Afscheid van aanvalgedachten

In deze droomwereld van tijd en ruimte waarin wij nog vrijwel allemaal menen een lichaam te zijn, probeert een klein clubje zeer rijke industriëlen momenteel zoveel mogelijk landen stap voor stap om te vormen tot een maatschappij die erg lijkt op het huidige China, waarin de bevolking flink onder de duim wordt gehouden. Ze willen kunnen bepalen hoeveel geld iedereen heeft; daarvoor moet contant geld verdwijnen en de negative rente steeds worden opgeschroefd. Dat is nu gaande. Ze willen mensen dwingen tot gehoorzaamheid door ze toegang tot van alles te ontzeggen als ze niet gehoorzaam zijn; daarvoor is een QR-krediet app nodig op alle telefoons. Dat is nu gaande. Ze willen mensen gedachteloos houden door zoveel mogelijk afstompende muziek, films en verval van waarden te stimuleren. Dit nachtmerrie-achtige beeld zou tot voor kort afgedaan worden als een zot hersenspinsel, als complot-angst. Het is echter allemaal na te lezen op de website van het World Economic Forum. Het heet Agenda 2030: “de grote reset”. Vele regeringsleiders zijn de afgelopen jaren hierin opgeleid; zij zijn nu bezig met het uitvoeren van hun opdracht.

Natuurlijk gaat dit allemaal heel anders verlopen dan de plannen van dit kleine rijke clubje angstige broeders. In Les 292 van Een cursus in wonderen lezen we immers: “Een gelukkige afloop staat voor alles vast”. Sterker nog, in het Handboek voor Leraren onderwijst Jezus ons: “Het vereist heel wat leerwerk eer begrepen wordt dat alle dingen, gebeurtenissen, ontmoetingen en omstandigheden behulpzaam zijn” (H4.I.A.4:5). Met de nadruk op alle. Vaak is eerst een diepe crisis nodig om tot een grote verbetering te komen. Dus ook deze angstcrisis waarin polarisatie tussen bevolkingsgroepen doelbewust gestimuleerd lijkt te worden, is kennelijk behulpzaam voor de “gelukkige afloop voor alles”. Zo zal dat voor velen niet voelen. Velen zullen zich onwillekeurig meegesleurd voelen in de spiraal van negativiteit om ons heen. Het lijkt steeds moeilijker te worden om het denken onaangeroerd te laten door afscheidingsgedachten die leiden tot angst, boosheid en depressie. Het lijkt steeds moeilijker te worden om aanvalgedachten rustig te bezien en dan simpelweg op te geven.

Toch is dat precies de uitweg uit de angst die ons nu lijkt te overspoelen. Les 23, volgens Kenneth Wapnick één van de belangrijkste lessen in het werkboek, heet “Ik kan ontsnappen aan de wereld die ik zie door aanvalgedachten op te geven” (Wd1.23). Deze les 23 bespreekt de fundamenten van de dynamieken van projectie en vergeving in één. Eerst over projectie: “Het heeft geen zin te proberen de wereld te veranderen. Ze is niet te veranderen, omdat ze slechts een gevolg is. Maar het heeft zeker zin je gedachten over de wereld te veranderen. Hiermee verander jij de oorzaak. Het gevolg zal dan vanzelf veranderen” (Wd1.23.2:2-7). Oftewel: het kiezen voor de Stem namens Liefde als de gids van je gedachten is de manier om meer liefde in deze droomwereld te brengen, die immers slechts een weerspiegeling (of projectie) is van je eigen denkwereld.

Jezus gaat daar vervolgens dieper op in: “De wereld die jij ziet is een wraakzuchtige wereld, en alles daarin is een symbool van wraak. Elk van je waarnemingen van de ‘uiterlijke werkelijkheid’ is een weergave in beelden van je eigen aanvalgedachten” (Wd1.23.3:1-2). Dit zijn ferme uitspraken, die makkelijk tot enorm schuldgevoel in jezelf kunnen leiden, wat natuurlijk beslist niet Jezus’ bedoeling is. Dus waarom is dit zo? Zolang wij geloven dat er een materiële wereld is (dualiteit), zeggen we eigenlijk dat God (nondualiteit) niet (meer) bestaat. Als God (die synoniem is met Eenheidsliefde) niet meer bestaat, dan komt dat omdat ik Hem heb afgewezen, waarvoor Hij nu gerechtvaardigd wraak zal nemen: ik zal sterven. Die oer-angst willen we niet onder ogen zien en projecteren we dus naar buiten, zodat het lijkt alsof de wereld mij voortdurend wil aanvallen. Zo kan ik mezelf als onschuldig zien en de verantwoordelijkheid voor alles wat slecht is buiten mij zien, in anderen, of het nu wappies, schapen of politici zijn.

Het antwoord, zoals altijd, is vergeving. Jezus legt de drie stappen daarvan uit: “Jij zit niet gevangen in de wereld die jij ziet, omdat de oorzaak ervan kan worden veranderd. Deze verandering vereist eerst (1) dat de oorzaak herkend en (2) daarna losgelaten wordt, zodat die (3) kan worden vervangen” (Wd1.23.5:1-2). Het probleem is nooit wat er in de wereld lijkt te gebeuren. Ik lijk van streek te raken door wat ik om me heen zie gebeuren, maar feitelijk herinner ik mezelf daarmee aan mijn eigen ingebeelde aanval op God, die ik heb geprojecteerd op de omgeving buiten mijzelf. Die realisatie ‘boven het slagveld’ is de eerste stap. Op dit moment, nu, kan ik altijd voor liefde kiezen, door de Stem namens Liefde te vragen wat te denken, zeggen en/of doen. Zo word ik er aan herinnerd dat mijn Identiteit als Gods Zoon voor eeuwig onveranderlijk is. Deze tweede stap is voldoende om de laatste stap automatisch te laten gebeuren: het schuldgevoel is weg omdat ik die over heb gegeven aan de Heilige Geest, en daarmee de Verzoening voor mijzelf heb aanvaard.

De eerder aangehaalde Werkboekles 292 eindigt met het volgende gebed, dat dat ons kan helpen in momenten van twijfel en angst:
We danken U, Vader, dat U er borg voor staat dat alles uiteindelijk slechts een gelukkige afloop kent. Help ons die niet te hinderen en aldus het goede eindresultaat uit te stellen dat U ons hebt beloofd voor elk probleem dat wij kunnen zien, voor elke beproeving die we denken nog steeds het hoofd te moeten bieden” (Wd2.292.2).
“Gods beloften kennen geen uitzonderingen. En Hij garandeert dat slechts vreugde het eindresultaat kan zijn dat voor alles wordt gevonden. Maar het hangt van ons af wanneer dit wordt bereikt, en hoe lang we toelaten dat een vreemde wil de Zijne lijkt te weerstaan. En zolang we denken dat deze wil werkelijk is, zullen we niet de afloop kennen die Hij heeft bepaald als het eind van alle problemen die we waarnemen, alle beproevingen die we zien en elke situatie die we tegenkomen” (Wd2.292.1:1-5).

Kies er elke dag opnieuw voor om een vredesbaken te zijn, en je zult elke beproeving het hoofd kunnen bieden. Neem afscheid van je aanvalgedachten. Hou de frequentie van je denken hoog, dat wil zeggen gericht op onvoorwaardelijke liefde voor iedereen, zonder uitzondering. We gaan nog een paar zware jaren tegemoet waarin het collectieve ego de wereld in een angststorm zal brengen zoals de droomwereld nog nooit eerder heeft meegemaakt. Tegelijkertijd is dat slechts de vooraankondiging van een groot collectief ontwaken, dat jij en ik kunnen helpen bewerkstelligen, eerst en vooral in onszelf. Christina von Dreien’s vierde boekje heet niet voor niets “Uiteindelijk komt alles goed”. Daarmee bevestigt ze Jezus’ belofte in les 292 dat een gelukkige afloop voor alles vast staat. Kies dus vandaag opnieuw voor liefde, in kalmte en vertrouwen.

— Jan-Willem van Aalst, oktober 2021

In Gods Naam

Op het eerste gezicht lijkt Een cursus in wonderen geworteld te zijn in het christendom. We lezen in de Cursus immers vaak over God, Christus en de Heilige Geest, en de auteur blijkt niemand minder dan Jezus zelf te zijn. De tekst bevat honderden impliciete en expliciete verwijzingen naar bijbelse passages. En hoewel de Cursus God ontdoet van Zijn toornige eigenschappen die we in de Bijbel tegenkomen, gaat de tekst vooral over hoe wij ons denken vaker en consequenter kunnen richten op onze Liefde voor God.

God wordt in Een cursus in wonderen bovendien beslist antropomorf afgeschilderd, met duidelijk menselijke eigenschappen. Zo lezen we dat God eenzaam is zonder Zijn kinderen (T2.III.5:11), dat Hij weent om onze vergetelheid van Hem (alsof hij een lichaam heeft compleet met traanbuizen), en dat aan het einde van onze eigen spirituele reis Hij tot ons zal komen om ons tot de Hemel te verheffen (zie bijv. Wd1.69.7; Wd1.168.3). Tegelijkertijd lezen we ook passages die dit beeld van een humanoïde God lijken tegen te spreken. Hoewel het werkboek veel gebeden bevat die direct aan God zijn gericht, benadrukt Jezus in het Handboek voor Leraren: “God verstaat geen woorden, want die zijn gemaakt door afgescheiden denkgeesten om hen in de illusie van afgescheidenheid te houden” (H21.1.7). En in werkboekles 183 lezen we over het bidden tot God: “Denk niet dat Hij de futiele gebeden hoort van hen die Hem aanroepen met de namen van afgoden die door de wereld worden gekoesterd. Zij kunnen Hem zo niet bereiken” (Wd1.183.7:3-4).

Andere passages gaan zelfs verder, en stellen dat de tijd zelf “een immense illusie” is (Wd1.158.4), en dat God deze materiële wereld niet geschapen heeft (VvT-4.1); wij hebben die bedacht, als het ene collectieve ego dat ervoor koos een droom van afgescheidenheid van de Eenheid te dromen die God is. Wij maakten deze wereld, en wel als aanval op God, om een plekje voor onszelf uit te roepen waar God niet zou kunnen komen (Wd2.3.2:1,4), zodat het ego tevreden kan stellen dat de afscheiding van God daadwerkelijk is gelukt. Een cursus in wonderen lijkt dus op het eerste gezicht vol tegenstrijdigheden te zitten over de aard van God, het universum en onszelf. Voor veel lezers is dat dermate verwarrend dat de motivatie om de kern van het leerplan te bestuderen en onder de knie te krijgen al snel weg sijpelt.

Juist daarom is het zo behulpzaam om de vele gepubliceerde boeken van Kenneth Wapnick toe te voegen aan je spirituele leeslijst. Onvermoeibaar ging Ken vaak in op dergelijke potentiële bronnen van verwarring. Met groot geduld en oprechtheid lichtte hij toe hoe wij de boodschap van Een cursus in wonderen zouden moeten interpreteren in termen van het verschil tussen vorm en de onderliggende inhoud. Kort samengevat kunnen we zeggen dat Een cursus in wonderen louter en alleen antropomorfische beelden en christelijk taalgebruik bezigt omdat dat het begripsniveau is wat we aanvankelijk kunnen vatten. Echter, naarmate we vorderen op ons spiritueel leerpad worden we uitgenodigd om voorbij deze symbolen te kijken naar de werkelijke inhoud van de boodschap, die niet zozeer in het christendom is geworteld alswel in de nondualistische metafysica. Alleen omdat zinsneden zoals “een Eenheid als één verbonden” volstrekt betekenisloos zijn voor eenieder die zichzelf nog als los individu ziet, gebruikt Jezus (die zelf slechts een symbool is, meer daarover later) taal waar we ons iets bij kunnen voorstellen.

Laten we bijvoorbeeld eens kijken naar les 183, met de volgende uitnodiging: “Ik roep Gods Naam aan en de mijne” (Wd1.183). Ons wordt verteld dat dit het middel is om de innerlijke vrede te vinden die we zo verlangen. Maar waarom zou ik Gods Naam moeten aanroepen als ik elders in hetzelfde leerplan lees dat God geen woorden begrijpt, dat Hij onze “futiele gebeden” niet hoort, en zelfs dat Hij deze wereld helemaal niet geschapen heeft? Het antwoord, zoals altijd, ligt in het vermogen om een duidelijk onderscheid te maken tussen de vorm en de onderliggende inhoud. God is niet antropomorf; God heeft geen vorm. Het woord “God” is slechts een symbool voor de Eenheidsliefde die onze Bron en ons Erfgoed is. Zo ook is “De Naam van God” slechts een symbool voor de weerspiegeling van die Liefde, die wij persoonlijk kunnen ervaren door te kiezen voor de Heilige Geest als de Gids van ons denken. De Heilige Geest is zelf ook “slechts” een symbool van die Liefde. Zo ook bestaat het ego helemaal niet als apart wezen; het is slechts een symbool van mijn keuze voor onjuist-gericht denken. Het ego weerspiegelt onze ervaringen van afscheiding, aanval, zonde, schuld, haat en angst.

Dus wanneer Jezus mij uitnodigt om Gods Naam aan te roepen, dan betekent dat niet dat zijn leerplan inconsistent is. Jezus nodigt mij in feite uit om weer te kiezen voor de Stem namens Liefde (de Heilige Geest) als de belangrijkste focus van mijn denken. Zo begin ik te beseffen dat mijn liefdevolle gedachten veel dichter mijn werkelijke Identiteit weerspiegelen dan al mijn gebruikelijke rommelgedachten van speciaalheid, individualiteit, autonomie en afscheiding. “Ik roep Gods Naam aan en de mijne” is dus te begrijpen als een poëtische uitdrukking van de volgende uitnodiging: “Kies wederom voor de Liefde die niet van deze wereld is, en besef dat dit jou ware Identiteit is”.

Realiseer je echter dat dit eigenlijk een nondualistische uitspraak is. Feitelijk is heel Jezus’ leerplan dat Een cursus in wonderen heet een motivatieoefening om steeds vaker in alle oprechtheid de ego-droom (dualiteit) in te ruilen voor de nondualistische werkelijkheid, waarin ik als los individu niet meer besta. Aangezien wij nog allemaal rotsvast in de dagelijkse werkelijkheid van tijd en ruimte geloven (anders zouden we hier niet meer zijn), heeft Jezus antropomorfe woorden nodig waar wij ons iets bij kunnen voorstellen. Naarmate wij vorderen op onze spirituele reis-zonder-afstand, zullen we steeds beter de consistente inhoud achter de inconsistente vorm ontwaren.

Op dezelfde manier zullen we vroeg of laat beseffen dat het met Jezus zelf niet anders is. We identificeren de auteur van Een cursus in wonderen onbewust nog steeds met de bijbelse figuur die zo’n tweeduizend jaar geleden in Palestina rondliep. Het is verleidelijk om Jezus te beschouwen als de meest goddelijke mens ooit, die het ego totaal heeft overwonnen, naar de hemel is opgestegen en vervolgens besloot zijn bevrijdende boodschap te dicteren aan een psychologe met de naam Helen Schucman. In plaats daarvan legde Kenneth Wapnick herhaaldelijk uit dat wij ook “Jezus” zouden moeten zien als een symbool van de Stem namens Liefde, die voor iedereen altijd en overal beschikbaar is. Helen zelf heeft zich wat dat betreft nooit bijzonder of speciaal gevoeld. Ze heeft zelfs gezegd dat in principe iedereen deze Stem namens Liefde kan ervaren, hoewel misschien in een andere vorm.

We zouden daarom nooit moeten eisen dat we deze Liefde zouden moeten horen als Stem. Dat is vorm. De meesten van ons ervaren deze Liefde helemaal niet als een Stem, maar als een liefdevolle intuïtie in de hartstreek, of in de onderbuik. Deze ‘Stem’ meldt zich dan als een impuls van liefde die, zoals we wel weten, altijd tot de best denkbare uitkomst voor alle betrokkenen zal leiden. Daarom zou ik me vaak het volgende moeten herinneren: “De naam van Jezus Christus als zodanig is slechts een symbool. Maar het staat voor liefde die niet van deze wereld is” (H23.4:1-2). De blijde boodschap van Een cursus in wonderen is dat deze Liefde ook mijn eigen Erfgoed is. Dus om Gods Naam aan te roepen, of vergelijkbare symbolen zoals Jezus of de Heilige Geest, herinnert mij er “slechts” aan dat er inderdaad een beter alternatief is voor de ego-babbelstroom. De Naam van God is mijn eigen Naam juist omdát de Eenheidsliefde mijn ware Erfgoed is. Zoals we in het laatste hoofdstuk van het Tekstboek lezen: “God heeft beschikt dat ik niet tevergeefs kan roepen, en in Zijn zekerheid rust ik voldaan (T31.VIII.9:5).

— Jan-Willem van Aalst