Verlossing is nú!

Studenten van Een cursus in wonderen, en spirituele zoekers in het algemeen, werken ijverig aan het leren loslaten van hun kleine afgescheiden zelfje, om in plaats daarvan hun Identiteit te aanvaarden als één groter Zelf, dat alle individualiteit overstijgt. We stellen ons voor dat we ooit volledig verlicht zullen zijn, waarmee we alle pijn en zorgen die we nu nog ervaren, voorgoed achter ons zullen laten. Maar in werkboekles 188, wat overigens één van Bill Thetfords favoriete lessen was, zegt Jezus: “Waarom wachten op de Hemel? Zij die het licht zoeken bedekken slechts hun ogen. Het licht is nú in hen. Verlichting is slechts een herkenning, en allerminst een verandering” (Wd1.188.1:1-4).

Zo’n uitspraak zou gemakkelijk tot een enorm spiritueel schuldgevoel kunnen leiden, aangezien de eenvoud van deze boodschap klaarblijkelijk nog te moeilijk is voor ons oprechte spirituele zoekers om dagelijks te doorleven. In Hoofdstuk 26 van het Tekstboek gaat Jezus hier op in: “Het enige probleem dat je nog hebt is dat jij een tijdsinterval ziet tussen het moment waarop je vergeeft en dat waarop je de weldaden zult ontvangen van jouw vertrouwen in je broeder. […] Je ziet verlossing op de lange duur, maar geen onmiddellijk resultaat. Verlossing is onmiddellijk. […] Wees niet tevreden met toekomstig geluk. Het heeft geen betekenis, en is niet jouw verdiende beloning. Want jij hebt reden tot vrijheid nu” (T26.VIII.1:1; 2:7-3:1; 9:1-3). Dus hoe zouden we dat dan moeten doen?

In elk geval niet door nóg harder te werken aan ons “spiritueel-zijn”. In plaats daarvan nodigt Jezus in Een cursus in wonderen ons uit om juist minder te doen, dat wil zeggen: minder vanuit onszelf te doen. Geluk – nu – betekent dat ik een stapje terug doe als mijn eigen leraar, en juist aan de Heilige Geest vraag wat te denken, zeggen en doen. Anders blijf ik geneigd om de Heilige Geest te vertellen hoe ikhier – geholpen zou moeten worden, wat uiteraard nooit werkt. Bedenk dat “Ik hoef niets te doen” (T18.VII) één van de kernthema’s van Een cursus in wonderen is. Wij zouden slechts de Heilige Geest (dat wil zeggen, de Stem namens Liefde) moeten uitnodigen in ons hart. In Hoofdstuk 18 lezen we vervolgens: “Het is niet nodig dat je meer doet; sterker nog, het is noodzakelijk dat je beseft dat je niet meer kúnt doen. Doe geen poging de Heilige Geest te geven wat Hij niet vraagt, anders voeg je het ego aan Hem toe, en haal je de twee door elkaar” (T18.IV.1:5-6).

Zoals vrijwel alles in Een cursus in wonderen is het principe eenvoudig, maar de dagelijkse praktische toepassing is dat allerminst. De kern van onze weerstand tegen dit principe is dat telkens wanneer we hiermee oefenen, wij ons ego ietsje kleiner maken; steeds ietsje minder belangrijk maken. Als ik dit zou doortrekken, dan zou het ego uiteindelijk verdwijnen… wat betekent dat ik uiteindelijk zou verdwijnen! En dus zoekt het ego allerlei subtiele strategieën om het oordelen en vooral veroordelen in stand te houden, zodat wij ons innig blijven identificeren met een zeer speciaal zelf, wat sowieso de bronoorzaak was van het universum, deze planeet en de miljarden wezentjes erop.

Elke student van Een cursus in wonderen kent het onderricht dat de wereld waarin wij lijken te leven niet ons ware Thuis is. Gelukkig heeft Jezus het ook vaak over wat dan wél ons ware Thuis is. Zijn leerplan gaat zelfs voornamelijk over het voortdurend motiveren van zijn studenten om tijd en ruimte te associëren met ellende, en de leiding van de Heilige Geest met onze terugkeer daar ons ware Thuis in het Hart van God. Wederom in Bills favoriete les 188 lezen we: “Het licht is niet van deze wereld, maar ook jij die het licht in je draagt bent hier een vreemde. Het licht kwam met jou mee vanuit je geboortehuis en is bij je gebleven, omdat het jou eigen is. Het is het enige wat jij met je meebrengt van Hem die jouw Oorsprong is. Het straalt in jou, omdat het je huis verlicht, en leidt je terug naar waar het vandaan gekomen is en waar jij thuis bent. Dit licht kan niet verloren gaan. Waarom wachten om het in de toekomst te vinden, of geloven dat het al verloren is, of er nooit is geweest?” (Wd1.188.1:5-2:2). Met andere woorden: waarom zouden we op de hemel wachten?

In Hoofdstuk 3 van het Tekstboek herinnert Jezus ons er aan dat “iets kwijt zijn” niet automatisch betekent dat het er niet meer is; we zijn simpelweg vergeten waar het zich bevindt (T3.VI.9). Dit impliceert dat ik zelf de bestuurder ben van mijn geluk of misère; niet in de toekomst, maar hier en nu: “Laat de duisternis los en je zult al wat je gemaakt hebt niet langer zien, want het zien daarvan berust op het ontkennen van visie. Maar uit het ontkennen van visie volgt nog niet dat jij niet kunt zien” (T13.V.8:5-6). Wat zou ik kunnen zien? Eenvoudigweg dit: “Zit rustig en sluit je ogen. Het licht binnenin jou is toereikend” (Wd1.188.6:1-2). Enkele regels verderop in dezelfde les nodigt Jezus ons uit: “We nemen onze dwalende gedachten en brengen ze met zachtheid terug naar waar ze overeenstemmen met alle gedachten die we delen met God. We zullen ze niet laten afdwalen. We laten ze door het licht in onze denkgeest naar huis toe leiden. We hebben ze verraden door ze te gebieden van ons weg te gaan. Maar nu roepen we ze terug en wassen ze schoon van vreemde verlangens en warrige wensen. We geven ze de heiligheid van hun erfgoed terug. Zo wordt onze denkgeest tegelijk met ze hersteld, en we erkennen dat de vrede van God nog altijd in ons straalt en van ons uitstraalt naar al wat leeft en ons leven deelt. We zullen alles en iedereen vergeven en heel de wereld vrijspreken van wat we dachten dat ze ons had aangedaan. Want wij zijn het die de wereld maken zoals we die willen hebben” (Wd1.188.9:2-10:3; mijn cursivering).

Samenvattend: ja, het aanvaarden van de Verzoening is een traag proces in de tijd, waar we misschien nog vele levens voor nodig lijken te hebben. Tegelijkertijd kan de keuze voor de Heilige Geest als de Gids voor ons denken altijd nu gemaakt worden. Sterker, dit is in feite de enige keuze die nu gemaakt kan worden, aangezien het nu de enige tijd is die er is, zoals ook bijvoorbeeld schrijver Eckhart Tolle benadrukt. Jezus concludeert dus als volgt: “De vrede van God gaat alleen jouw begrip te boven in het verleden. Toch is ze hier, en kun jij die nu begrijpen. God heeft Zijn Zoon voor eeuwig lief, en Zijn Zoon beantwoordt voor eeuwig de Liefde van zijn Vader. De werkelijke wereld is de weg die jou leidt tot de herinnering van dat ene dat volkomen waar en volkomen van jou is. Want al het andere heb jij jezelf in de tijd geleend, en dat zal wegsterven. Maar dit ene is altijd van jou, daar het Gods gave is aan Zijn Zoon. Jouw ene werkelijkheid werd je gegeven, en krachtens haar schiep God jou één met Hem. Je zult eerst dromen van vrede, en er vervolgens toe ontwaken. Je eerste ruil van wat je hebt gemaakt voor wat jij wilt, is het inruilen van nachtmerries voor de gelukkige dromen van liefde. Hierin liggen je ware waarnemingen besloten, want de Heilige Geest corrigeert de wereld van dromen, waar alle waarneming zich bevindt” (T13.VII.8:1-9:3).

Dus probeer het nu eens! Zit rustig en sluit je ogen. Observeer kalm al je “dwalende gedachten”, dat wil zeggen, alles wat niet volledige vrede weerspiegelt. Realiseer je dat dergelijke gedachten jou werkelijk niet meer van nut zijn, en er dus geen aanleiding meer is om je er nog op te richten. Nodig dan de Stem namens Liefde uit, door zachtjes in jezelf te zeggen: “De vrede van God straalt nu in mij. Laat in die vrede al wat leeft zijn stralen op mij werpen, en laat mij alles zegenen met het licht in mij” (T13.VII.10:4-7). Zink weg in de stilte en aanvaard je verlossing nu!

— Jan-Willem van Aalst

Lezen én doen

Hoewel meer dan drie miljoen mensen wereldwijd een exemplaar van Een cursus in wonderen bezitten, betekent dat beslist niet dat drie miljoen mensen wereldwijd dit leerplan ‘onder de knie hebben’. Cursusleraar Kenneth Wapnick merkte vaak op dat hij ontdekte dat wanneer mensen zeiden “De Cursus te doen”, ze weinig méér deden dan de werkboeklessen lezen, en er af en toe overdag aan denken. Dat betekent niet dat die mensen dom of lui zijn. Want Een cursus in wonderen vraagt ons om elke rotsvaste overtuiging die we nog koesteren te heroverwegen (T24.In.2:1). Jezus belooft zijn studenten blijvende vrede, liefde en vreugde, maar dat “kost” ons wel onze ego-persoonlijkheid. Het is niet zo vreemd dat daar enorme weerstand bij komt kijken!

Jezus ziet graag dat we zijn Cursus willen bestuderen en “doen”. Zoals iedere goede leraar moet hij de motivatie (het verlangen) in zijn studenten zien te voeden om zijn onderricht te willen toepassen. Daarbij is hij zich natuurlijk volkomen bewust van de ego-weerstand tegen alles wat hij ons vertelt. Zoals hij in de inleiding van het Werkboek zegt: “Het doen van de oefeningen maakt het doel van de cursus mogelijk. Een ongetrainde denkgeest kan niets tot stand brengen. Het is het doel van dit werkboek je denkgeest te trainen om te denken volgens de richting die het tekstboek aangeeft. […] Sommige ideeën die het werkboek presenteert zul je moeilijk kunnen geloven, en andere kunnen nogal onthutsend lijken. Dit doet er niet toe. […] Onthoud alleen dit: je hoeft de ideeën niet te geloven, je hoeft ze niet te aanvaarden, laat staan toe te juichen. Tegen een aantal ervan zul je je misschien heftig verzetten. Dit alles is niet van belang en zal hun uitwerking niet verminderen. Maar sta jezelf niet toe uitzonderingen te maken in de toepassing van de ideeën die het werkboek bevat, en – wat je reacties op de ideeën ook mogen zijn – gebruik ze. Meer wordt er niet gevraagd” (Wd1.In.1:2-4; 8:1-2; 9:1-4).

Op meerdere plekken in zowel Tekstboek als Werkboek spreekt Jezus zijn studenten direct aan over het thema motivatie. Het ego slaat dergelijke passages gewoonlijk graag over, maar ze zijn beslist de moeite waard om af en toe weer eens aandachtig door te nemen. Al in Hoofdstuk 4 van het Tekstboek verzekert Jezus de lezer: “Jij hebt nu nog heel weinig vertrouwen in mij, maar dat zal groeien naargelang jij je voor leiding steeds vaker tot mij wendt in plaats van tot je ego. De resultaten zullen jou er in toenemende mate van overtuigen dat dit de enige zinnige keuze is die jij kunt maken. Niemand die uit ervaring leert dat de ene keuze vrede en vreugde, en de andere chaos en onheil brengt, hoeft nog verder overtuigd te worden” (T4.VI.3:1-3).

Uit de pedagogiek en didactiek weten we dat leren via belonen effectiever is dat leren via pijn of straf. Jezus doel is dus om ons de vreugde en vrede te laten ervaren die het gevolg zijn van het toepassen van zijn adviezen. Alleen die ervaring zal onze motivatie aansporen om nog beter ons best te doen, vaker en aandachtiger. Maar dit is een langzaam proces. Na de eerste 180 werkboeklessen richt Jezus zich als volgt tot ons: “Er wordt vooralsnog geen voortdurende en totale toewijding van je gevraagd. Maar jou wordt gevraagd nu te oefenen om het gevoel van vrede te bereiken dat een dergelijke volledige inzet, al is het maar met tussenpozen, je zal schenken. Juist de ervaring hiervan garandeert dat jij je totale bereidwilligheid zult inzetten om de weg te volgen die de cursus uiteenzet” (Wd1.181.In.1:2-4).

Het ego-deel van onze denkgeest, nogmaals, voelt haarfijn aan dat het opvolgen van Jezus advies zal leiden tot zijn ondergang. En aangezien wij onszelf nog vrijwel allemaal innig identificeren met onze eigen ego-persoonlijkheid, leidt de onbewuste angst over dit ongedaan maken tot allerlei subtiele zelfsaboterende mechanismen. We vallen bijvoorbeeld in slaap tijdens het lezen van een werkboekles. Of misschien worden we opeens afgeleid door dingen die nog moeten worden gedaan. Of misschien verandert de subtiliteit wel in hartgrondige frustratie over de onmogelijkheid van het uitvoeren van zo’n belachelijke les, terwijl we het boek tegen de muur smijten. Of een lange, lange tijd in de kast laten staan. Er zijn vele vormen waarin we logische redenen vinden om niet verder te gaan met Jezus leerplan. Juist daarom hebben we de ervaring van vrede en vreugde nodig die het doen van de werkboeklessen zullen geven, willen we ooit voortgang boeken op onze reis naar de aanvaarding van de Verzoening.

Jezus motiveert zijn studenten ook door ze er herhaaldelijk op te wijzen dat het uitvoeren van de oefening vrijwel niets van ze vraagt: “Het hoofddoel van alle oefeningen is het vergroten van je vermogen de ideeën die je zult oefenen zo uit te breiden dat ze alles omvatten. Dit zal van jouw kant geen inspanning vergen. De oefeningen zelf voldoen aan de voorwaarden die noodzakelijk zijn voor deze vorm van overdracht” (Wd1.In.7). Jezus richt zich dus, nogmaals, tot dat deel van onze denkgeest dat wel graag de vrede en vreugde wil ervaren die hij belooft.

De kern van wat die bereidheid inhoudt komt neer op het totaal opgeven van oordeel (eigenlijk: veroordeling), al is het maar voor even: “Je hebt geen idee van de geweldige bevrijding en de diepe vrede die ontstaan wanneer jij jezelf en je broeders totaal zonder oordeel tegemoet treedt. Wanneer je inziet wat jij bent en wat jouw broeders zijn, zul je beseffen dat het geen betekenis heeft hen op wat voor manier ook te oordelen” (T3.VI.3:1-2). En, wederom uit de inleiding tot de werkboeklessen 181-200: “De ervaring van vrijheid en vrede die ontstaat wanneer jij je rigoureuze controle over wat je ziet opgeeft, spreekt voor zich. Jouw motivatie zal zo worden versterkt dat woorden niet meer zo belangrijk zijn. Je zult zeker zijn over wat jij wilt, en over wat geen waarde heeft” (Wd1.181.In.2:4-6).

Dat is waarom Jezus ons in Hoofdstuk 20 van het Tekstboek als volgt verzekert: “Deze cursus vergt nagenoeg niets van jou. Het is onmogelijk je een cursus voor te stellen die zo weinig vraagt, of die meer te bieden heeft” (T20.VIII.1:7-8). Wat de Cursus biedt is blijvende vrede, liefde en vreugde, hoewel tegen de prijs van het loslaten van onze gekoesterde kleine individualiteit. Maar naarmate we oefenen merken we dat we die eigenlijk toch niet willen, omdat die ons alleen maar ellende en pijn brengt. Tegelijkertijd geeft Jezus toe: “Het vereist heel wat leerwerk eer begrepen wordt dat alle dingen, gebeurtenissen, ontmoetingen en omstandigheden behulpzaam zijn” (H4.I-A.4:5). Daarom springt niemand in één keer van de dualistische illusie naar de nondualistische waarheid; dit is een langzaam proces.

Jij en ik kunnen ons dus veroorloven om tevreden en geduldig te zijn. We kunnen met een gerust hart aanvaarden dat ons leerproces niet erg snel lijkt te gaan. Jezus verzekert ons dat de gelukkige afloop voor iedereen vaststaat: “Zij die zeker zijn van de afloop kunnen zich veroorloven te wachten, en wel zonder verontrust te zijn. Geduld is voor de leraar van God vanzelfsprekend. Al wat hij ziet is een afloop die vaststaat, misschien op een tijdstip dat hem vooralsnog onbekend is, maar waarover geen twijfel bestaat. Het tijdstip zal even juist zijn als het antwoord” (H4.VIII.1:-4). Uiteraard kan het ego deze geruststelling verdraaien tot een argument om de werkboeklessen juist niet te doen: er is toch tijd zat. Daarom zouden we elke dag waakzaam voor het Koninkrijk moeten zijn en juist gedisciplineerd en gemotiveerd de werkboeklessen moeten oefenen, waar we ook zijn. Hoe vaker het je lukt de moed op te brengen om veroordeling compleet los te laten en hulp te vragen aan de Heilige Geest, hoe vaker je dat warme, vredige gevoel vanbinnen zult voelen. En het is die ervaring die onze motivatie zal versterken om de Cursus onder de knie te krijgen. Dus stop niet bij het alleen maar lezen van de werkboeklessen; pas ze zo vaak toe als je kunt, in weerwil van je onbewuste weerstand ertegen. Fijne oefentijd!

— Jan-Willem van Aalst, nov. 2018