Lezen én doen

Hoewel meer dan drie miljoen mensen wereldwijd een exemplaar van Een cursus in wonderen bezitten, betekent dat beslist niet dat drie miljoen mensen wereldwijd dit leerplan ‘onder de knie hebben’. Cursusleraar Kenneth Wapnick merkte vaak op dat hij ontdekte dat wanneer mensen zeiden “De Cursus te doen”, ze weinig méér deden dan de werkboeklessen lezen, en er af en toe overdag aan denken. Dat betekent niet dat die mensen dom of lui zijn. Want Een cursus in wonderen vraagt ons om elke rotsvaste overtuiging die we nog koesteren te heroverwegen (T24.In.2:1). Jezus belooft zijn studenten blijvende vrede, liefde en vreugde, maar dat “kost” ons wel onze ego-persoonlijkheid. Het is niet zo vreemd dat daar enorme weerstand bij komt kijken!

Jezus ziet graag dat we zijn Cursus willen bestuderen en “doen”. Zoals iedere goede leraar moet hij de motivatie (het verlangen) in zijn studenten zien te voeden om zijn onderricht te willen toepassen. Daarbij is hij zich natuurlijk volkomen bewust van de ego-weerstand tegen alles wat hij ons vertelt. Zoals hij in de inleiding van het Werkboek zegt: “Het doen van de oefeningen maakt het doel van de cursus mogelijk. Een ongetrainde denkgeest kan niets tot stand brengen. Het is het doel van dit werkboek je denkgeest te trainen om te denken volgens de richting die het tekstboek aangeeft. […] Sommige ideeën die het werkboek presenteert zul je moeilijk kunnen geloven, en andere kunnen nogal onthutsend lijken. Dit doet er niet toe. […] Onthoud alleen dit: je hoeft de ideeën niet te geloven, je hoeft ze niet te aanvaarden, laat staan toe te juichen. Tegen een aantal ervan zul je je misschien heftig verzetten. Dit alles is niet van belang en zal hun uitwerking niet verminderen. Maar sta jezelf niet toe uitzonderingen te maken in de toepassing van de ideeën die het werkboek bevat, en – wat je reacties op de ideeën ook mogen zijn – gebruik ze. Meer wordt er niet gevraagd” (Wd1.In.1:2-4; 8:1-2; 9:1-4).

Op meerdere plekken in zowel Tekstboek als Werkboek spreekt Jezus zijn studenten direct aan over het thema motivatie. Het ego slaat dergelijke passages gewoonlijk graag over, maar ze zijn beslist de moeite waard om af en toe weer eens aandachtig door te nemen. Al in Hoofdstuk 4 van het Tekstboek verzekert Jezus de lezer: “Jij hebt nu nog heel weinig vertrouwen in mij, maar dat zal groeien naargelang jij je voor leiding steeds vaker tot mij wendt in plaats van tot je ego. De resultaten zullen jou er in toenemende mate van overtuigen dat dit de enige zinnige keuze is die jij kunt maken. Niemand die uit ervaring leert dat de ene keuze vrede en vreugde, en de andere chaos en onheil brengt, hoeft nog verder overtuigd te worden” (T4.VI.3:1-3).

Uit de pedagogiek en didactiek weten we dat leren via belonen effectiever is dat leren via pijn of straf. Jezus doel is dus om ons de vreugde en vrede te laten ervaren die het gevolg zijn van het toepassen van zijn adviezen. Alleen die ervaring zal onze motivatie aansporen om nog beter ons best te doen, vaker en aandachtiger. Maar dit is een langzaam proces. Na de eerste 180 werkboeklessen richt Jezus zich als volgt tot ons: “Er wordt vooralsnog geen voortdurende en totale toewijding van je gevraagd. Maar jou wordt gevraagd nu te oefenen om het gevoel van vrede te bereiken dat een dergelijke volledige inzet, al is het maar met tussenpozen, je zal schenken. Juist de ervaring hiervan garandeert dat jij je totale bereidwilligheid zult inzetten om de weg te volgen die de cursus uiteenzet” (Wd1.181.In.1:2-4).

Het ego-deel van onze denkgeest, nogmaals, voelt haarfijn aan dat het opvolgen van Jezus advies zal leiden tot zijn ondergang. En aangezien wij onszelf nog vrijwel allemaal innig identificeren met onze eigen ego-persoonlijkheid, leidt de onbewuste angst over dit ongedaan maken tot allerlei subtiele zelfsaboterende mechanismen. We vallen bijvoorbeeld in slaap tijdens het lezen van een werkboekles. Of misschien worden we opeens afgeleid door dingen die nog moeten worden gedaan. Of misschien verandert de subtiliteit wel in hartgrondige frustratie over de onmogelijkheid van het uitvoeren van zo’n belachelijke les, terwijl we het boek tegen de muur smijten. Of een lange, lange tijd in de kast laten staan. Er zijn vele vormen waarin we logische redenen vinden om niet verder te gaan met Jezus leerplan. Juist daarom hebben we de ervaring van vrede en vreugde nodig die het doen van de werkboeklessen zullen geven, willen we ooit voortgang boeken op onze reis naar de aanvaarding van de Verzoening.

Jezus motiveert zijn studenten ook door ze er herhaaldelijk op te wijzen dat het uitvoeren van de oefening vrijwel niets van ze vraagt: “Het hoofddoel van alle oefeningen is het vergroten van je vermogen de ideeën die je zult oefenen zo uit te breiden dat ze alles omvatten. Dit zal van jouw kant geen inspanning vergen. De oefeningen zelf voldoen aan de voorwaarden die noodzakelijk zijn voor deze vorm van overdracht” (Wd1.In.7). Jezus richt zich dus, nogmaals, tot dat deel van onze denkgeest dat wel graag de vrede en vreugde wil ervaren die hij belooft.

De kern van wat die bereidheid inhoudt komt neer op het totaal opgeven van oordeel (eigenlijk: veroordeling), al is het maar voor even: “Je hebt geen idee van de geweldige bevrijding en de diepe vrede die ontstaan wanneer jij jezelf en je broeders totaal zonder oordeel tegemoet treedt. Wanneer je inziet wat jij bent en wat jouw broeders zijn, zul je beseffen dat het geen betekenis heeft hen op wat voor manier ook te oordelen” (T3.VI.3:1-2). En, wederom uit de inleiding tot de werkboeklessen 181-200: “De ervaring van vrijheid en vrede die ontstaat wanneer jij je rigoureuze controle over wat je ziet opgeeft, spreekt voor zich. Jouw motivatie zal zo worden versterkt dat woorden niet meer zo belangrijk zijn. Je zult zeker zijn over wat jij wilt, en over wat geen waarde heeft” (Wd1.181.In.2:4-6).

Dat is waarom Jezus ons in Hoofdstuk 20 van het Tekstboek als volgt verzekert: “Deze cursus vergt nagenoeg niets van jou. Het is onmogelijk je een cursus voor te stellen die zo weinig vraagt, of die meer te bieden heeft” (T20.VIII.1:7-8). Wat de Cursus biedt is blijvende vrede, liefde en vreugde, hoewel tegen de prijs van het loslaten van onze gekoesterde kleine individualiteit. Maar naarmate we oefenen merken we dat we die eigenlijk toch niet willen, omdat die ons alleen maar ellende en pijn brengt. Tegelijkertijd geeft Jezus toe: “Het vereist heel wat leerwerk eer begrepen wordt dat alle dingen, gebeurtenissen, ontmoetingen en omstandigheden behulpzaam zijn” (H4.I-A.4:5). Daarom springt niemand in één keer van de dualistische illusie naar de nondualistische waarheid; dit is een langzaam proces.

Jij en ik kunnen ons dus veroorloven om tevreden en geduldig te zijn. We kunnen met een gerust hart aanvaarden dat ons leerproces niet erg snel lijkt te gaan. Jezus verzekert ons dat de gelukkige afloop voor iedereen vaststaat: “Zij die zeker zijn van de afloop kunnen zich veroorloven te wachten, en wel zonder verontrust te zijn. Geduld is voor de leraar van God vanzelfsprekend. Al wat hij ziet is een afloop die vaststaat, misschien op een tijdstip dat hem vooralsnog onbekend is, maar waarover geen twijfel bestaat. Het tijdstip zal even juist zijn als het antwoord” (H4.VIII.1:-4). Uiteraard kan het ego deze geruststelling verdraaien tot een argument om de werkboeklessen juist niet te doen: er is toch tijd zat. Daarom zouden we elke dag waakzaam voor het Koninkrijk moeten zijn en juist gedisciplineerd en gemotiveerd de werkboeklessen moeten oefenen, waar we ook zijn. Hoe vaker het je lukt de moed op te brengen om veroordeling compleet los te laten en hulp te vragen aan de Heilige Geest, hoe vaker je dat warme, vredige gevoel vanbinnen zult voelen. En het is die ervaring die onze motivatie zal versterken om de Cursus onder de knie te krijgen. Dus stop niet bij het alleen maar lezen van de werkboeklessen; pas ze zo vaak toe als je kunt, in weerwil van je onbewuste weerstand ertegen. Fijne oefentijd!

— Jan-Willem van Aalst, nov. 2018