Verkeerswoede als les

Wat is gewoonlijk jouw reactie als je wordt afgesneden op de snelweg? voor velen komt het neer op een combinatie van aanvankelijke schrik (want ja, het verkeer staat hoog op de lijst van doodsoorzaken) en vervolgens woede. Misschien merk je bij jezelf gedachten in de trant van: “Hoe durf je anderen zo in gevaar te brengen? Je eigen leven op het spel zetten is één ding, maar je hebt geen recht om het mijne in gevaar te brengen! Hork! Is een beetje fatsoen op de weg teveel gevraagd? Toon wat respect!” Kortom, de tirade richt zich in het algemeen volledig op de ‘dader’, totdat het adrenalineniveau weer een beetje wil zakken.

Weinigen realiseren zich dat je met dergelijke reacties, hoe begrijpelijk ook, eerst en vooral jezelf aanvalt, terwijl er bij de ‘dader’ helemaal niets verandert. Op fysiek niveau zou je er van staan te kijken hoeveel ‘giftige’ stoffen je hersenen je bloedbaan insturen door de schrik en woede. ‘Goed voor je lichaam zorgen’ gaat niet goed samen met regelmatig hoge niveaus van adrenaline en cortisol. Als je je volledig zou realiseren dat schrik en woede feitelijk een chemische aanval op je eigen lichaam zijn, zou je je misschien wel twee keer bedenken om steeds zo boos te worden. Misschien zeg je dat de cortisol in je bloedbaan veroorzaakt werd door de bestuurder die jou afsneed, en dat het niet jouw eigen keuze was. Maar is dat zo?

Een cursus in wonderen onderwijst ons dat er geen wereld is (WdI.132.3.2:1), en dat woede nooit gerechtvaardigd is, maar de Cursus zou niet erg behulpzaam zijn als die het daarbij zou laten. In Een cursus in wonderen spoort Jezus ons aan om onze gevoelens niet te ontkennen of te onderdrukken, maar om de denkgeest te trainen om te leren kijken naar onze interpretatie van de situatie — van een afstandje, zonder oordeel. Om ons vervolgens dit citaat weer te herinneren: “Projectie maakt waarneming“. (T13.V.3:5; T21.In.1). Dit biedt ons een geheel ander referentiekader om onze woede over het afgesneden te worden opnieuw te bekijken. Je ‘eis’ om opgemerkt en met respect behandeld te worden, komt blijkbaar voort uit de projectie van iets anders. Als goede Cursusstudenten weten we natuurlijk wat dat ‘iets anders’ is we eisen opgemerkt en met respect behandeld te worden door God, wat Hij steeds maar niet doet. “Je was in vrede tot je om een speciale gunst hebt gevraagd. En God heeft die niet verleend, want het verzoek was Hem wezensvreemd, en je kon zoiets niet vragen van een Vader die Zijn Zoon waarlijk liefheeft. Daarom heb jij van Hem een liefdeloze vader gemaakt, en van Hem geëist wat alleen een dergelijke vader geven kon.” (T13.III.10:2-4). En dus vinden we iedereen die ons niet opmerkt en met respect behandelt, liefdeloos en schuldig.

Vaak komt er nog een extra projectie bij als het om autoriteitsfiguren gaat, gewoonlijk onze ouders. Mensen die in hun vroege kindertijd weinig aandacht van hun ouders kregen, hebben de neiging sneller van streek te raken als familie, vrienden of collega’s ze niet steeds respect en aandacht geven. Ook deze projectie gaat terug naar het ontologische ogenblik dat wij (als de slapende Zoon van God) ogenschijnlijk het idee van autonomie serieus leken te nemen, en van God eisten dat Hij ons bestaan erkende, wat Hij natuurlijk niet doet. De realiteit van de waarheid is onveranderlijk, zonder concepten, zonder enig onderscheid, zonder iets dat zich gewaar kan zijn van iets anders. De Zoon van God kan dromen dat hij iets wenst dat niet in lijn is met de Wil van zijn Schepper, maar hij kan dat niet tot werkelijkheid maken. “De denkgeest kan denken dat hij slaapt, maar dat is alles. Hij kan niet veranderen wat zijn waaktoestand is.” (WdI.167.6:1)

We blijven ons koppig vastklampen aan deze nachtmerrie van schijnbare autonomie, totdat de pijn ons teveel wordt. Herinner je de troostende woorden uit hoofdstuk 2: “Je mag dan veel pijn kunnen verdragen, maar daaraan is een grens. Uiteindelijk begint iedereen in te zien, hoe vaag ook, dat er een betere manier moet zijn. Wanneer dit inzicht vastere grond krijgt, wordt het een keerpunt. Dit laat geestelijke visie uiteindelijk opnieuw ontwaken en tegelijk de investering in de fysieke blik afnemen.” (T2.III.3:1). Velen hebben dit keerpunt ervaren, gewoonlijk na een intens pijnlijke ervaring, hetzij fysiek, mentaal, financieel, sociaal, of emotioneel. Als Een cursus in wonderen zich op hun levenspad aandient, beginnen ze zich te realiseren dat vergeving het betere pad is. Maar ze gaan zich ook realiseren dat vergeving, zoals Jezus dat onderwijst, iets heel anders is dan hoe zij er tot dan toe over dachten.

Als jij op de snelweg merkt dat je wordt afgesneden, en je hebt jezelf aangeleerd om direct iets te denken zoals: “Ja, je hebt me afgesneden, hufter, maar ik ga je vergeven omdat ik spiritueel verder ben dan jij, en ik ga mezelf niet aanvallen om wat jij mij hebt aangedaan”, dan hou je jezelf voor de gek. Zoals Jezus uitlegt in de “Psychotherapie” aanvulling (vanaf de derde editie in het boek opgenomen), komt dit neer op “vergeving-ter-vernietiging” (P.II.2). Door mijn eigen waardigheid boven die van jou te stellen, zeg ik eigenlijk dat ik Gods liefde waardig ben, en jij niet. Bovendien stel ik dat ik in staat ben om te oordelen wie waardig is en wie niet. En nog erger: ik ben er nog steeds rotsvast van overtuigd dat anderen fundamenteel verschillen van mijn eigen glorieuze zelf. Dat is natuurlijk niet het ideale uitgangspunt om ware vergeving mee te oefenen.

“Er moet vooral worden opgemerkt dat God slechts één Zoon heeft. Als al Zijn scheppingen Zijn Zonen zijn, moet elk een integraal deel van het gehele Zoonschap uitmaken. Het Zoonschap in zijn Eenheid overstijgt de som van zijn delen.” (T2.VII.6:1-3). Ware vergeving is alleen mogelijk als ik me realiseer dat iedereen dezelfde Zoon van God is, ongeacht het gedrag wat ik waarneem. Als ik mijn denkgeest kan trainen om elk gedrag vanuit dergelijke spirituele visie te bezien, dan kan ik de betekenis van wat ik waarneem veranderen in ware perceptie: “Hij is op dat moment misschien niet verstandig, en het staat vast dat hij niet verstandig zal zijn zolang hij vanuit het ego spreekt [of handelt]. Maar het is nog altijd jouw taak hem te zeggen dat hij juist is. Je zegt hem dat niet met zoveel woorden als hij onzin praat. De correctie die hij nodig heeft, ligt op een ander vlak, omdat zijn vergissing op een ander vlak ligt. Hij is nog altijd juist, omdat hij een Zoon van God is. Zijn ego is altijd mis, wat het ook zegt of doet. Als jij op de fouten van je broeders ego wijst, moet je daar wel met het jouwe naar kijken, want de Heilige Geest neemt zijn vergissingen niet waar.” (T9.III.2:5-3:1).

Het is niet Jezus’ bedoeling om ons schuldig te laten voelen, telkens als we schrik of woede ervaren als we worden afgesneden op de snelweg, omdat we nu eenmaal nog vasthouden aan ons geloof in een afgescheiden bestaan. Het mooie aan Een cursus in wonderen als spiritualiteit is dat die niet van ons vraagt onze ervaringen in de dualiteit te ontkennen of te onderdrukken. De Cursus biedt ons een zeer doeltreffende manier om onze denkgeest te trainen voor vrede te kiezen waar we voorheen voor pijn kozen, door alles wat ons overkomt te herinterpreteren als een nuttige les in het lokaal dat we ‘dualiteit’ noemen. Dus de volgende keer dat ik word afgesneden op de snelweg, neem ik mij voor om mezelf niet schuldig te voelen over mijn schrik of boosheid, maar zal ik proberen iets sneller het punt te bereiken waarop ik mijn emoties zonder oordeel kan gadeslaan, en concluderen: “Ah, daar ga ik weer. Laat ik mij weer eens beseffen hoe gehecht ik nog steeds ben aan mijn individualiteit en persoonlijkheid. Dat is oké voor nu. Ik heb zojuist een vergevingsles aangeboden gekregen in de lesruimte van mijn leven.” In die lesruimte hebben we een bijzonder behulpzame gids, genaamd de Heilige Geest (je mag ook Jezus kiezen, als manifestatie van de Heilige Geest). Nodig hem uit door tegen jezelf te zeggen: “Beste Heilige Geest (of Jezus), help me alsjeblieft dit anders te bezien. Ongeacht welk gedrag ook, deelt iedere schijnbaar afgescheiden Zoon van God nog steeds dezelfde Bron, dezelfde Identiteit. Help me om voor vrede te kiezen in plaats van voor pijn. Help me alsjeblieft deze les werkelijk te leren.”

De keuze om veroordeling los te laten is de keuze voor de Heilige Geest. Probeer het eens zodra je weer de weg opgaat. Kies ervoor een gelukkige leerling van Jezus’ leerplan te zijn. Ervaar de innerlijke vrede, telkens als het je lukt om de les toe te passen. Een dergelijke verandering van gedachten weerspiegelt zich beslist in je lichaam, omdat de kwaliteit van de chemische samenstelling van je bloed veel beter zal zijn. En mocht het je vandaag toch niet lukken, dan kun je in elk geval je voornemen versterken om het de volgende keer nog eens te proberen, omdat je nu beseft dat de pijn van veroordeling nergens meer toe dient. Dit is een leerplan dat iedereen uiteindelijk gegarandeerd onder de knie zal krijgen. Het is aan jou hoe lang je erover doet om het leerplan af te ronden. “Het is slechts een kwestie van tijd tot iedereen de Verzoening heeft aanvaard. Door de onvermijdelijkheid van de uiteindelijke beslissing kan dit in tegenspraak lijken met de vrije wil, maar dat is niet het geval. Je kunt tijd rekken en je bent tot immens uitstel in staat, […] Maar de uitkomst is zo zeker als God.” (T2.III.3:1). Dus waar wachten we nog op?

— Jan-Willem van Aalst, april 2017 (vertaling van https://miraclesormurder.wordpress.com/2017/04/22/road-rage-as-a-classroom/)

Advertenties

Depressie in vertrouwen loslaten

Vrijwel alle toegewijde studenten van Een cursus in wonderen ervaren in hun beoefening van Jezus’ leerplan vroeg of laat een diep gevoel van teleurstelling. De ogenschijnlijke eenvoud van Jezus’ pleidooi om ervoor te kiezen geen verschillende belangen meer te zien, om onze broeders ‘lelies van vergeving’ te bieden waar we ze voorheen veroordeelden, vanuit het bewustzijn dat niets en niemand macht over ons denken heeft als we daarvoor kiezen, blijkt toch minder eenvoudig te zijn dan we dachten. Herinner jij je nog de laatste keer dat je merkte hoe snel je weer terugviel in ego-modus omdat er iets onverwachts gebeurde, of omdat iemand iets ‘volstrekt onacceptabels’ deed? Hoe vaak ik mezelf ook voorneem om de volgende keer in ‘juist gericht denken’ te blijven, soms lijkt het wel dat mijn spirituele groei zo langzaam gaat dat ik misschien nog wel een dozijn levens nodig heb voordat ik werkelijk de keuze maak die Jezus van mij vraagt. Dat ik nog veel intenser aan mijn ego gehecht ben dan ik voor mogelijk hield zou een waardevol inzicht moeten zijn, maar in de praktijk voelt het eerder als teleurstelling dan als vreugde.

Een cursus in wonderen gaat niet primair over liefde; het is een leerplan om alle blokkades ongedaan te maken die we tegen liefde hebben opgeworpen (T16.IV.6). Dergelijke blokkades zijn ons niet zomaar overkomen. We hebben ze zelf opzettelijk gemaakt, in een dwaze poging om ons de plaats van onze Schepper toe te eigenen; om God de laan uit te sturen en ons eigen koninkrijkje te regeren. Omdat we ons schuldgevoel over die aanval naar buiten projecteren, verwachten wij voortdurend aangevallen te worden, en dat ervaren we dan ook. Temidden van onze niet-aflatende zoektocht naar geluk in ons leven (wat we natuurlijk nooit vinden), is pijn nooit ver weg. In plaats van dergelijke pijn te verdoven (waar we allemaal erg goed in zijn geworden), nodigt Jezus ons uit om in alle eerlijkheid de waardeloosheid van onze hallucinaties onder ogen te zien, om vervolgens de ‘andere weg’ te kiezen, zoals Bill Thetford en Helen Schucman besloten te doen in 1965, het gezamenlijk besluit dat het proces van het optekenen van de Cursus in gang zette.

In Een cursus in wonderen vraagt Jezus ons om alles waar wij nu nog zo aan hechten, uiteindelijk in blijdschap los te laten. Stap voor stap wordt ons uitgelegd dat wij nog niet in staat zijn om het verschil te zien tussen wat waardevol is en wat zonder waarde is (WdI.133). “Zoek niet buiten jezelf. Want dat is tot mislukken gedoemd, en je zult tranen storten elke keer dat een afgod valt,” zo lezen we in (T29.VII.1). Met groot geduld helpt Jezus ons in het omkeren van voorgrond en achtergrond: al ons bezit, al onze passies en speciale haat- en liefdesrelaties die in ons leven op de voorgrond staan, gaan ons geen blijvende innerlijke vrede brengen, en zouden dus naar de achtergrond moeten mogen verdwijnen. Onze schijnbaar diep begraven, maar springlevend verlangen naar de Liefde van God, die we tot uitdrukking brengen door iedereen op dezelfde, oordeelloze manier te zien, zou veel meer naar de voorgrond moeten mogen komen. Jezus belooft ons dat dit de weg naar de blijvende innerlijke vrede van de werkelijke wereld is, waarin “geen enkel plekje duisternis nog overblijft om het gelaat van Christus voor wie ook te verbergen.” (T31.VIII.12:5). De werkelijke wereld is de toegangspoort tot de Hemel, ons ware Thuis. Jezus belooft ons dat aan het einde van deze ‘reis zonder afstand’ wij zullen “verdwijnen in de Tegenwoordigheid achter de sluier, om niet verloren te zijn maar gevonden; om niet gezien te worden maar gekend.” (T19.IV-D.19:1).

Kunnen wij ons een voorstelling maken van hoe de Hemel (die “geen plaats [is], en evenmin een toestand. Het is louter een gewaarzijn van volmaakte Eenheid”, T18.VI.1:5) is? Nee, onze lineair geprogrammeerde hersenen zijn hiertoe niet in staat. Jezus doet een poging in werkboekles 107: “Probeer je een moment te herinneren – misschien een minuut, zelfs minder misschien – waarop niets jouw vrede kwam verstoren, waarop je er zeker van was dat jij bemind en veilig was. Probeer je dan voor te stellen hoe het zou zijn wanneer dat moment werd uitgebreid tot het einde der tijden en tot in eeuwigheid. Laat dan het gevoel van rust dat je voelde honderdmaal vermenigvuldigd worden en dan opnieuw honderdmaal. En nu heb je een beetje een idee, niet meer dan slechts een uiterst vage aanduiding, van de staat waarin je denkgeest zal verkeren wanneer de waarheid gekomen is.” (WdI.107.2). Allemaal leuk en aardig, maar de ‘prijs’ die ik hiervoor zal moeten betalen is het opgeven van alles waar ik nu nog zo aan hecht. Ben ik bereid die prijs te betalen? Als ik heel eerlijk naar mezelf toe ben, dan is het antwoord vooralsnog “nee”: ik geef nog nog steeds de voorkeur aan mijn eigen afgoden in de dualiteit van tijd en ruimte, hoeveel pijn die afgoden soms ook lijken te veroorzaken.

Zolang ik denk dat Jezus alles van mij af wil nemen, met alleen een of andere vage belofte aan ‘iets’ beters als alternatief, zolang zal ik niet gemotiveerd zijn om zijn Cursus werkelijk te leven. Dat kan makkelijk tot depressiviteit leiden. Om echt gemotiveerd te zijn moet een veel dieper verlangen wakker gemaakt worden en op de voorgrond komen. De ‘moeilijkheid’ voor Jezus als leraar is dat dit ‘diepere verlangen’ zo enorm abstract is. Het is voor het ego bepaald niet moeilijk om ons te verleiden in de zeer concrete wereld te blijven van de zeer specifieke zoektocht naar vervulling in tijd en ruimte. Daarom bevat Een cursus in wonderen een Handleiding voor leraren. Een belangrijk onderdeel daarin betreft het ontwikkelen van vertrouwen. Om een Leraar van God te zijn, iemand die in de ‘waakdroom’ als rolmodel voor anderen het juist-gericht denken in de praktijk van dag tot dag toepast, moeten we Jezus volledig willen vertrouwen. Het opvolgen van Jezus’ advies om alles waar ik nog aan hecht in blijdschap los te laten in ruil voor iets vaags, zal ik alleen doen als ik hem en zijn boodschap volledig wil vertrouwen.

Hoe helpt Jezus ons in het ontwikkelen van dat benodigde rotsvaste vertrouwen, om de motivatie te vinden zijn Cursus daadwerkelijk te leven? Eerst en vooral door te benadrukken dat vertrouwen niet over intellectueel begrip gaat, maar over ervaring: “De leraren van God hebben vertrouwen in de wereld, omdat ze hebben geleerd dat die niet wordt geregeerd door wetten die de wereld heeft ontworpen. Ze wordt geregeerd door een kracht die in hen maar niet van hen is. […] Het is dankzij deze kracht dat de leraren van God een vergeven wereld zien. Wanneer deze kracht eenmaal is ervaren, is het onmogelijk nog op je eigen onbeduidende vermogens te vertrouwen.” (H4.I.1:4). Vervolgens beschrijft Jezus de stadia die studenten doormaken om de ‘verschuiving’ van voorgrond en achtergrond te bewerkstelligen, zoals hierboven beschreven. Het ontwikkelen van rotsvast vertrouwen kent allerlei perioden. Deze zijn niet strikt lineair (opeenvolgend). Ze beschrijven in algemene zin het proces van het loslaten van afgoden, en hoe dat van pijnlijk naar dankbaar verschuift. Laten we die stadia kort bekijken.

Jezus beschrijft de eerste periode als een periode van ongedaan maken. Hoewel we spiritueel actief zijn, worden we nog steeds diep geraakt door wat we beschouwen als verlies – het overlijden van een geliefde; een ernstige ziekte; ontslag; oorlog; noem maar op. “Het lijkt alsof er dingen worden weggenomen, en aanvankelijk wordt zelden begrepen dat men slechts hun gebrek aan waarde begint in te zien. […] En dus zal het plan soms veranderingen vragen in wat uiterlijke omstandigheden lijken te zijn. Deze veranderingen zijn altijd behulpzaam.” (H4.I.3). De les in deze eerste periode is dus om te aanvaarden dat elke verandering, mits goed beschouwd, als behulpzaam zou kunnen worden ervaren. Op dit punt schiet de metafysica van de Cursus ons te hulp. Die brengt ons in een positie om correct onderscheid te leren maken tussen wat waardevol is en wat zonder waarde is (de tweede periode). “Zonder waarde” is alles wat ons vasthoudt in deze droomwereld van tijd en ruimte. “Waardevol” is alles wat ons helpt onze ego-identificatie met de droomwereld los te laten. Zo leren we ons lichaam waar wij ons nog zo innig mee identificeren, heel anders te zien, hoewel we ons nog steeds niet goed kunnen voorstellen, laat staan ervaren, wat onze realiteit als geest werkelijk inhoudt.

In de derde periode, “een periode van loslaten”, neigen we ertoe om ‘loslaten’ gelijk te stellen aan ‘het begerenswaardige opgeven’. “Weinig leraren van God ontkomen volledig aan dit verdriet. […] Daarom zal [deze] periode er waarschijnlijk een zijn waarin de leraar van God zich geroepen voelt zijn eigen hoogste belang op te offeren ten gunste van de waarheid.” (H4.I.5). Voor veel Cursusstudenten een maar al te bekend gevoel! In de werkboeklessen wordt ons gevraagd om de oefeningen gewoon uit te voeren, ondanks de weerstand die we erover voelen: “Je hoeft de ideeën niet te geloven, je hoeft ze niet te aanvaarden, laat staan toe te juichen. Tegen een aantal ervan zul je je misschien heftig verzetten. Dit alles is niet van belang en zal hun uitwerking niet verminderen. Maar sta jezelf niet toe uitzonderingen te maken in de toepassing van de ideeën die het werkboek bevat, en – wat je reacties op de ideeën ook mogen zijn – gebruik ze.” (WdI.in.9). De grote ‘eye-opener’ is dat we, tot onze grote verrassing, op deze manier een gevoel van innerlijke vrede vinden: “Hierdoor leert hij dat waar hij verdriet verwachtte, hij daarentegen een opgewekte lichthartigheid ontdekt, en waar hij dacht dat er iets van hem werd gevraagd, hem juist een geschenk wordt gegeven.” (H4.I.5:8). Wellicht herken je wel het gevoel van diepe innerlijke vrede dat jou overspoelde toen je iets waar je erg gehecht aan was, werkelijk kon loslaten omdat je besefte dat het er feitelijk niet toe deed. Deze Cursus werkt echt!

Dit luidt de vierde periode in, “een periode van stabilisatie”. We beginnen in te zien wat werkelijk waarde heeft. “De mogelijkheden hiervan zijn letterlijk duizelingwekkend en de leraar van God is nu op een punt in zijn voortgang gekomen waarop hij hierin zijn volledige uitweg ziet. ‘Geef op wat je niet wilt en behoud wat je wel wilt.’ Zo eenvoudig is het voor de hand liggende! En zo makkelijk uit te voeren!” (H4.I.6). En toch is het onvermijdelijk dat we juist nu gaan beseffen dat we ons nog steeds vastklampen aan het verlangen om een uniek individu te zijn. Nu pas zijn we toe aan een heel ander begripsniveau over wat waardevol is en wat niet. Kenneth Wapnick legde menigmaal uit dat Een cursus in wonderen niet gaat over ons zelf ‘beter’ maken, of een gelukkiger persoon worden. De persoonlijkheid die wij menen te zijn is feitelijk zonder waarde. Wat waardevol is, is het werkelijk loslaten van gehechtheid aan het ego, wat neerkomt op het opgeven van alle veroordeling. Aanvankelijk kan dit een zeer deprimerende ervaring zijn, soms bestempeld als “de donkere nacht van de ziel”, omdat de ware aard van onze Identiteit als geest nog steeds zo abstract lijkt. Het is de concrete ervaring van innerlijke vrede die het serieus uitvoeren van de werkboeklessen ons brengt, dat ons vertrouwen in Jezus voedt. Zoals Jezus zelf beaamt: “Werd niet elke stap in deze richting zo nadrukkelijk bekrachtigd, dan zou het inderdaad moeilijk zijn!” (H4.I.7:9). Deze ervaring van innerlijke vrede leidt uiteindelijk tot de kalmte die karakteristiek is voor de laatste periode van het ontwikkelen van vertrouwen. In dit vertrouwen kan ik al mijn gehechtheden en mijn persoonlijkheid in dankbaarheid loslaten, zonder er depressief over te worden. Concluderend: blijf vooral die verrekte werkboeklessen oefenen; niet voor één jaar, maar de rest van je leven. De vruchten die je daar van plukt zijn de ervaringen van vrede die je doen beseffen dat je vertrouwen in Jezus als gids volkomen gerechtvaardigd is.

— Jan-Willem van Aalst, april 2017 (vertaling van https://miraclesormurder.wordpress.com/2017/04/15/relinquishment-depression-and-trust/)

 

Een koninkrijk om te regeren

Eén van de meer geliefde cantates van Johann Sebastian Bach is Bwv.82 (uit 1727), genaamd “Ich habe genug”, wat zich vertaalt als “I heb genoeg”, in de zin van “Ik ben content.” Het is niet een bombastische, glorieuze hymne die de Hemel prijst; in tegendeel, het is een tamelijk persoonlijke en introspectieve compositie, meer voor bij het haardvuur, terwijl je het leven overdenkt. De zanger besluit “Ik heb genoeg” omdat hij Jezus als zijn verlosser heeft om zijn leven te leiden; meer heeft hij niet nodig. Aan het einde van de cantate concludeert hij zelfs dat de fysieke dood hierdoor niet meer van belang is.

Het onbewuste ego is het hier echter volstrekt niet mee eens. “Wees niet zo dwaas”, horen we dat boze stemmetje blazen, “er is zo’n beetje overal gebrek aan. Want zie: dag in dag uit werk je ontzettend hard, en toch is er maar net genoeg geld voor voedsel en onderdak. Maar los van dergelijke basisbehoeften is het echte gebrek nog veel erger. Geef maar toe dat jij je voortdurend onrustig en onvervuld voelt! Al die zogenaamde vrienden van jou hebben de onschatbare parel gestolen die ons geluk compleet zou maken! Ze hebben onze onschuld en vrijheid gestolen door ons zonder reden aan te vallen, alleen maar omdat ze bang zijn zelf iets te zullen missen! En toen moesten we natuurlijk terugslaan! Liefde klinkt leuk, maar vroeg of laat worden we verraden. Dus hou jezelf niet langer voor de gek dat je genoeg hebt: vrede bereiken betekent je voorbereiden op oorlog. Dat is het lot van iedereen hier. En nu weer aan het werk, jij slaaf!”

Een cursus in wonderen biedt ons een echte uitweg uit dit ‘slagveld’, door ons te onderwijzen hoe we ons bewustzijn boven het slagveld kunnen brengen, en het vervolgens te bezien voor wat het is. Werkboekles 236 vat dit mooi samen in de titel: “Ik regeer mijn denkgeest, die alleen ik regeren moet.” In deze les laat Jezus ons tegen onszelf zeggen: “Ik heb een koninkrijk te regeren. Bij tijd en wijle lijkt het allerminst dat ik daarvan de koning ben. Het lijkt over mij te triomferen en me voor te schrijven wat ik moet denken, wat ik moet voelen en doen.” Jij en ik zullen vast erkennen dat er geen ziel ter wereld is die dit gevoel niet kent. En dan komt Jezus met het goede nieuws: “En toch is het mij geschonken om elk doel te dienen dat ik er maar in zie.” (Wd2.236.1)

Voor elke spirituele leerling is het een openbaring om de kracht van de denkgeest te leren ervaren, en gaandeweg te beseffen dat de kwaliteit van het leven in grote mate afhangt van de keuzes die we met de denkgeest maken. De ultieme verwoording hiervan krijgen we voorgeschoteld door Jezus in werkboekles 253, waarin hij ons het volgende laat overdenken: “Het is onmogelijk dat iets, wat ook, tot mij zou kunnen komen waar ik niet zelf om heb gevraagd. Zelfs in deze wereld ben ik het die mijn lot beheerst. Wat gebeurt, is wat ik verlang. Wat niet plaatsvindt, is wat ik niet wil dat gebeurt. Dit moet ik aanvaarden.” (Wd2.253.1) Als goede cursusstudenten weten we natuurlijk dat Jezus hiermee doelt op inhoud, niet op vorm. Uiteraard zijn jij en ik niet direct verantwoordelijk voor, laten we zeggen, een verwoestende aardbeving op een breuklijn, maar we zijn wel verantwoordelijk voor de mate van innerlijke vrede in onze denkgeest, of het gebrek daaraan. Niets of niemand heeft de macht om onze denkgeest pijn of leed te bezorgen, of geluk of vrede af te dwingen. We moeten elke staat van denken aanvaarden als onze eigen verantwoordelijkheid.

Eén van de unieke kenmerken van Een cursus in wonderen als spiritualiteit is de volstrekte consistente redenatie over waarom gebeurtenissen in de wereld irrelevant zijn voor onze staat van denken: dat is omdat er geen wereld is! (Wd1.132.6:2). Waarneming is niet hetzelfde als waarheid. Het ego probeert ons ervan te overtuigen dat dat nonsens is, want onze zintuigen vertellen ons iets anders. Het is toch waanzin om te ontkennen wat je ogen zien? En als ik mijn teen stoot tegen een rots, moet ik dan koppig volhouden dat de pijn niet echt is? Pas als we aandachtig kijken naar recent wetenschappelijk onderzoek over bijna-dood-ervaringen, waarin overlevenden verbluffende verhalen vertellen over de tijd dat ze klinisch ‘dood’ waren omdat er geen meetbare hersenactiviteit meer was, kunnen we leren openstaan voor de mogelijkheid dat denkgeest en hersenen niet hetzelfde zijn. Een moderne theorie zoals de kwantumfysica stelt zelfs dat tijd en ruimte zelf uiteindelijk onwerkelijk zijn. Maar zoiets voelt te ongemakkelijk om zomaar te aanvaarden.

Waarom voelt dat zo ongemakkelijk? Omdat het een uitweg biedt uit het koppig vasthouden aan het ‘kruis’ van het ego, waar wij ons nog steeds intiem mee identificeren. Het gehele materiële universum is een schijnbare hallucinatie over autonomie en afscheiding van God, de Schepper. Het is de ‘kwantummogelijkheid’ dat de Zoon mijmert over het scenario dat er iets beters is dan Gods Liefde, en dat de Zoon los van God beter af zou zijn. De bijna veertien miljard jaar sinds de Oerknal zijn niets meer of minder dan de film waarin dit droomscenario wordt uitgespeeld. Maar aangezien de trigger voor dit scenario neerkomt op ‘afwijzing, aanval en afscheiding’, is alles in deze droom van tijd en ruimte daarvan doordrenkt. Buiten tijd en ruimte, in de eeuwigheid, heeft helemaal niets de vrede van God en Zijn Scheppingen verstoord (Wd2.234.1). En nu hebben we Een cursus in wonderen, waarin Jezus onze pijn verzacht door uit te leggen dat dit [d.w.z. alle leed] niet zo hoeft te zijn (T4.IV.3). Onze denkgeest is krachtig genoeg om te besluiten deze zotte film te bezien boven het slagveld. Zodra wij ons realiseren dat de droom niets voorstelt en dat we niet in gevaar zijn, kunnen we een betere keuze maken.

Kenneth Wapnick heeft in zijn boeken en workshops vaak benadrukt hoe belangrijk het is dat we ten volste beseffen dat jij en ik een keuzemaker zijn. Telkens als Jezus in de Cursus het ego contrasteert met de boodschap van de Heilige Geest, spreekt hij ons aan als keuzemaker. Hij nodigt ons uit om een betere keuze te maken, net als hij ooit deed: “Er is niets aan mij wat jij niet kunt bereiken. Ik heb niets wat niet van God afkomstig is. Het huidige verschil tussen ons is dat ik niets ánders heb. Daardoor verkeer ik in een toestand die in jou alleen potentieel aanwezig is.” (T1.II.3:10-13). Dit betekent dat ik tot nu toe in de war ben over wat mijn werkelijke wil eigenlijk is. Het ego is de poging om een wil te hebben die los staat van God, maar dat is alleen (schijnbaar!) mogelijk in de koortsachtige droom die we tijd en ruimte noemen. Als ik heel eerlijk naar mezelf toe ben, dan moet ik toegeven dat dit ‘experiment’ helemaal niet werkt. Ondanks mijn koortsachtige wens om autonoom te zijn, blijft mijn wil voor altijd verbonden met Die van mijn Schepper: onvoorwaardelijke Liefde. Dat is mijn wil omdat dat is wat ik ben. In werkelijkheid is het koninkrijk van mijn denkgeest één met het Koninkrijk van de Hemel, omdat er in werkelijkheid niets buiten de Hemel bestaat.

In hoofdstuk 6 bevestigt Jezus dit: “Nergens in het Koninkrijk heerst er enige duisternis, maar jouw rol is slechts ervoor te zorgen dat er geen duisternis in je eigen denkgeest heerst. Deze afstemming op het licht is onbeperkt, want ze is op het licht van de wereld afgestemd. Ieder van ons is het licht van de wereld, en door onze denkgeesten in dit licht met elkaar te verbinden, verkondigen wij tezamen en als uit één mond het Koninkrijk van God.” (T6.II.13:3). Ik heb dus inderdaad een koninkrijk om te regeren. Gelukkig wordt het regeren daarvan gemakkelijk als ik de Heilige Geest aanstel als mijn koninklijke raadsheer. Als de heerser van mijn eigen denkgeest is het mij gegeven om tijd en ruimte boven het slagveld te bezien, zonder veroordeling, om vervolgens alle waargenomen pijn over te dragen aan Jezus (of de Heilige Geest), waarmee ik mijn denkgeest reinig. Wat overblijft is blijvende innerlijke vrede.

Natuurlijk zullen er nog steeds verwoestende aardbevingen zijn. We zullen absoluut mensen tegenkomen die ons in de steek laten. Het fysieke lijf zal onontkoombaar aftakelen en sterven. Dit alles maakt niet meer uit, zodra we aanvaarden dat wij de enige heerser zijn over de staat van de denkgeest. “Als je denkt dat wat jij gemaakt hebt jou kan vertellen wat jij ziet en voelt, en jij geloof stelt in zijn vermogen dit te doen, verloochen jij je Schepper en geloof je dat jij jezelf hebt gemaakt. Want als je denkt dat de wereld die jij gemaakt hebt de macht heeft van jou te maken wat zij wil, dan verwar je de Zoon met de Vader, het gevolg met de Bron.” (T21.II.11:3). Laten we dankbaar zijn dat dit zo is, en onze dagen doorbrengen in het besef dat we de wereld wel ervaren, maar dat we er niet van zijn. Door het advies van de Heilige Geest te volgen, zullen we vergeven waar we voorheen veroordeelden. Dat is de koninklijke weg naar innerlijke vrede! Groet jezelf als de heerser van je eigen denkgeest. Regeer uw koninkrijk met wijsheid, majesteit. Jij en ik hebben inderdaad genoeg, omdat we Jezus en de Heilige Geest hebben om ons te leiden.

— Jan-Willem van Aalst, april 2017 (vertaling van https://miraclesormurder.wordpress.com/2017/04/08/a-kingdom-to-rule/

N.B. Voor een inspirerende uitvoering van Bach’s cantate Bwv82, zie bijvoorbeeld: https://www.youtube.com/watch?v=IeuiUnMNPcI

 

 

Vals bewijs dat heel echt lijkt

Heb je wel eens een top-5 lijst gemaakt van je ergste angsten? Hoewel dit voor iedereen anders is, zien we de volgende angsten vaak hoog op de lijst staan: geconfronteerd worden met een terminale ziekte; verlies van inkomen; een natuurramp zoals een aardbeving of overstroming; verlaten worden door die speciale liefdespartner waar je je zo afhankelijk van voelt… niet voor niets is een oud-Hollands gezegde: “Een mens lijdt het meest door het lijden dat hij vreest, doch in zijn tijd nooit komen zal.” Bovendien bewijzen vele persoonlijke ontwikkeltrainingen dat we heus niet zo hulpeloos zijn als we soms denken. We kunnen veel doen om te voorkómen dat de zorgen en angsten in ons leven werkelijkheid worden.

Een cursus in wonderen bespreekt het thema ‘angst’ op diepere niveaus. Om te beginnen vertelt Jezus ons dat er slechts twee basisemoties zijn: angst en liefde (T13.V.I). Jezus doelt hier natuurlijk op inhoud. Er bestaan veel verschillende vormen van emotie, maar qua inhoud bestaan er maar twee, waarvan er maar één werkelijk is. Direct bij de inleiding van het Tekstboek vertelt Jezus ons: “Het tegendeel van liefde is angst, maar wat alomvattend is kent geen tegendeel.” (T-In.1:8). Aanvankelijk lijkt dat moeilijk te slikken. Onze angsten voelen tenslotte bijzonder echt! In hoofdstuk 13 van het Tekstboek verklaart Jezus verder: “Je hebt slechts twee emoties: een die jij gemaakt hebt [angst] en een die jou gegeven is [liefde]” (T13.V.10:1). In Een cursus in wonderen verwijst het werkwoord ‘maken’ vrijwel altijd naar illusies in de droomwereld van tijd en ruimte. Aangezien deze hele materiële wereld een verdediging van het ego tegen liefde is, bestaat ze volledig uit angst. Juist omdat angst zo echt voelt, helpt de Cursus ons onze angsten ongedaan te laten maken door ons denken te veranderen, onder leiding van de Heilige Geest, de Stem namens Liefde. Goed nieuws, maar intussen voelt de angst nog steeds heel echt aan… dus wat nu?

Om angst ongedaan te maken, moet ik eerst goed begrijpen waarom ik zo angstig ben, en waar die angst precies over gaat. Dit proces lijkt op het afpellen van de lagen van een ui. Naarmate ik de Cursus langer beoefen, ga ik inzien dat mijn angsten over een terminale ziekte, over verlies van inkomen, of verlaten worden, slechts schaduwen zijn van een veel diepere angst. Onder de oppervlakte van mijn bewustzijn blijkt een ware heksenketel met schuld te borrelen: schuldgevoel over mijn overtuiging dat ik mijn Schepper heb afgewezen en verlaten omdat ik zo graag een leven los van Hem wil. Het ego is letterlijk de gedachte van afscheiding van Eenheid. De ‘oerzonde’ van het afwijzen van ‘onvoorwaardelijke Liefde’ (een treffend synoniem voor ‘God’) moet wel leiden tot verschrikkelijke schuld — het is het meest vreselijke wat we ons kunnen voorstellen. Geen wonder dat deze schuld leidt tot angst voor vergelding door de wraakzuchtige Schepper, die volledig gerechtvaardigd is mij te straffen. Dat is een behoorlijk angstwekkende situatie waarin ik mezelf ervaar…!

De meesten van ons beseffen niet hoeveel tijd wij in ons leven besteden om bepaalde autoriteitsfiguren tevreden te houden, in de angstige hoop dat straf (pijn) ons bespaard blijft. Velen van ons lijden jarenlang volstrekt onnodig, puur om te ‘bewijzen’ dat zij medelijden verdienen en geen straf, omdat ze zichzelf al aan het straffen zijn. Daarnaast zijn we enorm vaardig in het vingerwijzen naar alle ‘kwaad’ buiten ons, wederom om te kunnen ‘bewijzen’ dat anderen zondig zijn en ik onschuldig. Ik ben overduidelijk slechts slachtoffer van krachten waar ik geen invloed op heb, dus anderen zouden gestraft moeten worden; ik heb recht op mijn plekje in de Hemel. Al deze voorbeelden illustreren slechts de dynamiek van projectie: ik voel me schuldig over het afwijzen van God, maar aangezien ik de schuld daarover te pijnlijk vind om onder ogen te zien, projecteer ik die weg uit mijn denkgeest, en zie ik alle zonde en afwijzing buiten mij (ook in God), waar ik vervolgens zo bang voor word. In vergelijking daarmee stellen mijn angsten over ziekte of geld helemaal niets voor.

Echter, zodra we denken dat we hier serieus mee aan het werken zijn, heeft Jezus een nieuwe verrassing voor ons in petto: deze geprojecteerde angst over de afscheiding is nog niets vergeleken met de angst die daaronder ligt. “Je zou zelfs zonder angst naar de donkerste hoeksteen van het ego kunnen kijken, als je niet geloofde dat je, zonder het ego, iets in jezelf zou vinden waar je nog banger voor bent. Je bent niet werkelijk bang voor de kruisiging. Je echte doodsangst betreft de verlossing.” (T13.III.1:9-11). Over deze uitspraak gaan op z’n minst de wenkbrauwen omhoog. Dit lijkt tenslotte volstrekt ridicuul. Dus ik zou er doodsbenauwd voor zijn om te horen dat mijn Schepper mij tot in de eeuwigheid liefheeft? Maar Jezus vervolgt: “Als je niet zou geloven dat je wrede wens om de Zoon van God te doden jou van de liefde zou verlossen, zou jij bereid zijn zelfs daarnaar te kijken. Want die wens heeft de afscheiding veroorzaakt, en jij hebt die beschermd omdat je niet wilt dat de afscheiding wordt geheeld.” (T13.III.2:4-5)

Ho, wacht even. Wat bedoelt Jezus met “Ik wil niet dat de afscheiding wordt geheeld”? Zijn niet al mijn inspanningen als een goede Cursusstudent er juist op gericht om de afscheiding ongedaan te maken, door ijverig mijn niet-vergevende gedachten gade te slaan, en vervolgens niet meer voor afscheiding te kiezen? Het antwoord: nee, niet zolang ik mijzelf en iedereen om me heen nog steeds zie als duidelijk onderscheidbare individuen. Hierom is het zo belangrijk om de nondualistische metafysica van Een cursus in wonderen enigszins te begrijpen. Het citaat hierboven betekent eigenlijk: “Je beschermt de afscheiding omdat je niet wilt dat jouw individualiteit eindigt.” Onze angst voor de verlossing is de angst voor Eenheid, oftewel een staat zonder individualiteit. Hoe spiritueel gevorderd ik ook inmiddels misschien ben, uiteindelijk beschouw ik mezelf nog steeds als een lichaam, los van al het andere leven. Zolang jij en ik er nog voor kiezen om over de tijd en de ruimte te dromen, betekent het concept “Een Eenheid als één verbonden” helemaal niets (T25.I.7). Ik geloof eerder dat ik in het niets zou verdwijnen als ik mijn individualiteit zou opgeven. Voor het ego is dat de hel, maar in waarheid is het de Hemel. Dus, nogmaals: wat nu?

De boodschap van Jezus’ leerplan is niet om het lichaam af te doen door zelfmoord te plegen. Zelf-aanval leidt immers alleen maar tot meer schuld, waarmee het ongedaan maken van tijd en ruimte alleen maar langer duurt (je zult nog een extra keer moeten reïncarneren alvorens je werkelijk de “betere weg” kiest). Als ik serieus ben over mijn doel om blijvende innerlijke vrede te ervaren, zal ik mijn denkgeest moeten trainen om de lagen van angst ongedaan te maken. Hiervoor moet ik de metafysische grondslag van nondualiteit aanvaarden. Ik hoef niet alle metafysische principes grondig te begrijpen (dat is vrijwel onmogelijk voor onze lineair geprogrammeerde hersenen), maar ik zou in elk geval de bereidwilligheid moeten tonen om te aanvaarden dat er iets veel beters is dan individualiteit. Twee citaten die daarbij misschien behulpzaam zijn: “Er moet vooral worden opgemerkt dat God slechts één Zoon heeft. Als al Zijn scheppingen Zijn Zonen zijn, moet elk een integraal deel van het gehele Zoonschap uitmaken. Het Zoonschap in zijn Eenheid overstijgt de som van zijn delen.” (T2.VII.6:1). En uit het werkboek: “Wij zijn de schepping, wij de Zonen van God.  We lijken elk apart te zijn en ons niet bewust van onze eeuwige eenheid met Hem. Maar achter al onze twijfels, voorbij al onze angsten is nog altijd zekerheid. Want liefde blijft bij al haar Gedachten, terwijl haar zekerheid de hunne is.  De Godsherinnering is in onze heilige denkgeest, die zijn eenheid en verbondenheid met zijn Schepper kent.” (WdII.4:1-5). Slechter nieuws dat dit kan het ego zich niet voorstellen.

Terwijl we Jezus’ leerplan doorlopen gaan we ons langzaam realiseren, zonder overspoeld te worden door schuld, hoe waar dergelijke uitspraken in feite zijn: “Jij hebt jouw hele krankzinnige geloofssysteem opgebouwd omdat je meent in Gods Tegenwoordigheid hulpeloos te zijn, en jij wilt jezelf van Zijn Liefde verlossen omdat je denkt dat die jou tot niets vermalen zou.  Je bent bang dat ze jou van jezelf weg zou vagen en jou nietig zou maken, omdat je gelooft dat grootheid in verzet besloten ligt, en aanval allure heeft. Jij denkt dat je een wereld hebt gemaakt die God zou willen vernietigen, en dat je door Hem lief te hebben, wat je doet, die wereld weg zou werpen, wat je ook zou doen. […] Waanzin kun je aanvaarden omdat jij die hebt gemaakt, maar liefde kun je niet aanvaarden, want die heb je niet gemaakt. Jij wilt liever een slaaf van de kruisiging zijn dan een verloste Zoon van God. […] Je bent meer bevreesd voor God dan voor het ego, en liefde kan niet binnengaan waar ze niet welkom is.” (T-13.III.4;5)

Juist omdat wij angst helemaal zelf hebben gemaakt, ligt het ook in onze macht om dit alles volledig ongedaan te maken, of beter: voor ons ongedaan te laten maken. Hoe? Je raadt het: vergeving, het centrale thema van Een cursus in wonderen. De sleutel heet vergeving – niet van wat ik denk dat anderen mij aandeden, maar van wat ze me niet hebben aangedaan, omdat alle kwaad buiten mij slechts een projectie is van mijn eigen niet-vergevende gedachten. Op dezelfde manier vergeef ik mijzelf (als denkgeest) voor wat ik niet heb gedaan, want de afscheiding heeft in werkelijkheid nooit plaatsgevonden, en tijd en ruimte zijn illusoir. In (T1.VI.5) lezen we: “Volmaakte liefde verdrijft angst. Als er angst bestaat, dan is er geen volmaakte liefde. Maar: Alleen volmaakte liefde bestaat. Als er angst is, brengt die een toestand teweeg die niet bestaat.

Het gaat er niet om dat we onze angstgevoelens ontkennen. Het gaat erom de werkboeklessen te oefenen om zo de denkgeest te trainen deze angstgevoelens anders te bezien. Jazeker kies ik er nog steeds voor om een droomwereld in tijd en ruimte te ervaren, maar ik kan dat vanuit juist-gericht denken doen, vanuit een houding van vergeving. Angst is eigenlijk niets meer dan ‘vals bewijs dat heel echt lijkt’. In de “Psychotherapie” aanvulling lezen we: “Niemand in deze wereld ontkomt aan angst, maar ieder kan de oorzaken daarvan opnieuw overdenken en die de juiste waarde leren verlenen. God heeft iedereen een Leraar gegeven, wiens wijsheid en hulp elke bijdrage die een aardse therapeut maar kan leveren, verre te boven gaan.” (P1.1:3). Door al mijn niet-vergevende gedachten zonder veroordeling te bezien en ze vervolgens vreugdevol aan Jezus (of de Heilige Geest) over te dragen, wordt de schuld die al deze angst voedt, eindelijk ongedaan gemaakt. En je zult merken dat zorgen over inkomen, ziekte, natuurrampen of persoonlijke afwijzing zachtjes naar de achtergrond verdwijnen, omdat het niet meer uitmaakt. Van belang is dat ik ervoor kan kiezen een gelukkige leerling van dit leerplan te zijn, wetend dat we in werkelijkheid toch al veilig Thuis zijn. De wereld van angst wordt een lesruimte in vergeving, waarin het ons gegeven is om wonderen hun werk te laten doen via jou en mij.

— Jan-Willem van Aalst, april 2017 (vertaling van https://miraclesormurder.wordpress.com/2017/04/01/false-evidence-that-appears-real/)

Het lichaam liefdevol gebruiken

Veel studenten van Een cursus in wonderen ervaren nogal wat spanning over hoe ze hun eigen lichaam zien. De zesde herhaling in het werkboek (lessen 201-220) vraagt ons tenslotte om twintig dagen achter elkaar te herhalen: “Ik ben niet een lichaam. Ik ben vrij. Want ik blijf wat ik ben, zo schiep God mij.” Passages zoals “Ik heb me vergist toen ik dacht dat ik los van God leefde, als een afzonderlijk wezen dat zich in afzondering bewoog, aan niets gebonden, en gehuisvest in een lichaam.” (WdII.223.1) lijken het lichaam niet bepaald welgezind. In plaats daarvan spoort Jezus ons aan om te kiezen voor “…de geest, en heel de Hemel buigt zich om je ogen aan te raken en je heilig zicht te zegenen, opdat je de wereld van het vlees niet meer zou zien behalve om te genezen, te troosten en te zegenen.” (T31.VI.1:8). In Een cursus in wonderen brengt Jezus ieders ambivalentie over het lichaam vol in het bewustzijn, en dat kan bij tijd en wijle als pijnlijk worden ervaren.

Hieruit volgt echter niet dat het lichaam slecht zou zijn, of dat we het zoveel mogelijk zouden moeten negeren. Integendeel; als je de citaten hierboven zorgvuldig tot je neemt, wordt het duidelijk dat Jezus ons uitnodigt om het lichaam te gebruiken om te genezen, te troosten en te zegenen. In hoofdstuk 18 lezen we de volgende zeer belangrijke passage: “Het lichaam werd niet door liefde gemaakt. Toch veroordeelt de liefde het niet en kan ze het liefdevol gebruiken, omdat ze respect heeft voor wat de Zoon van God heeft gemaakt en dit aanwendt om hem van illusies te verlossen.” (T18.VI.4:7). Deze cruciale uitspraak is wat Een cursus in wonderen onderscheidt van de meeste wereldse religies en zelfs van de meeste spiritualiteiten, waarin de zondigheid (of juist heiligheid) van het lichaam voorop staat. Jezus ziet dat anders. Het gaat niet om wat voor kenmerk van het lichaam dan ook (daar alles in de materiële wereld illusoir is); het gaat om het doel dat richting geeft aan wat we met het lichaam doen. Dit doel is altijd één van de volgende twee opties: ofwel om te verwonden, of te genezen; ofwel om aan te vallen, ofwel om lief te hebben; ofwel een wonder, ofwel moord. Zolang wij nog geloven in tijd en ruimte te leven, kunnen we het lichaam inderdaad uitstekend benutten: om te genezen, te troosten en te zegenen.

De praktische betekenis van zo’n verandering van gedachten kan enorm zijn. Velen zijn bijvoorbeeld extreem onzeker over de aantrekkelijkheid van hun eigen lichaam. Voor sommigen wordt dat een allesoverheersende dagelijkse obsessie. De commerciële glamour-wereld heeft hele generaties gehersenspoeld over wanneer je er enigszins acceptabel uitziet. Vrouwen mogen vrijwel geen vet hebben, en mannen zien er het liefst uit als Tarzan. Dergelijke gekmakende conditionering versterkt slechts de vreemde overtuiging dat om gelukkig te kunnen zijn in dit leven, je de kenmerken van het lichaam moet optimaliseren (en daaraan vooral veel geld uitgeven natuurlijk). Hoe tragisch! Pas als ik Jezus’ troostende woorden in het citaat uit hoofdstuk 18 lees, kan ik inzien dat de visuele aantrekkelijkheid van het lichaam er volstrekt niet toe doet. Misschien voldoe ik niet aan de standaard van de magazines, maar ik kan mijn lichaam nog steeds gebruiken om te genezen, te troosten en te zegenen. Dat geeft mijn leven betekenis. Ik hoef niet eens mijn ego te overstijgen om dit te kunnen doen. De keuze om iemand ergens te helpen kan ik altijd maken, hoe onbeduidend de hulp ook lijkt. In het Handboek voor leraren lezen we: “Zelfs op het niveau van de meest terloopse ontmoeting is het mogelijk dat twee mensen hun afzonderlijke belangen uit het oog verliezen, al was het maar voor een moment. Dat moment zal volstaan. Verlossing is gekomen.” (H3.2:6). Ik geloof nog steeds dat ik in een lichaam besta, maar ik koos er op dat moment voor dat lichaam liefdevol te gebruiken.

Seks is ook zo’n thema dat veel spirituele aspiranten erg ongemakkelijk doet voelen. Is seks tenslotte niet het schoolvoorbeeld van het verheerlijken van het lichaam? De meeste spirituele scholen onderwijzen dat seksuele activiteit niet echt helpt om verlichting te bereiken. Ook Een cursus in wonderen lijkt ons te onderwijzen dat de speciale (lichamelijke) relatie feitelijk een kannibalistisch ritueel is met als doel om uit de ander te graaien wat we in onszelf lijken te missen om vervulling te ervaren. We houden onszelf compleet voor de gek wanneer we “seks” gelijkstellen aan “liefhebben”. Seks is primair ego-gedreven. Dat betekent echter niet dat liefhebben, als in het verbinden van denkgeesten, niet mogelijk is bij seks. “Bedenk dat liefde inhoud is, en geen vorm, van welke soort ook. De speciale relatie is een ritueel van de vorm, dat erop aanstuurt de vorm te verheffen zodat die ten koste van de inhoud de plaats van God in kan nemen. De vorm heeft geen betekenis en zal die ook nooit hebben.” (T16.V.12). Het gaat er dus om je niet langer schuldig te voelen over de vorm van het ritueel (seks, in dit geval) maar je louter te richten op de inhoud ervan, wat idealiter neerkomt op het doel van ware liefde, de verbintenis van twee schijnbaar afgescheiden denkgeesten, waarmee de afscheiding ongedaan gemaakt wordt. Dus zelfs bij seks kan de focus verschuiven van het lichaam (de vorm) naar de denkgeest (de inhoud), zonder schuld of onzekerheid. Pfoe!

Waarom zou de aantrekkelijkheid van het lichaam überhaupt van belang zijn? Mijn lichaam floreert in de eerste twintig jaren van mijn leven… daarna zal ik moeten omgaan met vijftig tot zeventig jaar van verval, wat onontkoombaar eindigt in de dood. Wetenschappers staan misschien op het punt om de levensduur van het lichaam aanmerkelijk te kunnen verlengen, maar met welk doel? Misschien slagen we er in meer jaren te leven, maar levert ons dat meer levensgeluk op? Diep vanbinnen beseffen we best dat dit niet zo zal zijn. Als je bovendien uitgaat van het oosterse concept van reïncarnatie, dan bewonen wij — als geest — vele, vele lichamen in de loop van de eeuwen. Het gaat er dus niet om een lichaam zo krachtig of aantrekkelijk mogelijk te maken, maar te leren hoe we de cyclus van reïncarnatie kunnen beëindigen. In zijn boek “Jouw onsterfelijke werkelijkheid” beschrijft auteur Gary Renard in niet mis te verstane beeldspraak een visioen waarin zijn leraren Pursah en Arten hem meenamen op een visuele reis waarin hij in zeer snelle opeenvolging alle lichamen ziet die hij ooit heeft gehad. Zeer ontluisterend! Gary heeft zelfs een audioboek gepubliceerd (in het Engels), getiteld: “Het einde van reïncarnatie”, waarin hij uitlegt dat onze koppige drang om te blijven proberen autonomie te ervaren in een lichaam — leven na leven — uiteindelijk vergeefs is. Pas als je dankbaar “ontslag neemt als je eigen leraar” (T12.V.8) en de Heilige Geest toestaat je gedachten te laten leiden, leer je hoe je alle duisternis in je denkgeest vergeeft en naar Huis terugkeert, buiten tijd en ruimte, “waar God wil dat wij zijn” (T31.VIII.12).

Kortom: voel je niet langer onzeker, schuldig of gedeprimeerd over je lichaam. Het gaat niet om hoe je tegen je lichaam aankijkt; het gaat om het doel waartoe je je lichaam inzet. Kenneth Wapnick sprak vaak over het onderscheid tussen de voorgrond en achtergrond van de focus van onze denkgeest. De commerciële marketing heeft ons voortdurend geleerd om de (interpretatie van de) visuele waarneming op de voorgrond te zetten, en zaken van de denkgeest naar de achtergrond te laten vervagen. Jezus in Een cursus in wonderen nodigt ons uit om dat compleet om te draaien: plaats de denkgeest op de voorgrond, en plaats zintuiglijke waarneming in tijd en ruimte naar de achtergrond. Ik zie en ervaar het lichaam nog steeds, maar in de achtergrond. Mijn focus richt zich vooral op het doel van liefhebben. Daarmee verschuift de focus van de keuze voor het verheerlijken van het lichaam naar de keuze om de Heilige Geest toe te staan het lichaam te gebruiken om te genezen, te troosten en te zegenen, oftewel: het einde van de afscheiding. Zo krijgt het lichaam waarlijk een heilig doel. Dat is iets wat jij en ik op elk moment van de dag zouden kunnen doen. Waarom eigenlijk niet gewoon hier en nu?

— Jan-Willem van Aalst, maart 2017 (vertaling van https://miraclesormurder.wordpress.com/2017/03/25/using-the-body-lovingly/)

De strijd tegen tijd

Hoe vaak ervaar jij tijdsdruk? Hoe vaak heb jij het gevoel dat er simpelweg te weinig tijd is voor alles wat je graag zou willen doen? En valt het jou wel eens op dat, telkens wanneer je uit gemeende interesse vraagt hoe het met iemand gaat, hoe vaak mensen klagen dat ze het “zo enorm druk hebben”? Het informatietijdperk verbindt ons heel gemakkelijk met zowat alles en iedereen, en dat maakt het alleen maar erger. “Stress” of “tijdsdruk” wordt steeds vaker als ziekte nummer één bestempeld. We kunnen veilig stellen dat zo’n vierhonderd jaar geleden het fenomeen “tijdsdruk” veel minder speelde, ongeacht welk continent je beschouwt. Wetenschappers stellen zelfs dat mensen toentertijd aanmerkelijk langzamer spraken. Kun je je voorstellen hoe dit je denkgeest opjaagt? Tegenbewegingen zoals “slow management” en “mindfulness” lijken slechts een druppel op de gloeiende plaat van dit alarmerend snel groeiende probleem.

Is het een probleem? Dat lijkt zeker het geval, zowel fysiek, mentaal, als spiritueel bekeken. Op fysiek niveau leidt stress tot hogere en instabiele hersengolf frequenties. Dat hindert de hersenen om de lichaamsfuncties adequaat te kunnen blijven besturen. Veel moderne endocrien gerelateerde ziekten zoals burn-out en Parkinson hebben waarschijnlijk een directe relatie met de hersengolven. Op mentaal niveau gunnen we onszelf steeds minder tijd om ons te bezinnen op waarom we doen wat we doen. We komen terecht in een denkmodus van een soort automatische piloot waarin we proberen twee dozijn draaiende bordjes tegelijkertijd in de lucht te houden. De epidemie van ADHD-gerelateerde stoornissen heeft veel te maken met de overdosis aan stimuli waaraan ouders hun kinderen blootstellen, wat vaak weer komt doordat die ouders te druk zijn met hun eigen waslijst aan activiteiten.

Spiritueel gezien zal het duidelijk zijn dat al die drukte slechts dient om de denkgeest af te leiden van het overdenken van fundamentele levensvragen, zoals “Wat ben ik?”, “Wat is mijn doel hier?”, of algemener: “Wat is de betekenis van mijn leven?” Als je de tijdlijn van het universum, zo’n dertien miljard jaar, als een lijntje op een vel papier tekent, dan wordt het hele begrip “tijdsdruk” een zotte klucht. Op die tijdlijn is de mensheid op de planeet aarde slechts een stip aan het einde van de lijn. Jij en ik winden onszelf enorm op over honderden zinloze zorgen over zaken die meestal over een paar uur of een paar dagen gaan, of hooguit een paar jaar. In de context van het grotere plaatje wordt onze stress volkomen onbeduidend en absurd. En toch blijven jij en ik dit doen. Waarom? Omdat ik zo bang ben dat mijn leven zal mislukken als ik niet dit of dat bereik voordat ik sterf. Mijn ‘zelf’, als speciaal individu, moet ik betekenisvol maken, anders heeft mijn bestaan geen zin. En dus worstel ik om mijn leven belangrijk te maken, uiteindelijk (onbewust) richting God. Wat een worsteling!

Natuurlijk kan dit niet werken. Het zit er dik in dat ik aan het einde van mijn leven verreweg mijn meeste inspanningen zal evalueren als ofwel mislukt, ofwel onbelangrijk. Wat overblijft is de vraag hoeveel liefde ik mezelf heb toegestaan te uiten (en te ontvangen) gedurende mijn leven. Het is ontnuchterend om in de Bhagavad Gita, zo’n vierduizend jaar oud, te lezen, dat “zolang jij jezelf op zelfzuchtige verlangens richt, je leven volkomen verspild is”. En toch is dat precies wat we ruim zeven miljard mensen dagelijks zien doen, inclusief onszelf: ervoor zorgen dat ik voorzie in mijn materiële behoeften; en mijn denkgeest bezig houden met een eindeloze reeks speciale afgoden, om aan mezelf en iedereen (God incluis) te bewijzen dat mijn leven niet volkomen verspild is, ook al ben ik het grotere plaatje maar een kort oplichtend vuurvliegje.

In Een cursus in wonderen toont Jezus ons de fundamentele uitweg uit deze hel, door ons botweg de compromisloze nondualistische metafysica voor te schotelen van de onwerkelijkheid van tijd en ruimte. Laten we eens kijken naar tijd, de vierde dimensie in dualiteit. Jezus zegt hierover: “Tijd is een kunstgreep, een goocheltoer, een immense illusie waarin figuren als bij toverslag komen en gaan. Toch zit er een plan achter alle verschijningsvormen dat niet verandert. Het draaiboek is geschreven. […] We ondernemen slechts een reis die al voorbij is. Toch schijnt ze een toekomst te hebben die ons nog onbekend is.” (WdI.158.4;3). Omdat onze hersenen uitsluitend lineair werken, duizelt het ons om ons iets voor te stellen bij de onwerkelijkheid van de tijd. Wij lezen dit tenslotte toch nu, in de tijd? We werken met Een cursus in wonderen in de tijd, toch? Hoezo is tijd onwerkelijk? Jezus legt in hoofdstuk 25 uit dat zolang wij denken dat wij in de tijd vertoeven, zijn boodschap aan ons ook in een tijdgebonden vorm wordt aangeboden: “Dit alles neemt notitie van tijd en plaats alsof dat losstaande zaken waren, want zolang jij denkt dat een deel van jou afgescheiden is, heeft het denkbeeld van een Eenheid die als Eén verbonden is, geen betekenis.” (T25.I.7:1). Jezus ontmoet ons in de toestand waarin wij ons denken te bevinden.

De bevrijding die Jezus ons biedt ligt in het dagende besef dat wij de dromer van een nachtmerrie zijn, die onze realiteit in de eeuwigheid volstrekt niet raakt. Zo lezen we in werkboekles 167: “Wanneer de denkgeest besluit te zijn wat hij niet is, en verkiest een vreemde macht aan te nemen die hij niet heeft, een oneigen toestand waartoe hij niet komen kan, […] lijkt hij slechts een poosje te gaan slapen. Hij droomt van de tijd: een interval waarin wat schijnt te gebeuren nooit heeft plaatsgevonden, de teweeggebrachte veranderingen geen substantie hebben en alle gebeurtenissen nergens zijn. Wanneer de denkgeest ontwaakt, gaat hij slechts voort zoals hij altijd is geweest.” (WdI.167.9). Let wel, “voortgaan zoals hij altijd is geweest” verwijst niet naar tijd, want in de eeuwigheid bestaat geen tijd. Jezus gebruikt de beeldspraak van een tapijtstrook die zich in de tijd voor ons lijkt uit te rollen: “De tijd lijkt in één richting te verlopen, maar wanneer je zijn eind bereikt, zal hij zich oprollen als een lange loper, achter je uitgerold over het verleden, en verdwijnen.” (T13.I.3)

Dus zolang wij menen dat we de zingeving in ons leven moeten vinden binnen tijd en ruimte, houden we onszelf voor de gek. Onze realiteit en verlossing liggen buiten tijd en ruimte. Kunnen we ons hier een voorstelling van maken? In werkboekles 107 probeert Jezus ons hierbij te helpen: “Probeer je een moment te herinneren — misschien een minuut, zelfs minder misschien — waarop niets jouw vrede kwam verstoren, waarop je er zeker van was dat jij bemind en veilig was. Probeer je dan voor te stellen hoe het zou zijn wanneer dat moment werd uitgebreid tot het einde der tijden en tot in eeuwigheid. Laat dan het gevoel van rust dat je voelde honderdmaal vermenigvuldigd worden en dan opnieuw honderdmaal. En nu heb je een beetje een idee, niet meer dan slechts een uiterst vage duiding, van de staat waarin je denkgeest zal verkeren wanneer de waarheid gekomen is.” (WdI.107.2). Die keuze is aan ons, niet iets wat God ons opdringt of onthoudt, afhankelijk van hoe zondig we waren. God heeft helemaal geen weet van zoiets als de tijd, laat staan deze hele materiële wereld. In hoofdstuk 26 lezen we dat deze dualistische droom nooit werkelijkheid was, is, of zal worden: “niet één noot in het lied van de Hemel werd gemist.” (T26.V.5:4).

Allemaal leuk en aardig, maar hoe leer ik dan Jezus’ lessen terwijl ik nog steeds geloof hier in de 21e eeuw te zijn, en daarin een leven probeer op te bouwen? Jij en ik zullen heus niet de volgende ochtend buiten tijd en ruimte wakker worden, dat staat vast. De troostende boodschap is dat dat ook niet hoeft. Ontwaken is een langzaam proces. Net zoals de Bhagavad Gita ons aanraadt om hier een normaal leven te leiden (“wees heel actief in deze wereld, maar als iemand die vanuit zijn diepste kern denkt en handelt”), zo onderwijst Jezus ons om te oefenen met het heilig ogenblik; een keuze in het nu voor de onvoorwaardelijke Liefde van God, waarmee we zowel verleden als toekomst even geheel vergeten. “nu is de dichtst mogelijke benadering van de eeuwigheid die deze wereld biedt” (T13.IV.6). Die uitspraak zette overigens Eckhart Tolle aan tot het schrijven van zijn bestseller “De kracht van het Nu”. De boeddhisten zeggen: “Het verleden is voorbij; de toekomst nog niet hier. Je leeft alleen nu, in het huidige moment.” Hoe haalbaar is dat?

Het werkbroek van Een cursus in wonderen is een lesprogramma voor gedachtentraining waarmee je jezelf aanleert om steeds wat vaker in het nu te leven, waarin de denkgeest zich richt op vergeving, op onvoorwaardelijke liefde. Zo nodig je de Heilige Geest uit als gids van je gedachten, en die uitnodiging aanvaardt Hij graag. Na een poosje oefenen merk je dat je denkgeest veel kalmer wordt, en het leven veel meer vanzelf lijkt te gaan stromen. Het dagelijkse leven kan bij tijd en wijle nog steeds druk lijken, maar brengt veel minder stress, en veel betere uitkomsten. Veel Cursusstudenten kunnen dit beamen. Het is deze ervaring van innerlijke vrede die het doel vormt van Een cursus in wonderen, en uiteindelijk van je leven hier. Hoeveel onvoorwaardelijke liefde sta jij jezelf toe te uiten (en te ontvangen) vandaag? Oefen in blijdschap en dankbaarheid met het heilige ogenblik, en keer dan terug naar de drukke wereld, maar vanuit de intuïtieve leiding van de Heilige Geest, die niet falen kan.

— Jan-Willem van Aalst, maart 2017 (vertaling van https://miraclesormurder.wordpress.com/2017/03/19/fighting-against-time/ )

We lijken met velen, maar we zijn één

Als je ooit naar een grote zwerm vogels in de lucht hebt gekeken, zullen de wonderbaarlijke patronen die ze als één groep in de lucht maken, je niet ontgaan zijn. Een groeiende groep wetenschappers ziet dit als aanwijzingen voor het bestaan van iets dat ‘collectief bewustzijn’ heet. Want niet één van deze vogels heeft ooit op een school geleerd hoe je gezamenlijk in perfecte wiskundige patronen kunt vliegen. Geen van deze vogels heeft ooit enig examen afgelegd. En toch weten ze precies wat ze moeten doen. Je zou kunnen beargumenteren dat dit instinctmatig gedrag is dat gedurende duizenden jaren uiteindelijk geconditioneerd is geraakt, maar dan nog — de groepsbewegingen als geheel illustreren overduidelijk de werking van een soort collectief mechanisme. Het is alsof ze een collectieve denkgeest met elkaar delen.

In Een cursus in wonderen onderwijst Jezus ons dat dit een universeel principe is van al het leven: denkgeesten zijn verbonden. Laten we eens kijken naar de dualistische wereld van tijd en ruimte die wij nog steeds als onze dagelijkse realiteit beschouwen. Onze zintuigen vertellen ons dat er miljarden ego’s lijken te zijn die deze planeet bevolken. We vergeten daarbij echter dat onze perceptie niets meer is dan de vervulling van een geprojecteerde wens (om afgescheiden te lijken). “Projectie maakt waarneming” (T21-In.1). Omdat de materiële wereld in werkelijkheid helemaal niet bestaat (WdI.132.6), is alles wat ik waarneem een weerspiegeling van iets in mij dat ik naar buiten wil projecteren omdat ik het niet onder ogen wil zien. Bijgevolg delen wij met z’n allen niet alleen dezelfde collectieve Identiteit als de Zoon van God (buiten de droom), maar delen we ook exact hetzelfde ego (in de droom). En net als bij de zwerm vogels resoneert elke ego-gedachte door elke schijnbaar afgescheiden denkgeest, ook al nemen we dat zo niet direct waar.

Dit ene ego, dat zich vermomt als miljarden individuele fragmentjes, is honderd procent haat. Niet dat we elk moment van de dag haten, maar zodra we voor onjuist gericht denken kiezen, komt dit neer op haat, hoewel vaak versluierd. Dit kan niet anders, omdat het ego het idee van afscheiding van perfecte Eenheid is. Afscheiding betekent aanval. En het eerste concept dat leek te ontstaan in de dualiteit van het ego is bewustzijn: een denkgeest die zichzelf als iets afzonderlijks van iets anders lijkt te beschouwen. En zo gaat het al sinds de Oerknal. Aanval gaat echter onvermijdelijk gepaard met schuld. En als die schuld over de oerzonde van afscheiding van de Schepper gaat, wordt dat schuldgevoel ondraaglijk. Bovendien gaat die schuld gepaard met angst voor de vergelding door God Zelf, die uiteraard volstrekt in z’n recht staat om ons zwaar te bestraffen voor deze zonde. In een poging om aan Gods toorn te ontkomen, versplintert het ego zichzelf in vrijwel ontelbare fragmentjes, om als het ware ‘ongrijpbaar’ te worden. Het ‘geniale’ van de Oerknal, waarmee tijd en ruimte leken te ontstaan, is dat de eenheid die er ooit was voorgoed verloren leek te zijn. Bovendien kan elk afgescheiden fragmentje van bewustzijn al het ‘kwaad’ nu in andere fragmentjes zien, en niet in zichzelf. Voor het ego is dat een dubbele traktatie, en een ingenieuze strategie!

Helaas werkt deze strategie van projecteren niet, omdat (a) het collectieve karakter van het ego niet verdwenen is, maar slechts uit het gewaarzijn is verdrongen, en (b) projecties altijd naar degene die projecteert terugkeren, omdat “verdedigingen juist doen waartegen ze verdedigen” (T17.IV.7). In Hoofdstuk 24 van het tekstboek beschrijft Jezus in beeldend taalgebruik hoe wij het kwaad altijd in anderen zien. Iedereen wil “de ander naar een afgrijselijke afgrond voeren en hem daarin storten” (T24.V.4). We denken onszelf te moeten verweren tegen een bedreigende wereld. Maar onbewust is de situatie veel erger. Zoals elke goede psycholoog ons kan vertellen: alles waar we anderen van beschuldigen vrezen we heimelijk in onszelf. Zoals Jezus benadrukt in Hoofdstuk 7: “De overtuiging dat je [schuld] uit je innerlijk hebt geweerd door het buiten jou te zien is een totale vervorming van de macht van uitbreiding. Om die reden zijn zij die projecteren waakzaam voor hun eigen veiligheid. Ze zijn bang dat hun projecties zullen terugkeren en hen pijn doen. Door te geloven dat ze hun projecties uit hun denkgeest hebben gewist, geloven ze ook dat hun projecties weer proberen naarbinnen te sluipen. Aangezien de projecties hun denkgeest niet hebben verlaten, zijn ze gedwongen zich voortdurend in allerlei activiteiten te storten om dit niet onder ogen te hoeven zien.” (T7.VIII.3).

Probeer je gedurende de dag bewust te zijn alles dat je als “slecht” bestempelt buiten jezelf. Het zou je buur kunnen zijn, je manager, je collega’s, hangjongeren, de president, de politie, religieuze extremisten, het weer, noem maar op. Zoals Kenneth Wapnick vaak toelichtte in zijn workshops, is het enorm behulpzaam om je gewaar te worden van alle angstige gedachten over slechtheid buiten jezelf, je vervolgens te realiseren dat dergelijke percepties eigenlijk projecties zijn van slechtheid die je heimelijk in jezelf vreest… en daar dan simpelweg naar te kijkenNiets meer dan dat. Zodra je immers anders dan met volstrekt oordeelloze observatie reageert op dergelijke percepties, heb je jezelf alweer verloren in het ego. Als het je echter lukt om de oordeelloze observator ‘boven het slagveld’ aan te zetten, plaats je jezelf in de positie om het wonder toe te laten waar deze Cursus zijn titel aan ontleent, namelijk: de angst in je denkgeest mild ongedaan laten maken door de Heilige Geest, door Hem toe te laten in je denkgeest, door je te realiseren dat “God daar anders over denkt” (T23.I.2), omdat er immers geen wereld bestaat. Wees er overigens zeker van dat je niet je gevoelens ontkent of onderdrukt, maar oefen ermee om jezelf er niet in te verliezen.

Terug naar ons thema van collectief bewustzijn. We kunnen nu zien waarom Jezus ons vertelt dat “alle macht op aarde en in de Hemel jou is gegeven. Er is niets wat jij niet kunt doen. Je speelt het spel van de dood, speelt dat je hulpeloos bent, jammerlijk verklonken aan ontbinding en verval in een wereld die jou geen genade betoont. Maar als jij haar genade verleent, zal haar genade op jou stralen.” (WdI.191.9). Dat is fantastisch nieuws! Telkens als ik waarlijk vergeef, straalt vergeving door het geheel van schijnbaar versplinterd leven in het gehele universum, in minder dan een mum van tijd! Dat is de actieve werking van het wonder, dat wij geenszins hoeven te begrijpen — we hoeven slechts het wonder voor onszelf te aanvaarden. Het klopt dat het in de praktijk zo helemaal niet lijkt te werken. Als ik bijvoorbeeld mijn buurman steeds blijf vergeven voor het feit dat hij zijn auto precies voor mijn raam parkeert, zal er waarschijnlijk niets veranderen. Je hoort mensen daarop als volgt klagen: “Dat vergeven, dat heb ik geprobeerd, maar het werkt niet. Ik heb het op Jan geoefend, maar hij blijft gewoon een vreselijk persoon!”. Door zo te redeneren vergeten we dat Jan louter een geprojecteerd deel van het ego is dat we niet in onszelf willen zien. Door mijn afkeuring over Jan in stand te houden, hou ik feitelijk mijn afkeur over mijzelf in stand, en is er helemaal niets vergeven.

In Een cursus in wonderen lezen we dat het wonder, dat voortkomt uit vergeving, allerlei helende effecten kan hebben op onverwachte plekken in de wereld waar wij zelf nog nooit geweest zijn, zelfs in tijden die allang voorbij zijn of die nog moeten komen. Er wordt van ons, nogmaals, niet verlangd dat wij dit begrijpen. We worden slechts gevraagd het wonder voor onszelf te aanvaarden en Jezus’ lessen in de praktijk te brengen. “Dat het wonder op jouw broeders een uitwerking kan hebben die zich aan jouw waarneming onttrekt, is niet jouw zorg. Het wonder zal altijd jou zegenen” (T1.III.8). Dit is ook waarom het antwoord op de vraag hoeveel Leraren van God er nodig zijn om de wereld te redden, één is. Dit is zo omdat er maar één Zoon van God is, waar we allemaal een holografisch deel van zijn. Vergeet het idee van de ‘honderdste aap’ dat stelt dat vrede pas kan komen als genoeg mensen er voor kiezen. Zoek niet buiten jezelf. Vergeef jezelf nu, en het ‘kwaad’ zal verdwijnen, hoewel dat niet altijd à la minute lijkt te gebeuren. Jij en ik hebben “alle macht op aarde en in de Hemel”, dankzij het wonder. We ervaren universele vrede louter door er in onze collectieve denkgeest voor te kiezen (wat trouwens ook de ware betekenis van gebed is: communie).

Het collectieve bewustzijn dat we in de zwerm vogels zien is kortom universeel. We lijken met velen te zijn, maar we zijn één. Jij en ik en de president en de meest verachtelijke terrorist zijn verbonden, omdat er slechts één Zoon is. Een vredige, vergevingsgezinde denkgeest is het mooiste geschenk dat jij en ik kunnen bieden aan alle schijnbaar afgescheiden ego’s om je heen. Oefen in vrede!

— Jan-Willem van Aalst, maart 2017 (vertaling van https://miraclesormurder.wordpress.com/2017/03/11/the-seemingly-many-are-one/)