In Gods Naam

Op het eerste gezicht lijkt Een cursus in wonderen geworteld te zijn in het christendom. We lezen in de Cursus immers vaak over God, Christus en de Heilige Geest, en de auteur blijkt niemand minder dan Jezus zelf te zijn. De tekst bevat honderden impliciete en expliciete verwijzingen naar bijbelse passages. En hoewel de Cursus God ontdoet van Zijn toornige eigenschappen die we in de Bijbel tegenkomen, gaat de tekst vooral over hoe wij ons denken vaker en consequenter kunnen richten op onze Liefde voor God.

God wordt in Een cursus in wonderen bovendien beslist antropomorf afgeschilderd, met duidelijk menselijke eigenschappen. Zo lezen we dat God eenzaam is zonder Zijn kinderen (T2.III.5:11), dat Hij weent om onze vergetelheid van Hem (alsof hij een lichaam heeft compleet met traanbuizen), en dat aan het einde van onze eigen spirituele reis Hij tot ons zal komen om ons tot de Hemel te verheffen (zie bijv. Wd1.69.7; Wd1.168.3). Tegelijkertijd lezen we ook passages die dit beeld van een humanoïde God lijken tegen te spreken. Hoewel het werkboek veel gebeden bevat die direct aan God zijn gericht, benadrukt Jezus in het Handboek voor Leraren: “God verstaat geen woorden, want die zijn gemaakt door afgescheiden denkgeesten om hen in de illusie van afgescheidenheid te houden” (H21.1.7). En in werkboekles 183 lezen we over het bidden tot God: “Denk niet dat Hij de futiele gebeden hoort van hen die Hem aanroepen met de namen van afgoden die door de wereld worden gekoesterd. Zij kunnen Hem zo niet bereiken” (Wd1.183.7:3-4).

Andere passages gaan zelfs verder, en stellen dat de tijd zelf “een immense illusie” is (Wd1.158.4), en dat God deze materiële wereld niet geschapen heeft (VvT-4.1); wij hebben die bedacht, als het ene collectieve ego dat ervoor koos een droom van afgescheidenheid van de Eenheid te dromen die God is. Wij maakten deze wereld, en wel als aanval op God, om een plekje voor onszelf uit te roepen waar God niet zou kunnen komen (Wd2.3.2:1,4), zodat het ego tevreden kan stellen dat de afscheiding van God daadwerkelijk is gelukt. Een cursus in wonderen lijkt dus op het eerste gezicht vol tegenstrijdigheden te zitten over de aard van God, het universum en onszelf. Voor veel lezers is dat dermate verwarrend dat de motivatie om de kern van het leerplan te bestuderen en onder de knie te krijgen al snel weg sijpelt.

Juist daarom is het zo behulpzaam om de vele gepubliceerde boeken van Kenneth Wapnick toe te voegen aan je spirituele leeslijst. Onvermoeibaar ging Ken vaak in op dergelijke potentiële bronnen van verwarring. Met groot geduld en oprechtheid lichtte hij toe hoe wij de boodschap van Een cursus in wonderen zouden moeten interpreteren in termen van het verschil tussen vorm en de onderliggende inhoud. Kort samengevat kunnen we zeggen dat Een cursus in wonderen louter en alleen antropomorfische beelden en christelijk taalgebruik bezigt omdat dat het begripsniveau is wat we aanvankelijk kunnen vatten. Echter, naarmate we vorderen op ons spiritueel leerpad worden we uitgenodigd om voorbij deze symbolen te kijken naar de werkelijke inhoud van de boodschap, die niet zozeer in het christendom is geworteld alswel in de nondualistische metafysica. Alleen omdat zinsneden zoals “een Eenheid als één verbonden” volstrekt betekenisloos zijn voor eenieder die zichzelf nog als los individu ziet, gebruikt Jezus (die zelf slechts een symbool is, meer daarover later) taal waar we ons iets bij kunnen voorstellen.

Laten we bijvoorbeeld eens kijken naar les 183, met de volgende uitnodiging: “Ik roep Gods Naam aan en de mijne” (Wd1.183). Ons wordt verteld dat dit het middel is om de innerlijke vrede te vinden die we zo verlangen. Maar waarom zou ik Gods Naam moeten aanroepen als ik elders in hetzelfde leerplan lees dat God geen woorden begrijpt, dat Hij onze “futiele gebeden” niet hoort, en zelfs dat Hij deze wereld helemaal niet geschapen heeft? Het antwoord, zoals altijd, ligt in het vermogen om een duidelijk onderscheid te maken tussen de vorm en de onderliggende inhoud. God is niet antropomorf; God heeft geen vorm. Het woord “God” is slechts een symbool voor de Eenheidsliefde die onze Bron en ons Erfgoed is. Zo ook is “De Naam van God” slechts een symbool voor de weerspiegeling van die Liefde, die wij persoonlijk kunnen ervaren door te kiezen voor de Heilige Geest als de Gids van ons denken. De Heilige Geest is zelf ook “slechts” een symbool van die Liefde. Zo ook bestaat het ego helemaal niet als apart wezen; het is slechts een symbool van mijn keuze voor onjuist-gericht denken. Het ego weerspiegelt onze ervaringen van afscheiding, aanval, zonde, schuld, haat en angst.

Dus wanneer Jezus mij uitnodigt om Gods Naam aan te roepen, dan betekent dat niet dat zijn leerplan inconsistent is. Jezus nodigt mij in feite uit om weer te kiezen voor de Stem namens Liefde (de Heilige Geest) als de belangrijkste focus van mijn denken. Zo begin ik te beseffen dat mijn liefdevolle gedachten veel dichter mijn werkelijke Identiteit weerspiegelen dan al mijn gebruikelijke rommelgedachten van speciaalheid, individualiteit, autonomie en afscheiding. “Ik roep Gods Naam aan en de mijne” is dus te begrijpen als een poëtische uitdrukking van de volgende uitnodiging: “Kies wederom voor de Liefde die niet van deze wereld is, en besef dat dit jou ware Identiteit is”.

Realiseer je echter dat dit eigenlijk een nondualistische uitspraak is. Feitelijk is heel Jezus’ leerplan dat Een cursus in wonderen heet een motivatieoefening om steeds vaker in alle oprechtheid de ego-droom (dualiteit) in te ruilen voor de nondualistische werkelijkheid, waarin ik als los individu niet meer besta. Aangezien wij nog allemaal rotsvast in de dagelijkse werkelijkheid van tijd en ruimte geloven (anders zouden we hier niet meer zijn), heeft Jezus antropomorfe woorden nodig waar wij ons iets bij kunnen voorstellen. Naarmate wij vorderen op onze spirituele reis-zonder-afstand, zullen we steeds beter de consistente inhoud achter de inconsistente vorm ontwaren.

Op dezelfde manier zullen we vroeg of laat beseffen dat het met Jezus zelf niet anders is. We identificeren de auteur van Een cursus in wonderen onbewust nog steeds met de bijbelse figuur die zo’n tweeduizend jaar geleden in Palestina rondliep. Het is verleidelijk om Jezus te beschouwen als de meest goddelijke mens ooit, die het ego totaal heeft overwonnen, naar de hemel is opgestegen en vervolgens besloot zijn bevrijdende boodschap te dicteren aan een psychologe met de naam Helen Schucman. In plaats daarvan legde Kenneth Wapnick herhaaldelijk uit dat wij ook “Jezus” zouden moeten zien als een symbool van de Stem namens Liefde, die voor iedereen altijd en overal beschikbaar is. Helen zelf heeft zich wat dat betreft nooit bijzonder of speciaal gevoeld. Ze heeft zelfs gezegd dat in principe iedereen deze Stem namens Liefde kan ervaren, hoewel misschien in een andere vorm.

We zouden daarom nooit moeten eisen dat we deze Liefde zouden moeten horen als Stem. Dat is vorm. De meesten van ons ervaren deze Liefde helemaal niet als een Stem, maar als een liefdevolle intuïtie in de hartstreek, of in de onderbuik. Deze ‘Stem’ meldt zich dan als een impuls van liefde die, zoals we wel weten, altijd tot de best denkbare uitkomst voor alle betrokkenen zal leiden. Daarom zou ik me vaak het volgende moeten herinneren: “De naam van Jezus Christus als zodanig is slechts een symbool. Maar het staat voor liefde die niet van deze wereld is” (H23.4:1-2). De blijde boodschap van Een cursus in wonderen is dat deze Liefde ook mijn eigen Erfgoed is. Dus om Gods Naam aan te roepen, of vergelijkbare symbolen zoals Jezus of de Heilige Geest, herinnert mij er “slechts” aan dat er inderdaad een beter alternatief is voor de ego-babbelstroom. De Naam van God is mijn eigen Naam juist omdát de Eenheidsliefde mijn ware Erfgoed is. Zoals we in het laatste hoofdstuk van het Tekstboek lezen: “God heeft beschikt dat ik niet tevergeefs kan roepen, en in Zijn zekerheid rust ik voldaan (T31.VIII.9:5).

— Jan-Willem van Aalst

Verlossing is nú!

Studenten van Een cursus in wonderen, en spirituele zoekers in het algemeen, werken ijverig aan het leren loslaten van hun kleine afgescheiden zelfje, om in plaats daarvan hun Identiteit te aanvaarden als één groter Zelf, dat alle individualiteit overstijgt. We stellen ons voor dat we ooit volledig verlicht zullen zijn, waarmee we alle pijn en zorgen die we nu nog ervaren, voorgoed achter ons zullen laten. Maar in werkboekles 188, wat overigens één van Bill Thetfords favoriete lessen was, zegt Jezus: “Waarom wachten op de Hemel? Zij die het licht zoeken bedekken slechts hun ogen. Het licht is nú in hen. Verlichting is slechts een herkenning, en allerminst een verandering” (Wd1.188.1:1-4).

Zo’n uitspraak zou gemakkelijk tot een enorm spiritueel schuldgevoel kunnen leiden, aangezien de eenvoud van deze boodschap klaarblijkelijk nog te moeilijk is voor ons oprechte spirituele zoekers om dagelijks te doorleven. In Hoofdstuk 26 van het Tekstboek gaat Jezus hier op in: “Het enige probleem dat je nog hebt is dat jij een tijdsinterval ziet tussen het moment waarop je vergeeft en dat waarop je de weldaden zult ontvangen van jouw vertrouwen in je broeder. […] Je ziet verlossing op de lange duur, maar geen onmiddellijk resultaat. Verlossing is onmiddellijk. […] Wees niet tevreden met toekomstig geluk. Het heeft geen betekenis, en is niet jouw verdiende beloning. Want jij hebt reden tot vrijheid nu” (T26.VIII.1:1; 2:7-3:1; 9:1-3). Dus hoe zouden we dat dan moeten doen?

In elk geval niet door nóg harder te werken aan ons “spiritueel-zijn”. In plaats daarvan nodigt Jezus in Een cursus in wonderen ons uit om juist minder te doen, dat wil zeggen: minder vanuit onszelf te doen. Geluk – nu – betekent dat ik een stapje terug doe als mijn eigen leraar, en juist aan de Heilige Geest vraag wat te denken, zeggen en doen. Anders blijf ik geneigd om de Heilige Geest te vertellen hoe ikhier – geholpen zou moeten worden, wat uiteraard nooit werkt. Bedenk dat “Ik hoef niets te doen” (T18.VII) één van de kernthema’s van Een cursus in wonderen is. Wij zouden slechts de Heilige Geest (dat wil zeggen, de Stem namens Liefde) moeten uitnodigen in ons hart. In Hoofdstuk 18 lezen we vervolgens: “Het is niet nodig dat je meer doet; sterker nog, het is noodzakelijk dat je beseft dat je niet meer kúnt doen. Doe geen poging de Heilige Geest te geven wat Hij niet vraagt, anders voeg je het ego aan Hem toe, en haal je de twee door elkaar” (T18.IV.1:5-6).

Zoals vrijwel alles in Een cursus in wonderen is het principe eenvoudig, maar de dagelijkse praktische toepassing is dat allerminst. De kern van onze weerstand tegen dit principe is dat telkens wanneer we hiermee oefenen, wij ons ego ietsje kleiner maken; steeds ietsje minder belangrijk maken. Als ik dit zou doortrekken, dan zou het ego uiteindelijk verdwijnen… wat betekent dat ik uiteindelijk zou verdwijnen! En dus zoekt het ego allerlei subtiele strategieën om het oordelen en vooral veroordelen in stand te houden, zodat wij ons innig blijven identificeren met een zeer speciaal zelf, wat sowieso de bronoorzaak was van het universum, deze planeet en de miljarden wezentjes erop.

Elke student van Een cursus in wonderen kent het onderricht dat de wereld waarin wij lijken te leven niet ons ware Thuis is. Gelukkig heeft Jezus het ook vaak over wat dan wél ons ware Thuis is. Zijn leerplan gaat zelfs voornamelijk over het voortdurend motiveren van zijn studenten om tijd en ruimte te associëren met ellende, en de leiding van de Heilige Geest met onze terugkeer daar ons ware Thuis in het Hart van God. Wederom in Bills favoriete les 188 lezen we: “Het licht is niet van deze wereld, maar ook jij die het licht in je draagt bent hier een vreemde. Het licht kwam met jou mee vanuit je geboortehuis en is bij je gebleven, omdat het jou eigen is. Het is het enige wat jij met je meebrengt van Hem die jouw Oorsprong is. Het straalt in jou, omdat het je huis verlicht, en leidt je terug naar waar het vandaan gekomen is en waar jij thuis bent. Dit licht kan niet verloren gaan. Waarom wachten om het in de toekomst te vinden, of geloven dat het al verloren is, of er nooit is geweest?” (Wd1.188.1:5-2:2). Met andere woorden: waarom zouden we op de hemel wachten?

In Hoofdstuk 3 van het Tekstboek herinnert Jezus ons er aan dat “iets kwijt zijn” niet automatisch betekent dat het er niet meer is; we zijn simpelweg vergeten waar het zich bevindt (T3.VI.9). Dit impliceert dat ik zelf de bestuurder ben van mijn geluk of misère; niet in de toekomst, maar hier en nu: “Laat de duisternis los en je zult al wat je gemaakt hebt niet langer zien, want het zien daarvan berust op het ontkennen van visie. Maar uit het ontkennen van visie volgt nog niet dat jij niet kunt zien” (T13.V.8:5-6). Wat zou ik kunnen zien? Eenvoudigweg dit: “Zit rustig en sluit je ogen. Het licht binnenin jou is toereikend” (Wd1.188.6:1-2). Enkele regels verderop in dezelfde les nodigt Jezus ons uit: “We nemen onze dwalende gedachten en brengen ze met zachtheid terug naar waar ze overeenstemmen met alle gedachten die we delen met God. We zullen ze niet laten afdwalen. We laten ze door het licht in onze denkgeest naar huis toe leiden. We hebben ze verraden door ze te gebieden van ons weg te gaan. Maar nu roepen we ze terug en wassen ze schoon van vreemde verlangens en warrige wensen. We geven ze de heiligheid van hun erfgoed terug. Zo wordt onze denkgeest tegelijk met ze hersteld, en we erkennen dat de vrede van God nog altijd in ons straalt en van ons uitstraalt naar al wat leeft en ons leven deelt. We zullen alles en iedereen vergeven en heel de wereld vrijspreken van wat we dachten dat ze ons had aangedaan. Want wij zijn het die de wereld maken zoals we die willen hebben” (Wd1.188.9:2-10:3; mijn cursivering).

Samenvattend: ja, het aanvaarden van de Verzoening is een traag proces in de tijd, waar we misschien nog vele levens voor nodig lijken te hebben. Tegelijkertijd kan de keuze voor de Heilige Geest als de Gids voor ons denken altijd nu gemaakt worden. Sterker, dit is in feite de enige keuze die nu gemaakt kan worden, aangezien het nu de enige tijd is die er is, zoals ook bijvoorbeeld schrijver Eckhart Tolle benadrukt. Jezus concludeert dus als volgt: “De vrede van God gaat alleen jouw begrip te boven in het verleden. Toch is ze hier, en kun jij die nu begrijpen. God heeft Zijn Zoon voor eeuwig lief, en Zijn Zoon beantwoordt voor eeuwig de Liefde van zijn Vader. De werkelijke wereld is de weg die jou leidt tot de herinnering van dat ene dat volkomen waar en volkomen van jou is. Want al het andere heb jij jezelf in de tijd geleend, en dat zal wegsterven. Maar dit ene is altijd van jou, daar het Gods gave is aan Zijn Zoon. Jouw ene werkelijkheid werd je gegeven, en krachtens haar schiep God jou één met Hem. Je zult eerst dromen van vrede, en er vervolgens toe ontwaken. Je eerste ruil van wat je hebt gemaakt voor wat jij wilt, is het inruilen van nachtmerries voor de gelukkige dromen van liefde. Hierin liggen je ware waarnemingen besloten, want de Heilige Geest corrigeert de wereld van dromen, waar alle waarneming zich bevindt” (T13.VII.8:1-9:3).

Dus probeer het nu eens! Zit rustig en sluit je ogen. Observeer kalm al je “dwalende gedachten”, dat wil zeggen, alles wat niet volledige vrede weerspiegelt. Realiseer je dat dergelijke gedachten jou werkelijk niet meer van nut zijn, en er dus geen aanleiding meer is om je er nog op te richten. Nodig dan de Stem namens Liefde uit, door zachtjes in jezelf te zeggen: “De vrede van God straalt nu in mij. Laat in die vrede al wat leeft zijn stralen op mij werpen, en laat mij alles zegenen met het licht in mij” (T13.VII.10:4-7). Zink weg in de stilte en aanvaard je verlossing nu!

— Jan-Willem van Aalst

Lezen én doen

Hoewel meer dan drie miljoen mensen wereldwijd een exemplaar van Een cursus in wonderen bezitten, betekent dat beslist niet dat drie miljoen mensen wereldwijd dit leerplan ‘onder de knie hebben’. Cursusleraar Kenneth Wapnick merkte vaak op dat hij ontdekte dat wanneer mensen zeiden “De Cursus te doen”, ze weinig méér deden dan de werkboeklessen lezen, en er af en toe overdag aan denken. Dat betekent niet dat die mensen dom of lui zijn. Want Een cursus in wonderen vraagt ons om elke rotsvaste overtuiging die we nog koesteren te heroverwegen (T24.In.2:1). Jezus belooft zijn studenten blijvende vrede, liefde en vreugde, maar dat “kost” ons wel onze ego-persoonlijkheid. Het is niet zo vreemd dat daar enorme weerstand bij komt kijken!

Jezus ziet graag dat we zijn Cursus willen bestuderen en “doen”. Zoals iedere goede leraar moet hij de motivatie (het verlangen) in zijn studenten zien te voeden om zijn onderricht te willen toepassen. Daarbij is hij zich natuurlijk volkomen bewust van de ego-weerstand tegen alles wat hij ons vertelt. Zoals hij in de inleiding van het Werkboek zegt: “Het doen van de oefeningen maakt het doel van de cursus mogelijk. Een ongetrainde denkgeest kan niets tot stand brengen. Het is het doel van dit werkboek je denkgeest te trainen om te denken volgens de richting die het tekstboek aangeeft. […] Sommige ideeën die het werkboek presenteert zul je moeilijk kunnen geloven, en andere kunnen nogal onthutsend lijken. Dit doet er niet toe. […] Onthoud alleen dit: je hoeft de ideeën niet te geloven, je hoeft ze niet te aanvaarden, laat staan toe te juichen. Tegen een aantal ervan zul je je misschien heftig verzetten. Dit alles is niet van belang en zal hun uitwerking niet verminderen. Maar sta jezelf niet toe uitzonderingen te maken in de toepassing van de ideeën die het werkboek bevat, en – wat je reacties op de ideeën ook mogen zijn – gebruik ze. Meer wordt er niet gevraagd” (Wd1.In.1:2-4; 8:1-2; 9:1-4).

Op meerdere plekken in zowel Tekstboek als Werkboek spreekt Jezus zijn studenten direct aan over het thema motivatie. Het ego slaat dergelijke passages gewoonlijk graag over, maar ze zijn beslist de moeite waard om af en toe weer eens aandachtig door te nemen. Al in Hoofdstuk 4 van het Tekstboek verzekert Jezus de lezer: “Jij hebt nu nog heel weinig vertrouwen in mij, maar dat zal groeien naargelang jij je voor leiding steeds vaker tot mij wendt in plaats van tot je ego. De resultaten zullen jou er in toenemende mate van overtuigen dat dit de enige zinnige keuze is die jij kunt maken. Niemand die uit ervaring leert dat de ene keuze vrede en vreugde, en de andere chaos en onheil brengt, hoeft nog verder overtuigd te worden” (T4.VI.3:1-3).

Uit de pedagogiek en didactiek weten we dat leren via belonen effectiever is dat leren via pijn of straf. Jezus doel is dus om ons de vreugde en vrede te laten ervaren die het gevolg zijn van het toepassen van zijn adviezen. Alleen die ervaring zal onze motivatie aansporen om nog beter ons best te doen, vaker en aandachtiger. Maar dit is een langzaam proces. Na de eerste 180 werkboeklessen richt Jezus zich als volgt tot ons: “Er wordt vooralsnog geen voortdurende en totale toewijding van je gevraagd. Maar jou wordt gevraagd nu te oefenen om het gevoel van vrede te bereiken dat een dergelijke volledige inzet, al is het maar met tussenpozen, je zal schenken. Juist de ervaring hiervan garandeert dat jij je totale bereidwilligheid zult inzetten om de weg te volgen die de cursus uiteenzet” (Wd1.181.In.1:2-4).

Het ego-deel van onze denkgeest, nogmaals, voelt haarfijn aan dat het opvolgen van Jezus advies zal leiden tot zijn ondergang. En aangezien wij onszelf nog vrijwel allemaal innig identificeren met onze eigen ego-persoonlijkheid, leidt de onbewuste angst over dit ongedaan maken tot allerlei subtiele zelfsaboterende mechanismen. We vallen bijvoorbeeld in slaap tijdens het lezen van een werkboekles. Of misschien worden we opeens afgeleid door dingen die nog moeten worden gedaan. Of misschien verandert de subtiliteit wel in hartgrondige frustratie over de onmogelijkheid van het uitvoeren van zo’n belachelijke les, terwijl we het boek tegen de muur smijten. Of een lange, lange tijd in de kast laten staan. Er zijn vele vormen waarin we logische redenen vinden om niet verder te gaan met Jezus leerplan. Juist daarom hebben we de ervaring van vrede en vreugde nodig die het doen van de werkboeklessen zullen geven, willen we ooit voortgang boeken op onze reis naar de aanvaarding van de Verzoening.

Jezus motiveert zijn studenten ook door ze er herhaaldelijk op te wijzen dat het uitvoeren van de oefening vrijwel niets van ze vraagt: “Het hoofddoel van alle oefeningen is het vergroten van je vermogen de ideeën die je zult oefenen zo uit te breiden dat ze alles omvatten. Dit zal van jouw kant geen inspanning vergen. De oefeningen zelf voldoen aan de voorwaarden die noodzakelijk zijn voor deze vorm van overdracht” (Wd1.In.7). Jezus richt zich dus, nogmaals, tot dat deel van onze denkgeest dat wel graag de vrede en vreugde wil ervaren die hij belooft.

De kern van wat die bereidheid inhoudt komt neer op het totaal opgeven van oordeel (eigenlijk: veroordeling), al is het maar voor even: “Je hebt geen idee van de geweldige bevrijding en de diepe vrede die ontstaan wanneer jij jezelf en je broeders totaal zonder oordeel tegemoet treedt. Wanneer je inziet wat jij bent en wat jouw broeders zijn, zul je beseffen dat het geen betekenis heeft hen op wat voor manier ook te oordelen” (T3.VI.3:1-2). En, wederom uit de inleiding tot de werkboeklessen 181-200: “De ervaring van vrijheid en vrede die ontstaat wanneer jij je rigoureuze controle over wat je ziet opgeeft, spreekt voor zich. Jouw motivatie zal zo worden versterkt dat woorden niet meer zo belangrijk zijn. Je zult zeker zijn over wat jij wilt, en over wat geen waarde heeft” (Wd1.181.In.2:4-6).

Dat is waarom Jezus ons in Hoofdstuk 20 van het Tekstboek als volgt verzekert: “Deze cursus vergt nagenoeg niets van jou. Het is onmogelijk je een cursus voor te stellen die zo weinig vraagt, of die meer te bieden heeft” (T20.VIII.1:7-8). Wat de Cursus biedt is blijvende vrede, liefde en vreugde, hoewel tegen de prijs van het loslaten van onze gekoesterde kleine individualiteit. Maar naarmate we oefenen merken we dat we die eigenlijk toch niet willen, omdat die ons alleen maar ellende en pijn brengt. Tegelijkertijd geeft Jezus toe: “Het vereist heel wat leerwerk eer begrepen wordt dat alle dingen, gebeurtenissen, ontmoetingen en omstandigheden behulpzaam zijn” (H4.I-A.4:5). Daarom springt niemand in één keer van de dualistische illusie naar de nondualistische waarheid; dit is een langzaam proces.

Jij en ik kunnen ons dus veroorloven om tevreden en geduldig te zijn. We kunnen met een gerust hart aanvaarden dat ons leerproces niet erg snel lijkt te gaan. Jezus verzekert ons dat de gelukkige afloop voor iedereen vaststaat: “Zij die zeker zijn van de afloop kunnen zich veroorloven te wachten, en wel zonder verontrust te zijn. Geduld is voor de leraar van God vanzelfsprekend. Al wat hij ziet is een afloop die vaststaat, misschien op een tijdstip dat hem vooralsnog onbekend is, maar waarover geen twijfel bestaat. Het tijdstip zal even juist zijn als het antwoord” (H4.VIII.1:-4). Uiteraard kan het ego deze geruststelling verdraaien tot een argument om de werkboeklessen juist niet te doen: er is toch tijd zat. Daarom zouden we elke dag waakzaam voor het Koninkrijk moeten zijn en juist gedisciplineerd en gemotiveerd de werkboeklessen moeten oefenen, waar we ook zijn. Hoe vaker het je lukt de moed op te brengen om veroordeling compleet los te laten en hulp te vragen aan de Heilige Geest, hoe vaker je dat warme, vredige gevoel vanbinnen zult voelen. En het is die ervaring die onze motivatie zal versterken om de Cursus onder de knie te krijgen. Dus stop niet bij het alleen maar lezen van de werkboeklessen; pas ze zo vaak toe als je kunt, in weerwil van je onbewuste weerstand ertegen. Fijne oefentijd!

— Jan-Willem van Aalst, nov. 2018

Wakker worden in een droomwereld

In onze nachtelijke dromen kunnen de gekste dingen gebeuren. En terwijl we slapen twijfelen we niet aan de realiteit ervan. Scènes kunnen zomaar van hot naar her springen; mensen en vreemde wezens kunnen zomaar uit het niets verschijnen; en gebeurtenissen lijken ons ongevraagd te overkomen. We kunnen onszelf ervaren als de held van de droom, of als het onschuldige slachtoffer dat wordt opgejaagd of gemanipuleerd, buiten onze eigen macht om. In sommige dromen zijn wij zelf de manipulator of zelfs de moordenaar. Het doel van dit alles, zo doen psychologen ons geloven, is om onderdrukte emoties en wensen uit te leven (of te verwerken) die we in ons onbewuste hebben weggestopt.

Wanneer we ’s ochtends wakker worden, kunnen we soms wel, soms niet nog iets herinneren van wat we die nacht hadden gedroomd. Maar over wat wij ons ervan herinneren, of het nu prettig of angstig was, vertellen we onszelf dat het slechts een droom was, die niets van doen heeft met de werkelijkheid. We glimlachen over de vele onmogelijke gebeurtenissen die ogenschijnlijk plaats vonden. Andersom twijfelen we geen seconde aan de realiteit van de wereld waartoe we zojuist – gelukkig! – waren ontwaakt. We zijn blij onszelf weer veilig in onze slaapkamer te ervaren, en we maken ons klaar voor een nieuwe dag in de wereld van tijd en ruimte die we ons leven noemen.

Eén van de meest verbijsterende verrassingen die Een cursus in wonderen als spiritueel leerplan zijn lezers biedt, is de notie dat wat wij “de realiteit” noemen, in werkelijkheid niets méér is dan een andere vorm van dromen. Zoals we lezen in Hoofdstuk 18 van het Tekstboek: “…Waartoe jij lijkt te ontwaken is niets dan een andere vorm van diezelfde wereld die je ziet in je [nachtelijke] droom. Al jouw tijd wordt doorgebracht met dromen. Je slaapdromen en je waakdromen hebben verschillende vormen, meer niet. Hun inhoud is dezelfde” (T18.II.5:11-14). En zo concludeert Jezus in zijn Werkboek: “Er is geen wereld! Dit is de kerngedachte die de cursus probeert te onderwijzen” (Wd1.132.6:2).

Mensen met een achtergrond in de kwantumfysica kunnen zich misschien nog wel wat voorstellen bij dit duizelingwekkende idee dat “al je tijd wordt doorgebracht met dromen”, aangezien ook zij tot de conclusie komen dat tijd en ruimte uiteindelijk onwerkelijk zijn. Maar voor de overgrote meerderheid is dit concept heel moeilijk te vatten, laat staan aanvaarden. Als de wereld waarin ik werk, eet, slaap en leef slechts een doom is, waarom zou ik er dan in ’s hemelsnaam voor kiezen om daarin te vertoeven; en hoe zou ik daar uit kunnen ontwaken? En waar ontwaak ik dan toe? In Een cursus in wonderen legt Jezus ons uit dat wij deze materiële droomwereld doelbewust kozen en nog steeds kiezen, omdat wij de God van ons eigen universum willen zijn: “Dromen zijn de woede-uitbarstingen van de waarneming, waarin je letterlijk schreeuwt: ‘Ik wil het zó!’ 2En zo lijkt het dan te gaan. […] Dromen laten jou zien dat je de macht hebt een wereld te maken zoals jij die graag wilt, en dat je die ziet omdat je die verlangt. En terwijl je die ziet twijfel je er niet aan dat ze werkelijk is. […] Ze vormen jouw protest tegen de werkelijkheid, en jouw waanzinnige idee-fixe dat je die kunt veranderen” (T18.II.4:1-2;5:1-2;5:15).

Eén van de belangrijke leerdoelen van Een cursus in wonderen is dat wij ons volledig gewaar worden – mild en langzaam – van onze onbewuste innerlijke drijfveer om onszelf in deze nachtmerrie te houden omdat we nog steeds menen de troon van onze Schepper te bezetten, en zelf God in onze eigen kleine wereld te zijn. Dat is de fundamentele aard van de gedachte die we ‘ego’ noemen. Het is de bronoorzaak van de Oerknal, die de wereld van tijd en ruimte letterlijk in gang zette. En net zoals we uitstekend in staat zijn om uit onze nachtelijke dromen te ontwaken, zo ook zijn wij in staat om uit deze droomwereld van tijd en ruimte te ontwaken: “Jij bent thuis in God en droomt van ballingschap, maar bent volmaakt in staat te ontwaken tot de werkelijkheid. [Maar] Is het jouw beslissing dat te doen?” (T10.I.2:1-2). Als oppepper voegt Jezus er aan toe: “Jij zult je alles herinneren op het ogenblik dat je het totaal verlangt, want als totaal verlangen scheppen is, zul je de afscheiding hebben weg-gewenst, en je denkgeest tegelijkertijd aan je Schepper en je scheppingen hebben teruggegeven. Nu je Hen kent zul je niet langer de wens koesteren te slapen, maar alleen het verlangen hebben ontwaakt en blij te zijn. Dromen zijn dan onmogelijk, omdat jij louter de waarheid zult willen, en doordat die eindelijk jouw wil is, zal ze jouw deel zijn” (T10.I.4).

Jezus verzekert zijn studenten herhaaldelijk dat zijn Leerplan eenvoudig is; althans, zijn principes zijn dat: “Er is helemaal niets gebeurd behalve dat jij jezelf in slaap hebt gebracht, en een droom hebt gedroomd waarin jij voor jezelf een vreemde was, en slechts een deel van iemand anders’ droom. Het wonder doet je niet ontwaken, maar laat jou alleen zien wie de dromer is. […] Het wonder stelt vast dat je een droom droomt waarvan de inhoud niet waar is. Dit is een cruciale stap in het omgaan met illusies. Niemand is er bang voor wanneer hij ziet dat hij ze zelf verzonnen heeft” (T28.II.4:1-2; 7:1-3). En in Hoofdstuk 27: “Het geheim van de verlossing is slechts dit: dat jij dit jezelf aandoet” (T27.VIII.10:1). In zekere zin bestaat het gehele leerplan van Een cursus in wonderen uit motivatietraining om de droomwereld van tijd en ruimte achter je te laten, en in plaats daarvan de werkelijke wereld van zuivere waarneming te omarmen: volledig vergeven, vrij van enige vorm van veroordeling.

Maar bij deze aanpak hoort ook de noodzaak om onversaagd de enorme weerstand aan te kijken die een dergelijke complete ommezwaai van onze waarden en overtuigingen met zich meebrengt. In zijn Cursus zal Jezus zijn studenten nooit dwingen iets te denken of doen, want hoe zou de Stem namens Liefde iets van aanval of dwang kunnen kennen? En hoewel Jezus wel degelijk zijn studenten aanspoort om alles in hun materiële lichaamsgerichte kaartenhuis te heroverwegen, bespreekt hij ook in alle eerlijkheid de weerstand die we onvermijdelijk voelen tegen het aanvaarden van de werkelijke wereld. Mocht jij misschien denken dat jij dergelijke weerstand helemaal niet hebt (“want laten we eerlijk zijn, die belofte van blijvende innerlijke vrede, vreugde en liefde is toch precies wat ik wil?”) dan komt dat omdat je die ervaringen als individu wilt – met andere woorden, je wilt dat God jou als individuele persoonlijkheid aanvaardt. Helaas voor het ego: het aanvaarden van de werkelijke wereld (de poort naar Eenheid) en het instandhouden van het ego (de keuze voor afscheiding van Eenheid) kan niet allebei.

Jij en ik hoeven niet benauwd te zijn dat we ruw uit onze “waakdroom” zullen worden gewekt en in één keer zullen “…worden opgetild en de werkelijkheid in geslingerd” (T16.VI.8:1) als de Ene Zoon van God. We zullen pas ontwaken uit deze materiële droomwereld zodra we dat ontwaken volledig vrij van angst kunnen aanvaarden. Het volgen van de Innerlijke Stem namens Liefde (de Heilige Geest of Jezus, vaak merkbaar als liefdevolle intuïtieve impulsen in je onderbuik) kunnen enorm behulpzaam zijn om elke dag een stuk milder te laten verlopen, hoe vaak we ook lijken te struikelen. Met name de vijfde werkboek herhalingsreeks (na les 170) kan hierin behulpzaam zijn: “We beseffen dat we ons aan het voorbereiden zijn op een nieuwe fase in ons begrip. […] Onze schreden zijn niet altijd even vast geweest, en twijfels hebben ervoor gezorgd dat we onzeker en langzaam de weg gingen die deze cursus uiteenzet. Maar nu spoeden we ons voort, want we naderen een grotere zekerheid, een bestendiger doel en een zekerder bestemming (Wd1.H5.In.1:3-6). Jezus schenkt ons daarop het volgende lieflijke gebed:

“Sterk onze voeten, Vader. Laat onze twijfels bedaren en onze heilige denkgeest stil zijn, en spreek tot ons. We hebben geen woorden om aan U te geven. We willen slechts naar Uw Woord luisteren en het ons eigen maken. Leid onze oefening, zoals een vader een klein kind langs een weg leidt die het niet begrijpt. Toch volgt het, zeker dat het veilig is, omdat zijn vader het de weg wijst. Zo brengen we onze oefening bij U. En als we struikelen, helpt U ons overeind. Als we de weg vergeten, rekenen we op Uw onfeilbare herinnering. We dwalen af, maar U zult niet vergeten ons terug te roepen. Versnel onze voetstap nu, opdat we zekerder en sneller tot U kunnen gaan. En we aanvaarden het Woord dat U ons biedt om ons oefenen tot één geheel te maken, wanneer we de gedachten herhalen die U ons gegeven hebt.” (Wd1.H5:In:2-3).

— Jan-Willem van Aalst

Vervloek God en sterf!

Deze beruchte uitroep in de bijbel (Job 2:9) van Job’s vrouw symboliseert onze beschuldigende vinger naar God voor alle pijn en ellende die we in de wereld en in ons persoonlijk leven ervaren. Tegelijkertijd bewijst dit, vanuit ego-perspectief bekeken, dat de afscheiding van God wel degelijk realiteit is en dat wij de Wil van God kunnen weerstreven. Het is, kortom, overduidelijk dat wij als autonome individuen echt bestaan! Dus wanneer Job zijn vrouw probeert te troosten door te stellen dat de mens van God niet alleen maar het goede zou moeten verwachten, maar ook tegenslagen, die ons de kans geven om spiritueel te groeien, bevestigt hij eigenlijk nogmaals het verschil tussen wat God wil en wat wij als afgescheiden wezens willen. Het ego was kennelijk regelmatig betrokken bij het schrijven van de Bijbel…

In Een cursus in wonderen, een spiritueel leerplan voor het bereiken van innerlijke vrede, probeert Jezus ons te helpen dergelijke tragische vergissingen ongedaan te maken. Verwijzend naar de Heilige Geest, de Stem namens Liefde, verzekert hij ons in werkboekles 166: “Er vergezelt jou Iemand die mild al jouw angsten beantwoordt met dit ene meedogende weerwoord: ‘Zo is het niet'” (Wd1.166.11:3). We menen dat we God verlaten (of overwonnen) hebben en nu een god zijn in onze eigen kleine wereld; tenminste, totdat Hij zijn wraak uitvoert en het levenslicht terugneemt dat wij van Hem hebben gestolen. Maar zo is het niet. De reden dat dit niet zo is, is dat onze stevig vastgeroeste overtuigingen over de realiteit van de wereld en van onszelf volkomen onjuist blijken te zijn. In diezelfde werkboekles lezen we: “Deze wereld is niet de Wil van God en dus is ze niet werkelijk” (Wd1.166.2:2).

Oef. Die uitspraak biedt geen enkele ruimte voor afleidingsmanoeuvres zoals “God schiep niet het kwaad in de wereld (want daar kiezen we zelf voor), maar wel de materiële wereld en de mens erin.” Jezus laat er in zijn leerplan geen twijfel over bestaan dat deze wereld niet de Wil van God is, en derhalve niet werkelijk zou kunnen zijn. Dit is één van de plekken in Een cursus in wonderen waar het ego werkelijk bang wordt en probeert terug te slaan, zoals bijvoorbeeld door het boek een paar jaar in de kast te laten staan, of in woede tegen de muur te smijten. Dat is niet verwonderlijk, want dergelijke uitspraken weerspreken elke notie van wat wij als werkelijkheid beschouwen; alles waar we op denken te kunnen bouwen en vertrouwen. Als deze wereld niet werkelijk is, dan moet dat betekenen dat ik niet werkelijk ben. Maar wie is het dan die de woorden in dit boek leest? Het mooie van werkboekles 166 is dat Jezus ook toelicht waarom we zoveel weerstand voelen bij het aanvaarden van zijn boodschap van liefde, vreugde en vrede. Laten we eens zien hoe hij dat doet.

Jezus begint met de vraag: “Wat doet jou denken dat er een andere wil is dan de Zijne?” (Wd1.166.1:6). Hij legt vervolgens uit, als toelichting op zijn stelling dat deze wereld niet de Wil van God is en dus niet kan bestaan: “Toch moeten zij die denken dat ze werkelijk is, nog altijd geloven dat er een andere wil is, een die leidt tot gevolgen tegengesteld aan die Hij wil. Onmogelijk inderdaad, maar elke denkgeest die de wereld beziet en haar zeker, solide, betrouwbaar en waar acht, gelooft in twee scheppers, of in één: alleen zichzelf. Maar nooit in één God (Wd1.166.2:3-5). Dit herinnert ons aan de kern van de waarheid over onszelf die Jezus ons al in Hoofdstuk 3 van het Tekstboek gaf: “Je kunt jezelf zien als iemand die zichzelf schept, maar je kunt niet meer doen dan dat geloven. Je kunt het niet waar maken. […] de overtuiging dat je dit wel kunt is de hoeksteen van jouw denksysteem” (T3.VII.4:6-9). Dit is de denktoestand waar iedereen op deze planeet zich in bevindt: wij zijn duidelijk onderscheidbare individuele wezens, voortdurend bedreigd door anderen, door virussen, door politici, door natuurrampen, noem maar op. De liefde, vreugde en vrede van God zijn hier beslist niet aanwezig, behalve misschien in kortdurende momentjes van genot.

Eén van de kernpunten van les 166 is dat Gods liefde, vreugde en vrede wel degelijk de hele tijd in ons huizen; het is zelfs zo dat die de essentie vormen van wat wij zijn. Alleen ervaren we dat zo niet, vanwege ons vervormde beeld van de realiteit en van ons ware zelf. Jezus beschrijft het overheersende archetypische beeld van de mens als volgt: “Hij zwerft voort, zich bewust van de nutteloosheid die hij overal om zich heen ziet, terwijl hij merkt hoe het weinige dat hij heeft alleen maar slinkt, terwijl hij voortgaat op weg naar nergens. […] Hij lijkt een zielige figuur, vermoeid en afgetobd, in vodden gehuld en met bloedende voeten, geschramd door de rotsige weg die hij bewandelt. Er is niemand die zich niet met hem vereenzelvigd heeft, want ieder die hier komt heeft het pad gevolgd dat hij volgt, en heeft mislukking en hopeloosheid gevoeld zoals hij die nu voelt (Wd1.166.5:4-6:2). Het is dus niet zo verwonderlijk dat Jobs vrouw uitriep “Vervloek God en sterf!”

Het mooie aan Een cursus in wonderen is niet alleen dat die ons overtuigend uitlegt waarom dit onbewuste slechte beeld van onszelf onwaar is, maar ook dat die ons uitlegt waarom we kalm en in alle eerlijkheid naar deze vastgeroeste overtuiging zouden moeten kijken, zodat de Heilige Geest de gelegenheid krijgt om die op een milde wijze voorgoed ongedaan te maken. Daarom nodigt Jezus in zijn Cursus ons uit om ons ‘spirituele zoeklicht’ aan te zetten en ons te verheugen: “Maar is hij werkelijk tragisch, wanneer je ziet dat hij de weg volgt die hij gekozen heeft, en zich slechts hoeft te realiseren Wie hem vergezelt en zijn schatten hoeft te ontsluiten om vrij te zijn?” (Wd1.166.6:3). Het antwoord is natuurlijk: “Nee!” Wij zijn niet werkelijk tragisch; alle ellende die we om ons heen waarnemen is onze eigen keuze: “Het geheim van verlossing is slechts dit: dat jij dit alles jezelf aandoet” (T27.VIII.10:1). Gegeven die waarheid zou je denken dat het voor de hallucinerende Zoon van God eenvoudig genoeg zou moeten zijn om voortaan consequent voor liefde, vreugde en vrede te kiezen in plaats van ellende, pijn en verlies. Maar als dat zo was, zou iedereen allang verlicht zijn. Blijkbaar speelt er weerstand, en die zouden we aandachtig moeten bekijken: zonder angst, zonder schuld, zonder frustratie.

Jezus licht toe: “Je krimpt vol angst ineen, uit vrees dat je de aanraking van Christus op je schouder zou voelen en je Zijn zachte hand bemerken zou, die jou maant naar je geschenken te kijken. Hoe zou je dan jouw armoede in ballingschap kunnen verkondigen? Hij zou je doen lachen om dit beeld van jezelf. Waar blijft zelfmedelijden dan?” (Wd1.166.8:1-4). Een deel van onze denkgeest maakt een vreugdesprongetje bij deze uitleg, maar het ego-deel van de denkgeest krimpt ineen, omdat dit uiteindelijk inhoudt dat Eenheid de enige waarheid is, en mijn individuele bestaan dus inderdaad een leugen. Werkboek herhalingsserie 6 laat ons twintig dagen achter elkaar herhalen: “Ik ben niet een lichaam. Ik ben vrij. Want ik blijf wie ik ben, zo schiep God mij” (Wd1.201-220). Totdat we de bereidheid opbrengen om de Heilige Geest, de Stem namens Liefde, toe te staan deze vastgeroeste overtuigingen ongedaan te laten maken, en zo de ervaring van een “Eenheid verbonden als één” (T25.I.7:1) weer te laten ervaren, zullen we Jezus’ boodschap in Een cursus in wonderen niet aanvaarden, en nog steeds pijn blijven ervaren.

Een cursus in wonderen is niet een spiritualiteit om je beter te doen voelen als individu. De Cursus neemt ons helemaal mee naar de kern van het ‘probleem’ van het materiële universum, zodat wij de enige ware weg terug kunnen kiezen naar wat wij zijn: de eeuwige uitbreiding van Gods Liefde. In dezelfde les 166 beschrijft Jezus wat er gebeurt zodra we bereid zijn deze reis aan te vangen: “De hand van Christus heeft jouw schouder aangeraakt en je voelt dat jij niet alleen bent. Je denkt zelfs dat het ellendige zelf, waarvan je dacht dat jij dat was, misschien niet jouw Identiteit is. Misschien is Gods Woord waarachtiger dan het jouwe. Misschien zijn Zijn gaven aan jou wel echt. […] Gods Wil verzet zich niet. Die is er eenvoudig. Het is God niet die jij gevangen hebt gezet in je plan jouw Zelf te verliezen. Hij heeft geen weet van een plan dat zo vreemd is aan Zijn Wil. Er was een nood die Hij niet begreep, waarop Hij een Antwoord gaf. Dat is alles. En jij aan wie dit Antwoord gegeven werd, hebt niets anders meer nodig (Wd1.166.9:2-10:7)

Dus telkens wanneer je geneigd bent je bedrukt, angstig of kwaad te voelen terwijl je Een cursus in wonderen leest (en oefent!), besef dan dat dit slechts je eigen ego-weerstand is tegen Jezus’ boodschap dat individualiteit een zotte leugen is, die we niet werkelijk zouden willen als we de ellendige wereld van tijd en ruimte oprecht vergelijken met de eeuwige geschenken van de liefde, vreugde en vrede van God. Maar dit is een traag leerproces. Het enige wat we steeds hebben te doen is het vragen om hulp aan de Heilige Geest, en wel hulp om onze eigen keuze voor afwijzing en veroordeling ongedaan te maken: “Ik zou in plaats hiervan vrede kunnen zien” (Wd1.34). Hoe vaker je ervoor kiest niet langer je eigen leraar te zijn, maar in plaats daarvan te luisteren naar het intuïtieve advies van de Heilige Geest, hoe gelukkiger je dagen zullen worden. Je kunt God zo vaak vervloeken als je wilt, maar jij – als geest – kunt niet sterven. Gods geschenken zijn de onze. Dus waarom wachten op de Hemel?

— Jan-Willem van Aalst, oktober 2018

Elke dag duizend kadootjes

Zolang we nog in de tijd-ruimte wereld van het ego vertoeven, geven we in essentie alleen maar om wat we zelf hebben of zouden kunnen krijgen. Natuurlijk ben ik best bereid om af en toe liefdadig aan anderen te schenken, maar alleen als ik zeker weet dat ik zelf niets tekort kom. Iedereen in deze wereld onderschrijft de wetten van de chaos zoals Een cursus in wonderen die beschrijft (T-23.II), in dit geval de vierde (schijn)wet: “je hebt wat je genomen hebt” (T-23.II.9:3). Als ik iets van je krijg, heb jij het niet meer. Als ik iets aan je geef, heb ik het niet meer. Dat is in elk geval wat waarneming ons vertelt. In deze dynamiek is schuldgevoel over het aanvaarden van iemands geschenk nooit ver weg, want onbewust menen we dat wij met het aanvaarden van een geschenk de ander van bezit ontdoen, of eigenlijk van waarde ontdoen.

Echter, in de wereld van het denken, waar Een cursus in wonderen steeds over gaat, werkt dit alles heel anders. In zijn leerplan leert Jezus ons dat geven en ontvangen exact hetzelfde zijn, althans in de wereld van het denken. Als ik een idee met iemand deel, versterk ik dat idee in de ander én in mezelf. Als iemand mij ergens van overtuigt, wordt dat idee in mij versterkt én in de ander. Daarom kun je gerust stellen dat denken gelijkstaat aan scheppen. Niet op materieel niveau, maar zeker in de denkgeest, en dat is waar innerlijke vrede ten diepste over gaat: het kiezen van welke gedachten we in onze denkgeest willen ontvangen en omarmen. Daarbij benadrukt Jezus steeds dat er maar twee soorten gedachten zijn: die vanuit het ego, ofwel die vanuit de Heilige Geest. Er is geen tussenweg, er is een half-om-half mix. Elke seconde maken we deze ene keuze.

Alles wat mensen dus op een dag tegen mij zeggen, ja zelfs elke interactie die ik op een dag met iemand aanga, kan ik dus beschouwen als geschenken van de ander, waarvan alleen ikzelf besluit hoe ik die interpreteer, of, anders gezegd, hoe ik die ontvang. Hoe mooi is het dan om te lezen in werkboekles 315: “Elke dag komen er met elk ogenblik dat verstrijkt duizend schatten tot mij. Ik word heel de dag gezegend met geschenken die in waarde alles wat ik me kan voorstellen verre overtreffen. Een broeder glimlacht naar een ander en mijn hart wordt verblijd. Iemand spreekt een woord van goedheid of dank en mijn denkgeest ontvangt dit geschenk en maakt het tot de zijne.” (Wd2.315.1:1-4). Ik krijg dus elke dag duizend kadootjes! Maar dat is niet bepaald hoe het voelt. Mensen leven immers goeddeels vanuit hun ego. Hoe zit dat dan?

Zoals gezegd ligt de sleutel in welke gids voor betekenisgeving wij besluiten te kiezen wanneer iets onze kant op komt, en er bestaan slechts twee gidsen: de stem van het ego (namens afscheiding) en de stem van de Heilige Geest (namens Liefde). En natuurlijk spoort Jezus ons aan om vaker te kiezen voor de Stem namens Liefde. Daarom lezen we in hoofdstuk 29 van het Tekstboek: “Er is geen ander geschenk dat de Vader van jou vraagt dan dat jij in heel de schepping louter de stralende heerlijkheid ziet van Zijn geschenk aan jou. Zie Zijn Zoon, Zijn volmaakt geschenk, in wie zijn Vader voor eeuwig straalt, en aan wie heel de schepping als de zijne is gegeven.” (T29.V.5:1-2). Dus ongeacht wat er qua visuele perceptie ook gebeurt, krijg ik elke dag duizend kadootjes omdat ik duizend situaties tegenkom waarin ik kan kiezen om niet langer het ego als gids te nemen, maar eindelijk voor de Stem namens Liefde te kiezen, die mijn diepste wil weerspiegelt, omdat het de Wil van mijn Schepper is, waarmee wij één zijn.

Het is hierin echter wel belangrijk om te kijken naar de weerstand die het ego hierbij oproept. Immers, telkens als ik voor liefde kies, ontneem ik het ego – en dus mijn eigen individualiteit – een beetje kracht. En dat is voor het ego, voor onze eigen afgescheiden persoonlijkheid, uiterst bedreigend. Dat is waar alle spirituele zelf-sabotage vandaan komt: om mezelf in stand te houden moet ik veroordeling in stand houden. Daarom vervolgt Jezus de genoemde werkboekles 315 direct met les 316, waarin hij ons aanspoort om als volgt te denken: “Zoals elk geschenk dat mijn broeders geven van mij is, zo behoort ieder geschenk dat ik geef mij toe. Elk laat een vroegere vergissing verdwijnen, zonder een schaduw achter te laten op de heilige denkgeest die mijn Vader liefheeft. […] Mijn schatkamer is vol, en engelen bewaken haar open deuren, opdat geen enkel geschenk verloren gaat en er alleen meer worden bijgevoegd.” (Wd2.316.1:1-4).

De “schatkamer” is onze juist-gerichte denkgeest, waarin we Gods geschenken vinden. Bij alles wat we in de materiële wereld zoeken zeggen we eigenlijk dat Gods geschenken niet genoeg voor ons zijn – we denken op onszelf iets beters te kunnen vinden. Als Cursusstudenten herkennen we natuurlijk de zottigheid van dat “nietig, dwaas idee” (T27-VIII.6:3). Hier hoeven we ons beslist niet schuldig over te voelen (want dat zou het ego alleen maar versterken), maar Jezus vraagt wel van ons dat we oordeelloos kijken naar wat we denken en doen, en waarom. Hij nodigt ons uit om onze aandacht niet langer te richten op de speeltjes in de wereld, maar op de ware schatkamer, in onze denkgeest. In het Tekstboek lezen we dan ook: “God is jouw erfgoed, want Zijn enig geschenk is Hijzelf. Hoe kun jij anders geven dan zoals Hij, wil je Zijn geschenk aan jou kennen? Geef dan zonder beperking en zonder einde, om te leren hoeveel Hij jou gegeven heeft. Je vermogen om Hem te aanvaarden hangt af van je bereidwilligheid om te geven zoals Hij geeft.” (T11.I:7:1-5).

Zodra we dit eenmaal helder zien en dit van dag tot dag, van moment tot moment gaan beoefenen, en we de innerlijke vrede die daar onvermijdelijk uit volgt gaan ervaren, kunnen we in dankbaarheid als volgt bidden: “Ik dank U, Vader, voor de vele geschenken die vandaag en iedere dag van elke Zoon van God tot me komen. Mijn broeders zijn grenzeloos in al hun geschenken aan mij. Nu kan ik hen mijn erkentelijkheid betuigen, opdat mijn dankbaarheid aan hen mij mag leiden tot mijn Schepper en de herinnering aan Hem.” (Wd2.315.2). In de “De Geschenken van God”, de laatste boodschap die Helen heeft opgetekend van Jezus (1978), herhaalt Jezus dit nog eens op poëtische wijze: “Vader, wij danken U voor deze geschenken die we samen [d.w.z., ik en mijn broeder] gevonden hebben. Hierin zijn wij verlost. Want hierin zijn wij verbonden, en vanuit deze plek van heilige verbintenis zullen we tot U komen, omdat wij de geschenken herkennen die U geeft, en omdat wij niets anders verlangen.” (The Gifts of God, mijn vertaling van p.119).

Dit betekent natuurlijk niet dat je al je materiële bezit de komende tijd gaat weggeven, of overmatig gaat uitsloven voor anderen, omdat je denkt dat het de Schepper zal behagen dat je lief bent voor je broeders. Vergeet nooit dat Een cursus in wonderen altijd louter over de denkgeest gaat. Waar ik voorheen altijd wel een ‘rood lichtje’ in iemand anders zag, puur om mijn eigen unieke speciaalheid in stand te kunnen houden, word ik nu uitgenodigd om in iedereen het ‘witte lichtje’ te zien, dat onze gedeelde essentie als Zonen van God weerspiegelt. Dan nog kan de Heilige Geest mij in specifieke situaties best adviseren om liefdevol “nee” te zeggen op een verzoek om iets te geven of te doen. Maar dat doe ik dan zonder enige veroordeling, geleid door de Stem namens Liefde. En dat is het pad naar ware blijvende innerlijke vrede. Probeer dus vandaag de duizend kadootjes te zien die je worden aangeboden, mits je bereid bent te luisteren naar de impuls van de Heilige Geest!

— Jan-Willem van Aalst, juli 2021

Weten wie je bent

Als je voor iemand zou moeten samenvatten wie je bent, hoe zou jouw samenvatting er dan uitzien? Neem eens een paar minuten de tijd om je uiterlijk te beschrijven; je persoonlijkheid; je talenten; je levensgeschiedenis en je passies. Neem eventueel de gelegenheid om het in een paar zinnen op te schrijven, puntsgewijs. Denk er niet te lang bij na, noteer wat in je opkomt.

Wat je nu hebt opgeschreven is niet wie jij bent. Je hebt eigenlijk facetten opgeschreven van je huidige incarnatie. Maar wat jij en ik werkelijk zijn, wordt ons pas duidelijk zodra we overlijden, oftewel de jas van deze incarnatie uittrekken. Pas dan beseffen we werkelijk de betekenis van Jezus’ antwoord op de vraag in het werkboek van Een cursus in wonderen over “Wat ben ik?”: “Ik ben Gods Zoon, compleet, genezen en heel, stralend in de weerspiegeling van Zijn Liefde. In mij is Zijn schepping geheiligd en van eeuwig leven verzekerd. In mij is de liefde vervolmaakt, angst onmogelijk en vreugde gegrondvest zonder tegendeel. Ik ben de heilige woning van God Zelf. Ik ben de Hemel waar Zijn Liefde huist. Ik ben Zijn heilige Zondeloosheid zelf, want in mijn zuiverheid woont de Zijne.” (Wd2-14.1).

Dat is bepaald niet hoe we onszelf van dag tot dag ervaren. Als deze beschrijving waar is, waarom ervaren we onszelf dan niet de hele tijd zo? Antwoord: omdat we nog steeds hechten aan de wens om te proberen los van God een eigen godje te zijn in ons eigen kleine denk-rijkje, waar God niet mag komen. In de Cursus wordt dit het ‘nietig, dwaas idee’ genoemd (T27.VIII.6:3). Het is nietig, omdat het in werkelijkheid (lees: in de eeuwigheid) nooit is gebeurd; het is dwaas, omdat een afscheiding van God – die Alles omvat – überhaupt niet zou kunnen. En toch hopen we, reïncarnatie na reïncarnatie, dat het alsnog zou kunnen lukken om zélf god te zijn in ons eigen droomwereldje.

Want dat is waar jij en ik elke ochtend in ontwaken: een droomwereld, die in werkelijkheid (eeuwigheid) helemaal niet bestaat en nooit zou kúnnen hebben bestaan. Het is een droom van tijd, ruimte, waarneming en interpretatie waarin alles en iedereen een flauwe afspiegeling is van de dwaze keuze om afscheiding van eenheid te proberen. We dromen bijgevolg over dreiging, pijn en de dood, als bewijs dat de eeuwigheid echt een leugen is, en dat de afscheiding wel degelijk is gelukt; waarmee ik dus ontegenzeggelijk besta.

In werkelijkheid zijn wij in eeuwigheid de Ene Schepping van God, die louter een uitbreiding van Zijn Allesomvattende, Onvoorwaardelijke Liefde is. Jij en ik zijn dan ook louter het Ene Idee van deze zich immer Uitdrukkende Liefde van God. We willen graag dat God (of zijn Stem, de Heilige Geest, of de manifestatie daarvan die wij in de Cursus kennen als Jezus) ons helpt om ons “leven” gelukkiger te maken in de droom, maar de enige hulp die ons beschikbaar wordt gesteld in de droom, bestaat uit liefdeslessen om te leren dat de droom niet de werkelijkheid is, en dat we beter af zijn om de Verzoening voor onszelf te aanvaarden en wederom te ontwaken in Liefde, wat in de Cursus de Tweede Wederkomst wordt genoemd.

Maar als de Cursus het zou laten bij de stelling dat jij en ik als individuen eigenlijk helemaal niet bestaan, dan is dat niet erg behulpzaam voor ons ontwakingsproces. Daarom spreekt Jezus ons in Zijn Cursus aan in de toestand waarin wij ons menen te bevinden: als een persoonlijkheid in een lichaam, die de pijn van voortdurende schuld, haat en aanval zat is en beseft dat er “een betere weg moet zijn” (T2.III.3:5-6); dat blijvende innerlijke vrede mogelijk moet zijn. Pas dan ontwikkelen we de bereidheid om de mogelijkheid te overwegen dat Jezus misschien inderdaad wel gelijk heeft in alles wat hij ons over de werking van onze geconflicteerde denkgeest onthult. Pas dan vinden we de motivatie om zijn lessen werkelijk gemeend te gaan toepassen.

Jezus’ leerplan is altijd mild. We hoeven helemaal niets op te geven waar wij nog aan hechten, zij het personen, gewoonten, dingen of relaties. We hoeven ons drukke leven niet de rug toe te keren om jaren te gaan mediteren in een grot. Het enige dat Jezus van ons vraagt is dat wij zonder oordeel gaan kijken naar onze eigen weerstand tegen zijn boodschap, “boven het slagveld” (T-23.IV) ten volste beseffen dat we hiermee een zotte droom in stand houden, en vervolgens aan hem te vragen wat we in plaats daarvan zouden moeten denken en doen. Dat vragen komt neer op een verschuiving van ons denken van ego-gericht naar liefde-gericht, en het antwoord op ons vragen zal altijd neerkomen op een uiting van liefde, in een vorm die op dat moment optimaal zal zijn voor iedereen.

Is het zo eenvoudig? Ja, zo eenvoudig kan het zijn… áls we bereid zijn de liefdeslessen die ons dagelijks worden aangeboden, van minuut tot minuut, te herkennen en te leren. Er is geen tijdsdruk of prestatiedruk; we gaan richting Jezus’ eindexamen in ons eigen tempo. Vandaar de uitspraak in het Tekstboek: “Deze cursus vergt nagenoeg niets van jou. Het is onmogelijk je een cursus voor te stellen die zo weinig vraagt, of die meer te bieden heeft.” (T20.VII.1:7-8).

Natuurlijk zullen we bij het oefenen veel weerstand bemerken, omdat het halen van het ‘eindexamen’ betekent dat onze individualiteit voorgoed verdwijnt en de karma-cyclus van reïncarnaties voorgoed stopt. Natuurlijk lijkt dat nu eng! Maar het beoefenen van de dagelijkse liefdeslessen doet ons beseffen dat onze Schepper niet boos is en ons, net als de Verloren Zoon uit de Bijbel, warm naar ons enige ware Thuis terug zal verwelkomen. Dus niet door zelfmoord, maar door het aanvaarden van de lessen van Liefde. Jij en ik zijn namelijk die Liefde. Veel inspiratie gewenst met het dagelijks oefenen!

— Jan-Willem van Aalst

Hoe heilig wil je zijn?

Veel mensen gaan gebukt, bewust of onbewust, onder onzekerheid over hun eigenwaarde. Ze lijken van hot naar her geslingerd te worden door krachten waar ze geen invloed op hebben. Jeugddromen blijken veelal niet uit te komen. Zo zwoegen we voort, van dag tot dag, in de hoop dat ons af en toe klein genot gegund wordt, maar tegelijkertijd in het besef dat het uiteindelijk allemaal voor niets zal zijn geweest. Alle grootsheid die het ego tentoonspreidt over hoe fantastisch iets of iemand is, komt eigenlijk neer op een koppige verdediging tegen dat deprimerende besef dat het kaarsje van mijn leven vroeg of laat eindigt, en dat ik snel vergeten zal zijn.

Wanneer ik dus in werkboekles 35 lees dat “ik heel heilig ben” (Wd1.35), en verderop in het werkboek dat “eeuwige heiligheid in mij woont” (Wd2.299), dan kan dat wel eens moeilijk te geloven zijn. Wat bedoelt Jezus? Zoals we keer op keer hebben gezien, heeft Jezus het beslist niet over mij als lichaam. Hij verwijst hiermee naar de denkgeest, maar dan niet de individuele persoonlijkheid die ik meen te zijn. Jezus spreekt ons in zijn Cursus altijd aan als de keuzemaker, die kan kiezen voor juist of onjuist gericht denken. Je zult niet ver komen in het omarmen en doorleven van Een cursus in wonderen zolang je de essentie van jezelf nog ziet als een persoonlijkheid in een lichaam.

Dat is waarom Jezus ons twintig lessen achter elkaar laat oefenen met de mantra “Ik ben niet een lichaam. Ik ben vrij. Want ik blijf wat ik ben, zo schiep God mij.” (Wd1.201-220). Dit verwijst naar het inherent illusoire karakter van tijd, ruimte en waarneming: wat wij als onze dagelijkse realiteit beschouwen betitelt Jezus als onze ‘waakdroom’, waarin we van moment op moment kiezen voor ofwel verdere afscheiding (ego), ofwel de weg terug naar de eenheid van Liefde (Heilige Geest). Terwijl de illusoire tijd zich lijkt voort te bewegen zijn wij, als de collectieve Ene Zoon van God, nog steeds Thuis in het Hart van God, buiten tijd en ruimte. De afscheiding, en dus het hele universum, heeft helemaal nooit plaatsgevonden.

Dat betekent overigens niet dat ik mijn lichaam, mijn persoonlijkheid en de hele wereld zou moeten ontkennen of onderdrukken. Zolang ik deze wereld nog serieus neem (en dat doe ik, omdat er nog steeds zaken zijn die mij van streek maken) kan ik leren alles wat op mijn pad komt te herinterpreteren als een “les in liefde” (T6.V) die ik als “gelukkige leerling” (T14.II) kan leren te aanvaarden om zo uiteindelijk de Verzoening voor mezelf te aanvaarden (T2.V.5:1). Dit is een proces, dat om vertrouwen en geduld vraagt. Het is in dat proces niet behulpzaam om stappen te willen overslaan, en “morgen Thuis te zijn”. Dat geeft immers aan dat we ons huidige leven nog steeds als een werkelijke toestand beschouwen waaruit we willen ontsnappen. We zijn al Thuis.

Wat is dan wél effectief in dit proces van de “reis terug naar Huis”? Zolang ik nog denk dat ik een lichaam met een persoonlijkheid ben, blijft mijn heiligheid waarover Jezus spreekt nog versluierd voor mij. In werkboekles 299 lezen we: “Mijn heiligheid gaat mijn eigen vermogen om te begrijpen en te weten verre te boven. Maar God, mijn Vader, die mijn heiligheid geschapen heeft, erkent haar als de Zijne. Onze gezamenlijke Wil begrijpt haar. En Onze gezamenlijke Wil weet dat het zo is.” (Wd2.299.1). Dit betekent dat ik mijn route naar verlossing niet zelf hoef uit te stippelen. Zo lezen we in het Tekstboek: “Jij bent er nog steeds van overtuigd dat jouw begrip een machtige bijdrage vormt aan de waarheid, en haar maakt tot wat ze is. Toch hebben we beklemtoond dat je niets hoeft te begrijpen. Verlossing is makkelijk, juist omdat ze niets vraagt wat je niet nu meteen kunt geven.” (T18.IV.7:5-7).

Dit betekent niet dat ik mijn dagen zou moeten doorbrengen met het voortdurend denken aan hoe heilig ik ben volgens mijn Schepper. Dat is slechts een slinkse truc van het ego om het individuele zelf toch tot werkelijkheid te maken. Het gaat er juist om dat ik, als keuzemaker/observator mij in alle eerlijkheid bewust word van alle situaties waarin ik nog voor het ego kies: “Het is niet jouw taak op zoek te gaan naar liefde, maar enkel in jezelf alle hindernissen te zoeken die jij ertegen opgeworpen hebt, en die te vinden. Het is niet nodig te zoeken naar wat waar is, maar wel naar wat onwaar is.” (T-16.IV.6:1-2). Door mijn ego-dynamiek zonder oordeel aan te kijken, als het ware van een afstandje, zonder mezelf erin te verliezen, zal ik me er steeds minder mee gaan identificeren. De ruimte die daardoor ontstaat wordt vanzelf gevuld door het licht van de Heilige Geest.

Juist door alle ego-zottigheid steeds wat minder serieus te nemen, zal ik mij gewaar worden van de heiligheid waar Jezus het over heeft in werkboeklessen 35 en 299. En dan zal ik steeds vaker gevoelens van diepe dankbaarheid ervaren. Dankbaarheid over dat ik in werkelijkheid één ben met God, dat God niet boos is om mijn droom, en dat ik mild geleid wordt naar het aanvaarden van de Verzoening, als ik maar mijn aangeboden liefdeslessen leer aanvaarden. Alles wat op je pad komt, hoe pijnlijk het soms ook lijkt, is een les in liefde waarvan de Heilige Geest weet dat je daar nu aan toe bent. Kijk je eigen weerstand aan, glimlach om de zottigheid, en vraag wat Liefde zou doen. Wat vervolgens uit je mond of handelen komt, zal altijd de collectieve Heiligheid van de Zoon van God weerspiegelen, en alle betrokkenen helen.

Werkboekles 299 besluit met: “Ze [Mijn Heiligheid] blijft eeuwig volmaakt en onaangetast. In haar zijn alle dingen geheeld, want ze blijven zoals U ze geschapen hebt. En ik kan mijn heiligheid kennen. Want ik werd door Heiligheid Zelf geschapen, en ik kan mijn Bron kennen omdat het Uw Wil is dat U wordt gekend.” (Wd2.299.2:5-8). Oefen vandaag dus niet met arrogantie, maar in het blije besef dat je alles kunt wat de Heilige Geest je graag ziet leren vandaag. En waar je vandaag misschien nog over struikelt, wordt je morgen liefdevol opnieuw aangeboden. En je Heiligheid garandeert dat je uiteindelijk zult slagen voor het examen van de Verzoening. Veel inspiratie, aanvaarding en dankbaarheid gewenst vandaag!

— Jan-Willem van Aalst, juli 2021

Dagworkshop “Nooit meer stress”

Op vrijdag 24 september a.s. organiseer ik met Hans Westerveld een ééndaagse workshop voor managers “Met een andere kijk op stress naar blijvende vrede”, uiteraard vanuit het gedachtegoed van Een cursus in wonderen. De locatie is Antropia, bij station Driebergen-Zeist. In deze workshop gaan we zien hoe de integratie van psychologie, spiritualiteit en kwantumfysica die Een cursus in wonderen is, de bronoorzaak van alle stress in beeld kan brengen, zodat we ‘boven het slagveld’ een betere keuze kunnen maken en de blijvende innerlijke vrede vinden die we zo verlangen. Naast de theorie zullen we er in de middag ook concreet mee oefenen.

Op de speciale workshopwebsite vind je meer informatie en het inschrijfformulier: www.workshopnooitmeerstress.nl.

Jan-Willem van Aalst

Het verleden in het nu

Wetenschappers schatten dat we elke dag gemiddeld zo’n 60.000 tot 80.000 gedachten hebben, afhankelijk van hoe actief (of gestresst) de denkgeest is. “Ja, en?” zul je zeggen. Wel, het verontrustende daaraan is dat meer dan 95% van die gedachten over het verleden of de toekomst blijken te gaan. Ga zelf maar eens na hoe vaak je denkt aan dingen die in het verleden niet goed gingen (of juist heel erg goed), en hoe vaak je je zorgen maakt over hoe je grip op je toekomst kunt behouden. Als je een gemiddelde dag overziet, zitten we met onze gedachten slechts zelden in het hier en nu.

Vaak wordt daar tegen ingebracht dat het verleden waardevol is om van te leren, zodat we in de toekomst betere keuzes kunnen maken: ‘Denken aan verleden en toekomst is toch zinnig, zelfs noodzakelijk, voor de kwaliteit van ons leven?’ Zolang we nog denken dat “ons leven” betekent: “dit ene materiële leven in dit fysieke lichaam” lijkt dat alleszins redelijk. Maar in Een cursus in wonderen legt Jezus ons uit dat onze voortdurende focus op verleden en heden uitsluitend tot doel heeft om de afgescheidenheid van eenheid, van ons ware Zelf buiten tijd en ruimte, in stand te kunnen houden, en dat dit bovendien bepaald geen ingrediënt is voor een gelukkig leven in deze ‘waakdroom’ (T18.II.5) van tijd en ruimte.

Het is tamelijk onthutsend om in Een cursus in wonderen te lezen dat wij met z’n allen er alles aan doen om het bewustzijn van het nu te vermijden. Waarom is dat? Als ‘gezonde’ ego’s hechten we ons nog allemaal intiem aan ons lichaam en onze persoonlijkheid; we menen werkelijk dat dat alles is wat we hebben en zijn. Het ego heeft geen weet van eeuwigheid – wie kan zich daar iets bij voorstellen? – maar beseft ergens wel dat de denkgeest in theorie in staat is om een andere keuze te maken dan het ego. Het ego ‘bestaat’ slechts zolang we er in geloven. Om ervoor te zorgen dat de denkgeest nooit aan dat fundamentele keuzemoment toekomt, schotelt het ons voortdurend afleidingen voor. En hoe zou dat beter kunnen door voortdurend aandacht te vragen voor het verleden en de toekomst?

De gerichtheid op verleden en toekomst gaat altijd over het kunnen blijven oordelen, of preciezer: veroordelen. De Cursus onthult ons dat onze dagen onbewust gedreven worden door het verschrikkelijke schuldgevoel over onze oorspronkelijke keuze (aan het begin van de tijd) om ons af te scheiden van onze Schepper, in de overtuiging dat individuele autonomie te prefereren is. Maar aangezien we zeker weten dat ons leven eindig is, loert in de krochten van onze denkgeest altijd de angst dat onze gerechtvaardigde straf voor die ‘oerzonde’ onvermijdelijk zal komen. Daarom gebruiken we onze oordelen over het verleden om voortdurend te ‘bewijzen’ dat al het kwaad buiten ons gebeurt, en dat wij zelf onschuldig zijn en dus niet gestraft hoeven te worden.

Kortom, onze tienduizenden dagelijkse gedachten over het verleden en toekomst dienen deze doelen: (a) onze verantwoordelijkheid voor de keuze voor de afscheiding van ons afschuiven door in het verleden ‘bewijs’ te verzamelen voor alle slechtheid buiten ons, zodat wij onszelf onschuldig kunnen wanen, en (b) onze herinnering aan God buiten de deur houden door ons steeds af te leiden met zorgen over de kwaliteit van onze toekomst, tegen beter weten in omdat we beseffen dat we uiteindelijk toch aan het kortste eind trekken. Kenneth Wapnick vat het mooi samen door te stellen dat wij allemaal lijden aan paranoïde schizofrenie: we beelden ons dingen in die er in werkelijkheid niet zijn en maken onszelf tot controlefreaks daarover, door steeds bezig te zijn met het instandhouden van de illusie van een individueel bestaan, volstrekt los van onze ‘vergeten’ realiteit buiten tijd en ruimte.

In het werkboek vat Jezus dat als volgt samen, sprekend in de eerste persoon voor de aard van onze eigen gedachten: “Ik zie alleen mijn eigen gedachten, en mijn denkgeest is voortdurend bezig met het verleden. […] Wanneer ik om me heen kijk, veroordeel ik de wereld waarnaar ik kijk. Ik noem dit zien. Ik reken alles en iedereen het verleden aan, en maak ze tot mijn vijand.” (Wd1.52:3:1;2:1-3). In dezelfde les concludeert Jezus vervolgens namens de keuzemaker in onze denkgeest: “Als ik niets zie zoals het nu is, kan inderdaad gezegd worden dat ik niets zie. Ik kan alleen zien wat nu is. De keuze is niet het verleden of het heden zien, de keuze is slechts: zien of niet zien. Wat ik verkoos te zien, heeft me mijn visie gekost.” (Wd1.52.4).

Zoals schrijvers als Eckhart Tolle benadrukken, bestaan verleden en toekomst in feite helemaal niet – behalve in de denkgeest nu. We kunnen wat dan ook over verleden en toekomst alleen nu inbeelden en ‘herleven’/’inbeelden’. En dat herleven en inbeelden is nooit volledig objectief; al onze gedachten zijn in feite een interpretatie van wat we verkiezen te waarnemen. Sterker, één van de basisprincipes in de Cursus is: “Projectie maakt perceptie”. We zien uitsluitend wat we al hebben besloten te willen zien, hoe onbewust ook. Als je een bepaald automerk wilt kopen, zie je ineens overal dat automerk rijden. Als je vroeger bent mishandeld, dan is de kans groot dat je dat vaak in je omgeving ziet. Alles, nogmaals, met het doel om (a) de verantwoordelijkheid voor het kiezen van de afscheiding bij een ander neer te leggen, en (b) om onszelf zodanig af te leiden dat we nooit het keuzemoment zullen bereiken dat we beseffen dat we het ego niet willen, en ook helemaal niet nodig hebben om er te zijn. Inderdaad paranoïde schizofrenie.

Het mooie van Een cursus in wonderen is dat Jezus ons niet alleen haarfijn uitlegt waarom we kiezen om 95% van de tijd met verleden, toekomst en veroordeling bezig te zijn, maar ons ook een uitweg biedt uit deze ingebeelde droomwereld (eigenlijk: hel) van tijd en ruimte. Niet door ontkenning; niet door ascetisme; niet door zelfmoord; maar simpelweg door boven het slagveld zonder oordeel te kijken naar hoe en waarom we ons denken sturen zoals we doen. Zodra je vanuit een ‘zijnsoriëntatie’ samen met Jezus naar de ego-dynamiek kunt kijken, dan doorzie je dit materiële leven in je fysieke lijf als het toneelspel dat het is; niet om schamper om te lachen, maar om kalm van te leren hoe we in het hier en nu onze ware Identiteit als Ene Zoon van God weer kunnen aanvaarden.

Jezus vat dit mooi samen in werkboeklessen 289 en 290, wederom sprekend als de keuzemaker in onze eigen denkgeest: “Als in mijn denkgeest het verleden niet voorbij is, moet de werkelijke wereld wel aan mijn zicht ontgaan. Want ik kijk werkelijk nergens naar, en zie slechts wat er niet is. Hoe kan ik dan de wereld waarnemen die vergeving me biedt? Om die te verbergen werd het verleden gemaakt, want dit is de wereld die alleen in het nu kan worden gezien. Ze heeft geen verleden. Want wat anders dan het verleden kan vergeven worden, en als het vergeven is, is het voorbij. […] Wat ik waarneem zonder Gods eigen Correctie van het zicht dat ik heb gemaakt, is angstaanjagend en pijnlijk om aan te zien. Maar ik wil niet toestaan dat mijn denkgeest nog een ogenblik langer wordt misleid door het geloof dat de droom die ik gemaakt heb werkelijk is.” (Wd2.289.1;290.1:4-5).

Deze boodschap betekent natuurlijk niet dat we nooit meer aan verleden en toekomst zouden mogen denken. Ze betekent wél dat we aan deze gedachten een volstrekt ander doel toekennen: niet meer om de illusoire afgescheidenheid van ons Zelf in stand te kunnen blijven houden, maar om stap voor stap te leren, als een gelukkige leerling, dat er niets bestaat om angst voor te hebben (T29.I.1:1). Want jij en ik zijn in essentie niet een lichaam; jij en ik zijn geest, buiten tijd en ruimte, nu al veilig Thuis in het Hart van God onze Schepper. Zolang jij en ik ons nog met ons lichaam identificeren kunnen we er nu voor kiezen om onze gedachten te laten leiden door de Stem namens Liefde.

Het ego wordt dan uiteraard bang en waarschuwt voor rampspoed, maar in plaats van de voorspelde rampspoed merk je tot je verbazing dat je dagen een stuk vrediger worden. Probeer het maar eens! Niet door hardnekkig te proberen nooit meer aan verleden of toekomst te denken – dat zou erg onpraktisch zijn – maar jezelf wat vaker af te vragen: “Naar wie luister ik nu? Voel ik veroordeling of vrede? Wat zou liefde eigenlijk doen?” – en dan te wachten op de liefdevolle impuls die zich ergens in je lijf voelbaar zal maken (of zelfs als stem in je hoofd; de vorm maakt niet uit). Door zo je aandacht naar het nu te brengen wordt het verleden de lesruimte waar ze feitelijk voor is bedoeld: inzien dat alle ervaren tijd niet een zonde is, maar simpelweg een vergissing, die bovendien eenvoudig te corrigeren is zodra we daarvoor kiezen. En met de keuze voor het nu opent stap voor stap de Hemel zich in je gewaarzijn.

— Jan-Willem van Aalst, juni 2021