Blog

De hartslag van de vrede hinderen

De laatste vijf lessen in het werkboek van Een cursus in wonderen hebben allemaal dezelfde lijvige titel: “Dit heilig ogenblik wil ik U geven. Neemt U het in handen. Want U wil ik volgen, in de zekerheid dat Uw leiding mij vrede geeft.” (WdII.361-365). Eén van Jezus’ belangrijkste doelen met het werkboek is overduidelijk m zijn studenten te motiveren een stapje terug te doen, in het besef dat zij het over alles in het leven bij het verkeerde eind hadden, om hun levens voortaan te laten leiden door het advies van de Heilige Geest, op welke manier dan ook. De beloning: “Vrede; geluk; een kalme denkgeest; doelgerichtheid en een gevoel van waarde en schoonheid dat de wereld overstijgt; zorg en geborgenheid en de warmte van een veilige bescherming voor altijd” (WdI.122.1). Dat lijkt aanlokkelijk genoeg, zou je zeggen? Dus waarom kiezen we daar dan toch steeds niet voor?

Veel studenten van Een cursus in wonderen weten maar al te goed waarom wij nog steeds niet doorlopend voor die Leiding kiezen: we denken nog steeds als afgescheiden zelf beter te weten wat we moeten doen om blijvende innerlijke vrede en geluk te vinden. Uiteraard lopen alle pogingen daartoe uiteindelijk op niets uit, simpelweg omdat elke ingebeelde poging om iets anders dan perfecte eenheid te zijn per definitie niet kan werken: “Je was in vrede tot je om een speciale gunst hebt gevraagd. En God heeft die niet verleend, want het verzoek was Hem wezensvreemd, en je kon zoiets niet vragen van een Vader die Zijn Zoon waarlijk liefheeft. Daarom heb jij van Hem een liefdeloze vader gemaakt, en van Hem geëist wat alleen een dergelijke vader geven kon” (T13.III.10:2-4). En dus hebben we deze ingebeelde god laten weten dat wij heel goed voor onszelf kunnen zorgen, en heel goed in staat zijn om zélf vrede en geluk te vinden.

Al vroeg in het tekstboek rekent Jezus af met de mythe die als basis dient voor ons geloof dat we op onszelf vrede en geluk zouden kunnen vinden: “Ten eerste: je gelooft dat wat God geschapen heeft, door jouw eigen denkgeest kan worden veranderd. Ten tweede: je gelooft dat wat volmaakt is, onvolmaakt of gebrekkig kan worden gemaakt. Ten derde: je gelooft dat je de scheppingen van God, jouzelf inbegrepen, kunt misvormen. Ten vierde: je gelooft dat jij jezelf kunt scheppen en dat de richting van je eigen schepping door jou wordt bepaald. Deze onderling verwante verdraaiingen geven een beeld van wat zich eigenlijk afspeelde bij de afscheiding oftewel de ‘omweg door de angst’ (T2.I.1:9-2:1). Jezus maakt het op vele plekken in zijn Cursus duidelijk dat dit alles nooit heeft kunnen gebeuren; tijd en ruimte vormen samen de illusie van dualiteit, waarin iedereen en alles “onzeker, eenzaam en in voortdurende angst” (T31.VIII.7:1) probeert te overleven. Maar in ons dagelijks leven geloven we er rotsvast in dat de afscheiding daadwerkelijk is gebeurd, en dat wij nog steeds heel goed zelf kunnen bepalen wat ons verlossing (of vervulling) zal brengen.

In hoofdstuk 29 van het tekstboek schotelt Jezus ons de kern van zijn boodschap voor: “Wat wil je liever, gelijk of geluk? Wees blij dat jou gezegd is waar het geluk woont, en zoek niet langer elders” (T29.VII.1:9-10; mijn cursivering). Geluk is gelegen in de keuze om onze gekoesterde autonome individualiteit af te leggen, en ervoor te kiezen terug te keren naar de Eenheid in het Hart van God. Dis is de ultieme verschrikking voor het ego, want dit betekent zijn ondergang. Jezus vervolgt: “Niemand komt hier zonder nog enige hoop, een of andere langslepende illusie, of een droom te hebben dat er buiten hem iets is wat hem geluk en vrede brengen zal” (T29.VII.2:1). Dit geldt voor eenieder die nog op deze planeet rondwandelt. Iedereen die hier is geboren heeft de gedachte omarmd, als afgescheiden fragmentje van de ene slapende Zoon van God, dat geluk misschien hier in tijd en ruimte als individu toch te vinden zal zijn. Jezus legt ons met groot geduld uit dat dit niet zo is, en dat er bovendien iets veel beters is, wat we zullen ervaren zodra we ontwaken uit de ego-droom van dualiteit.

Het ego leest ‘ontwaken’ als ‘zelfvernietiging’. Omdat we ons zo enorm vereenzelvigen met het ego, saboteren we onze spirituele voortgang voortdurend (dat wil zeggen, we blijven maar afwijzen, oordelen en veroordelen), totdat de pijn ons teveel wordt en we uitroepen dat er ‘een betere weg’ moet zijn. Volgens Een cursus in wonderen heet die ‘betere weg’ vergeving – niet in de zin van het kijken naar de serieuze fouten van anderen en daar dan in alle nobelheid zand over te doen, maar in de zin van het zien van ‘het gelaat van Christus’ in elk levend wezen, en vreugdevol iedereen als dezelfde Zoon van God beschouwen, die niet kan zondigen. Dit beoefenen van ware vergeving is een traag proces dat uiteindelijk leidt tot het ontwaken tot de werkelijke wereld, waarin we onszelf nog steeds in een lichaam ervaren dat samen met andere lichamen leeft, maar die allemaal als de ene Zoon van God worden waargenomen, zonder vergelijk, zonder afwijzing of veroordeling. Van buiten tijd en ruimte gezien zijn we al ontwaakt. We herbeleven slechts de film van de tijd tot het moment waar de film nu lijkt te zijn.

Deze blije denkstaat van vergeving, of juist gericht denken, is niet iets wat ik kan cultiveren in het ego-deel van mijn denkgeest. Dat zou vruchteloos zijn, omdat het ego nu eenmaal het idee van afscheiding, veroordeling en aanval is. Wel kan ik me realiseren dat ik behalve voor het ego, ook voor een andere gids zou kunnen kiezen (de Heilige Geest), die óók nu al in mijn denkgeest huist: “De Heilige Geest is in heel letterlijke zin in jou. Het is Zijn Stem die jou terugroept naar waar je vroeger was, en weer zult zijn. Zelfs in deze wereld is het mogelijk alleen die Stem te horen en geen andere” (T5.II.3:7-9). En uit hoofdstuk 18 uit het tekstboek: “Je hebt je vergist te denken dat het nodig is jezelf op Hem voor te bereiden. Het is onmogelijk op een arrogante manier voorbereidingen voor heiligheid te treffen en niet tegelijk te geloven dat jij de voorwaarden voor vrede bepaalt. God heeft die bepaald. […] Jouw bereidwilligheid is alleen nodig om het mogelijk te maken jou te onderwijzen wat ze zijn” (T18.IV.4:3-5;7). Het kiezen voor vergeving is dus een voortdurende oefening om steeds vaker voor de Heilige Geest te kiezen, waarmee het getetter van het ego steeds iets meer naar de achtergrond verschuift. Zo worden duistere plekken in de denkgeest één voor één mild ongedaan gemaakt.

De stem van de Heilige Geest is als het ware de hartslag van de vrede die altijd in mijn denkgeest klopt, maar die verduisterd blijft zolang ik mijn aandacht op mijn ego gericht hou, door steeds mensen en situaties om me heen te blijven aanvallen. De kern van een goede beoefening van vergeving is dus het niet langer hinderen van deze hartslag van de vrede. Dit doe je door simpelweg niet langer meer te beschuldigen en te veroordelen. En als ik zeg ‘simpelweg’, dan betekent dat niet dat het makkelijk is om vol te houden. Écht stoppen met veroordelen kun je min of meer vergelijken met de pogingen van talloze mensen om écht te stoppen met roken: je weet dat het slecht voor je is, en toch ga je er mee door. Allereerst hebben we een helder besef nodig van ons doel hier in dit leven in tijd en ruimte (dat wil zeggen: het leren inzien dat wij de dromer van de droom zijn en dat we de Verzoening met Eenheid kunnen leren aanvaarden), en wat verder nodig is, is een goed besef van wat jij en ik feitelijk zijn: de pure geest van de ene Zoon van God, die desalniettemin lijkt te slapen in een droom die over tijd en ruimte gaat. Het kan behulpzaam zijn om je te realiseren dat jij en ik hier waarschijnlijk niet voor het eerst op deze planeet rondlopen, en ook niet voor het laatst. Zolang er nog ware vergevingslessen te leren zijn, zullen we blijven reïncarneren, niet omdat we gestraft worden, maar omdat wij zélf nog steeds voor veroordeling kiezen. Dus, nogmaals: de ‘koninklijke weg’ naar de werkelijke wereld is: stop met het hinderen van de puls van de vrede, door er steeds vaker voor te kiezen niet te veroordelen.

Telkens als ik mezelf erop betrap geïrriteerd te raken over wat dan ook, kan ik mezelf realiseren dat de betreffende situatie zelf niets met mijn verlossing van doen heeft; sterker nog: met mijn irritatie richt ik het zwaard op mezelf. Veroordeling pijnigt mijn eigen denkgeest, omdat dit het ego voedt en de Stem van de Heilige Geest verder doet verstommen. Als bijvoorbeeld mijn echtgenote of mijn ouders weer eens als een angel werken, kan ik me realiseren dat het niet belangrijk is, althans niet voor verlossing. Dat betekent niet dat je je van de wereld zou moeten afkeren. Elke ego-pijn die naar voren komt mag liefdevolle aandacht krijgen, vanuit het besef dat het allemaal in de denkbeeldige wereld gebeurt. Maar het is ook niet handig om gelijk al je verzekeringen op te zeggen omdat “God in deze wereld voortaan voor me zal zorgen”. Als leraar van God leef je een normaal leven net als iedereen, alleen straal je nu veel krachtiger vrede uit, waar je voorheen veroordeelde. Die innerlijke vrede blijft niet onopgemerkt! “Wanneer ik genezen word, word ik niet alleen genezen” (WdI.137). Vrede uitstralen nodigt vrede uit. Als je een maand lang redelijk succesvol oefent met het loslaten van veroordeling, zul je je op een gegeven moment met verbazing realiseren hoe vredig je je voelt in vergelijking met vorige jaren, die gevuld waren met afwijzing en aanval. Deze realisatie voedt weer ‘het kleine beetje bereidheid’ (T18.IV) dat Jezus van ons vraagt om hem te volgen naar de werkelijke wereld, waar we de poort naar ons ware Thuis waarnemen, en waar we niet zullen aarzelen om die te betreden, waarna we opgaan in de eeuwige vrede van onze Schepper die ‘alle begrip te boven gaat’.

— Jan-Willem van Aalst, november 2017 (vertaling van https://miraclesormurder.wordpress.com/2017/11/04/hindering-the-pulse-of-peace/)

Grip krijgen op je eigen negativiteit

Hoezeer wij ook proberen om aardig, liefdevol en behulpzaam te zijn in ons leven, we hebben allemaal last van negatieve gedachten. We vertellen onszelf streng dat we dergelijke negativiteit echt niet willen, en dus zwoegen we voort in onze pogingen om vriendelijk en meelevend te zijn. Negativiteit lijkt echter hardnekkig de kop op te blijven steken. Cursussen voor persoonlijke ontwikkeling kunnen soms een indrukwekkend kortdurend effect hebben, maar vroeg of laat worden we weer door een spreekwoordelijke angel gestoken, en vervallen we weer in negativiteit, hoe kort ook. En door onze ervaring leren we dat goeroes die in één keer de oplossing voor alle negativiteit hebben, niet vertrouwd zouden moeten worden. Dus wat dan wel?

In Een cursus in wonderen besteedt Jezus een heel hoofdstuk in de Handleiding voor Leraren over het omgaan met negatieve gedachten. In zijn leerplan heeft hij het over ‘magische gedachten‘: feitelijk is alles wat niet neerkomt op liefde, vrede of vreugde een goede kandidaat voor het label ‘magische gedachte’. Als je er zo naar kijkt, dan hebben jij en ik heel wat magische gedachten op een dag, en elk uur van die dag. Het is duidelijk dat Jezus er belang aan hecht om het uitgebreid te hebben over hoe hier mee om te gaan: “Dit is zowel voor de leraar als de leerling een cruciale vraag. Als deze kwestie verkeerd wordt behandeld, heeft de leraar van God zichzelf gekwetst en bovendien zijn leerling aangevallen.” (H17.1:1-2). In het Handboek zijn jij en ik de leraar (voor iedereen om ons heen, die onze leerlingen zijn), hoewel we niet zouden moeten vergeten dat elke Leraar van God zelf ook leerling is (van de Heilige Geest, de enige ware Psychotherapeut).

We zouden dus niet simpelweg onze schouders moeten ophalen en het afdoen met “Ach ja, zeker word ik gekweld door negativiteit, maar zo is het leven nu eenmaal.” Jezus spoort ons duidelijk aan een ferme grip hierop te krijgen, willen we ooit enige mate van innerlijke vrede in dit leven ervaren, wat in zekere zin het hoogste doel van elke Cursusstudent is. Dit begint met de realisatie dat wij nooit van streek zijn om de reden die we denken (zie bijv. Werkboekles 5). We denken dat onze gedachten ‘zuur’ worden door mensen of situaties buiten ons. “Ik was eigenlijk best vredig, totdat hij of zij begon te zeuren over iets volstrekt onbelangrijks.” Of het komt doordat de beurs in mineur is. Of doordat de files vandaag twee keer zo lang waren als gisteren. Of omdat mijn manager me niet zo aardig aankeek. Bla bla.

Al deze redenen zijn niet waarom we van streek zijn. Jezus legt uit dat wij van streek zijn omdat we iets (willen) zien dat er in werkelijkheid niet is (werkboekles 6). Daarom is het zo belangrijk af en toe te denken aan de metafysische grondslag van Een cursus in wonderen: “Er is geen wereld! Dit is de kerngedachte die de Cursus probeert te onderwijzen.” (WdI.132.6:2). Alles en iedereen die we om ons heen waarnemen is in essentie niets meer of minder dan een projectie van de gespleten denkgeest van de Zoon van God die ervoor koos te dromen over afscheiding en speciaalheid in een verzonnen universum van tijd en ruimte. We zijn er zó van overtuigd dat wat wij zien de waarheid is; maar Een cursus in wonderen helpt ons in te zien dat onze ware Identiteit niet in een lichaam in tijd en ruimte gevangen zit. Wij zijn met z’n allen één pure geest, die een nachtmerrie lijkt te dromen over tijd, ruimte en versplintering.

Dus als er in werkelijkheid niemand anders buiten mij bestaat, omdat alles wat ik waarneem een spiegel is van een aspect van de gespleten denkgeest van de slapende Zoon, waarom zou ik dan negatief reageren op wat dan maar ook lijkt te gebeuren? Zoals Jezus benadrukt komt dat neer op een aanval op mijn eigen denkgeest, naast de duidelijke aanval op degenen waar de negativiteit over gaat. “Als een magische gedachte enige vorm van woede opwekt, dan kan Gods leraar er zeker van zijn dat hij zijn eigen geloof in zonde versterkt, en zichzelf heeft veroordeeld.” (H17.1:6-7). Dit verklaart waarom we voor negativiteit in de eerste plaats kiezen: elke negativiteit weerspiegelt de oorspronkelijke negativiteit, zo’n 14 miljard jaar geleden, toen we God afwezen (zonde), ons daarover direct enorm schuldig voelden. Die schuld projecteerden we snel weg, maar dat voedde alleen maar de angst voor bestraffing voor wat werd geprojecteerd. Telkens als we van streek zijn dan is dat louter omdat we die ontologische negativiteit willen herleven in de illusoire droomwereld, om het idee van afgescheiden individualiteit levend te kunnen houden.

Dit is dus de lesruimte die de Heilige Geest ons biedt: telkens als een persoon of een situatie mij van streek lijkt te maken, dan heeft de keuzemaker in mijn denkgeest de mogelijkheid om dit te bezien ‘van boven het slagveld’ (T-23.IV), zodat ik kan inzien dat de ergernis niet is wat die lijkt: er is niets of niemand daarbuiten die de Zoon van God kan verwonden. Dit inzicht wordt de basis voor een betere reactie. De keuze is aan ons: reageren we met ‘gerechtvaardigde ergernis’ of vanuit milde vriendelijkheid? “Aanval kan alleen zijn intrede doen als het zien van afzonderlijke doelen is binnengeslopen. […] Hierop kan dan ook gemakkelijk worden gereageerd met slechts één antwoord, en dit antwoord zal feilloos in de denkgeest van de leraar doordringen. Van daaruit straalt het de denkgeest van de leerling binnen, en maakt die één met die van hem.” (H17.3:3;6-7).

Hier speelt echter een valkuil waar we ons altijd van bewust zouden moeten zijn terwijl we Jezus’ advies beoefenen: die van de verheven heilige. In Een cursus in wonderen heet dit ‘vergeving-ter-vernietiging’ (LvG-II.2). Hiervan is sprake als je antwoord lijkt op het volgende: “Ja, het is verachtelijk wat je hebt gedaan, maar aangezien ik zo nobel ben, zal ik het over het hoofd zien en je alsnog vergeven.” Dit is overduidelijk niet wat Jezus hier bedoelt. Zoals Kenneth Wapnick herhaaldelijk uitlegde, komt zo’n houding neer op het proberen te onderhandelen met God: “Zie eens hier, God, wat een goed persoon ik ben. Hier zijn al die slechte mensen die me aanvielen, en toch blijf ik vergevingsgezind en behulpzaam. Aanvaard mij alstublieft terug in de hemel, en stuur de anderen naar de hel.” Dit is een verholen poging om het schuldgevoel in onszelf over de oorspronkelijke aanval naar buiten te projecteren, omdat we dit niet durven aanzien. En we willen al helemáál niet zien dat de afscheiding nooit heeft kunnen plaatsvinden en individualiteit dus niet bestaat.

In hetzelfde hoofdstuk 17 in het Handboek voor Leraren onderwijst Jezus dat het nuttig is “…te onthouden dat niemand kwaad kan worden op een feit. […] Louter door haar aanwezigheid bevestigt een magische gedachte een afscheiding van God. […] Dat dit allerminst een feit kan zijn, ligt voor de hand. Maar dat kan worden geloofd dat het een feit is, ligt evenzeer voor de hand. En hier staat de wieg van schuld.” (M-17.4: 1;5:3;5:5-6). De oplossing is dus, ten eerste, om in te zien dat we van streek zijn door onze interpretatie van een persoon of een situatie, en, ten tweede, dat we een wereld interpreteren die er in werkelijkheid niet is. Een keuze voor negativiteit gaat dus letterlijk nergens over!

“Kan niets woede opwekken? Allerminst. Bedenk dan, leraar van God, dat woede een werkelijkheid ziet die er niet is; toch is de woede het zekere bewijs dat jij in de feitelijkheid ervan gelooft. Nu is een uitweg onmogelijk, tot je inziet dat je hebt gereageerd op je eigen interpretatie die je op de buitenwereld hebt geprojecteerd. Laat dit meedogenloze zwaard nu uit je handen worden genomen. Er is geen dood. Dit zwaard bestaat niet. De angst voor God is zonder oorzaak.” (H-17.9:5-12). Dit betekent ook dat onze angst over wat dan ook in de illusoire droomwereld van tijd en ruimte geen gegronde oorzaak heeft. Het is niet de bedoeling ons te verschuilen achter roze ‘gelukssulligheid’, of dat we ontkennen dat we nog wel eens negativiteit voelen. Als ik weer eens gewaar word van negativiteit in mezelf, kan ik in alle rust beamen dat ik nog steeds een gespleten denkgeest heb, dat mijn onrust gaat over mijn interpretatie, niet over een feit, en – het allerbeste – dat mijn denkgeest het vermogen heeft om een betere keuze te maken, met hulp van de Heilige Geest. Dat is een heel effectieve manier om grip te krijgen op je negatieve gedachten.

— Jan-Willem van Aalst, oktober 2017 (Vertaling van https://miraclesormurder.wordpress.com/2017/10/28/getting-grip-on-negative-thoughts/)

Nooit meer eenzaam

Je hoort er niet zo vaak over in het nieuws, maar één van de meest voorkomende “kwalen” bij mensen is eenzaamheid. De onderzoeksstatistieken verschillen enigszins per studie, maar ongeveer éénderde van alle mensen geven aan dat ze regelmatig geplaagd worden door eenzaamheid. Dit gaat gepaard met het gevoel dat het leven betekenisloos en onbetekenend is, en dat het geluk ze steeds door de vingers lijkt te glippen, wat ze ook proberen. Het lijkt vaker voor te komen bij oudere mensen. En dan hebben we het alleen nog maar over mensen die er zich bewust van zijn, en zich erover willen uitspreken. Maar al te vaak leidt men zich gauw af met wat dan ook maar voorhanden is, om de eenzaamheid uit het bewustzijn te weren. Intussen wordt een zorgwekkend aantal antidepressiva voorgeschreven en geslikt, die vooral het milieu aantasten nadat ze in het lijf geen enkele blijvende verbetering teweeg hebben gebracht.

In Een cursus in wonderen benoemt Jezus het thema van eenzaamheid met enige regelmaat. In hoofdstuk 31 van het Tekstboek, doet hij er ons aan herinneren dat wij allen “…onzeker, eenzaam, en in constante angst” (T31.VIII.7:1) door deze wereld dwalen. In Werkboekles 182 licht Jezus een belangrijke onderliggende oorzaak toe voor deze eenzaamheid: deze wereld is niet ons thuis. Jezus verzekert ons dat in ons diep begraven onbewuste, wij ons allemaal hier als een balling voelen: “Deze wereld waarin jij lijkt te leven, is niet jouw thuis. En ergens in je denkgeest weet jij dat dit waar is. Een herinnering aan thuis blijft je achtervolgen, alsof er een plek was die jou oproept terug te keren, ofschoon je de stem niet herkent, noch wat het is waaraan die jou herinnert. Toch voel je je nog steeds een vreemde hier, van wie weet waarvandaan.” (WdI.182.1). Dus alle gevoel van eenzaamheid weerspiegelt in feite de oorspronkelijke eenzaamheid die de slapende Zoon van God zelf verkoos door te besluiten zich af te scheiden van God en – middels de oerknal – een materieel universum te bedenken waarin hij zich zou kunnen verstoppen voor de wraakzuchtige God.

In dezelfde Werkboekles schrijft Jezus poëtisch over de Zoon van God, die “onzeker rondloopt in een eindeloze zoektocht. […] Hij maakt zich duizend plaatsen tot een thuis, maar niet één stelt zijn rusteloze denkgeest tevreden. Hij begrijpt niet dat hij vergeefs bouwt. Het thuis dat hij zoekt, kan niet door hem worden gemaakt. Er is geen substituut voor de Hemel.” (WdI.182.3). Met andere woorden, Jezus stelt dat iedereen zich hier wel eenzaam moet voelen, omdat wij ons echte Thuis in het Hart van God (Liefde) denken te hebben verlaten. Dus, wij zouden in dit verband niet moeten vragen: “Hoe kan ik mijn eenzaamheid hier verzachten?”, maar eerder: “Wil ik echt blijven vasthouden aan het idee dat ik afgescheiden van mijn Bron wil zijn?” Ik kan mezelf verliezen in hobby’s, in vele relaties, in een carrière, in drank of in snoep, maar die vormen lossen de bitterheid van de inhoud niet op, namelijk mijn onderdrukte keuze om mijzelf als afgescheiden van Liefde te blijven zien, helemaal op mezelf in een wrede wereld. Alleen het gedrag veranderen werkt nooit lang. Pas als de denkgeest zichzelf de vraag durft te stellen: “Wat ben ik?” wordt werkelijke verandering mogelijk.

“Wat ben ik?” is de meest fundamentele vraag die eenieder zich vroeg of laat zal moeten stellen. Zolang we deze vraag blijven beantwoorden met “Ik ben een uniek lichaam met een speciale persoonlijkheid”, dan kiezen we voor kleinheid, en blijven we “onzekerheid, eenzaamheid en constante angst (voor de wraak van God, die ons nooit zal vergeven)” uitnodigen. Eenieder die nog steeds dit antwoord geeft, en iedereen doet dat zolang hij hier nog in tijd en ruimte denkt te leven, wordt door Jezus als volgt omschreven: “Hij beseft niet dat hij juist hier echt bang is en dakloos eveneens, een uitgestotene, zo ver van huis en zo lang al rondzwervend, dat hij niet beseft dat hij vergeten is waarvandaan hij kwam, waarheen hij gaat en zelfs wie hij werkelijk is. […] Hij lijkt een zielige figuur, vermoeid en afgetobd, in vodden gehuld en met bloedende voeten, geschramd door de rotsige weg die hij bewandelt. Er is niemand die zich niet met hem vereenzelvigd heeft, want ieder die hier komt heeft het pad gevolgd dat hij volgt, en heeft mislukking en hopeloosheid gevoeld zoals hij die nu voelt.” (WdI.166.4:4-6:2)

Hoe verfrissend is het dan om te lezen in sectie 14 van deel II van het Werkboek, getiteld: “Wat ben ik?” (net na les 350), dat jij en ik puur geest zijn. Het lichaam is slechts een illusie in een droom! “Jij hebt een slaap verkozen waarin je boze dromen hebt gehad, maar die slaap is niet werkelijk en God roept je op te ontwaken.” (T6.IV.6:3). Een belangrijk doel van Een cursus in wonderen is ons uit te nodigen om uit deze nachtmerrie te ontwaken: “Kom thuis. Je hebt je geluk niet gevonden in uitheemse oorden en wezensvreemde vormen die geen betekenis voor je hebben, hoewel je geprobeerd hebt ze betekenis te verlenen. Deze wereld is niet waar jij thuishoort. Jij bent een vreemde hier. Maar het is jou gegeven het middel te vinden waardoor de wereld niet langer voor wie ook een gevangenis of kerker schijnt.” (WdI.200.4)

Dat is de sleutel. Jezus maant ons niet aan tot zelfmoord, wat alleen maar zou neerkomen op het tot werkelijkheid maken van de vergissing van dualiteit/afscheiding, en daar vervolgens tegen vechten. “Er is helemaal niets gebeurd behalve dat jij jezelf in slaap hebt gebracht, en een droom hebt gedroomd waarin jij voor jezelf een vreemde was…” (T28.II.4:1). De uitweg uit eenzaamheid is simpelweg jezelf realiseren dat wij, als geest, hier niet alleen zijn. “God is geen vreemde voor Zijn Zonen, en Zijn Zonen zijn geen vreemden voor elkaar…” (T3.III.6:3). Bovendien is deze wereld van tijd en ruimte, vanuit Jezus’ perspectief, allang voorbij; we herleven slechts wat allang verdwenen is (WdI.158.4). Daarom kan hij ons in het volste vertrouwen vertellen dat “jij een reis zult ondernemen [terug naar de eenheidsliefde in nondualiteit], omdat jij in deze wereld niet thuis bent.” (T12.IV.5:1). Dat is ook waarom Jezus zegt dat dit een verplichte cursus is, en dat onze enige vrijheid eruit bestaat dat wij kiezen wanneer we die zullen doen. (T-in.1:3). De reis bestaat simpelweg uit het steeds vaker kiezen voor de leiding van de Heilige Geest in plaats van de leiding van het ego.

Vroeg of laat zal iedereen ervoor kiezen deze reis naar Huis aan te vangen, als de pijn van alle onzekerheid, eenzaamheid en voortdurende angst ons teveel wordt. Dat hoeft overigens niet per se via Een cursus in wonderen te zijn; Jezus benadrukt zelf dat zijn cursus maar één vorm van de universele cursus is en dat er vele duizenden andere vormen zijn (H-1.4:1), en dat we nooit anderen zouden moeten veroordelen voor het kiezen van een ander pad. Maar als studenten van Een cursus in wonderen hebben we alle reden om ons niet te verliezen in deprimerende gedachten over eenzaamheid, maar juist onze rol als Leraar van God te vervullen, dat wil zeggen: de innerlijke vrede van God te demonstreren die ieders erfgoed is: “Hoewel jij hem [je wil om één te zijn met God] in slaap kunt houden, kun je hem niet tenietdoen. […] Rust komt niet voort uit slapen, maar uit waken [uit de droom van dualiteit]. De Heilige Geest is de Oproep te ontwaken en blij te zijn. De wereld is erg moe, omdat ze het denkbeeld van vermoeidheid is. Ons komt de vreugdevolle taak toe haar te doen ontwaken voor de Roep namens God.” (T5.II.1:5;10:4-7).

Dus mocht ik weer gevoelens van eenzaamheid bij mijzelf bemerken, dat kan ik me gelijk realiseren dat dit zo niet hoeft te zijn (T4.IV.1-8), omdat ik niet een lichaam ben; ik ben vrij, zo schiep God mij [d.w.z., als puur geest, één met al het leven] (WdI.201-220). Het is een nuttige oefening om jezelf er zo af en toe aan te herinneren “hoeveel gelegenheden je hebt gehad om jezelf blij te maken, en hoeveel ervan je hebt verworpen” (T4.IV.8:1). Ik kan mezelf verblijden omdat ik het allesomvattende licht van God in al mijn broeders kan zien, en dus ook in mezelf: “Het licht is niet van deze wereld, maar ook jij die het licht in je draagt bent hier een vreemde. Het licht kwam met jou mee vanuit je geboortehuis en is bij je gebleven, omdat het jou eigen is. Het is het enige wat jij met je meebrengt van Hem die jouw Oorsprong is. Het straalt in jou, omdat het je huis verlicht, en leidt je terug naar waar het vandaan gekomen is en waar jij thuis bent.” (WdI.188.1:5-8). Dus ter afronding: leef een normaal leven in deze droomwereld, maar vanuit je voortdurende gewaarzijn van je ware Thuis, waar wij allemaal nu al zijn, en je zult nooit en te nimmer meer eenzaam zijn.

— Jan-Willem van Aalst, oktober 2017 (vertaling van https://miraclesormurder.wordpress.com/2017/10/21/lonely-nevermore/)

Schuldig omdat je vergat te oefenen

Ieder mens begaat kleine en grote blunders in het leven. Dat is hier onvermijdelijk. Kun jij je een bijzonder gênante situatie herinneren waarin je simpelweg vergat op te letten, waardoor iets helemaal fout ging? Ik wel. Het voelt enorm ongemakkelijk. Zo nu en dan lijken dergelijke situaties zich aan te dienen, schijnbaar ongevraagd. Zulke gevoelens van verlegenheid en onwaardigheid houden je gedachten een poosje bezig, totdat de dagelijkse bezigheden onze aandacht weer opeisen en we het gevoel terzijde schuiven. Maar vroeger of later komt er toch weer zo’n situatie langs, die ons er weer aan herinnert. We lijken het verleden voortdurend levend te houden. Dat is overduidelijk één van de vele strategieën van het ego om schuld springlevend te houden in de denkgeest. Want wie zouden we zijn zonder schuld?

Een cursus in wonderen helpt ons in te zien dat alle gevoelens die wij over schuld, schaamte en ontoereikendheid hier lijken te ervaren, slechts flauwe weerspiegelingen zijn van de oorspronkelijke schuld die we voelden vanwege onze zonde om ons van God af te scheiden, vlak voordat de tijd begon. We kennen deze ‘oorspronkelijke vergissing’ allemaal van het Bijbelse verhaal over Adam en Eva in het boek Genesis. Deze archetypische prototypen van het ego zondigden tegen God door van de verboden vrucht van de boom der kennis te eten. Ze realiseerden zich dat ze iets verschrikkelijks hadden gedaan, en voelden zich direct enorm schuldig en onwaardig. En ja hoor: God strafte ze zwaar voor hun ‘blunder’. Dit is het metaforische verhaal van ons allemaal. Doordat we ervoor kozen een leven los van God te willen leiden, in volkomen afscheiding van Hem, hebben we onszelf veroordeeld tot een leven van lijden, pijn en dood (zoals Kaïn en Abel daarna duidelijk demonstreerden), en zullen we voortdurend blunders blijven maken.

Een cursus in wonderen ontdoet dat verhaal van de mythologische beeldspraak en verklaart het psychologische beginsel dat de denkgeest regeert over dit concept van zonde en schuld. Het goede nieuws is dat het allemaal denkbeeldig is (want afscheiding van God kan in werkelijkheid helemaal niet). We leken slechts in slaap te vallen, en dromen nog steeds over tijd en ruimte, waarin we autonoom en op onszelf zijn. Het slechte nieuws is dat we zijn vergeten dat we de hele tijd slapen. Omdat onze angst voor de bestraffing door God voor onze oerzonde van afscheiding ons ertoe leidde onszelf te verbannen naar een ingebeeld universum van versplinterde materie, herinneren wij ons niet dat het onze keuze was om in een nachtmerrie van fragmentatie, waarneming en tijd te geraken. Zoals Jezus het zegt: “En hier vind je de oorzaak van jouw blik op de wereld. Ooit was jij je niet bewust van wat in werkelijkheid de oorzaak moet zijn van alles wat de wereld jou ongenood en ongevraagd leek op te dringen. Van één ding was je zeker: van al de vele oorzaken die jij zag als brengers van pijn en lijden voor jou, was jouw schuld er niet een van. En evenmin heb jij er op enige wijze voor jezelf om verzocht.” (T27.VII.7:2-5). Daar klampen we ons aan vast.

We worden geplaagd door schuldgevoel, maar in deze droomwereld verbeelden we ons dat alle oorzaak van onrust en schaamte altijd buiten onszelf ligt: onbetrouwbare mensen, de wet van Murphy, het weer, ouders, politici, bazen, noem maar op. Ik ben onschuldig; het kwaad bevindt zich buiten mij. En toch, onder al dat vingerwijzen, blijft steeds dat onbestemde knagende gevoel van onze eigen onwaardigheid, en de angst dat als we daar werkelijk naar zouden kijken, wij zouden moeten inzien dat wij de schuldige zondaar zijn, niet iemand anders. Jezus legt dit als volgt uit: “Jij denkt dat slechtheid, duisternis en zonde in jou huizen. Jij denkt dat als iemand de waarheid over jou kon zien, hij zou worden afgestoten en voor je terug zou deinzen als voor een giftige slang. Jij denkt dat als jou de waarheid over jou werd geopenbaard, je met zo’n intense afschuw zou worden vervuld, dat je halsoverkop de hand aan jezelf zou slaan, omdat het je onmogelijk zou zijn nog verder te leven na dit te hebben gezien. Dit zijn overtuigingen die zo vast verankerd zijn dat het moeilijk is je te helpen inzien dat ze op niets zijn gebaseerd.” (WdI.93.1). Ze zijn op niets gebaseerd omdat de droomwereld waarin we denken te leven op niets is gebaseerd.

Niemand ontkomt aan volledig aan dat knagende schuldgevoel dat we steeds wegdrukken maar dat af en toe toch weer opduikt, schijnbaar ongevraagd. Dat geldt net zo goed voor Cursusstudenten. Het werkboek zelf is daar een goed voorbeeld van. Het is welbekend dat geen enkele Cursusstudent het werkboek perfect in één jaar voltooit. Het is zelfs zo dat Jezus zijn werkboek heeft opgezet om ons te doen inzien dat we toch niet zo verlicht zijn als we gehoopt hadden: het vergt een lang en langzaam proces van ijverige oefening om onszelf toe te laten een stapje terug te doen (loslaten) en vervolgens het liefdevolle advies van de Heilige Geest te volgen (toelaten) om het ego stap voor stap ongedaan te laten maken. En toch, wie kent niet het enorme schuldgevoel dat boven komt drijven zodra je merkt dat je de specifieke les voor vandaag toch niet volgens Jezus’ instructies hebt gedaan? Dit is precies het gevoel van ontoereikendheid waarvan Jezus ons aanspoort om dit niet te ontkennen of te onderdrukken, maar in alle kalmte te bekijken – samen met hem.

Telkens als we merken dat we een werkboekles niet perfect hebben uitgevoerd en wij ons daarover schuldig of ontoereikend gaan voelen, zouden we ons in blijdschap moeten realiseren dat we onszelf zojuist een prachtige gelegenheid tot zelf-vergeving hebben geboden. Dit schuldgevoel weerspiegelt namelijk slechts het oorspronkelijke schuldgevoel van Adam en Eva (d.w.z., het ego) over hun afwijzing van God, wat het “nietig, dwaas idee” is dat in werkelijkheid nooit is gebeurd. Het ego herinnert ons slechts aan deze schuld, louter om het eigen bestaan als een afgescheiden individu zeker te kunnen stellen. Maar het is allemaal een illusie. Een veel betere reactie zou iets zijn in de trant van: “Dank je wel, ego, dat je me er weer bewust van maakt dat ik hier samen met Jezus anders naar zou kunnen kijken.” Waarop Jezus direct beaamt: “Niemand kan ontsnappen aan illusies tenzij hij ernaar kijkt, want door er niet naar te kijken worden ze beschermd. […] We zijn klaar om het denksysteem van het ego nader te bekijken, want samen hebben we de lamp die het zal verdrijven…” (T11.V.1:1,3, mijn cursivering).

In het Handboek voor leraren geeft Jezus nog wat aanvullend advies aan zijn studenten hieromtrent, in sectie 16, genaamd: “Hoe behoort een leraar van God zijn dag door te brengen?”. Hoewel Jezus ons uitlegt dat deze vraag voor de gevorderde leraar van God geen betekenis heeft, omdat “…hem [zal] worden verteld waaruit zijn rol allemaal bestaat, vandaag en alle dagen” (H16.1:5), is het overduidelijk dat de meeste studenten zo’n rotsvaste zekerheid nog niet hebben bereikt. Er zit nog steeds teveel schuldgevoel in het onbewuste! Voor al deze studenten raadt Jezus aan om de denkgeest te trainen door de dag op de juiste manier te beginnen en te eindigen, dat wil zeggen: de tijd nemen om aan God [Liefde] te denken, wat neerkomt op: tijd nemen om aan de weg naar God [Liefde] te denken: een focus op vergeving en oordeelloosheid. Hij wordt daar zelfs zo specifiek in dat hij ons aanraadt dat niet liggend te doen, maar rechtop zittend, terwijl we ons concentreren op onze ‘stiltetijd met God’ (in lijn met de oude Oosterse meditatie-adviezen). Het in kalme stilte loslaten van veroordeling is de keuze voor de Stem namens Liefde, en zo maken we schuldgevoel in onszelf ongedaan: waar we ooit dachten Liefde afgewezen te hebben, omarmen we dit nu weer.

Jezus waarschuwt ons overigens voor de valkuil van overmatig ijverige discipline in dergelijke oefeningen, omdat dat zou neerkomen op een poging schuldgevoel te bevechten, wat natuurlijk niet kan werken: “Een vaste routine is als zodanig gevaarlijk, omdat ze gemakkelijk zelf tot een god kan worden, en dan juist een bedreiging vormt voor de doelen waarvoor ze is opgesteld.” (H16.2:5). En tevens: “De duur [van de stiltetijd met God] is niet de hoofdzorg. Men kan makkelijk een uur lang met gesloten ogen stilzitten en niets bereiken. Men kan even makkelijk God slechts een ogenblik geven en zich in dat ogenblik volledig met Hem verenigen.” (H16.4:4-6). Het gaat dus niet om de kwantiteit, maar om de “kwaliteit” van onze bereidheid om ons te laten leiden, die bepaalt hoe succesvol we zijn in het afbouwen van ons (oorspronkelijke) schuldgevoel; het gaat niet om het plannen van wanneer en hoe vaak je zult oefenen. Schuldgevoel maak je ongedaan door eerst alle veroordeling los te laten, en vervolgens de Stem van God toe te laten, en daar dan bij te blijven. Doe wat je intuïtie je aangeeft te doen, en laat wat je intuïtie je aangeeft te laten. Veel inspiratie gewenst!

— Jan-Willem van Aalst, oktober 2017 (Vertaling van https://miraclesormurder.wordpress.com/2017/10/14/guilty-for-not-practicing/)

Gebruik je lichaam wijs

Vrijwel zonder uitzondering zijn we niet echt heel blij met ons fysieke lijf. Wel in je twintiger jaren, maar naarmate je ouder wordt, en je het trage maar onvermijdelijke verval begint te merken in kleine pijntjes en dingen die het niet zo goed meer doen, leer je steeds meer om daar in te berusten en er maar ‘het beste van te maken’. In menige spiritualiteit wordt het lichaam gezien als iets negatiefs. De oude gnostiek bijvoorbeeld, zo’n tweeduizend jaar geleden, beschouwde het lichaam als vuiligheid, iets wat veracht en overwonnen zou moeten worden, door de denkgeest zodanig te trainen dat die zijn ware identiteit als lichtwezen weer ging herinneren.

Aangezien Een cursus in wonderen een strikt nondualitisch spiritueel en psychologisch denksysteem is waarin alle materie als louter illusoir wordt beschouwd, zou je verwachten dat ook de Cursus het lichaam zou afwijzen. Maar dat is beslist niet het geval. Hoewel Jezus wel degelijk beaamt dat “van zichzelf het lichaam geen waarde heeft” (T8.VII.2:7), benadrukt hij ook dat “het lichaam iets volkomen neutraals is” (Wd2.294). In hoeverre het lichaam ons van dienst is, hangt volledig af van het doel dat we er aan geven. Herinner je dat in Een cursus in wonderen alles draait om doel. Dat geldt net zo voor het fysieke lichaam.

In zekere zin draait het hele idee van Jezus’ leerplan in Een cursus in wonderen erom ons te onderwijzen dat wij, in tegenstelling tot onze dagelijkse ervaring, niet een lichaam zijn: “Ik ben niet een lichaam. Ik ben vrij. Want ik blijf wat ik ben, zo schiep God mij (d.w.z., als pure geest als uitbreiding van Gods Liefde)” (WdI.201-220). Intellectueel mag ons dit misschien aanspreken, maar zodra onze aandacht weer wordt afgeleid door een pijnlijk fysiek symptoom, zouden we er goed aan doen ons te realiseren dat we dit nog niet werkelijk geloven. In elk geval nog niet helemaal. En toch vertelt Jezus ons in het tekstboek dat het lichaam slechts de orders van de denkgeest opvolgt, als een marionet aan touwtjes. Dit komt doordat de staat van het lichaam slechts die van de denkgeest weerspiegelt: de denkgeest is de bron, het lichaam het effect.

Iedere ziekte betekent dan ook dat de denkgeest het lichaam gebruikt om aan te vallen. Dit hoeft niet per se een fysieke aanval te zijn. Iedere negatieve gedachte manifesteert zichzelf uiteindelijk in het lichaam (vaak eerst in de kwaliteit van de samenstelling van de bloedbaan, zoals endocrinologen vaak benadrukken). Maar Jezus gaat een stap verder. Zelfs jezelf en anderen als lichamen beschouwen, is in feite al een vorm van aanval. Dat komt omdat zo’n gedachte voortkomt uit het idee van afscheiding, en afscheiding is aanval. Zoals Jezus toelicht in hoofdstuk 8, waarin hij het gebruik van het lichaam als communicatiemiddel bespreekt: “Het lichaam waarnemen als een afzonderlijke entiteit kan niet anders dan ziekte bevorderen, want het is niet waar.” (T8.VII.11.4).

En toch, aan de andere kant, in hetzelfde hoofdstuk: “Genezing is het resultaat wanneer het lichaam uitsluitend voor communicatie wordt gebruikt.” (T8.VII.10:1) Dit betekent een verschuiving in doel. “Gezondheid is daarom niets dan een vereend doel.” (T8.VII.13:4). Zodra ik ervoor kies mijn denkgeest te laten leiden door de Heilige Geest, verander ik het doel waarvoor ik het lichaam wil gebruiken: “Als je het alleen gebruikt om de denkgeest te bereiken van hen die geloven dat ze een lichaam zijn, en hun door middel van het lichaam leert dat dit niet zo is, zul jij de macht van de denkgeest die in jou is begrijpen. […] Dienend om te verenigen wordt het een prachtige les in gemeenschap, die waarde heeft tot er gemeenschap is.” (T-8.VII.3:2;4). En, iets verderop: “Het lichaam is mooi of lelijk, vredig of woest, nuttig of schadelijk, al naargelang het gebruik dat ervan wordt gemaakt. […] Als het lichaam een instrument wordt dat jij aan de Heilige Geest geeft om ten behoeve van het verenigen van het Zoonschap te gebruiken, zul jij in iets fysieks niets anders zien dan wat het is.” (T8.VII.4:3;5).

Jezus vertelt ons kortom dat het beschouwen van een broeder als louter een lichaam, een fysieke entiteit, betekent dat we hem hebben aangevallen, omdat we ervoor kozen hem niet te zien zoals hij werkelijk is (namelijk: louter geest). Maar aangezien de wereld van materiële fenomenen slechts een projectie van de denkgeest is, moet dit wel betekenen dat wij eerst onszelf hebben aangevallen, dat wil zeggen: we beschouwen onszelf als slechts een lichaam, een fysieke entiteit. De remedie hiervoor, zoals altijd, is om de bereidheid op te brengen om een stapje terug te doen en de controle over onze gedachten over te dragen aan Jezus of de Heilige Geest: “Verheug je dan dat jij van jezelf uit niets kunt. Jij bent niet van jezelf. Hij van Wie jij bent heeft jouw kracht en heerlijkheid voor jou gewild, waarmee je Zijn heilige Wil voor jou volmaakt volbrengen kunt wanneer jij die voor jezelf aanvaardt.” (T8.VII.6:1-3).

Deze waarheid voor mezelf aanvaarden vraagt van mij dat ik ijverig blijf oefenen in het weigeren mijn broeders als lichamen te willen zien, zonder uitzondering. “Telkens wanneer je van een ander vindt dat hij tot of door zijn lichaam is beperkt, leg jij jezelf deze beperking op. Ben je bereid dit te aanvaarden wanneer juist de bedoeling van wat je leert zou moeten zijn aan alle beperkingen te ontkomen? […] Je hebt jezelf veroordeeld, maar veroordeling is niet iets van God. Daarom is ze niet waar.” (T8.VII.14:3-4;15:4-5). Dus telkens als mijn ogen een lichaam zien, zou ik moeten proberen daar aan voorbij te zien, en in plaats daarvan de pure geest (of het pure licht) in die persoon te zien, wat slechts mijn eigen essentie weerspiegelt. Dit is bepaald niet makkelijk om de hele tijd vol te houden, omdat lichamen nu eenmaal geneigd zijn elkaar aan te vallen (om de afscheiding te bevestigen), wat de duistere plakken van niet-vergeving in de denkgeest weerspiegelt.

De Heilige Geest gebruikt deze wereld waarin we lijken te leven om ons precies die lessen voor te schotelen waar we aan toe zijn. Het is bemoedigend om in hoofdstuk 9 te lezen: “Wanneer jij een broeder verbetert, zeg je hem dat hij mis is. Hij is op dat moment misschien niet verstandig, en het staat vast dat hij niet verstandig zal zijn zolang hij vanuit het ego spreekt. Maar het is nog altijd jouw taak hem te zeggen dat hij juist is. Je zegt hem dat niet met zoveel woorden als hij onzin praat. De correctie die hij nodig heeft, ligt op een ander vlak, omdat zijn vergissing op een ander vlak ligt. Hij is nog altijd juist, omdat hij een Zoon van God is. Zijn ego is altijd mis, wat het ook zegt of doet. Als jij op de fouten van je broeders ego wijst, moet je daar wel met het jouwe naar kijken, want de Heilige Geest neemt zijn vergissingen niet waar. […] Wanneer jij überhaupt op vergissingen reageert, luister je niet naar de Heilige Geest. Hij heeft er gewoon geen acht op geslagen, en als jij er aandacht aan schenkt hoor je Hem niet.” (T9.III.2:4-10;4:1-2).

Concluderend: ik kan mijn lichaam wijs gebruiken door mijn oordeel (eigenlijk: veroordeling) op te geven over wat mijn broeders lichaam lijkt te doen (fysiek of mentaal). Sterker nog, het loslaten van veroordeling is de keuze om een stapje terug te doen en Jezus (of de Heilige Geest) aan het roer te zetten. Langzaamaan ga ik me realiseren dat hoe ik een ander lichaam beoordeel veel zegt over hoe ik mijn eigen lichaam zie, wat weer de staat van mijn eigen denken weerspiegelt. Hoe weet ik dat ik op de juiste weg ben? Door in alle mensen om mij heen allereerst hetzelfde lieflijke eenheidslicht te zin in plaats van een fysieke entiteit. Telkens wanneer een lichaam mij lijkt te hinderen (dat van mijzelf, in het geval van ziekte, of van iemand anders, bijvoorbeeld overlast door jongeren, of een overval) weet ik dat de Heilige Geest aan het werk is, via lichamen, in de lesruimte die ik ‘mijn leven’ noem. Het voelt beslist niet altijd gelijk erg comfortabel, maar als blijf oefenen in het vragen aan Jezus of de Heilige Geest hoe ik deze situatie vanuit liefde zou kunnen bezien, dus zonder veroordeling, dan weet ik zeker dat ik mijn lichaam (dat dus mijn denkgeest weerspiegelt) inzet vanuit eenheid en verbinding, de Wil van God: “Met een deel van God Zelf communiceren betekent voorbij het Koninkrijk reiken naar de Schepper ervan, via Zijn Stem die Hij tot deel van jou heeft gemaakt.” (T8.VII.5:9). Dus gebruik je neutrale lichaam wijs vandaag!

— Jan-Willem van Aalst, oktober 2017 (vertaling van https://miraclesormurder.wordpress.com/2017/10/07/using-the-body-constructively/)

Wij maken de tijd

Eén van de dingen die aan Een cursus in wonderen als spiritueel leerplan zo moeilijk te begrijpen zijn, is zijn visie op de volstrekt illusoire aard van tijd, ruimte en waarneming. Het voelt gewoon niet logisch om te lezen dat iedereen met wie je praat, samenwoont en werkt volstrekt denkbeeldig zijn omdat tijd, ruimte en zintuigen illusoir zijn. Toen acteur Jim Carrey een aantal jaar geleden in een interview zei dat hij niet meer in afgescheiden persoonlijkheden gelooft, werd hij cynisch uitgelachen. Hij kreeg veel reacties in de trant van ‘iemand die niet meer gelooft wat zijn ogen zien, heeft overduidelijk zijn verstand verloren’, zoals op veel YouTube reactievideo’s te zien was.

Wij zijn er allemaal van overtuigd dat de tijd vanzelf verstrijkt, ongeacht wat wij denken, zeggen of doen; van onze eerste ademtocht tot onze laatste en daarna. Zolang wij onszelf ervaren in een lichaam, worden onze gedachten en handelingen geleid door wat wij in de tijd waarnemen. Zelfs als toegewijde studenten van Een cursus in wonderen twijfelen we er vaak aan of we in dit leven wel genoeg tijd hebben om van bereidheid naar meesterschap te gaan als het gaat om het aanvaarden van de Verzoening. Het is dan ook erg intrigerend om in hoofdstuk 7 van het Tekstboek te lezen: “Je denkt misschien dat dit [het totale vertrouwen dat ontstaat uit meesterschap] inhoudt dat er een enorme hoeveelheid tijd nodig is tussen gereedheid en meesterschap, maar laat me je eraan herinneren dat tijd en ruimte onder mijn beheer staan.” (T2.VII.7:9). Wat bedoelt Jezus?

Jezus bedoelt in elk geval niet dat hij onze handel en wandel van ergens hoog in de Hemel in de gaten houdt en ons eraan herinnert dat hij dat met een knip van z’n vingers kan beëindigen (als hij al vingers zou hebben). Dat zou volstrekt tegengesteld zijn aan zijn liefdesboodschap dat wij allemaal Christus zijn, hemzelf en jou en mij incluis. Jezus zegt daarover in het hoofdstuk ervoor: “Er is niets aan mij wat jij niet kunt bereiken. Ik heb niets wat niet van God afkomstig is. Het huidige verschil tussen ons is dat ik niets ánders heb.” (T1.II.4:10-12). Jezus onderwijst ons dat tijd, in tegenstelling tot wat wij geloven, niet lineair verloopt: tijd verloopt holografisch, wat betekent dat het geheel van de tijd vervat is in elk deel ervan, in elk geval qua inhoud. Jezus zegt het zo: “Elke dag, en iedere minuut van elke dag, en elk ogenblik dat iedere minuut bevat, herbeleef je slechts het ene ogenblik waarop de tijd van verschrikking de plaats van de liefde innam.” (T26.V.13:1). We vertellen Jezus dus voortdurend om op te rotten, zodat het ego ons een toekomst kan voorschotelen die op het verleden lijkt, waarmee het logisch lijkt dat de tijd lineair verloopt, beginnend met de Oerknal zo’n 14 miljard jaar geleden.

Aangezien Jezus stelt dat hij en jij en ik in essentie gelijkwaardige broeders zijn, die allemaal dezelfde juist-gerichte denkgeest van Christus bevatten, zegt hij daarmee impliciet dat wij ook de tijd zouden kunnen beheersen, hoe absurd dat ook mag klinken. Op sommige plekken is hij haar zelfs tamelijk expliciet over: “Elke keer dat je [vergeving] oefent, komt het bewustzijn daarvan op zijn minst een beetje dichterbij; menigmaal wordt duizend jaar of meer bespaard. De minuten die jij geeft, worden vele malen vermenigvuldigd, want het wonder bedient zich wel van tijd, maar is er niet aan onderhevig.” (WdI.97.3:2). En uit het Handboek voor leraren, over de “Leraren van God”, dat wil zeggen iedereen die ervoor kiest Jezus’ leerplan te volgen: “Hun functie is tijd te besparen. […] En ieder bespaart naar wereldse maatstaven gemeten wel duizend jaar tijd.” (H1.2:11,13).

Hoewel Jezus de uitdrukking “duizend jaar” natuurlijk vooral poëtisch en metaforisch bedoelt, vertelt hij ons twee belangrijke dingen. Ten eerste zouden we geen enkele stress moeten hebben over onze twijfel of we in dit leven wel voldoende snel Verlossing zouden kunnen bereiken. Hoewel Jezus in de Cursus geen duidelijk standpunt inneemt over reïncarnatie, impliceert hij op meerdere plekken dat jij en ik hier niet voor het eerst zijn, en dat er nog vele levens zullen volgen. In Een leven geen geluk (Absence from felicity) lezen we zelfs over de scene dat Helen in de buurt van haar eigen graf kwam van zo’n 2000 jaar geleden (lees dat boek!). Zodra ze de neiging voelt daar heen te gaan, krijgt ze overduidelijk van Jezus te horen: “Nee. Laat de doden de doden begraven.”

Ten tweede zegt Jezus duidelijk dat het volledig aan ons is om te bepalen wanneer wij de Verzoening willen aanvaarden. Telkens als het ons lukt om voor vergeving te kiezen, heft het wonder de noodzaak op voor meer tijd om te leren het ego ongedaan te maken, en dus om tijd en ruimte ongedaan te maken. Zoals Jezus zegt in hoofdstuk 4 van het Tekstboek: “De enige boodschap van de kruisiging is dat je het kruis overwinnen kunt. Tot dat moment staat het jou vrij jezelf te kruisigen zo vaak je maar wilt.” (T4.In.3:8-9). En uit de inleiding van het Tekstboek: “Vrije wil betekent niet dat jij het leerplan kunt vaststellen. Het betekent alleen dat je kunt kiezen wat je op een gegeven moment wilt doen.” (T-In.1:4). Het is daarom niet de vraag of wij zullen ontwaken uit tijd en ruimte (dat zullen we allemaal doen); het gaat erom wanneer wij ervoor kiezen te ontwaken. “In deze wereld is de enige resterende vrijheid de vrijheid van keuze: steeds tussen twee keuzen of twee stemmen.” (VvT-1.7:1).

Nu kunnen we beter begrijpen waarom Jezus ons eraan herinnert dat “tijd en ruimte onder mijn beheer staan.”. Jij en ik kunnen onze behoefte aan meer tijd transformeren (via vergeving) naar liefde, maar dat kunnen we niet zonder Jezus’ hulp: “Vertrouw niet op je goede voornemens. Die zijn niet genoeg.”  (T18.IV.2:1-2). Het opheffen van tijd vergt van ons dat wij toegeven dat wij, als afgescheiden ego, het over werkelijk alles bij het verkeerde eind hadden, inclusief ons kennelijke bestaan in de tijd, en dat Jezus gelijk heeft als hij zegt dat wij nu al veilig Thuis zijn in het Hart van God, zonder individuele persoonlijkheid. Nogmaals, zolang wij nog geloven dat wij ons lichaam zijn in de wereld die we waarnemen, bezorgt Jezus’ boodschap ons angstzweet en weigeren we die te aanvaarden. Totdat de pijn, ellende en alle mislukking ons teveel wordt en wij uitroepen dat er een betere manier moet zijn. Pas als wij de vredige gevolgen van ware vergeving ervaren, zijn we echt bezig met het oefenen van onze bereidwilligheid de Verzoening te aanvaarden. Jezus onderwijst ons in de Cursus dat telkens als het ons lukt om voor het wonder van vergeving te kiezen, wij de noodzaak voor meer tijd opheffen, soms wel duizend jaar: “Het doel van de tijd is jou de gelegenheid te geven te leren de tijd constructief te gebruiken. […] De tijd zal ophouden wanneer hij niet langer van nut is om het leerproces te vergemakkelijken.” (TI.1:15).

“Wat betekent honderd jaar voor Hen [het gelaat van Christus en de Godsherinnering], of duizend, of tienduizenden?” (T26.IX.4:1). Zodra ik waarlijk het pad van de vreugde van Christus kies, wordt tijd volstrekt irrelevant, behalve om de behoefte aan nog meer tijd op te heffen, met Jezus’ hulp. Probeer dagelijks met dat uiterst waardevolle inzicht te oefenen, in de meest triviale situaties. Als ik bijvoorbeeld bij de supermarkt merk dat de rij voor de kassa mij irriteert, zou ik me kunnen realiseren dat ik een waardevolle vergevingsles voorgeschoteld krijg. Tijd is van geen belang! Dus als student van Een cursus in wonderen, dat wil zeggen als een Leraar van God, hoef ik geen zorgen te hebben dat ik de top van de ladder van de Verzoening niet in dit leven zal bereiken. Jij en ik zijn hier al vaak geweest en we zullen hier nog terugkomen. Uiteindelijk zullen jij en ik de Verzoening aanvaarden. Het is slechts de mate van onze bereidheid om ons denken te laten leiden door Jezus en de Heilige Geest die bepaalt hoe lang we erover doen om tot die aanvaarding te komen. Vraag jezelf dus regelmatig: “Hoe lang wil ik nog in de hel van tijd leven? Zou ik vandaag niet liever kiezen voor de tijdloze hulp van Jezus (of de Heilige Geest)?”

— Jan-Willem van Aalst, september 2017 (vertaling van: https://miraclesormurder.wordpress.com/2017/09/30/we-control-time/)

  • Nu beschikbaar bij uitgeverij Inner Peace Publications: Jan-Willems vertaling van Kenneth Wapnicks “De boodschap van Een cursus in wonderen“, deel I: “Allen zijn geroepen”, deel II: “Weinigen verkiezen te luisteren.” €39,95 boek; €19,95 e-book.

Leef zonder spijt

Vrijwel iedereen heeft wel eens mensen ontmoet die alleen nog maar cynisch lijken te kunnen zijn over zo’n beetje alles in de wereld. Veel van dergelijke ongelukkige mensen lijken behoorlijk verbitterd te zijn geworden over wat ze ooit van het leven hadden verwacht. Ze vinden dat ze oneerlijk zijn behandeld door een reeks externe factoren; hetzij door mensen, hetzij door het lot. Dat weerspiegelt natuurlijk hun onbewuste overtuiging dat ze oneerlijk zijn behandeld door God, die blijkbaar niet onder de indruk was van alles wat ze probeerden, laat staan van hun bestaan. Ze kijken met spijt terug op hun leven en zouden, terugblikkend, allerlei dingen anders hebben willen doen. Maar ja, gefaald is gefaald, en het verleden kan niet worden uitgewist. Toch?

Spijt lijkt te gaan over de hoop om meer geluk te vinden als de aanpak maar anders was geweest; maar eigenlijk komt dit er op neer dat ze zouden willen proberen een betere droomwereld te maken, wat vanuit Jezus’ perspectief in Een cursus in wonderen een hopeloze zaak is. Een klaagzang zoals “Als ik dit of dat nou maar anders had gedaan, dan zou mijn leven zoveel beter zijn…” is een ego-truc om de denkgeest gericht te houden op zoeken, zoeken en nooit vinden, waarmee het eigen bestaan wordt gegarandeerd. Dergelijk denken houdt de denkgeest weg van een eerlijke evaluatie van de hele situatie van de wereld en onze kennelijke rol daarin, om vervolgens weer voor de eeuwige Liefde van God te kiezen.

Als jij en ik eerlijk onze denkgeest zouden afspeuren op enig moment van de dag, dan zouden we ongetwijfeld ontdekken dat meer dan 90% van onze gedachten over de toekomst of het verleden gaan. Hoewel het in deze droomwereld waarin we nog steeds rotsvast menen te leven zeker nodig is om plannen voor de toekomst te maken op basis van wat we in het verleden hebben geleerd, zouden we ervoor kunnen kiezen steeds iets meer tijd in het nu door te brengen. We zouden een stapje terug kunnen doen en de Heilige Geest eerlijk om hulp vragen over wat te doen (en wat niet), waarheen te gaan (en waarheen niet), en wat we zouden moeten zeggen en denken (en wat niet). Werkelijk meer geluk in je leven ervaren vraagt van ons een gedisciplineerde focus op wondergericht denken, steeds iets vaker.

Wondergerichtheid is meer dan een vaak herhaalde affirmatie dat wij onze focus zouden moeten richten op (de Stem namens) Liefde in het huidige hier en nu, hoe waardevol die houding in zichzelf ook is. We zouden ons steeds beter moeten leren herinneren wie en wat wij zijn en wat deze wereld is. Een cursus in wonderen staat vol met inspirerende passages die hier licht op werpen, bijvoorbeeld: “Al je moeilijkheden komen voort uit het feit dat jij jezelf, jouw broeder en God niet herkent. […] De Bijbel zegt je jezelf te kennen, of zeker te zijn. Zekerheid komt altijd van God.” (T3.III.2:1;5:1-2). “Het wonder stelt vast dat je een droom droomt waarvan de inhoud niet waar is. Dit is een cruciale stap in het omgaan met illusies.” (T28.II.7:1-2). En uit het werkboek: “Een wonder is een correctie. Het schept niet, en het brengt in werkelijkheid allerminst verandering. Het slaat slechts verwoesting gade, en herinnert de denkgeest eraan dat wat die ziet onwaar is.” (Wd2.13:1-3). En, als laatste voorbeeld: “Wonderen […] staan in stralende stilte naast elke droom van pijn en lijden, van zonde en schuld. Ze zijn het alternatief voor de droom, de keuze om liever de dromer te zijn dan de actieve rol in het verzinnen van de droom te ontkennen.” (T28.II.12:1-3). Dit doet licht schijnen op wie en wat wij zijn en waar deze wereld over gaat. Pas met dat besef kunnen we waarlijk vergeving beoefenen.

In Een cursus in wonderen behandelt Jezus het wonder en vergeving als min of meer synoniem: “Vergeven is het genezen van de waarneming van afgescheidenheid. Een juiste waarneming van jouw broeder is noodzakelijk, omdat denkgeesten ervoor gekozen hebben zichzelf als afgescheiden te zien. […] Maar Gods wonderen zijn even totaal als Zijn Gedachten, omdat ze Zijn Gedachten zijn.” (T3.V.9:1-2,7). Met andere woorden, het wonder heelt onze interpretatie van onze waarneming dat alles fout loopt door zaken waar we geen invloed op hebben. Mensen zijn niet “tegen” ons; we zijn als één met elkaar verbonden, en hoe ik een ander zie is uiteindelijk hoe ik mezelf zie: “Een wonder is een daad van een Zoon van God die alle valse goden terzijde heeft gelegd, en zijn broeders oproept hetzelfde te doen. Het is een daad van vertrouwen, want het is de erkenning dat zijn broeder het kan.” (T10.IV.7:1-2).

Spijt getuigt dus van onjuist-gericht denken, en dient geen ander doel dan het bestendigen van de ego-focus op de toekomst en het verleden, en dat die hetzelfde zullen zijn: zoeken, zoeken, maar niet vinden. Toen Kenneth Wapnick ooit in één van zijn workshops werd gevraagd of hij iets heel anders zou doen als hij de kans zou krijgen, antwoordde hij: “Nee, ik zou niet het kleinste dingetje anders hebben gedaan, want alles wat ik deed droeg op een bepaalde manier bij aan waar ik nu ben in mijn leven.” Zodra je leert om “ontslag te nemen als je eigen leraar” (T12.V.8:3), in het besef dat je “slecht werd onderwezen” (T28.I.7:1), leer je dat onder leiding van de Heilige Geest alles in dit leven een nuttige les is; falen wordt zo feitelijk onmogelijk. Spijt dient dus geen enkel doel, anders dan het springlevend houden van het ego. Wonderen, aan de andere kant, “vallen als helende druppels regen uit de Hemel op een droge en stoffige wereld, waar hongerende en dorstende schepsels komen sterven. Nu hebben ze water. Nu is de wereld groen. En overal schieten er tekenen van leven op, die laten zien dat wat geboren is nooit dood kan gaan, want wat leven bezit, bezit onsterfelijkheid.” (Wd2.13:5).

Dus telkens als je merkt dat je teleurgesteld bent over wat dan ook in het verleden, realiseer je dan dat alle spijt uitsluitend duisternis in de denkgeest is. Het doel ervan is om Jezus en de Heilige Geest ver weg te houden, maar het dient jou niet. Duisternis vraagt om vergeving, niet om verzwelging in spijt. Kies snel voor een wonder in plaats van moord (T23.IV.6:5), en bedenk weer dat “nu de dichtst mogelijke benadering van de eeuwigheid is die deze wereld biedt” (T13.IV.7:5), niet het verleden. Als je je depressieve gevoelens van een afstandje kunt observeren, en zonder vooringenomenheid de Heilige Geest durft te vragen wat te doen, zal dat zonder twijfel leiden tot de vreugdige vrede die jij en ik en iedereen altijd zou willen hebben. Jij en ik hebben beslist alle reden om te leven zonder enige spijt, want alles wat ooit gebeurde droeg bij aan waar we nu staan, in het besef dat elke situatie ons de mogelijkheid biedt om weer voor juist-gericht denken te kiezen; om het leven steeds vaker in handen te geven van de Heilige Geest, of wat ik ware intuïtie noem. Vergeving beoefenen maakt het verleden ongedaan, donker plekje na donker plekje. Uiteindelijk zul je merken dat er niets meer overblijft om nog spijt over te voelen.

— Jan-Willem van Aalst, september 2017 (vertaling van https://miraclesormurder.wordpress.com/2017/09/24/live-with-no-regrets/)

 

Hoe natuurlijk is mitose?

Het biologische proces dat we mitose of celdeling noemen, waarin een cel zich in tweeën deelt, de twee vier worden, de vier acht, enzovoorts, blijft voor veel wetenschappers een wonderlijk mysterie. Blijkbaar is er iets dat dit proces ongezien orkestreert: de zestien miljoenste cel is niet anders dan de eerste, en toch resulteert de celdeling in een volstrekt unieke en karakteristieke levensvorm, die een poosje opbloeit, en na verloop van tijd weer verwelkt en onvermijdelijk sterft. Wetenschappers vragen zich af waarom dat op die manier gebeurt, en wat precies de werking en de evolutie van het DNA bepaalt.

Studenten van Een cursus in wonderen realiseren zich dat dit hele afscheiding-en-opsplitsingsproces de kerndynamiek is van wat we het ego noemen. Het ego is per slot van rekening het idee van afscheiding en afsplitsing. Want zie: toen het ‘nietig, dwaas idee’ leek te ontstaan in de denkgeest van de Zoon van God, vroeg de Zoon zich af wat er zou gebeuren als Hij dat idee serieus zou nemen. Die vergissing, de eerste en enige die ooit werd gemaakt (T27.VIII.6:2), leidde tot de eerste splitsing: de ontologische afscheiding (dit is nog vóórdat er zoiets als tijd ten tonele verscheen). Afscheiding werkt! De Zoon lijkt nu autonoom, en los van zijn ware Identiteit als Christus, de Zoon van God.

Met deze gewaarwording komt het besef dat voor deze autonomie een aanzienlijke prijs betaald moest worden: de vernietiging van de eeuwige vrede van de Hemel. God is klaarblijkelijk van de troon gestoten, omdat hij niet meer “al in alles” is. De aanvankelijke extase wordt al snel doodsangst, als de Zoon zich schuldbewust realiseert dat deze afscheiding een zonde was die nooit ongedaan kan worden gemaakt, en waarvoor hij ongetwijfeld zwaar gestraft zal worden door de wraakzuchtige Schepper die het van Hem gestolen leven weer terug wil graaien. Het ego verschijnt om de Zoon te redden door hem te adviseren de zonde en schuld weg te projecteren naar een ander zelf. De Zoon, die nu — volkomen vrijwillig — een verdoofde slaaf van het ego is geworden, volgt het advies op en splitst nogmaals. Nu lijkt hij zelf onschuldig en zondeloos, terwijl de zonde en schuld in het afgescheiden andere zelf zitten. Nu is hij nog steeds op zichzelf, met een verwoeste Hemel, maar daar kan hij niet verantwoordelijk voor worden gehouden, omdat de schuld overduidelijk in die ander zit.

De angst is daarmee echter niet weg: de zoon wordt nu doodsbenauwd voor deze nieuw verzonnen dader, die hij verwart met de wraakzuchtige God, die koste wat kost zijn zondige Zoon wil terugpakken. En weer verschijnt het ego als ‘redder’, trouw aan zijn aard: afscheiding en afsplitsing. Het ego adviseert de Zoon om zich op te splitsen in miljarden fragmentjes, om zo onvindbaar te worden. En weer gehoorzaamt de Zoon slaafs, waarmee wat we de Oerknal noemen in gang wordt gezet, en daarmee het begin van tijd en ruimte. Het proces van het fragmenteren van materie in het universum verschilt in essentie niet van die van de celdeling van mitose: we leven (of beter: lijken te leven) in het huis van het ego, dat louter weet heeft van afscheiding en afsplitsing. Maar is dat natuurlijk? Nauwelijks. Zoals Jezus ons onderwijst in de Cursus: “De wereld druist in tegen je natuur, omdat ze niet met Gods wetten overeenstemt.” (T7.XI.1:5).

Kenneth Wapnick merkte wel eens met humor op dat “DNA” eigenlijk staat voor “Do Not Accept” (“Aanvaard niet“), dat wil zeggen: aanvaard niet ons ware erfgoed als de ene Zoon van God, veilig Thuis in het Koninkrijk van de Hemel, het Hart van God. In werkboekles 95 gaat Jezus in op deze zelfverkozen verdoving: “Jij bent één in jezelf, en één met Hem. Aan jou is de eenheid van de hele schepping. Je volmaakte eenheid maakt verandering in jou onmogelijk. Je aanvaardt dit niet en slaagt er niet in te begrijpen dat het zo moet zijn, alleen maar omdat jij gelooft dat je jezelf al veranderd hebt. […] Jij bent één Zelf, in volmaakte harmonie met al wat is en al wat zijn zal. Jij bent één Zelf, de heilige Zoon van God, verenigd met jouw broeders in dat Zelf, verenigd met jouw Vader in Zijn Wil. Voel dit ene Zelf in jou en laat Het al je illusies en al je twijfels wegschijnen.” (WdI.95.1:2;13:2-3). Wij denken echter deze eenheid niet te willen, omdat dit ten koste zou gaan van onze gekoesterde afgescheiden individualiteit.

Gary Renard heeft van Pursah het Evangelie van Thomas gedicteerd gekregen, met daarin de letterlijke boodschappen die Jezus zijn discipelen zo’n tweeduizend jaar geleden heeft meegegeven. Het is interessant leesvoer, vooral als je dit in combinatie leest met de uitstekende analyse van Rogier Fentener van Vlissingen in zijn boek “Closing the circle” (“De cirkel rondmaken”). In de context van dit blog is vooral gezegde 79 interessant. Dat gaat als volgt: Een vrouw in de menigte zei tot hem [Jezus], “Zalig zijn de baarmoeder en de borsten die jou hebben gevoed.” Hij richtte zich tot haar en zei: “Zalig zijn zij die het woord van de Vader gehoord, begrepen en gevolgd hebben. Want de dagen zullen komen waarop men zal zeggen: “Zalig is de baarmoeder die niet heeft gebaard en de borsten die geen melk hebben gegeven.””

Vanuit het ego bezien is dit volstrekt krankzinnig. Want ja, “geen kinderen meer” betekent uiteindelijk totale uitsterving. En het is beslist niet wat we denken en voelen als onze harten smelten bij het zien van een schattige nieuwgeboren zuigeling. Toch onderwijst Jezus ons ongeveer als volgt: “Ook dit is in feite nog steeds afscheiding. Je aanvaardt nog steeds niet jouw erfgoed als geest, thuis in het Hart van God. Voel je hier niet schuldig over, maar realiseer je wel dat de essentie van fysieke reproductie neerkomt op een keuze voor het ego.” Jezus zou ons overigens nooit adviseren met het stoppen van het maken van baby’s, omdat het lichaam niet het probleem is; het lichaam is volstrekt neutraal (WdI.294), en kan gebruikt worden — door de denkgeest — voor ofwel afscheiding van, of vereniging met onze broeders. De keuze is aan ons.

En dat is natuurlijk de werkelijke boodschap van Jezus voor ons: evalueer wat werkelijk de blijvende innerlijke vrede brengt “die alle begrip te boven gaat” (Paulus in Fil. 4:7). Verschuif de focus van je gedachten van afscheiding en angst naar verbinding en liefde, en volg het advies van de Heilige Geest. Alleen dán zal het proces van mitose juist kunnen worden geëvalueerd en uiteindelijk terzijde worden geschoven; niet met spijt, maar met een zucht van dankbaarheid. Tot dat moment, dat inderdaad heel ver weg lijkt te zijn, hoeven we voor verlossing niets te doen (T18.VII) behalve het blijven oefenen met het vergeven van onze eigen denkgeest, die vergat te lachen om het nietig, dwaas idee van veroordeling van eenheid, alleen maar om individuele autonomie te kunnen proberen. Vergeving doet ons inzien dat het niet uitmaakt. Het enige dat telt is het consequent leren kiezen voor het Koninkrijk, de enige manier om “Do Not Accept” te transformeren naar “Maak opnieuw je keuze voor de betere weg”. Veel inspiratie gewenst!

— Jan-Willem van Aalst, september 2017 (Vertaling van https://miraclesormurder.wordpress.com/2017/09/17/is-mitosis-natural/)

Wat de dood ons kost

In de buurt waar ik woon zag ik jarenlang een ouder echtpaar een paar keer per dag wandelend hun herdershond uitlaten. Hun hond had overduidelijk ook al de pensioengerechtigde leeftijd bereikt: elk jaar liep hij wat trager. Op een gegeven moment begon hij behoorlijk te hinken op zijn achterbenen. Het jaar daarop zag ik het echtpaar wandelen zonder hond. Maar zelf werden zij ook steeds ouder. Nog voordat hun hond overleed raakte zij al gekluisterd aan een rolstoel. Dat duurde een jaar of vier. Uiteindelijk wandelde de man alleen in de buurt, en dit jaar overleed hij zelf ook. Het huis werd verkocht, en de overgebleven bezittingen belandden bij het afvaldepot.

Dit alles deed me weer de nutteloosheid van mijn eigen zorgen doen inzien, de kleine en de ‘grote’. Over zestig jaar loop ik ook niet meer op deze aarde rond. Angsten over mijn lichamelijke gezondheid, over of mensen me wel of niet aardig zullen vinden, over dierbare bezittingen die ik misschien in een brand kwijt zou kunnen raken, verliezen hun belang als je ze in dat licht beziet. Frustraties over mensen die zich kennelijk niets aantrekken van wat dan ook in hum omgeving; dingen die anders lopen dan ik ze had gepland… het is zinloze stress. Als ‘lesruimte’ vormen ze mooie gelegenheden voor vergeving, maar dergelijke lessen herinneren me er ook weer aan hoeveel sporten op de ladder ik nog te gaan heb voordat ik bereik wat Een cursus in wonderen de ‘werkelijke wereld’ noemt.

Als mensheid klampen we ons wanhopig vast aan ons korte bestaan in de tijd. We proberen dingen te construeren die blijven. En toch weten we dat zelfs ‘wereldwonderen’ zoals de Taj Mahal en de piramides bij Giza over een paar duizend jaar waarschijnlijk verdwenen zullen zijn. “All things must pass” (Alle dingen moeten voorbijgaan), zong George Harrison al in 1970, middenin de periode van het optekenen van Een cursus in wonderen door Helen Schucman en Bill Thetford. We weten dat alles en iedereen aftakelt, wegkwijnt en sterft. Omdat we niet beter weten, aanvaarden we verval als een onontkoombare kosmische wet; we proberen het beste te maken van de korte tijd die ons gegeven is. Op z’n best hopen we op een nieuwe kans in een volgend leven.

Het is Jezus’ formidabele taak om zijn studenten ervan te overtuigen dat niet alleen deze hele wereld en het hele universum tragische vergissingen zijn, letterlijk een koortsachtige nachtmerrie, maar ook dat er iets veel, veel beters is dat onze dagelijkse ervaring zou kunnen zijn, als we ervoor zouden kiezen een ander doel in het leven te zien. Hoewel Jezus weet dat deze keuze in werkelijkheid allang is gemaakt, omdat hij buiten de droom van tijd en ruimte staat, geloven alle slapende broeders in de tijd nog steeds dat dit aftakelende lichaam alles is wat ze hebben. Hun ervaring, zoals Jezus het beeldend verwoordt in hoofdstuk 13, is dat “hun groei gepaard [gaat] met lijden, en ze leren wat leed is, afscheiding en dood. Hun denkgeest lijkt opgesloten in hun hersenen, en de krachten daarvan lijken af te nemen wanneer hun lichaam pijn lijdt. Ze lijken lief te hebben, maar ze verlaten en worden zelf verlaten. Wat ze liefhebben, schijnen ze te verliezen, wellicht de meest krankzinnige overtuiging van al. En hun lichamen kwijnen weg, hun adem stopt en ze worden onder de grond gelegd, en zijn niet meer. Niet één van hen die niet gedacht heeft dat God wreed is.” (T13.In.2:6).

Een belangrijke kwaliteit van Een cursus in wonderen is ongetwijfeld dat hij zijn studenten bewust maakt van de alles doordringende kracht van projectie: de dynamiek van het buiten jezelf zien van allerlei vormen van pijn in jezelf, daarmee hopend er zo vanaf te zijn. Deze wereld begon vanuit de ontologische veronderstelling dat we los van onze Schepper zouden kunnen leven, en Hem dus zouden kunnen verlaten. Omdat het schuldgevoel over deze ‘kardinale zonde’ te erg is om onder ogen te zien, projecteren we deze weg, in de magische hoop dat als we die schuld onderdrukken, die ook verdwenen zal zijn (wat natuurlijk allerminst het geval is). Dus door projectie lijkt het nu dat God ons verlaten heeft. Vervolgens vertellen we onszelf ofwel dat God waarschijnlijk niet bestaat, ofwel dat we ontzettend zondig zijn, en smeken we ons Schepper om genade als we sterven, omdat we onszelf ons hele leven zo hebben opgeofferd. Maar wat we ook verkiezen te denken: zolang we nog geloven dat we een lichaam zijn regeert het ego, waarmee we ons pijnlijke voortbestaan in de tijd en de ruimte en in afgescheidenheid zekerstellen.

Veel in deel 2 van het Werkboek van Een cursus in wonderen is erop gericht ons te helpen een andere keuze te maken, zodra we eenmaal de tragische vergissing inzien van het vergeten te lachen om het ‘nietig, dwaas idee’ (T27.VIII.6:2) van het autonoom op onszelf willen zijn. Zoals les 327 ons belooft: “Er wordt mij niet gevraagd om verlossing aan te nemen op grond van een ongefundeerd geloof. Want God heeft beloofd dat Hij mijn roep zal horen en mij Zelf antwoord geven. Laat me slechts op grond van mijn ervaring leren dat dit waar is, en vertrouwen in Hem zal zeker tot me komen. Dit is het vertrouwen dat stand zal houden en me steeds verder en verder zal brengen op de weg die tot Hem leidt.” (Wd2.327.1:1). We moeten echter wel willen roepen en het antwoord willen horen. Om in alle eerlijkheid een dergelijke bereidheid te cultiveren kost tijd, zoals de metaforische passage “de weg die tot Hem leidt” duidelijk benadrukt.

In Een cursus in wonderen onderwijst Jezus ons dat God ons niet heeft verlaten. Het Laatste “Oordeel” van onze Schepper is slechts dit: “Jij bent nog altijd Mijn heilige Zoon, voor immer onschuldig, eeuwig liefdevol en eeuwig geliefd, even onbegrensd als jouw Schepper, totaal onveranderlijk en voor altijd zuiver. Ontwaak daarom en keer terug tot Mij. Ik ben jouw Vader en jij bent Mijn Zoon.” (Wd2.10.5:1-3). Waar Jezus aan toevoegt: “Wijs Liefde niet af. Onthoud dit: wat je ook over jezelf denkt, wat je ook over de wereld denkt, jouw Vader heeft jou nodig en zal je roepen tot jij ten langen leste in vrede tot Hem komt.” (LvG3.IV.10:6-7). Dat is geen oproep uit een soort hoge Hemel, want God  (Liefde) is nu al aanwezig in ieders denkgeest, hoewel diep begraven: “Want dieper nog dan het fundament van het ego, en veel sterker dan dat ooit zal zijn, brandt jouw intense liefde voor God, en die van Hem voor jou.” (T13.III.2:8). Dit is wat het ego voortdurend probeert te onderdrukken.

Een cursus in wonderen is een leerplan voor het trainen van onze gedachten. De Cursus bekommert zich niet om theologische spinsels: “Deze cursus is altijd praktisch.” (H16.4:1). Jezus realiseert zich maar al te goed dat wij echt niet ons denken zullen veranderen enkel en alleen omdat hij ons vraagt hem op zijn blauwe ogen te geloven (als hij die al zou hebben). Veel van zijn curriculum gaat over het elke dag weer eerlijk leren kijken naar alle pijn in de denkgeest, zonder onszelf te veroordelen, om vervolgens de Heilige Geest om hulp te vragen in het maken van een betere keuze, één die tot blijvende innerlijke vrede leidt. De belofte van God is het gevoel van innerlijke vrede dat we ervaren doordat we niet meer veroordelen: “Je hebt geen idee van de geweldige bevrijding en de diepe vrede die ontstaan wanneer jij jezelf en je broeders totaal zonder oordeel tegemoet treedt.” (T3.VI.3:1).

Eigenlijk is de uitnodiging van Jezus aan ons zoiets als: “Kijk eens goed naar jouw keuze om het ego te volgen. Laten we eerlijk zijn: die leidt steeds weer tot teleurstelling. Waarom zou je mijn alternatief niet eens proberen? Doe de test [d.w.z., het oefenen in onvoorwaardelijke vergeving]. Ervaar hoeveel beter je je voelt. Je kunt altijd weer terug naar veroordeling; niemand dwingt je. Maar het kan beslist geen kwaad om mijn weg naar geluk te proberen.” En inderdaad, veel studenten merken dat hoewel de tekst nogal vaag en abstract overkomt, de ervaring van innerlijke die volgt op ware vergeving onmiskenbaar en onweerstaanbaar is. En dat is wat hen doet blijven oefenen met de Cursus. Aangezien de enige vrijheid van de slapende Zoon van God bestaat uit de vrije keuze wanneer hij besluit in vreugde te ontwaken uit de droom, waarom dan niet vroeger dan later? Probeer Jezus’ advies over het stoppen met veroordelen vandaag nog, en ervaar de innerlijke vrede die blijvend is; de overtuigende vrede die het einde aankondigt van alle geloof in zoiets als de dood.

— Jan-Willem van Aalst, september 2017 (vertaling van: https://miraclesormurder.wordpress.com/2017/09/02/the-price-of-death/)