Het paradijs op aarde kiezen

Een cursus in wonderen biedt zijn studenten een duidelijk beeld van wat het verschil is tussen dualiteit (tijd, ruimte, bewustzijn, concepten, waarneming) en non-dualiteit (eenheid, wat tijd noch ruimte betekent, geen bewustzijn, geen concepten, geen waarneming). Globaal uitgedrukt wordt ‘dualiteit’ in Een cursus in wonderen gelijkgesteld met de hel, en ‘non-dualiteit’ met de Hemel. Daar komt bij dat dualiteit gelijkgesteld wordt met illusie, en non-dualiteit met realiteit. Jezus’ formidabele taak bestaat erin ons allereerst dit fundamentele onderscheid te doen beseffen, en vervolgens ons te overtuigen dat non-dualiteit (Hemel) ons ware Thuis is, als Christus, wat trouwens precies is waar we diep van binnen naar smachten, zodra we die dikke lagen afleidingen van het ego afpellen. De schoonheid van Een cursus in wonderen is dat hij ons tegemoet treedt op het niveau van de hallucinatorische dualistische droom, waarvan we nog steeds geloven dat het onze dagelijkse werkelijkheid is. Voorzichtig onderwijst Jezus ons je niet schuldig te voelen over ons vastklampen aan ons geloof in de illusie van verval en dood, terwijl we – tenminste theoretisch – direct zouden kunnen ontwaken en naar Huis gaan.

Helaas is Jezus niet in staat ons een beeld te geven van hoe ‘Thuis’ eruit ziet, juist omdat dat voorbij alle vorm, alle concepten, alle verbeelding, bestaat. “De werkelijkheid [de Hemel] wordt uiteindelijk gekend zonder vorm, onafgebeeld, en ongezien.” [T-27.III.5:2]. Er wordt ons gezegd dat zodra de Zoon wakker wordt (wat wil zeggen: het dwaze idee van dualiteit eens en voor altijd afdanken, om zo tijd en ruimte ongedaan te maken) wij de Hemel zullen kennen, en ons überhaupt niets meer zullen herinneren van dualiteit. Vanzelfsprekend is dit zo, want je iets herinneren, kost tijd. In non-dualiteit bestaat er niet zo iets als tijd. Ben  je in staat je een gesteldheid van de denkgeest (Denkgeest, eigenlijk) in te denken die onveranderlijk is, onveranderbaar, absoluut zeker, zonder een spoor van twijfel of angst of depressie? Een gesteldheid waarin allesomvattende Liefde het enige ding is, dat er is? Een toestand  waarin volledige communicatie met de Vader bestaat, zonder wat voor inmenging of onzekerheden dan ook? Een situatie bestaande uit pure vrede, vreugde en licht, die in alle eeuwigheid voortduurt? Kortom: de Hemelse staat?

Jezus zegt dat wij allen die herinnering in ons meedragen. Hij gebruikt de metafoor van een lied: “Luister, – misschien vang je wel een vleugje op van een aloude toestand, niet geheel vergeten; vaag, wellicht, en toch niet helemaal onbekend, zoals een lied waarvan de naam allang vergeten is en waarvan jij je de omstandigheden waarin je het hoorde totaal niet meer heugen kan. Niet het hele lied is jou bijgebleven, maar slechts een zweem van een melodie, niet gebonden aan een persoon, een plaats of iets bepaalds. Maar jij herinnert je, alleen al aan dit fragmentje, hoe lieflijk het lied was … als subtiele geheugensteun voor wat jou tot tranen toe bewegen zou, als jij je kon heugen hoe dierbaar het jou was.” [T-21.I.6:1-3;7:2]. Dat is de herinnering aan de Hemel die we allemaal in ons meedragen. Er is alleen één klein probleem: Hemel heeft geen weet van individualiteit. Puur mijn alsmaar voortdurende wens te trachten zelfstandig te leven, als een god in mijn eigen kleine afgescheiden denkgeest, schijnt tijd, ruimte, en waarneming in stand te houden, en derhalve de Hemel op afstand. Daarom zegt Jezus dat het autoriteitsprobleem het enige probleem is dat ik heb. [T-3.VI.10:2]. En iedere brave student van Een cursus in wonderen ontdekt hoe grondig we vastgehecht zitten aan deze individualiteit. Het ego is niet gemakkelijk ongedaan te maken.

Aan de andere kant mag het ego dan dummiedicht*) zijn, maar niet Goddicht. [T-5.VI.10:6]. Gelukkig is ook de stem van de Heilige Geest (die de herinnering van Thuis brengt) alom aanwezig binnen de illusoire droom.  Hoewel we de meeste tijd weigeren naar de Heilige Geest te luisteren, worden we getroost met “Je mag dan veel pijn kunnen verdragen, maar daaraan is een grens. Uiteindelijk begint iedereen in te zien, hoe vaag ook, dat er een betere manier moet zijn.” [T-2.III.3:5-6]. Een zelfs nog grotere troost is het als we ervaren dat uiteindelijk iedereen die keus zal maken. De kwestie is niet of de droom wel of niet zal eindigen; het is slechts de vraag hoe veel meer tijd wij in de hel verkiezen door te brengen. Studenten van Een cursus in wonderen zijn brengers van verlossing, ofwel leraren van God, in die zin dat zij langzaamaan leren hun denkgeesten te trainen er voor te kiezen iedere dag een klein beetje vaker naar de stem van de Heilige Geest te luisteren. De Heilige Geest als gids voor je denkgeest te kiezen betekent in essentie je van oordelen, veroordelen en aanval onthouden, ondertussen zo oprecht mogelijk gadeslaan wat er in je denkgeest gaande is, een stap terugdoen, en vervolgens om advies vragen wat nu te doen. Dit mag er op het eerste gezicht gedwee en zwak uit zien, edoch worden we er vriendelijk aan herinnerd dat we waarachtig niet in de positie zijn wat dan ook betrouwbaar te beoordelen (zie W-151.4:1-4), aangezien onze waarneming zo vertekend is. Het oordelen opgeven dus, en de leiding van de Heilige Geest volgen “… betekent jezelf van schuld te laten vrijwaren. Dat is de essentie van de Verzoening. Dat is de kern van het leerplan.”[H-29.3:3-5]. De gemoedsrust die volgt wordt in Een cursus in wonderen beschreven als de werkelijke wereld. Stapje voor stapje deze werkelijke wereld in je denkgeest manifesteren is de koninklijke route om uit de droom te ontwaken, en de Zoon van God klaar te maken voor zijn terugkeer naar, en herinnering van de Hemel.

Zo gezien, is de werkelijke wereld zo na aan het concept van ons ‘paradijs op aarde’ als we ons maar kunnen voorstellen. Het is het klaarmaken voor de Hemel. Het paradijs op aarde is geen waarneembare staat waarin mensen altijd lief en aardig tegen elkaar zijn, het weer permanent geweldig, oorlog niet bestaat, ziekte verdwenen is, net als hongersnood en gebrek aan wat dan ook. Volgens Een cursus in wonderen bevindt het paradijs zich in de denkgeest, en uitsluitend in de denkgeest. Het is een innerlijke toestand waarin geen oordeel voorkomt, en geen veroordeling van welke soort ook. Het is nog steeds binnen de droomwereld van waarneming, maar het veroorzaakt geen verdere aanvallen en afscheidingen, en daarom geen verdere illusies. Uiterlijkheden veranderen niet: er vindt nog steeds strijd plaats, ziekte, honger en gebrek aan van alles en nog wat. Edoch, wanneer ik naar iemand kijk, en mijn ogen weliswaar nog steeds een lichaam zien, ziet mijn denkgeest alleen maar Christus. Ongeacht bij welk gedrag. Omdat het uiterlijke het innerlijke weerspiegelt, kies ik voor deze werkelijke wereld door de innerlijke te wijzigen. De uiterlijke wereld zal zelf na verloop van tijd verschijnen; eerst in mijn denkgeest, vervolgens in de relaties, en alsmaar wijder uitspreidend, geheel volgens het ‘plan’ van de Heilige Geest. In [T-14.X.1:6-7] lezen we: “Weerspiegel de hemelse vrede hier en breng deze wereld naar de Hemel. Want de weerspiegeling van de waarheid trekt iedereen tot de waarheid aan, en als ze die betreden laten ze alle weerspiegelingen achter.” Dat is visie; zo is het paradijs op aarde.

Dus hoe train ik mijn denkgeest om de werkelijke wereld in mijn denkgeest te manifesteren? Allereerst, moet ik steeds in gedachten houden dat ik geen lichaam ben; ik ben een holografisch deel van de Zoon van God, die alleen maar in dromen kan lijden. Ten tweede kan ik me realiseren dat iedereen en alles wat ik waarneem een projectie van mijn oordelende en niet-vergevende onjuist denkende denkgeest is. Als derde, dien ik me telkens weer te herinneren dat mijn denkgeest een keuzemaker is, die maar twee keuzemogelijkheden heeft: of naar het ego te luisteren, of naar de Heilige Geest te luisteren. Op elk moment kies ik tussen die twee. Welke stem maakt me waarlijk gelukkig? Als ik heel eerlijk met mezelf ben, tja… naar het ego luisteren heeft me niet echt gelukkig gemaakt. Zeker, er waren momenten van extase, maar er zijn als maar meer problemen, en tenslotte vergaat mijn lichaam en sterft. Heb ik daarentegen Een cursus in wonderen als mijn spirituele pad gekozen, bemerk ik dat, elke keer als ik me van een oordeel onthoud, en in plaats daarvan vraag wat te denken en te doen, dingen veel vrediger uitpakken. Bijna iedere student van Een cursus in wonderen kan over zulke ervaringen berichten. En elke dag dat deze ‘kleuter van innerlijke vrede’ innerlijk een klein beetje verder groeit, ben ik toenemend bereid mijn onwil te vergeven, evenals de veroordelingen te beëindigen, en te pauzeren om de Heilige Geest te vragen wat in plaats daarvan te doen. En dan, uiteindelijk, komt de dag wanneer je plotseling beseft dat je veel gelukkiger geweest bent in de laatste paar jaar van je leven dan je ooit daarvoor geweest bent. En dat is een glimp van de werkelijke wereld; de ware verwerkelijking van een paradijs op aarde. Vandaar de laatste oproep van Jezus in het Tekstboek: “Broeder, maak opnieuw je keuze” [T-31.VIII]. Het paradijs is een keuze!

© Jan-Willem van Aalst, 01 oktober 2016 (vertaling: Robert J Visser)

*): De officiële ECIW-vertaling “waterdicht” van het originele “fool-proof” dekt in deze context de lading niet, omdat het hier de betekenis heeft van het Duitse “idiotensicher”, dat geen Nederlands equivalent kent, en het beste nog weergegeven wordt als: “doodsimpel”, of beter “(juist) voor dummies (begrijpelijk)”, of tenslotte “dummiedicht” [om te contrasteren met “Goddicht”].

Advertenties

Help, ik heb een gespleten denkgeest!

Een van de meest pijnlijke gewaarwordingen van veel studenten van Een cursus in wonderen is om de kloof te ervaren tussen ‘het vatten’ van Jezus’ boodschap, het intellectueel accepteren ervan, enerzijds, anderzijds echter in gebreke te blijven die boodschap in het dagelijks leven op te volgen. Dit wordt vaak ervaren als zelf-sabotage, en kan buitengewoon frustrerend zijn. Ik blijf mezelf vertellen dat ik vanzelfsprekend Jezus’ pad van vergeving wil bewandelen, en toch moet ik vaststellen dat ik mezelf boos zie worden, angstig, en/of gedeprimeerd. Zulke teleurstellingen hebben veel serieuze studenten ertoe geleid het boek voor lange tijd terzijde te leggen, of er zelfs helemaal mee op te houden. Alzo, waarom is deze kloof zo volhardend?

Het antwoord op deze vraag wordt duidelijk zodra je in de metafysische onderbouwing van de boodschap van de Cursus duikt. “In de eeuwigheid, waar alles één is, sloop een nietig dwaas idee binnen waarom de Zoon van God vergat te lachen.” [T-27.VIII.6:2]. De Zoon scheen in slaap te vallen, dromend van afscheiding, van ruimte en tijd; kortom: van dualiteit. Het ego is het idee dat afscheiding van Eenheid, van non-dualiteit, mogelijk is, en dat ik, als individu, beter af zal zijn omdat ik nu god in mijn universum kan zijn. Dit kernpunt in mijn leven, terwijl ik op ego-autopiloot leef, is gefocust op mijn eigen overleving en welzijn. Ik mag dan voor mijn eigen soort en anderen in deze wereld zorgen, maar slechts nadat ik voor mijn eigen individuele benodigdheden zorg gedragen heb.

En dan komt die Jezus-knul voorbij met Een cursus in wonderen, bewerend dat tijd, ruimte, waarneming, bewustzijn, het ego – verdorie, zelfs mijn eigen individualiteit! – niets anders zijn dan broze illusies, die elke mogelijke realiteit ontberen. Hij daagt mijn denkgeest uit met vragen als ”Wil je liever gelijk hebben of gelukkig zijn? Want je kunt niet beide zijn” [T-29.VII.1:9]; “Er is geen wereld! Dit is de kerngedachte die de Cursus probeert te onderwijzen” [W-132.6:2-3], en “… aanvaard geen compromis waarin de dood [waarmee alles bedoeld wordt dat niet blijvend is, wat dus voor alles geldt in de dualiteit] een rol speelt.” [H-27.7:1]. Geen wonder dat mijn ego een sterke weerstand ondervindt bij zo’n boodschap! Niemand staat klaar een raadgeving op te volgen, die zeker naar de volledige verdwijning van het universum en zijn eigen wezen zal voeren. Dat ik me realiseer dat ik een gespleten denkgeest bezit, leidt niet automatisch tot de bereidheid de splitsing te helen, door voortaan uitsluitend naar de Heilige Geest te luisteren.

Zelfs in geval we bereid zijn onze ´observerende keuzemaker´ in de denkgeest te trainen, zodat we leren naar onze gedachten te kijken ´van boven het slachtveld´, moeten we ons nog steeds met de onbedwingbare drang bezig houden om Jezus´ waarheid in ons dagelijks leven te introduceren. We zouden kunnen zeggen: “Ja, ik weet dat het lichaam een illusie is, maar als ik mijn dagelijkse affirmaties volhoud, zal ik ziekte op afstand houden”, of “Ja, ik weet dat de wereld een illusie is, maar middels mijn liefdadigheidswerk kan ik wellicht enkele personen meer overtuigen de weg van vrede en vreugde te kiezen.” Zolang als ik nog steeds geloof dat vergeving betekent iemand anders vergeven, en dat relaties bestaan tussen twee overduidelijk gescheiden personen, hoor ik Jezus’ boodschap niet werkelijk. Waar Kenneth Wapnick regelmatig op wijst in zijn “Journey through the workbook van A Course in Miracles”.

Veel Cursus studenten slagen er niet in hun teleurstelling te boven te komen over het falen in het stante pede helen van hun gespleten denkgeest en kiezen de hele tijd de Heilige Geest als hun exclusieve leraar. Ik zou kunnen beseffen dat mijn juiste denkgeest met Een cursus in wonderen wenst te ‘wandelen’, maar mijn onjuiste denkgeest wenst dat die met mij aan de wandel gaat. En als ik me dag in dag uit realiseer, dat, ondanks mijn trouwe studie van de Cursus  en het in de praktijk  brengen van het werkboek, mijn hoogst niet-vergevende denkgeest diepgaand gespleten blijft, ik niet verbaasd moet zijn dat de moed me in de schoenen zinkt en mijn spirituele oefeningen voor lange tijd verwateren.

Jezus begrijpt de omvang van onze weerstand tegen zijn boodschap totaal. En dat is de reden dat hij verschillende keren in het tekstboek, ons zachtjes eraan herinnert dat we spirituele beginnelingen zijn, die “een nieuweling op het verlossingspad” zijn [T-17.V.9:1]: “Dit is jouw taal. Dat je hem nog niet begrijpt, komt alleen doordat je hele communicatie als die van een baby is” [T-22.I.6:2-3]. “Toch is het  in dit kindje dat jouw visie jou wordt teruggegeven, en het zal de taal spreken die jij begrijpen kunt” [T-22.I.7:3]. Jezus kan zich permitteren vriendelijk te zijn, en geduldig, omdat hij de afloop van de droom van dualiteit met absolute zekerheid kent: deze complete droom zal eindigen zoals hij begon – in helemaal niets – en in waarheid zijn we al veilig thuis. “.. we zien mentaal opnieuw wat is voorbijgegaan.”[W-158-4:5]

De betekenis van Jezus’ hardnekkig advies aan ons te kijken naar (wat er in de denkgeest gaande is), moet erg letterlijk genomen worden. Een gespleten denkgeest genezen vereist dat ik naar de tweedeling kijk, zo vaak als ik daartoe bereid ben, van boven het slachtveld. En dat betekent: iedere niet-vergevende gedachte van me gadeslaan zonder mezelf te veroordelen. Dat laatste is cruciaal. In plaats van mezelf op m’n kop te slaan omdat ik weer faalde Jezus’ advies op te volgen, zou ik alleen maar eerlijk  moeten concluderen, dat, wanneer puntje bij paaltje komt, ik nog steeds het ego kies, de onjuist denkende denkgeest. Beoefen dit in het bijzonder met het oog op schijnbaar ‘onbetekenende’ voorkeuren. Bijvoorbeeld, elke keer dat ik merk dat ik een bepaald aspect van iemand of een situatie als onprettig  ervaar, kan ik beseffen dat ik niet met God wens te lopen; Ik wil god zijn. En elke keer dat ik mezelf betrap op hopen van dit of dat, kan ik me bewust worden dat ik eigenlijk wens dat Jezus me steunt om gelukkiger te leven in deze dualistische droom.

Het antwoord op de vraag hoe de gespleten denkgeest geheeld kan worden, vind je niet door spiritueel overijverig te worden, of roekeloos te worden door jezelf te oorvijgen bij iedere niet-vergevende gedachte. De truc is om de metafysische waarheid van Jezus’ boodschap onafgebroken in je achterhoofd te houden, zelfs hoewel je het nog niet echt helemaal gelooft, en “… vertrouw onvoorwaardelijk op je bereidwilligheid [vergeving te blijven praktiseren], wat zich verder ook mag aandienen” [T-18.IV.2:2]. Je keuzemaker trainen om van boven het slachtveld te observeren, blijft de meest productieve oefening. Zoals Jezus ons troost: “Hoe kun jij die zo heilig bent lijden? Heel je verleden is verdwenen op zijn schoonheid na, en niets blijft er over dan een zegen. Ik heb al je vriendelijkheden en elke liefdevolle gedachte die jij ooit had, bewaard. Ik heb ze [je gedachten] gezuiverd van de vergissingen die hun licht verborgen hielden, en ze voor jou in hun eigen volmaakte straling behouden. […] Ze waren afkomstig van de Heilige Geest in jou, en we weten dat wat God schept eeuwig is.”[T-5.IV.8:1-4,6]. Dus sta ik volledig in mijn recht mezelf vriendelijk te vergeven van mijn gehechtheid aan de onjuist denkende denkgeest. Het helen van de gespleten denkgeest is simpel een kwestie van tijd, en Een cursus in wonderen is een perfecte gids me tijd te helpen besparen.

© Jan-Willem van Aalst, 25 september 2016 (vertaling: Robert J Visser)

-o-o-o-o-

Het ego verslaan

Ongeveer elf jaar geleden stierf de stichter en voorzitter van een gemeenschappelijke residentiële gemeenschap in Nederland, ten gevolge van terminale kanker. Hij was een zeer getalenteerde en spirituele persoon, die veel mensen hielp bij hun zoektocht naar een zinvolle weg om hun tijd op aarde mee door te brengen. Er wordt gezegd dat zijn laatste woorden waren “Het ego is niet te verslaan…”  Hij refereerde aan zijn eigen levenslange zoektocht om zijn ego achter zich te laten. Dat is een doel dat vele spiritueel ingestelde denkgeesten bezighoudt. Het voert naar evenzovele teleurstellingen, omdat de conclusie steeds opnieuw weer is, dat het ego niet verslagen kan worden.

Je kan beweren dat studenten van een Een cursus in wonderen zichzelf in dit opzicht in een nogal unieke positie bevinden. Tenslotte maakt het Tekstboek het zeer duidelijk waarom een dergelijk doel niet kan werken. Het ego is het idee van aanval en afscheiding. Het ego bevechten voedt alleen maar precies die opvatting. Jezus waarschuwt ons voor deze neiging, bijvoorbeeld in [T-30.I.1:6]: “En als je bemerkt dat je weerstand sterk en je toewijding zwak is, ben je er nog niet klaar voor. Vecht niet tegen jezelf.” Het ego is er dol op aangevallen te worden, aangezien dit waarborgt dat de aandacht van de denkgeest gericht blijft op deze fysieke wereld van lichamen, in plaats van op de observerende keuzemaker in de denkgeest.

Het pad richting innerlijke vrede, of verlossing, is het metafysische besef dat er geen wereld is [W-pI.132.6:2]. De logische conclusie is dat het ego, de maker van deze fysieke wereld, niets is. Het is niet kwaadaardig, het is geen duivelse stem die me gevangen houdt: het is slechts een deel van mijn overtuiging over wat ik ben [zie ook W-pII.12, “Wat is het ego?”, en de Verklaring van termen, VvT-2.2: “Het ego – het Wonder”]. Daar het ego gemaakt werd door de keuze erin te geloven, kunnen we het dus doen verdwijnen door ons geloof eraan te onttrekken. [T-7.VIII.5:2]. Dus kan ik mijn denkgeest inschakelen om mijn geloof wat ik ben, te veranderen; een primair doel in het leerprogramma van mijn leven. Dat is de reden waarom Een cursus in wonderen een trainingsprogramma voor de denkgeest is.

Een cruciale fout die Cursus-studenten vervolgens maken, vaak door Kenneth Wapnick belicht, is de neiging om “het ego te bagatelliseren”. Het idee gaat ongeveer als volgt: “Oh, aangezien ik nu weet dat het ego sowieso een flinterdunne illusie is, hoef ik alleen maar de stem van de Heilige Geest te kiezen, die genegen zal zijn mijn ego voor mij ongedaan te maken.” Dit wordt dan gevolgd door een aanhoudende focus op het negeren van het gebabbel van het ego. Dit kan begeleid worden door affirmaties en visualisaties waarin het duistere ego  uiterst klein gemaakt wordt vergeleken met het stralende licht van Jezus en/of de Heilige Geest. Elke dag wordt zo een dag vol gelukzalig bellenblazen, en iedere ‘terugval’ wordt geduid als een streek van het ego, waaraan geen aandacht besteed moet worden.

Helaas hebben zulke studenten nog niet begrepen dat Een cursus in wonderen niet een cursus over Liefde is; het is een cursus om te leren eerlijk te kijken naar verwoesting. De Heilige Geest kijkt niet naar liefde; hij slaat slechts de verwoesting in de denkgeest gade, en herinnert die denkgeest eraan dat wat hij denkt, onwaar is [W-pII.13.1:3]. Verlossing is de aanvaarding van het feit dat “ik dit mezelf aandoe” [T-27.VIII.10:1]. Dit werkt echter uitsluitend als je volledig beseft waar “dit” naar verwijst. Cursus studenten hebben de neiging de meer gruwelijke Cursusteksten die handelen over hoe wij aangetrokken worden tot schuld en dood, over te slaan, zoals in de Wetten van de Chaos in [T-23.II], of de vergelijking van deze wereld met “een droge en stoffige wereld, waar hongerende en dorstende schepsels komen sterven” [W-pII.13.5:1], terwijl dergelijke tekstgedeeltes bijzonder nauwgezette aandacht verdienen. Bij het bestuderen ervan moet de metafysica van de Cursus niet te ver weg gehouden worden, want anders kan je ernstig gedeprimeerd raken: als je leest dat er geen hoop op liefde of vrede in deze wereld is, helpt dat alleen als je realiseert en aanvaardt dat er iets bestaat dat veel, veel beter is om naar te streven: de werkelijke wereld in je denkgeest.

Dus als je in Een cursus in wonderen leest dat het ego letterlijk niets is [“Er bestaat geen definitie voor een leugen die dient om haar waarheid te verlenen”, VvT-2.3:1], moet ik heel wantrouwig zijn aangaande mijn neiging het ego te bagatelliseren. Een gezonde dosis respect voor de macht van het ego (dat, opnieuw, slechts een deel is van wat ik geloof over wat ik ben), is beduidend meer behulpzaam. Niet om mezelf te verheerlijken, maar te beseffen dat ik nog steeds mijn eigen individuele zelf dermate aanbid, dat het me heel wat gaat kosten om waarlijk “opnieuw te kiezen” [T-31.VIII], en dat oprecht te menen. Ik zou zelfs niet willens zijn die keuze speciaal in dit leven te maken, iets waar ik me niet schuldig over hoef te voelen. Nogmaals, denk aan de metafysica: tijd is een illusie. Ik “bezie mentaal opnieuw wat is voorbijgegaan”[W-pI.158.4:5]. Ik ben reeds veilig Thuis in het hart van mijn Vader, en samen met Jezus hebben we de lamp die het ego weg schijnt. “Het Koninkrijk is volmaakt vereend en volmaakt beschermd, en het ego zal er niet over zegevieren” [T-4.III.1:12].

Het ego wordt alleen verslagen door (a) je zijn illusoire aard volledig te beseffen (het metafysische deel), en (b) door jouw bereidheid het luisteren naar de Heilige Geest, die een veel betere Leraar is, in de praktijk te brengen (het praktijk gedeelte). Een andere niet zo subtiele valkuil voor Cursus studenten is dat ze mogelijkerwijs verwachten in staat te zijn het ego alzo in één jaar ongedaan te maken, door ijverig het Werkboek “te doen”. Oeps! Vergeet niet dat het hoofddoel van het Werkboek is je te laten beseffen, door erop te wijzen dat je het Werkboek juist niet perfect ‘doet’, hoe zeer jij nog steeds met je ego, jouw ‘individuele kleine zelf’, verbonden bent. Dat is de reden waarom de Cursus “een begin is, niet een einde” [W-Ep.1:1]. De grote geruststelling is dat Jezus garandeert dat zodra jouw Reis begonnen is, het eindresultaat (Thuis komen) vaststaat; net zo zeker als God.

Hieruit kan ik dus moed putten. Ik kan mijn eigen dwaze ego-geknuffel voorlopig accepteren, en doorgaan met het praktiseren van vergeving, terwijl ik, zo vaak ik kan, kies voor de niet-oordelende Stem van de Heilige Geest in mijn denkgeest. En vergeet ook niet dat in werkelijkheid het ego al reeds verslagen is, want tijd is holografisch, en uiteindelijk irreëel. Binnenin de droom is de zaak van het ego “waterdicht, maar zeker niet Goddicht“ [T-5.VI.10:6]. En daarom kan abstracte metafysica, in zekere zin, de grootste troost in je leven zijn, en je behoeden voor het abusievelijk bevechten van je ego.

© Jan-Willem van Aalst, september 2016 (vertaling: Robert J Visser)

-o-o-o-o-

Bid om jouw inclusie in Eenheid te aanvaarden

Zolang je in een wereld lijkt te leven vol met elkaar strijdende ego’s, kan niemand vermijden om plannen voor de eigen toekomst vol van geluk te maken, onophoudelijk in de hoop dat wat komt niet al te slecht zal uitpakken. Op een of andere manier is ‘hopen’ gewoon een ander woord voor bidden.  En dat niet perse naar een godheid; het zou van alles kunnen zijn van ‘geluk hebben’ tot ‘God’. Veel mensen bidden dat ze niet getroffen zullen worden door een of ander vreselijke terminale ziekte. Maar zelfs simpele dingen als een parkeerplaats vinden, of dat een of andere collega je morgen aardiger gaat vinden, zijn slechts verschillende vormen van gebed. Geen reden om je schuldig bij te voelen. Zoals we lezen in het pamflet “Het Lied van het gebed”:  “[…] niemand die onzeker is over zijn Identiteit kan nalaten op deze manier [dus voor specifieke zaken] te bidden.” (L.1.II.2:3). En ieder die maar blijft kiezen deze aarde te bewandelen is onzeker over zijn identiteit. Bidden betekent dus dat ik onbewust benauwd ben dat ik door wie of wat ook overweldigd kan worden. Pas zodra ik absoluut zeker ben over wat ik ben (en dat is pure geest, de essentie van Liefde), kan er geen onzekerheid meer bestaan, noch twijfel, en daarom geen angst, omdat ik “de wereld [kan] bevrijden van al wat ik haar heb toebedacht” (W-132).  Voor specifieke zaken bidden wordt dan betekenisloos. Hoe zou God (of Jezus of de Heilige Geest) aangeroepen kunnen worden om iets in een illusoire wereld te herstellen? “Er is geen wereld! Dit is de kerngedachte die de cursus probeert te onderwijzen”, lezen we in (W-pI.132.6:2). Elke keer dat ik om iets specifieks in deze wereld bid, ben ik eigenlijk bezig God te smeken (of Jezus, of de Heilige Geest): “Ik houd zo veel van je, en ik weet dat jij me liefhebt. Alsjeblieft, regel dit en dat voor me!” Nogmaals, het maakt niet uit of dat gaat over een ernstige ziekte of over een parkeerplaats. Ik zoek veiligheid in een illusoire wereld. En vanzelfsprekend blijf ik zoeken, en nimmer vinden, tegelijkertijd mijn ego gelukkig (of ongelukkig) in stand houdend. Alle twijfel (en de daaruit voortvloeiende angsten) gaan uiteindelijk over zelftwijfel. “Twijfel aan zichzelf is wat er in werkelijkheid altijd ten grondslag ligt aan twijfel over de afloop van enig probleem […] En dat houdt noodzakelijkerwijs in dat er vertrouwen werd gesteld in een illusoir zelf,… (H-7.5:1-2). “En elke twijfel moet over jezelf gaan. Christus kent geen twijfel, en uit Zijn zekerheid vloeit Zijn vredigheid voort.”(T-24.V.9:2-3). Aldus, terwijl ik Een cursus in wonderen bestudeer en in de praktijk breng, ervaar ik mezelf rondwandelend in een wereld waarin ik me onzeker voel omtrent wat ik ben. Ik kan elke dag honderden liefdevolle affirmaties herhalen, en mezelf vaak aan mijn ware Identiteit herinneren, echter zal deze zelftwijfel volharden zolang als ik de dagen en jaren blijf tellen.  De reden is dat ik een gespleten denkgeest heb. Een deel van mijn denkgeest weet dat ik eeuwig veilig ben thuis in het Hart van God, maar een ander deel van mijn denkgeest identificeert zich nog steeds sterk met mijn afgescheiden, individuele lichaam  om dat te accepteren. Dus wat is een zachtaardige en effectieve manier om dit denkgeestconflict en de zelftwijfel te beëindigen? Als het over de inhoud gaat, komt het neer op het accepteren van de Verzoening, de opname in de Eenheid, maar dat is makkelijker gezegd dan gedaan. Als we het over vormen hebben, kunnen vele gedachten en oefeningen ons gedurende onze reis terug naar het ongedaan maken van ons ego, versnellen. Laten we een vorm bespreken gericht op onze ‘innerlijke wereld’, en een vorm die op de ‘buitenwereld’ gericht is. Omdat het uiterlijke het innerlijke weerspiegelt, is het waarachtig hetzelfde. En beide hebben eenvoudigweg tijd nodig zolang wij in tijd geloven. Geloof laat zich namelijk niet na één nachtje slapen ongedaan maken.

Laten we eens kijken naar de onzekerheid over wat we zijn. Het is toch waar dat jij en ik God, Jezus en de Heilige Geest als buiten ons zich bevindende entiteiten? We mogen onszelf vertellen dat zij de ultieme garantie voor onze veiligheid zijn, maar we beschouwen ze nog steeds als ontegenzeggelijk verschillend van ons. In werkelijkheid is dat echter niet het geval. Jezus is erg duidelijk hierover in Een cursus in wonderen. Al heel vroeg staat in het tekstboek (T-1.II.3:10-12), als Jezus ons vertelt: “Er is niets aan mij wat jij niet kunt bereiken. Ik heb niets wat niet van God afkomstig is. Het huidige verschil tussen ons is dat ik niets anders heb.” En dus, zijn we “… op geen enkele wijze gescheiden of verschillend van mij [Jezus] anders dan in tijd, en tijd bestaat niet werkelijk.” (T-1.II.4:1). Tijd zal gegarandeerd eindigen. De Tweede Komst van Christus, wat een metafoor is voor het ontwaken van het Zoonschap tot zijn ware Identiteit, is onvermijdelijk. Het helpt je wellicht je geloof in een afgescheiden identiteit te wijzigen door die uitspraak van Jezus uit hoofdstuk 1 van het tekstboek af en toe te herhalen. Een meer praktijk gerichte vorm is de dagelijkse oefening in het veranderen van hoe jij je relaties ervaart met mensen en dingen om je heen. Ervaar ik aparte individuen, mogelijkerwijs erop uit iets van mij te krijgen, of ervaar ik alleen maar gedeelde belangen met iedereen die ik tegenkom? “Het is geen droom je broeder lief te hebben als jezelf.”, lezen we in (T-18.V:1). Een waarlijk behulpzame gedachteverandering komt altijd neer op een verandering in perceptie van relaties. En in ECIW lezen we dat alle relaties uiteindelijk relaties met jezelf zijn, omdat er in waarheid geen wereld daarbuiten is om relaties in te kunnen kweken. Bid dus voor jezelf opdat jij je broeder niet afwijst zodra je er een ontmoet. In het tekstboek hoofdstuk 9 lezen we: “Je kunt net zomin alleen voor jezelf bidden als je alleen voor jezelf vreugde kunt vinden. Gebed is de herformulering van inclusiviteit, onder leiding van de Heilige Geest volgens de wetten van God. Verlossing komt van je broeder.”(T-9.II.6:1-3). Je bidt voor jezelf om inclusie te aanvaarden.  Dus, de volgende ochtend als ik ontwaak, ontbijt, en mezelf voorbereid voor weer een nieuwe dag in deze illusoire wereld, kan ik (a) mezelf eraan herinneren dat Jezus (als symbool van de Liefde van God) niets bezit dat ik niet kan bereiken – en zelfs nog preciezer,  zal bereiken, en (b) iedere persoon die ik ontmoet beschouwen als een perfecte les om ware vergeving te praktiseren. Ik heb al te veel levens geleefd waar ik weigerde te vergeven. Ik kan nu mijn bereidheid in de praktijk brengen om opnieuw een keuze te maken, vanuit de zekerheid dat “Ik geen lichaam ben. Ik ben vrij. Want ik blijf wat ik ben, zo schiep God mij.” (W-pI.203.1). Ik kan dit feit wat ik in het begin niet werkelijk wilde geloven,  accepteren in mijn onderbuik (anders zou je namelijk hier niet meer zijn), maar zeker is dat mijn aanvaarding zal groeien met mijn bereidheid te blijven oefenen. Niet met inspanning, maar met vertrouwen, eerlijkheid, verdraagzaamheid, zachtmoedigheid, vreugde, verdedigingsloosheid, vrijgevigheid, geduld, trouw, en openheid-van-denken (H-4). En dit zal functioneren, zelfs wanneer ik omwegen maak door voor specifieke dingen te bidden. Ik kan leren vriendelijk te glimlachen om al die onnozelheid. En dat zal het beste werken.

© Jan-Willem van Aalst, september 2016 (vertaling: Robert J Visser)

-o-o-o-o-

Nog één kusje, lieverd

In onze westerse maatschappij eindigen ruwweg twee van de vijf huwelijken in scheiding, terwijl verder nog twee van de vijf eindigen in een ongelukkige, troosteloze sleur vol van onderdrukte pijn. Dan blijft er een magere 20% huwelijkse relaties over die verondersteld worden geweldig uit te pakken en een leven lang te duren. En de statistieken schijnen niet bijzonder te verbeteren, tenminste niet significant. Hoe komt het dat het blijkbaar zo moeilijk is een levenslang bevredigende relatie aan te gaan?

Psychologen beargumenteren dat een belangrijke valkuil voor vele mensen is om te focussen op fysieke aantrekkelijkheid. Ieders ogen worden onvermijdelijk naar dat toe getrokken wat we als mooi beschouwen. Net als Hannibal Lecter in The silence of the lambs Clarice eraan herinnerde: “Voel jij niet de ogen over je lichaam glijden, Clarice? En zoeken jouw ogen niet de dingen uit die je begeert?” De aanname – meestal onbewust – is dat wat mooi aan de buitenkant is, dat ook binnenin is. Natuurlijk houdt dit geen stand. We stappen gelukzalig in een nieuwe “prachtige” relatie met een “fantastische” bijzondere persoon, om alleen maar te ontdekken dat we allen dezelfde boosaardige ego-mechanismes in onze denkgeest met elkaar delen. Wanneer de onvolkomenheden in de andere persoon ons stilaan aan onze eigen onvolkomenheden herinneren, vervliegt de magie van de relatie als een verwelkte bloem.

In Een cursus in wonderen bespreekt Jezus relaties, beter gezegd onze motivatie om voor relaties te kiezen, diepgaand, zowel in het Tekstboek als het Werkboek, omdat dit overduidelijk verbonden is met het ECIW’s kernthema van het beëindigen van de afscheiding. Onze motivatie bij het kiezen is altijd gekoppeld aan doel. Wat beogen we met een relatie? In Een cursus in wonderen worden relaties ingedeeld in de categorieën speciale relaties (vanuit het ego, of het onjuist-gerichte denken komend) en heilige relaties (vanuit de Heilige Geest, of vanuit het juist-gerichte denken). Verder worden speciale relaties opgedeeld in speciale haat relaties (“Ik haat jou”) en speciale liefdesrelaties (“Ik aanbid jou”, of “Ik verafgood mijn auto”). Terwijl in speciale relaties de vorm enorm verschilt, wordt ons in ECIW bijgebracht dat de inhoud altijd dezelfde is: om de speciaalheid van het ego te verheerlijken. Terwijl dit duidelijk te zien is in de speciale haat relatie, is dit op het eerste gezicht niet zo zonneklaar in de speciale liefdesrelatie. Komt mijn oprechte liefde voor een ander speciaal menselijk wezen niet overeen met de liefde van God, hier op aarde?

“Nee, niet zo lang als jouw belangrijkste aandacht op het lichaam gericht is, of enig ander aspect dat betrekking heeft op vorm”, zou Jezus zeggen. In feite gaat Jezus zelfs zo ver te beweren dat alle speciale relaties kannibalistisch zijn, hoewel hij dat woord niet bezigt. In ECIW lees ik dat ik tot een speciale persoon aangetrokken word omdat ik geloof dat zo’n persoon iets kan leveren dat ik ervaar als inherent ontbrekend in mijzelf. Mijn speciale (maar incomplete) persoonlijkheid wordt aangetrokken tot de “onschatbare parel” die ik in jouw speciale persoonlijkheid zie (T-23.II.11). Anders gezegd, mijn motivatie om een speciale liefdesrelatie met jou aan te gaan is, dat ik bezig ben iets terug te krijgen waarvan ik geloof dat het van me weggenomen is. Vanzelfsprekend komt dit “terugnemen” met een behoorlijke brok onbewuste schuld, die ik onderdruk en naar buiten deze wereld projecteer, zolang jij voldoet aan mijn speciale behoeftes, en die te bevredigen. Dat betekent, zo lang als jij mij pleziert, mij aanbidt, seks met me hebt, me helpt, me gehoorzaamt, noem het maar op – zo lang als dat allemaal voortduurt, blijft het kwaad ergens daarbuiten in deze wereld en bevinden wij ons in een “vereniging gesmeed in de Hemel” (T-16.V.8).

Helaas is deze complete wereld van tijd en ruimte geboren uit het idee van afscheiding, en dat is wat het zal teweegbrengen zo lang als de tijd bestaat. Onvermijdelijk zullen er een paar kleine irritaties over dingen aan de oppervlakte komen, waarmee ik het niet helemaal eens ben. Oordeel en veroordeling zijn in de relatie binnengekomen. En een lichte krimp van ergernis is niets anders dan een sluier over intense woede (W-pI.21:2), dus is de instorting van de relatie gewoonlijk slechts een kwestie van tijd. Dit is het mechanisme van alle speciale liefdesrelaties op deze planeet, tenminste zo lang onze motivatie gevoed wordt door een brandende behoefte iets uit de relatie te halen, iets waarvan jij voelt dat het in jouzelf ontbreekt. Jij denkt dat jij jezelf compleet kunt maken door jezelf “in te ruilen” voor het zelf van een ander (T-16.V:7). In een dergelijk spel zijn schuld en dus pijn nooit ver weg.

Natuurlijk is er een betere weg. In plaats van dit onophoudelijke “zoeken-en-niet-vinden” (T-12.V.7), betoogt Jezus onze speciale relaties om te vormen in heilige relaties. En dat brengt altijd een verschuiving van vorm naar inhoud met zich mee. Het idee daarbij is als volgt: Blijkbaar sla ik de plank behoorlijk mis als het gaat over waar ik wil dat een relatie toe dient. De reden is dat ik in verwarring was over wat ik ben (T-24.V.9). Zolang ik mezelf beschouw als een speciaal afzonderlijk lichaam zullen speciale liefdesrelaties gaan over een speciale afzonderlijke vorm. Door Een cursus in wonderen te bestuderen en in de praktijk te brengen, ga ik me realiseren – en ervaren! – dat ik geen lichaam ben, maar een holografisch deel van de Ene Zoon van God – dat wil zeggen, een deel van het vereende Zoonschap. De enig mogelijke relatie kan ik dus alleen met mijn ware Zelf hebben, die Liefde is, buiten tijd en ruimte – wat Jezus een Heilige relatie noemt. Wat mij aantrekt zou dus niet vorm moeten zijn, maar de inhoud van jou als een perfecte weergave van het onschuldige, lieflijke en eeuwig beminde ware Zelf. In mijn voorwerp van attractie herken ik het Gelaat van Christus. Vormen spelen geen rol meer. Of je nu fysiek aantrekkelijk bent of niet, doet er niet toe. Ik treed binnen in een heilige relatie omdat ik uitsluitend gedeelde interesses en onze gedeelde Identiteit waarneem.

Hier aanbeland zou je wellicht zeggen: “Dus… ik zou met wie dan ook daarbuiten een relatie kunnen beginnen?” Antwoord: Jazeker, dat zou je kunnen, maar zolang jij de Heilige Geest niet toestaat jouw keuze te leiden, blijft je relatie voortgedreven door je ego, zonder een vergrote kans op blijvend geluk. Waarlijk behulpzame relaties ontstaan niet bij toeval. In onze levens biedt de Heilige Geest ons drie soorten relaties aan – en dus leersituaties. Type één gebeurt in willekeurige ontmoetingen – behalve dat ze beslist geen toevallige ontmoetingen zijn. Elke ‘toevallige’ ontmoeting is een les waarin jij kunt leren compleet het zicht op gescheiden belangen kwijt te raken. Slaag je daarin, dan zal dat voldoende zijn – verlossing is gekomen (HvL-3.3). Het tweede type relatie is een duurzamer relatie waarin je een behoorlijk intense onderwijs/leer situatie ervaart, die vervolgens weer blijkt te eindigen. Bijvoorbeeld, je collega’s op het werk. Het derde type relatie duurt als type een leven lang, zoals met je gezin en/of levenspartner. Het overkoepelende punt dat Jezus maakt, is dat hoewel de vorm of intensiteit verschilt, de inhoud steeds hetzelfde is: gelegenheden om te leren slechts gemeenschappelijke belangen te zien. En dat is altijd een keuze van de denkgeest.

Jezus’ boodschap betreffende relaties kan dus bondig samengevat worden: als het doel om een relatie te kiezen op enigerlei wijze het lichaam behelst, vraag je om pijn. En je krijgt altijd waar je om vraagt. Daaruit volgt nu ook weer niet dat elke focus op het lichaam inherent zondig is. Dit is een vaak voorkomende valkuil bij spirituele aspiranten. Als een goede Cursus-student, kan ik geneigd zijn elke aandacht voor het lichaam (het mijne of dat van een ander) als een domme fout weg te poeieren. Als gevolg zou ik kunnen afzien van fysieke intimiteit, van zoenen en omarmingen, omdat die “overduidelijk een verkeerd gerichte focus is op vorm in plaats van eenheid in geest?” Mooi niet, dat hoeft helemaal niet zo te zijn! Laten we T-8.VII.3 eens zorgvuldig lezen: “Als jij het lichaam voor een aanval gebruikt, berokkent het jou schade. Als je het alleen gebruikt om de denkgeest te bereiken van hen die geloven dat ze een lichaam zijn, en hun door middel van het lichaam leert dat dit niet zo is, zul jij de macht van de denkgeest die in jou is begrijpen.. Dienend om te verenigen wordt het [lichaam] een prachtige les in gemeenschap, die waarde heeft tot er gemeenschap is.”

Samengevat: ja, maak alsjeblieft en beslist gebruik van je lichaam in relaties. Gebruik het liefdevol. Gebruik het om de allesomvattende Liefde te weerspiegelen die in je denkgeest aanwezig is, zoals ze in ieders denkgeest is, zij het vaak diep begraven. Slechts één kus, maar gegeven vanuit de juiste manier van denken, kan een kannibalistisch verzoek om pijn veranderen in één van de heiligste plekken op aarde, omdat een oeroude haat een huidige liefde is geworden (T-26.IX.6:1). Nou en of, precies als Jezus tweemaal bepleit in ECIW: “Onderwijs louter Liefde, want dat is wat je bent”(T-6.I.13:2). Nogmaals, waardeer en gebruik je lichaam, in dienst van die kennis.

© Jan-Willem van Aalst, september 2016 (vertaling: Robert J Visser)

-o-o-o-o-

Natuurlijk wil ik liefde…of niet soms?

Laten we zeggen, ik ben een dag vrij. Buiten is ’t prachtig weer. Ik besluit om een fietstocht te maken naar de bossen om van de prachtige natuur te genieten, om tegelijkertijd wat te ontstressen. En bovendien herinner ik me de werkboekles van vandaag (“Ik dank mijn Vader voor Zijn gaven aan mij”- Les 123, simpel als een 1-2-3-tje) en besluit m’n les in de praktijk te brengen terwijl ik van het bos geniet. Ik spring goedgemutst op de fiets en vertrek. Maar binnen vijf minuten na ik vertrokken ben, word ik bijna door een auto aangereden die van links komt – de bestuurder zag me eenvoudigweg niet door het verblindende zonlicht. Dat was behoorlijk beangstigend. Ik voel mijn hart bonzen en mijn stemming zakken. Nog geen twee minuten later ervaar ik problemen bij het inhalen van een groep tieners op hun fietsen, achteloos de gehele breedte van het fietspad innemend, bij een snelheid waar zelfs een schildpad geen moeite mee zou hebben. Ook reageren ze nou niet bijzonder vriendelijk op mijn verzoek me alsjeblieft te laten passeren. Kortom, tegen de tijd dat ik de bossen bereik, ben ik mijn lust voor de mooie natuur verloren – mijn focus is nu gevestigd op mijn irritatie over al die vervelende mensen om me heen.

Als ik het woongebied achter me laat en de bossen inga, komt mijn trouwe dagelijkse oefening als Een cursus in wonderen student weer naar boven, en begin ik op dat moment naar mijn gedachten te kijken, en naar wat er daarnet nu werkelijk gebeurde. Ik besef bijvoorbeeld dat ik gewoon blanke woede voelde, en dat ik psychologisch zo ongeveer iedereen aangevallen heb die ik tegenkwam sinds ik op de fiets sprong. Ook besef ik, voor de zoveelste keer, hoe moeilijk het kan zijn om op een les gefocust te blijven; ik heb mijn Vader nauwelijks bedankt voor Zijn gaven aan mij (die zijn: Vrede, Liefde, Eenheid, eeuwige Veiligheid, de zekerheid van mijn Identiteit, enzovoorts). Integendeel, ik was deze gaven totaal vergeten. Als ik oprecht eerlijk ben, stel ik vast dat ik zelfs bij de kleinste afleiding in gedachteloze veroordeling verval. Hoe komt het dat ik na al die jaren oefenen nog steeds lastig gevallen word door een dergelijk veroordelende en niet vergevende denkgeest? Ik ben er vast van overtuigd dat de Eenheid en Liefde van God mijn diepste verlangen is. Natuurlijk wil ik liefde… of niet soms?

De unieke bijdrage van Een cursus in wonderen als spiritualiteit is, dat het veel aandacht besteedt aan de gedachtesystemen in ons dagelijks leven. Zeker, er bestaan verheven metafysische begrippen over tijd, ruimte, holografie en onze ware Identiteit als zuivere Geest. Die zijn noodzakelijk om ons te doen inzien dat we meer zijn dan dit kleine hoopje klei wat we ons lichaam noemen. Maar een eenvoudige analyse van hoe en waarom we een gedachte kiezen, is minstens zo belangrijk, in het bijzonder het waarom. En dit waarom is metaforisch gezien “gekmakend”. Als een Cursus student ga je je realiseren dat wij allemaal letterlijk een denkgeest bezitten, die met zichzelf in conflict is: we schakelen continu tussen onjuist denken en juist denken. Ja, we willen liefde, zo lang als die aan de behoefte van ons ego voldoet om onze speciaalheid te versterken. En nee, we willen geen liefde als die ons herinnert aan ons verlangen terug te keren naar de Eenheid van onze Vader, wat elke keer het geval is als we gemeenschappelijke belangen zien in plaats van belangen die gescheiden zijn van elkaar.

Ik realiseer me plotseling dat die kinderen op hun fietsen niet mijn irritatie veroorzaakten, en evenmin deed de bestuurder in de auto dat. Ik heb deze gedachten actief gekozen, die vrijwel onmiddellijk naar de daarmee samenhangende biochemie (emoties) in mijn lichaam voerden. Ik heb deze gedachten actief gekozen zodat ik het kwaad in iets buiten me kon zien, en niet in mezelf. Aha, juist, Jezus onderwijst ons dat we heimelijk (dat wil zeggen, onbewust) geloven dat wij het thuis zijn van het kwaad, de duisternis, en de zonde, en dat wanneer iemand deze waarheid over ons zou kunnen zien, hij terug zou deinzen als bij het zien van een giftige slang. We geloven dat als deze waarheid ons geopenbaard zou worden, we met zo’n intense afschuw vervuld zouden worden dat we halsoverkop de hand aan onszelf zouden slaan, omdat het ons onmogelijk zou zijn nog verder te leven na dit te hebben gezien. (W-pI.93). Om er voor te zorgen dat we dat niet hoeven te zien, projecteren we dat beeld naar buiten op alles buiten ons met de bedoeling verschillen te onderstrepen en aanval te rechtvaardigen. De schuld voor zonde moet altijd in iets anders zijn! Mijn gedachten,  beter gezegd mijn waarneming, speurt onophoudelijk naar aanwijzingen buiten me om me zelfs het geringste flintertje schuld te melden. En die waarneming van me sleept dat schreeuwend voor mijn meester (mijn onjuiste denkgeest), om te worden verslonden. (T.19-IV.A.12). Nu ben ik geheel gerechtvaardigd die miserabele, zondige wereld buiten me aan te vallen. Het punt is dat dit bewijst dat ik me waarachtig afgescheiden heb van mijn Schepper, maar, ho eens, ik daar niet verantwoordelijk voor gehouden kan worden. Ik ben een onschuldig slachtoffer in een kwaadaardige wereld. Dus, alsjeblieft, lieve God, het is nu overduidelijk dat op het moment jij de zondaren veroordeelt naar de eeuwige hel, ik daar niet bij hoor. Mijn onschuld is evident, terwijl mijn individuele uitzonderlijkheid verzekerd blijft. Lang leve mijn ego!

Ongelukkigerwijze richten vele spirituele tradities zich hoofdzakelijk op wat Kenneth Wapnick gelukssukkeligheid noemt. Het overkoepelende idee hierbij is dat, wanneer je je denkgeest traint om op Liefde en Eenheid te focussen, je het oordelende deel van je denkgeest conditioneert om langzaam te verdwijnen, precies als een laaiend vuur gereduceerd wordt tot nagloeiende as zodra je ophoudt het te voeden. Samengevat beweren dergelijke spirituele leersystemen dat het ego overwonnen (of ongedaan gemaakt) kan worden door het helemaal geen aandacht te schenken. Dit is precies het tegenovergestelde van wat Jezus ons leert in Een cursus in wonderen. Zoals Jezus uitlegt: door niet naar illusies (onze onjuiste denkgeest) te kijken is dé manier ze te beschermen (T-10.IV.1). Elke dag gelukzalig liefdevolle affirmaties herhalen creëert een sluier van vredige liefde in de denkgeest, maar de “vlekken en roest” (W-pI.133.8) van de onbewuste veroordelende ijsberg onder het wateroppervlak in jouw denkgeest zal niet erg lang onopgemerkt blijven. Een gevoel van leegte blijft knagen aan de uiteinden van die denkgeesten vol van gelukssukkeligheid. Dat is de reden dat Jezus ons waarschuwt: “Vertrouw niet op je goede voornemens. Die zijn niet genoeg.” (T.18-IV.2)

Om waarlijk Gods gaven van Vrede, Liefde, Eenheid, Veiligheid, zekerheid van Identiteit als eeuwige zuivere Geest, te ontvangen, moet ik eerst leren waarom ik deze gaven niet al aanvaard. Ik zal naar mijn gedachten moeten kijken. Dat is de betekenis van het wonder: Het slaat slechts verwoesting gade, en doet in alle rust niets. (W-pII.13.1). Het herinnert me er slechts aan dat ik de dromer van de droom ben, en dat deze droom niet de waarheid is. Houd dat woord alsjeblieft in je denkgeest vast: verwoesting. Het wonder kijkt niet naar liefde; het kijkt naar verwoesting, dat wil zeggen, naar al die aandrang in mijn niet-vergevende denkgeest om aan te vallen. Die neigingen vormen mijn ego-aandrang om rechtvaardiging te vinden voor dat aanvallen, wat mijn individualiteit versterkt en mijn veronderstelde onschuld. Een cursus in wonderen toont ons daarom niet alleen waarom we veroordeling blijven kiezen in plaats van vergeving, maar het biedt tevens een uitweg uit deze boosaardige cirkel van vergeetachtigheid: de dagelijkse praktijk van het inschakelen van de waarnemer “boven het slachtveld” van de denkgeest, en dan simpelweg te kijken. Niet oordelend. Vanuit die denkstaat, zijn we in staat onze aandacht te richten op stilheid, en plaats te maken voor de stem van de Heilige Geest, die meestal geen stem is, maar een vredige of gelukkige impuls. Het is dit simpele kijken en rustige vragen om leiding dat de slapende Zoon van God uiteindelijk een weg biedt uit deze helse droom die schijnbaar zo’n veertien miljard jaar aan de gang is. Dus waarom op de Hemel wachten? De vrede van God straalt nu in mij.(W-pI.188).

Juli 2016, Jan-Willem van Aalst (vertaling: Robert J. Visser)

Medicijn is magie… nou en?

Als we Een cursus in wonderen lezen, wordt ons duidelijk dat hoewel jij en ik ziekte over het algemeen in ons lichaam ervaren, alle symptomen slechts een weerklank zijn van onjuist denken. Kijk bijvoorbeeld eens naar lessen 136 tot 138, en lees het pamflet “Psychotherapie”. Een van de belangrijkste lessen in het leerprogramma van ECIW  is, dat deze hele wereld van vorm om ons heen een projectie is, opzettelijk door ons gekozen (wij als de slapende Zoon van God) in een schuldbeladen poging ons te verstoppen voor een wraakzuchtige Schepper die Zijn zondige zoon beslist in het niets zal doen verdwijnen, omdat die zich van zijn Bron afgescheiden heeft! Dit denken in termen van zonde-schuld-angst, dat is het ego. Het wordt onjuist denken genoemd in Een cursus in wonderen. Het ego zit zo in elkaar dat het onze denkgeest onafgebroken afleidt naar uiterlijkheden, hoe illusoir die ook zijn, opdat de slapende Zoon van God nimmer naar binnen kijkt, en de onschuld en het gedeelde verlangen ziet van alle schijnbaar gefragmenteerde levensvormen: de hunkering om naar de Vader terug te keren, daarbij tevens ruimte en tijd, evenals individualiteit voor eens en altijd ongedaan te maken.

Ego-afleidingen bestaan in vele vormen: milde irritaties over ‘verwerpelijk’ gedrag; oordelen over het weer; of het wereldnieuws, en al het andere dat je wellicht niet mag. Afleidingen treden ook in de vorm van lichamelijke ziekte op. Hoewel dit op het eerste gezicht een aparte categorie lijkt, legt Jezus uit dat alle ervaren gevolgen van onjuist denken hetzelfde zijn qua inhoud, ongeacht hun waargenomen vorm. Voor het ego doet het er niet toe of ik ellende nu in deze wereld of in mijn lichaam ervaar: de bedoelde afleiding van de denkgeest richting uiterlijkheden wordt opnieuw verzekerd. Daarom raadt Jezus ons aan niet te proberen gevolgen te wijzigen, maar oprecht de bron van de ellende te onderzoeken: en dat is onze keuze voor veroordeling en afscheiding. Een beroemd ECIW citaat zegt het zo: “Probeer dan ook niet de wereld [inclusief je lichaam] te veranderen, maar kies ervoor je denken over de wereld te veranderen (T-21.In.1:7).

Als we les 136 zorgvuldig lezen, die volgens Kenneth Wapnick tot de belangrijkste lessen uit het werkboek behoort, leren we beseffen dat “Ziekte is geen toevalligheid. Zoals elke verdediging, is ze een waanzinnig middel tot zelfmisleiding. En net als alle andere is het doel ervan de werkelijkheid te verbergen, aan te vallen, te veranderen, absurd te maken, te vervormen, te verdraaien, of terug te brengen tot een hoopje losse onderdelen.” (W-d1.136.2). Doen we dat opzettelijk? Op het niveau van het onbewuste beschouw ik ziekte als een duidelijk bewijs dat de afscheiding van God daadwerkelijk gelukt is. Voorts kan ik er niet verantwoordelijk voor gehouden worden, omdat deze wereld duidelijk een wrede plek is waar de goedhartigen – zoals ikzelf – constant tot slachtoffer gemaakt worden door mensen die duidelijk de hel verdienen. Als iemand terug in de Hemel geaccepteerd wordt zonder straf, moet beslist ik dat zijn. En oh, zie eens hoe ik lijd om mijn fout mij af te scheiden: mijn ziekte verdient beslist de compassie van mijn Schepper…? – En zo ga ik maar door, als voorbeeld van Jezus z’n duiding van hoe wij denken: “Ziekte is een beslissing. Het is niet iets wat jou overkomt, geheel ongezocht, dat je zwak maakt en je lijden brengt. […] Nu ben je ziek, opdat de waarheid zal weggaan en jouw verworvenheden niet langer zal bedreigen.” (W-d1.136.7:1+4).

Genezing moet dan net zo goed een keuze van de denkgeest zijn. Jezus legt uit dat dit een bereidwilligheid vereist ‘de waarheid van wat ik ben’ te accepteren, en dat is: zuivere geest. Telkens wanneer ik me dan ziek voel, kan ik mezelf eraan herinneren dat ik … “ dan mezelf opnieuw misplaats, en een lichamelijke identiteit gevormd heb die het lichaam zal aanvallen, want de denkgeest is ziek.” (W-d1.136.19:2) Dan kan ik mezelf vertellen: “Ik ben vergeten wat ik werkelijk ben, want ik heb mijn lichaam met mezelf verward. Ziekte is een verdediging tegen de waarheid. Maar ik ben geen lichaam. En mijn denkgeest kan niet aanvallen. Dus kan ik niet ziek zijn.” (W-d1.136.20:3-7). Het resultaat evenwel is zeer waarschijnlijk dat ik me schuldig en depressief zal voelen, omdat de fysieke symptomen niet onmiddellijk verdwijnen door deze waarheid te beseffen. In feite lijken de fysieke symptomen veelal geheel niet beïnvloed door hoe liefdevol mijn gedachten ook door de dag heen schijnen te zijn.

Op dit punt aangekomen zouden we moeten beseffen dat we gevoelig zijn voor wat Kenneth  Wapnick noemt ‘niveau-verwarring’. Jezus zijn uitspraken over ziekte van de denkgeest behoren tot een Niveau-I perspectief, waarin er niet zo iets bestaat als een wereld en afscheiding – er bestaat uitsluitend geest. Vanuit een Niveau-II perspectief daarentegen, in de schijnbare droom van tijd en ruimte en waarneming, voelen deze wereld en mijn lichaam tastbaar echt, en worden we niet verondersteld dat te ontkennen. In deze wereld, hoe illusoir ze ook mag zijn, zijn er keuzes te maken, waarbij ik ervoor kies of door onjuist  gericht denken (ego) ofwel door juist gericht denken (Heilige Geest) geleid te worden. De schoonheid van Een cursus in wonderen is dat hij ons niet zal uitlachen voor onze fysieke ervaringen (en pijn!) in deze illusoire wereld.

Er zijn momenten dat onze fysieke pijn te zeer een hindernis vormt om wat voor spirituele boodschap dan ook in de praktijk te brengen. Medicatie afwijzen als ‘een vorm van magie die niet werkelijk zal genezen’, is een vergissing die voortvloeit uit niveau-verwarring. Jezelf pijn laten lijden past nauwelijks bij de mildheid die Jezus in zijn leerprogramma bepleit. In hoofdstuk 2 van het tekstboek lezen we: “Elk stoffelijk middel dat je als remedie tegen lichamelijke kwalen aanvaardt is een herbevestiging van magische beginselen […] Hieruit volgt echter niet dat het gebruik van dergelijke middelen ten behoeve van herstel slecht is. Soms heeft de ziekte zo’n sterke greep op iemands denkgeest, dat het hem tijdelijk ontoegankelijk maakt voor de Verzoening. In dat geval kan het verstandig zijn om ten opzichte van lichaam en denkgeest een tussenweg te bewandelen, waarbij aan iets van buitenaf tijdelijk genezende werking wordt toegeschreven.” (T-2.IV.4:1+4-6].

Als je dus hoofdpijn hebt, neem alsjeblieft gerust een aspirientje. Als je te maken hebt met een meer serieuze ziekte, volg alsjeblieft precies het advies op van je arts. Het gebruik van medicijnen mag dan niet resulteren in het soort genezing zoals Jezus dat definieert in de zin van het ongedaan maken van schuld om zo de werkelijke wereld in de denkgeest te bereiken. Maar het zorgt wel voor meer ruimte in de denkgeest, waardoor je in de eerste plaats de kalmte gaat ervaren die je nodig hebt om vredig in je denkgeest te worden. Raad alsjeblieft je gezin en vrienden niet aan om medische behandeling af te wijzen, door te beargumenteren dat dergelijk gebruik van magie uiteindelijk niet wérkelijk zal genezen. Dat is geen liefdevolle houding; dat is een vergissing, door te menen dat jij het ’t beste weet. Als je je hart opent voor de stem van de Heilige Geest (je ware intuïtie), zul je weten dat elke ingreep die pijn kan verlichten (en in het bijzonder de daaruit volgende angst) nuttig kan zijn, op z’n minst tijdelijk. Het eerste altijd eerst: je hebt allereerst fysiek verzachtende genezing nodig voordat je de ruimte in je denkgeest ervaart om te werken met Jezus’ leermethode in gedachte-training.

In geval je fysiek gezond bent en uitkijkt naar spiritueel advies bedoeld om genezing van je niet-vergevende denkgeest te bewerkstelligen, wat ware genezing is, is het niet eens nodig een psychotherapeut te vinden die zich baseert op Een Cursus in Wonderen. Ware genezing bevindt zich in je eigen denkgeest. Niemand is in staat jouw denkgeest voor jou te veranderen. Een psychotherapeut van een bepaalde spirituele school opzoeken is vaak een subtiele dekmantel om verantwoordelijkheid af te schuiven voor het denkwerk, dat jij moet doen om je eigen ego-focus ongedaan te maken. Er is slechts één Psychotherapeut, die gedurende de hele dag met perfecte helderheid spreekt als je Hem alleen maar binnen nodigt: en dat is de Heilige Geest, die zich in jou bevindt in de meest letterlijke zin (T-5.II.3). Een doeltreffende manier deze openheid-van-denkgeest te bereiken zou bijvoorbeeld zijn om Kenneth Wapnick’s magnifieke serie “Journey through … [Textbook | Workbook | Manual for teachers ] of a Course in Miracles” te bestuderen. Dat is een geweldige manier om geheel te begrijpen waarom, om les 140 te citeren, “Alleen van de verlossing kan worden gezegd dat ze geneest.”, hoewel aspirines daarbij prima in orde zijn.

© 17 augustus 2016, Jan-Willem van Aalst (vertaling: Robert J. Visser)