Weten wie je bent

Als je voor iemand zou moeten samenvatten wie je bent, hoe zou jouw samenvatting er dan uitzien? Neem eens een paar minuten de tijd om je uiterlijk te beschrijven; je persoonlijkheid; je talenten; je levensgeschiedenis en je passies. Neem eventueel de gelegenheid om het in een paar zinnen op te schrijven, puntsgewijs. Denk er niet te lang bij na, noteer wat in je opkomt.

Wat je nu hebt opgeschreven is niet wie jij bent. Je hebt eigenlijk facetten opgeschreven van je huidige incarnatie. Maar wat jij en ik werkelijk zijn, wordt ons pas duidelijk zodra we overlijden, oftewel de jas van deze incarnatie uittrekken. Pas dan beseffen we werkelijk de betekenis van Jezus’ antwoord op de vraag in het werkboek van Een cursus in wonderen over “Wat ben ik?”: “Ik ben Gods Zoon, compleet, genezen en heel, stralend in de weerspiegeling van Zijn Liefde. In mij is Zijn schepping geheiligd en van eeuwig leven verzekerd. In mij is de liefde vervolmaakt, angst onmogelijk en vreugde gegrondvest zonder tegendeel. Ik ben de heilige woning van God Zelf. Ik ben de Hemel waar Zijn Liefde huist. Ik ben Zijn heilige Zondeloosheid zelf, want in mijn zuiverheid woont de Zijne.” (Wd2-14.1).

Dat is bepaald niet hoe we onszelf van dag tot dag ervaren. Als deze beschrijving waar is, waarom ervaren we onszelf dan niet de hele tijd zo? Antwoord: omdat we nog steeds hechten aan de wens om te proberen los van God een eigen godje te zijn in ons eigen kleine denk-rijkje, waar God niet mag komen. In de Cursus wordt dit het ‘nietig, dwaas idee’ genoemd (T27.VIII.6:3). Het is nietig, omdat het in werkelijkheid (lees: in de eeuwigheid) nooit is gebeurd; het is dwaas, omdat een afscheiding van God – die Alles omvat – überhaupt niet zou kunnen. En toch hopen we, reïncarnatie na reïncarnatie, dat het alsnog zou kunnen lukken om zélf god te zijn in ons eigen droomwereldje.

Want dat is waar jij en ik elke ochtend in ontwaken: een droomwereld, die in werkelijkheid (eeuwigheid) helemaal niet bestaat en nooit zou kúnnen hebben bestaan. Het is een droom van tijd, ruimte, waarneming en interpretatie waarin alles en iedereen een flauwe afspiegeling is van de dwaze keuze om afscheiding van eenheid te proberen. We dromen bijgevolg over dreiging, pijn en de dood, als bewijs dat de eeuwigheid echt een leugen is, en dat de afscheiding wel degelijk is gelukt; waarmee ik dus ontegenzeggelijk besta.

In werkelijkheid zijn wij in eeuwigheid de Ene Schepping van God, die louter een uitbreiding van Zijn Allesomvattende, Onvoorwaardelijke Liefde is. Jij en ik zijn dan ook louter het Ene Idee van deze zich immer Uitdrukkende Liefde van God. We willen graag dat God (of zijn Stem, de Heilige Geest, of de manifestatie daarvan die wij in de Cursus kennen als Jezus) ons helpt om ons “leven” gelukkiger te maken in de droom, maar de enige hulp die ons beschikbaar wordt gesteld in de droom, bestaat uit liefdeslessen om te leren dat de droom niet de werkelijkheid is, en dat we beter af zijn om de Verzoening voor onszelf te aanvaarden en wederom te ontwaken in Liefde, wat in de Cursus de Tweede Wederkomst wordt genoemd.

Maar als de Cursus het zou laten bij de stelling dat jij en ik als individuen eigenlijk helemaal niet bestaan, dan is dat niet erg behulpzaam voor ons ontwakingsproces. Daarom spreekt Jezus ons in Zijn Cursus aan in de toestand waarin wij ons menen te bevinden: als een persoonlijkheid in een lichaam, die de pijn van voortdurende schuld, haat en aanval zat is en beseft dat er “een betere weg moet zijn” (T2.III.3:5-6); dat blijvende innerlijke vrede mogelijk moet zijn. Pas dan ontwikkelen we de bereidheid om de mogelijkheid te overwegen dat Jezus misschien inderdaad wel gelijk heeft in alles wat hij ons over de werking van onze geconflicteerde denkgeest onthult. Pas dan vinden we de motivatie om zijn lessen werkelijk gemeend te gaan toepassen.

Jezus’ leerplan is altijd mild. We hoeven helemaal niets op te geven waar wij nog aan hechten, zij het personen, gewoonten, dingen of relaties. We hoeven ons drukke leven niet de rug toe te keren om jaren te gaan mediteren in een grot. Het enige dat Jezus van ons vraagt is dat wij zonder oordeel gaan kijken naar onze eigen weerstand tegen zijn boodschap, “boven het slagveld” (T-23.IV) ten volste beseffen dat we hiermee een zotte droom in stand houden, en vervolgens aan hem te vragen wat we in plaats daarvan zouden moeten denken en doen. Dat vragen komt neer op een verschuiving van ons denken van ego-gericht naar liefde-gericht, en het antwoord op ons vragen zal altijd neerkomen op een uiting van liefde, in een vorm die op dat moment optimaal zal zijn voor iedereen.

Is het zo eenvoudig? Ja, zo eenvoudig kan het zijn… áls we bereid zijn de liefdeslessen die ons dagelijks worden aangeboden, van minuut tot minuut, te herkennen en te leren. Er is geen tijdsdruk of prestatiedruk; we gaan richting Jezus’ eindexamen in ons eigen tempo. Vandaar de uitspraak in het Tekstboek: “Deze cursus vergt nagenoeg niets van jou. Het is onmogelijk je een cursus voor te stellen die zo weinig vraagt, of die meer te bieden heeft.” (T20.VII.1:7-8).

Natuurlijk zullen we bij het oefenen veel weerstand bemerken, omdat het halen van het ‘eindexamen’ betekent dat onze individualiteit voorgoed verdwijnt en de karma-cyclus van reïncarnaties voorgoed stopt. Natuurlijk lijkt dat nu eng! Maar het beoefenen van de dagelijkse liefdeslessen doet ons beseffen dat onze Schepper niet boos is en ons, net als de Verloren Zoon uit de Bijbel, warm naar ons enige ware Thuis terug zal verwelkomen. Dus niet door zelfmoord, maar door het aanvaarden van de lessen van Liefde. Jij en ik zijn namelijk die Liefde. Veel inspiratie gewenst met het dagelijks oefenen!

— Jan-Willem van Aalst

Hoe heilig wil je zijn?

Veel mensen gaan gebukt, bewust of onbewust, onder onzekerheid over hun eigenwaarde. Ze lijken van hot naar her geslingerd te worden door krachten waar ze geen invloed op hebben. Jeugddromen blijken veelal niet uit te komen. Zo zwoegen we voort, van dag tot dag, in de hoop dat ons af en toe klein genot gegund wordt, maar tegelijkertijd in het besef dat het uiteindelijk allemaal voor niets zal zijn geweest. Alle grootsheid die het ego tentoonspreidt over hoe fantastisch iets of iemand is, komt eigenlijk neer op een koppige verdediging tegen dat deprimerende besef dat het kaarsje van mijn leven vroeg of laat eindigt, en dat ik snel vergeten zal zijn.

Wanneer ik dus in werkboekles 35 lees dat “ik heel heilig ben” (Wd1.35), en verderop in het werkboek dat “eeuwige heiligheid in mij woont” (Wd2.299), dan kan dat wel eens moeilijk te geloven zijn. Wat bedoelt Jezus? Zoals we keer op keer hebben gezien, heeft Jezus het beslist niet over mij als lichaam. Hij verwijst hiermee naar de denkgeest, maar dan niet de individuele persoonlijkheid die ik meen te zijn. Jezus spreekt ons in zijn Cursus altijd aan als de keuzemaker, die kan kiezen voor juist of onjuist gericht denken. Je zult niet ver komen in het omarmen en doorleven van Een cursus in wonderen zolang je de essentie van jezelf nog ziet als een persoonlijkheid in een lichaam.

Dat is waarom Jezus ons twintig lessen achter elkaar laat oefenen met de mantra “Ik ben niet een lichaam. Ik ben vrij. Want ik blijf wat ik ben, zo schiep God mij.” (Wd1.201-220). Dit verwijst naar het inherent illusoire karakter van tijd, ruimte en waarneming: wat wij als onze dagelijkse realiteit beschouwen betitelt Jezus als onze ‘waakdroom’, waarin we van moment op moment kiezen voor ofwel verdere afscheiding (ego), ofwel de weg terug naar de eenheid van Liefde (Heilige Geest). Terwijl de illusoire tijd zich lijkt voort te bewegen zijn wij, als de collectieve Ene Zoon van God, nog steeds Thuis in het Hart van God, buiten tijd en ruimte. De afscheiding, en dus het hele universum, heeft helemaal nooit plaatsgevonden.

Dat betekent overigens niet dat ik mijn lichaam, mijn persoonlijkheid en de hele wereld zou moeten ontkennen of onderdrukken. Zolang ik deze wereld nog serieus neem (en dat doe ik, omdat er nog steeds zaken zijn die mij van streek maken) kan ik leren alles wat op mijn pad komt te herinterpreteren als een “les in liefde” (T6.V) die ik als “gelukkige leerling” (T14.II) kan leren te aanvaarden om zo uiteindelijk de Verzoening voor mezelf te aanvaarden (T2.V.5:1). Dit is een proces, dat om vertrouwen en geduld vraagt. Het is in dat proces niet behulpzaam om stappen te willen overslaan, en “morgen Thuis te zijn”. Dat geeft immers aan dat we ons huidige leven nog steeds als een werkelijke toestand beschouwen waaruit we willen ontsnappen. We zijn al Thuis.

Wat is dan wél effectief in dit proces van de “reis terug naar Huis”? Zolang ik nog denk dat ik een lichaam met een persoonlijkheid ben, blijft mijn heiligheid waarover Jezus spreekt nog versluierd voor mij. In werkboekles 299 lezen we: “Mijn heiligheid gaat mijn eigen vermogen om te begrijpen en te weten verre te boven. Maar God, mijn Vader, die mijn heiligheid geschapen heeft, erkent haar als de Zijne. Onze gezamenlijke Wil begrijpt haar. En Onze gezamenlijke Wil weet dat het zo is.” (Wd2.299.1). Dit betekent dat ik mijn route naar verlossing niet zelf hoef uit te stippelen. Zo lezen we in het Tekstboek: “Jij bent er nog steeds van overtuigd dat jouw begrip een machtige bijdrage vormt aan de waarheid, en haar maakt tot wat ze is. Toch hebben we beklemtoond dat je niets hoeft te begrijpen. Verlossing is makkelijk, juist omdat ze niets vraagt wat je niet nu meteen kunt geven.” (T18.IV.7:5-7).

Dit betekent niet dat ik mijn dagen zou moeten doorbrengen met het voortdurend denken aan hoe heilig ik ben volgens mijn Schepper. Dat is slechts een slinkse truc van het ego om het individuele zelf toch tot werkelijkheid te maken. Het gaat er juist om dat ik, als keuzemaker/observator mij in alle eerlijkheid bewust word van alle situaties waarin ik nog voor het ego kies: “Het is niet jouw taak op zoek te gaan naar liefde, maar enkel in jezelf alle hindernissen te zoeken die jij ertegen opgeworpen hebt, en die te vinden. Het is niet nodig te zoeken naar wat waar is, maar wel naar wat onwaar is.” (T-16.IV.6:1-2). Door mijn ego-dynamiek zonder oordeel aan te kijken, als het ware van een afstandje, zonder mezelf erin te verliezen, zal ik me er steeds minder mee gaan identificeren. De ruimte die daardoor ontstaat wordt vanzelf gevuld door het licht van de Heilige Geest.

Juist door alle ego-zottigheid steeds wat minder serieus te nemen, zal ik mij gewaar worden van de heiligheid waar Jezus het over heeft in werkboeklessen 35 en 299. En dan zal ik steeds vaker gevoelens van diepe dankbaarheid ervaren. Dankbaarheid over dat ik in werkelijkheid één ben met God, dat God niet boos is om mijn droom, en dat ik mild geleid wordt naar het aanvaarden van de Verzoening, als ik maar mijn aangeboden liefdeslessen leer aanvaarden. Alles wat op je pad komt, hoe pijnlijk het soms ook lijkt, is een les in liefde waarvan de Heilige Geest weet dat je daar nu aan toe bent. Kijk je eigen weerstand aan, glimlach om de zottigheid, en vraag wat Liefde zou doen. Wat vervolgens uit je mond of handelen komt, zal altijd de collectieve Heiligheid van de Zoon van God weerspiegelen, en alle betrokkenen helen.

Werkboekles 299 besluit met: “Ze [Mijn Heiligheid] blijft eeuwig volmaakt en onaangetast. In haar zijn alle dingen geheeld, want ze blijven zoals U ze geschapen hebt. En ik kan mijn heiligheid kennen. Want ik werd door Heiligheid Zelf geschapen, en ik kan mijn Bron kennen omdat het Uw Wil is dat U wordt gekend.” (Wd2.299.2:5-8). Oefen vandaag dus niet met arrogantie, maar in het blije besef dat je alles kunt wat de Heilige Geest je graag ziet leren vandaag. En waar je vandaag misschien nog over struikelt, wordt je morgen liefdevol opnieuw aangeboden. En je Heiligheid garandeert dat je uiteindelijk zult slagen voor het examen van de Verzoening. Veel inspiratie, aanvaarding en dankbaarheid gewenst vandaag!

— Jan-Willem van Aalst, juli 2021