In Gods Naam

Op het eerste gezicht lijkt Een cursus in wonderen geworteld te zijn in het christendom. We lezen in de Cursus immers vaak over God, Christus en de Heilige Geest, en de auteur blijkt niemand minder dan Jezus zelf te zijn. De tekst bevat honderden impliciete en expliciete verwijzingen naar bijbelse passages. En hoewel de Cursus God ontdoet van Zijn toornige eigenschappen die we in de Bijbel tegenkomen, gaat de tekst vooral over hoe wij ons denken vaker en consequenter kunnen richten op onze Liefde voor God.

God wordt in Een cursus in wonderen bovendien beslist antropomorf afgeschilderd, met duidelijk menselijke eigenschappen. Zo lezen we dat God eenzaam is zonder Zijn kinderen (T2.III.5:11), dat Hij weent om onze vergetelheid van Hem (alsof hij een lichaam heeft compleet met traanbuizen), en dat aan het einde van onze eigen spirituele reis Hij tot ons zal komen om ons tot de Hemel te verheffen (zie bijv. Wd1.69.7; Wd1.168.3). Tegelijkertijd lezen we ook passages die dit beeld van een humanoïde God lijken tegen te spreken. Hoewel het werkboek veel gebeden bevat die direct aan God zijn gericht, benadrukt Jezus in het Handboek voor Leraren: “God verstaat geen woorden, want die zijn gemaakt door afgescheiden denkgeesten om hen in de illusie van afgescheidenheid te houden” (H21.1.7). En in werkboekles 183 lezen we over het bidden tot God: “Denk niet dat Hij de futiele gebeden hoort van hen die Hem aanroepen met de namen van afgoden die door de wereld worden gekoesterd. Zij kunnen Hem zo niet bereiken” (Wd1.183.7:3-4).

Andere passages gaan zelfs verder, en stellen dat de tijd zelf “een immense illusie” is (Wd1.158.4), en dat God deze materiële wereld niet geschapen heeft (VvT-4.1); wij hebben die bedacht, als het ene collectieve ego dat ervoor koos een droom van afgescheidenheid van de Eenheid te dromen die God is. Wij maakten deze wereld, en wel als aanval op God, om een plekje voor onszelf uit te roepen waar God niet zou kunnen komen (Wd2.3.2:1,4), zodat het ego tevreden kan stellen dat de afscheiding van God daadwerkelijk is gelukt. Een cursus in wonderen lijkt dus op het eerste gezicht vol tegenstrijdigheden te zitten over de aard van God, het universum en onszelf. Voor veel lezers is dat dermate verwarrend dat de motivatie om de kern van het leerplan te bestuderen en onder de knie te krijgen al snel weg sijpelt.

Juist daarom is het zo behulpzaam om de vele gepubliceerde boeken van Kenneth Wapnick toe te voegen aan je spirituele leeslijst. Onvermoeibaar ging Ken vaak in op dergelijke potentiële bronnen van verwarring. Met groot geduld en oprechtheid lichtte hij toe hoe wij de boodschap van Een cursus in wonderen zouden moeten interpreteren in termen van het verschil tussen vorm en de onderliggende inhoud. Kort samengevat kunnen we zeggen dat Een cursus in wonderen louter en alleen antropomorfische beelden en christelijk taalgebruik bezigt omdat dat het begripsniveau is wat we aanvankelijk kunnen vatten. Echter, naarmate we vorderen op ons spiritueel leerpad worden we uitgenodigd om voorbij deze symbolen te kijken naar de werkelijke inhoud van de boodschap, die niet zozeer in het christendom is geworteld alswel in de nondualistische metafysica. Alleen omdat zinsneden zoals “een Eenheid als één verbonden” volstrekt betekenisloos zijn voor eenieder die zichzelf nog als los individu ziet, gebruikt Jezus (die zelf slechts een symbool is, meer daarover later) taal waar we ons iets bij kunnen voorstellen.

Laten we bijvoorbeeld eens kijken naar les 183, met de volgende uitnodiging: “Ik roep Gods Naam aan en de mijne” (Wd1.183). Ons wordt verteld dat dit het middel is om de innerlijke vrede te vinden die we zo verlangen. Maar waarom zou ik Gods Naam moeten aanroepen als ik elders in hetzelfde leerplan lees dat God geen woorden begrijpt, dat Hij onze “futiele gebeden” niet hoort, en zelfs dat Hij deze wereld helemaal niet geschapen heeft? Het antwoord, zoals altijd, ligt in het vermogen om een duidelijk onderscheid te maken tussen de vorm en de onderliggende inhoud. God is niet antropomorf; God heeft geen vorm. Het woord “God” is slechts een symbool voor de Eenheidsliefde die onze Bron en ons Erfgoed is. Zo ook is “De Naam van God” slechts een symbool voor de weerspiegeling van die Liefde, die wij persoonlijk kunnen ervaren door te kiezen voor de Heilige Geest als de Gids van ons denken. De Heilige Geest is zelf ook “slechts” een symbool van die Liefde. Zo ook bestaat het ego helemaal niet als apart wezen; het is slechts een symbool van mijn keuze voor onjuist-gericht denken. Het ego weerspiegelt onze ervaringen van afscheiding, aanval, zonde, schuld, haat en angst.

Dus wanneer Jezus mij uitnodigt om Gods Naam aan te roepen, dan betekent dat niet dat zijn leerplan inconsistent is. Jezus nodigt mij in feite uit om weer te kiezen voor de Stem namens Liefde (de Heilige Geest) als de belangrijkste focus van mijn denken. Zo begin ik te beseffen dat mijn liefdevolle gedachten veel dichter mijn werkelijke Identiteit weerspiegelen dan al mijn gebruikelijke rommelgedachten van speciaalheid, individualiteit, autonomie en afscheiding. “Ik roep Gods Naam aan en de mijne” is dus te begrijpen als een poëtische uitdrukking van de volgende uitnodiging: “Kies wederom voor de Liefde die niet van deze wereld is, en besef dat dit jou ware Identiteit is”.

Realiseer je echter dat dit eigenlijk een nondualistische uitspraak is. Feitelijk is heel Jezus’ leerplan dat Een cursus in wonderen heet een motivatieoefening om steeds vaker in alle oprechtheid de ego-droom (dualiteit) in te ruilen voor de nondualistische werkelijkheid, waarin ik als los individu niet meer besta. Aangezien wij nog allemaal rotsvast in de dagelijkse werkelijkheid van tijd en ruimte geloven (anders zouden we hier niet meer zijn), heeft Jezus antropomorfe woorden nodig waar wij ons iets bij kunnen voorstellen. Naarmate wij vorderen op onze spirituele reis-zonder-afstand, zullen we steeds beter de consistente inhoud achter de inconsistente vorm ontwaren.

Op dezelfde manier zullen we vroeg of laat beseffen dat het met Jezus zelf niet anders is. We identificeren de auteur van Een cursus in wonderen onbewust nog steeds met de bijbelse figuur die zo’n tweeduizend jaar geleden in Palestina rondliep. Het is verleidelijk om Jezus te beschouwen als de meest goddelijke mens ooit, die het ego totaal heeft overwonnen, naar de hemel is opgestegen en vervolgens besloot zijn bevrijdende boodschap te dicteren aan een psychologe met de naam Helen Schucman. In plaats daarvan legde Kenneth Wapnick herhaaldelijk uit dat wij ook “Jezus” zouden moeten zien als een symbool van de Stem namens Liefde, die voor iedereen altijd en overal beschikbaar is. Helen zelf heeft zich wat dat betreft nooit bijzonder of speciaal gevoeld. Ze heeft zelfs gezegd dat in principe iedereen deze Stem namens Liefde kan ervaren, hoewel misschien in een andere vorm.

We zouden daarom nooit moeten eisen dat we deze Liefde zouden moeten horen als Stem. Dat is vorm. De meesten van ons ervaren deze Liefde helemaal niet als een Stem, maar als een liefdevolle intuïtie in de hartstreek, of in de onderbuik. Deze ‘Stem’ meldt zich dan als een impuls van liefde die, zoals we wel weten, altijd tot de best denkbare uitkomst voor alle betrokkenen zal leiden. Daarom zou ik me vaak het volgende moeten herinneren: “De naam van Jezus Christus als zodanig is slechts een symbool. Maar het staat voor liefde die niet van deze wereld is” (H23.4:1-2). De blijde boodschap van Een cursus in wonderen is dat deze Liefde ook mijn eigen Erfgoed is. Dus om Gods Naam aan te roepen, of vergelijkbare symbolen zoals Jezus of de Heilige Geest, herinnert mij er “slechts” aan dat er inderdaad een beter alternatief is voor de ego-babbelstroom. De Naam van God is mijn eigen Naam juist omdát de Eenheidsliefde mijn ware Erfgoed is. Zoals we in het laatste hoofdstuk van het Tekstboek lezen: “God heeft beschikt dat ik niet tevergeefs kan roepen, en in Zijn zekerheid rust ik voldaan (T31.VIII.9:5).

— Jan-Willem van Aalst