirituele aspiranten erg ongemakkelijk doet voelen. Is seks tenslotte niet het schoolvoorbeeld van het verheerlijken van het lichaam? De meeste spirituele scholen onderwijzen dat seksuele activiteit niet echt helpt om verlichting te bereiken. Ook Een cursus in wonderen lijkt ons te onderwijzen dat de speciale (lichamelijke) relatie feitelijk een kannibalistisch ritueel is met als doel om uit de ander te graaien wat we in onszelf lijken te missen om vervulling te ervaren. We houden onszelf compleet voor de gek wanneer we “seks” gelijkstellen aan “liefhebben”. Seks is primair ego-gedreven. Dat betekent echter niet dat liefhebben, als in het verbinden van denkgeesten, niet mogelijk is bij seks. “Bedenk dat liefde inhoud is, en geen vorm, van welke soort ook. De speciale relatie is een ritueel van de vorm, dat erop aanstuurt de vorm te verheffen zodat die ten koste van de inhoud de plaats van God in kan nemen. De vorm heeft geen betekenis en zal die ook nooit hebben.” (T16.V.12). Het gaat er dus om je niet langer schuldig te voelen over de vorm van het ritueel (seks, in dit geval) maar je louter te richten op de inhoud ervan, wat idealiter neerkomt op het doel van ware liefde, de verbintenis van twee schijnbaar afgescheiden denkgeesten, waarmee de afscheiding ongedaan gemaakt wordt. Dus zelfs bij seks kan de focus verschuiven van het lichaam (de vorm) naar de denkgeest (de inhoud), zonder schuld of onzekerheid. Pfoe!

Waarom zou de aantrekkelijkheid van het lichaam überhaupt van belang zijn? Mijn lichaam floreert in de eerste twintig jaren van mijn leven… daarna zal ik moeten omgaan met vijftig tot zeventig jaar van verval, wat onontkoombaar eindigt in de dood. Wetenschappers staan misschien op het punt om de levensduur van het lichaam aanmerkelijk te kunnen verlengen, maar met welk doel? Misschien slagen we er in meer jaren te leven, maar levert ons dat meer levensgeluk op? Diep vanbinnen beseffen we best dat dit niet zo zal zijn. Als je bovendien uitgaat van het oosterse concept van reïncarnatie, dan bewonen wij — als geest — vele, vele lichamen in de loop van de eeuwen. Het gaat er dus niet om een lichaam zo krachtig of aantrekkelijk mogelijk te maken, maar te leren hoe we de cyclus van reïncarnatie kunnen beëindigen. In zijn boek “Jouw onsterfelijke werkelijkheid” beschrijft auteur Gary Renard in niet mis te verstane beeldspraak een visioen waarin zijn leraren Pursah en Arten hem meenamen op een visuele reis waarin hij in zeer snelle opeenvolging alle lichamen ziet die hij ooit heeft gehad. Zeer ontluisterend! Gary heeft zelfs een audioboek gepubliceerd (in het Engels), getiteld: “Het einde van reïncarnatie”, waarin hij uitlegt dat onze koppige drang om te blijven proberen autonomie te ervaren in een lichaam — leven na leven — uiteindelijk vergeefs is. Pas als je dankbaar “ontslag neemt als je eigen leraar” (T12.V.8) en de Heilige Geest toestaat je gedachten te laten leiden, leer je hoe je alle duisternis in je denkgeest vergeeft en naar Huis terugkeert, buiten tijd en ruimte, “waar God wil dat wij zijn” (T31.VIII.12).

Kortom: voel je niet langer onzeker, schuldig of gedeprimeerd over je lichaam. Het gaat niet om hoe je tegen je lichaam aankijkt; het gaat om het doel waartoe je je lichaam inzet. Kenneth Wapnick sprak vaak over het onderscheid tussen de voorgrond en achtergrond van de focus van onze denkgeest. De commerciële marketing heeft ons voortdurend geleerd om de (interpretatie van de) visuele waarneming op de voorgrond te zetten, en zaken van de denkgeest naar de achtergrond te laten vervagen. Jezus in Een cursus in wonderen nodigt ons uit om dat compleet om te draaien: plaats de denkgeest op de voorgrond, en plaats zintuiglijke waarneming in tijd en ruimte naar de achtergrond. Ik zie en ervaar het lichaam nog steeds, maar in de achtergrond. Mijn focus richt zich vooral op het doel van liefhebben. Daarmee verschuift de focus van de keuze voor het verheerlijken van het lichaam naar de keuze om de Heilige Geest toe te staan het lichaam te gebruiken om te genezen, te troosten en te zegenen, oftewel: het einde van de afscheiding. Zo krijgt het lichaam waarlijk een heilig doel. Dat is iets wat jij en ik op elk moment van de dag zouden kunnen doen. Waarom eigenlijk niet gewoon hier en nu?

— Jan-Willem van Aalst, maart 2017 (vertaling van https://miraclesormurder.wordpress.com/2017/03/25/using-the-body-lovingly/)