Dagworkshop “Nooit meer stress”

Op vrijdag 24 september a.s. organiseer ik met Hans Westerveld een ééndaagse workshop voor managers “Met een andere kijk op stress naar blijvende vrede”, uiteraard vanuit het gedachtegoed van Een cursus in wonderen. De locatie is Antropia, bij station Driebergen-Zeist. In deze workshop gaan we zien hoe de integratie van psychologie, spiritualiteit en kwantumfysica die Een cursus in wonderen is, de bronoorzaak van alle stress in beeld kan brengen, zodat we ‘boven het slagveld’ een betere keuze kunnen maken en de blijvende innerlijke vrede vinden die we zo verlangen. Naast de theorie zullen we er in de middag ook concreet mee oefenen.

Op de speciale workshopwebsite vind je meer informatie en het inschrijfformulier: www.workshopnooitmeerstress.nl.

Jan-Willem van Aalst

Het verleden in het nu

Wetenschappers schatten dat we elke dag gemiddeld zo’n 60.000 tot 80.000 gedachten hebben, afhankelijk van hoe actief (of gestresst) de denkgeest is. “Ja, en?” zul je zeggen. Wel, het verontrustende daaraan is dat meer dan 95% van die gedachten over het verleden of de toekomst blijken te gaan. Ga zelf maar eens na hoe vaak je denkt aan dingen die in het verleden niet goed gingen (of juist heel erg goed), en hoe vaak je je zorgen maakt over hoe je grip op je toekomst kunt behouden. Als je een gemiddelde dag overziet, zitten we met onze gedachten slechts zelden in het hier en nu.

Vaak wordt daar tegen ingebracht dat het verleden waardevol is om van te leren, zodat we in de toekomst betere keuzes kunnen maken: ‘Denken aan verleden en toekomst is toch zinnig, zelfs noodzakelijk, voor de kwaliteit van ons leven?’ Zolang we nog denken dat “ons leven” betekent: “dit ene materiële leven in dit fysieke lichaam” lijkt dat alleszins redelijk. Maar in Een cursus in wonderen legt Jezus ons uit dat onze voortdurende focus op verleden en heden uitsluitend tot doel heeft om de afgescheidenheid van eenheid, van ons ware Zelf buiten tijd en ruimte, in stand te kunnen houden, en dat dit bovendien bepaald geen ingrediënt is voor een gelukkig leven in deze ‘waakdroom’ (T18.II.5) van tijd en ruimte.

Het is tamelijk onthutsend om in Een cursus in wonderen te lezen dat wij met z’n allen er alles aan doen om het bewustzijn van het nu te vermijden. Waarom is dat? Als ‘gezonde’ ego’s hechten we ons nog allemaal intiem aan ons lichaam en onze persoonlijkheid; we menen werkelijk dat dat alles is wat we hebben en zijn. Het ego heeft geen weet van eeuwigheid – wie kan zich daar iets bij voorstellen? – maar beseft ergens wel dat de denkgeest in theorie in staat is om een andere keuze te maken dan het ego. Het ego ‘bestaat’ slechts zolang we er in geloven. Om ervoor te zorgen dat de denkgeest nooit aan dat fundamentele keuzemoment toekomt, schotelt het ons voortdurend afleidingen voor. En hoe zou dat beter kunnen door voortdurend aandacht te vragen voor het verleden en de toekomst?

De gerichtheid op verleden en toekomst gaat altijd over het kunnen blijven oordelen, of preciezer: veroordelen. De Cursus onthult ons dat onze dagen onbewust gedreven worden door het verschrikkelijke schuldgevoel over onze oorspronkelijke keuze (aan het begin van de tijd) om ons af te scheiden van onze Schepper, in de overtuiging dat individuele autonomie te prefereren is. Maar aangezien we zeker weten dat ons leven eindig is, loert in de krochten van onze denkgeest altijd de angst dat onze gerechtvaardigde straf voor die ‘oerzonde’ onvermijdelijk zal komen. Daarom gebruiken we onze oordelen over het verleden om voortdurend te ‘bewijzen’ dat al het kwaad buiten ons gebeurt, en dat wij zelf onschuldig zijn en dus niet gestraft hoeven te worden.

Kortom, onze tienduizenden dagelijkse gedachten over het verleden en toekomst dienen deze doelen: (a) onze verantwoordelijkheid voor de keuze voor de afscheiding van ons afschuiven door in het verleden ‘bewijs’ te verzamelen voor alle slechtheid buiten ons, zodat wij onszelf onschuldig kunnen wanen, en (b) onze herinnering aan God buiten de deur houden door ons steeds af te leiden met zorgen over de kwaliteit van onze toekomst, tegen beter weten in omdat we beseffen dat we uiteindelijk toch aan het kortste eind trekken. Kenneth Wapnick vat het mooi samen door te stellen dat wij allemaal lijden aan paranoïde schizofrenie: we beelden ons dingen in die er in werkelijkheid niet zijn en maken onszelf tot controlefreaks daarover, door steeds bezig te zijn met het instandhouden van de illusie van een individueel bestaan, volstrekt los van onze ‘vergeten’ realiteit buiten tijd en ruimte.

In het werkboek vat Jezus dat als volgt samen, sprekend in de eerste persoon voor de aard van onze eigen gedachten: “Ik zie alleen mijn eigen gedachten, en mijn denkgeest is voortdurend bezig met het verleden. […] Wanneer ik om me heen kijk, veroordeel ik de wereld waarnaar ik kijk. Ik noem dit zien. Ik reken alles en iedereen het verleden aan, en maak ze tot mijn vijand.” (Wd1.52:3:1;2:1-3). In dezelfde les concludeert Jezus vervolgens namens de keuzemaker in onze denkgeest: “Als ik niets zie zoals het nu is, kan inderdaad gezegd worden dat ik niets zie. Ik kan alleen zien wat nu is. De keuze is niet het verleden of het heden zien, de keuze is slechts: zien of niet zien. Wat ik verkoos te zien, heeft me mijn visie gekost.” (Wd1.52.4).

Zoals schrijvers als Eckhart Tolle benadrukken, bestaan verleden en toekomst in feite helemaal niet – behalve in de denkgeest nu. We kunnen wat dan ook over verleden en toekomst alleen nu inbeelden en ‘herleven’/’inbeelden’. En dat herleven en inbeelden is nooit volledig objectief; al onze gedachten zijn in feite een interpretatie van wat we verkiezen te waarnemen. Sterker, één van de basisprincipes in de Cursus is: “Projectie maakt perceptie”. We zien uitsluitend wat we al hebben besloten te willen zien, hoe onbewust ook. Als je een bepaald automerk wilt kopen, zie je ineens overal dat automerk rijden. Als je vroeger bent mishandeld, dan is de kans groot dat je dat vaak in je omgeving ziet. Alles, nogmaals, met het doel om (a) de verantwoordelijkheid voor het kiezen van de afscheiding bij een ander neer te leggen, en (b) om onszelf zodanig af te leiden dat we nooit het keuzemoment zullen bereiken dat we beseffen dat we het ego niet willen, en ook helemaal niet nodig hebben om er te zijn. Inderdaad paranoïde schizofrenie.

Het mooie van Een cursus in wonderen is dat Jezus ons niet alleen haarfijn uitlegt waarom we kiezen om 95% van de tijd met verleden, toekomst en veroordeling bezig te zijn, maar ons ook een uitweg biedt uit deze ingebeelde droomwereld (eigenlijk: hel) van tijd en ruimte. Niet door ontkenning; niet door ascetisme; niet door zelfmoord; maar simpelweg door boven het slagveld zonder oordeel te kijken naar hoe en waarom we ons denken sturen zoals we doen. Zodra je vanuit een ‘zijnsoriëntatie’ samen met Jezus naar de ego-dynamiek kunt kijken, dan doorzie je dit materiële leven in je fysieke lijf als het toneelspel dat het is; niet om schamper om te lachen, maar om kalm van te leren hoe we in het hier en nu onze ware Identiteit als Ene Zoon van God weer kunnen aanvaarden.

Jezus vat dit mooi samen in werkboeklessen 289 en 290, wederom sprekend als de keuzemaker in onze eigen denkgeest: “Als in mijn denkgeest het verleden niet voorbij is, moet de werkelijke wereld wel aan mijn zicht ontgaan. Want ik kijk werkelijk nergens naar, en zie slechts wat er niet is. Hoe kan ik dan de wereld waarnemen die vergeving me biedt? Om die te verbergen werd het verleden gemaakt, want dit is de wereld die alleen in het nu kan worden gezien. Ze heeft geen verleden. Want wat anders dan het verleden kan vergeven worden, en als het vergeven is, is het voorbij. […] Wat ik waarneem zonder Gods eigen Correctie van het zicht dat ik heb gemaakt, is angstaanjagend en pijnlijk om aan te zien. Maar ik wil niet toestaan dat mijn denkgeest nog een ogenblik langer wordt misleid door het geloof dat de droom die ik gemaakt heb werkelijk is.” (Wd2.289.1;290.1:4-5).

Deze boodschap betekent natuurlijk niet dat we nooit meer aan verleden en toekomst zouden mogen denken. Ze betekent wél dat we aan deze gedachten een volstrekt ander doel toekennen: niet meer om de illusoire afgescheidenheid van ons Zelf in stand te kunnen blijven houden, maar om stap voor stap te leren, als een gelukkige leerling, dat er niets bestaat om angst voor te hebben (T29.I.1:1). Want jij en ik zijn in essentie niet een lichaam; jij en ik zijn geest, buiten tijd en ruimte, nu al veilig Thuis in het Hart van God onze Schepper. Zolang jij en ik ons nog met ons lichaam identificeren kunnen we er nu voor kiezen om onze gedachten te laten leiden door de Stem namens Liefde.

Het ego wordt dan uiteraard bang en waarschuwt voor rampspoed, maar in plaats van de voorspelde rampspoed merk je tot je verbazing dat je dagen een stuk vrediger worden. Probeer het maar eens! Niet door hardnekkig te proberen nooit meer aan verleden of toekomst te denken – dat zou erg onpraktisch zijn – maar jezelf wat vaker af te vragen: “Naar wie luister ik nu? Voel ik veroordeling of vrede? Wat zou liefde eigenlijk doen?” – en dan te wachten op de liefdevolle impuls die zich ergens in je lijf voelbaar zal maken (of zelfs als stem in je hoofd; de vorm maakt niet uit). Door zo je aandacht naar het nu te brengen wordt het verleden de lesruimte waar ze feitelijk voor is bedoeld: inzien dat alle ervaren tijd niet een zonde is, maar simpelweg een vergissing, die bovendien eenvoudig te corrigeren is zodra we daarvoor kiezen. En met de keuze voor het nu opent stap voor stap de Hemel zich in je gewaarzijn.

— Jan-Willem van Aalst, juni 2021

De enige keuze van betekenis

In Een cursus in wonderen vertelt Jezus ons dat hoewel wij hier elke dag duizenden keuzes lijken te maken over verschillende vormen in deze dualistische droomwereld, elke keuze qua inhoud altijd neerkomt op de keuze tussen God en het ego. Vanuit inhoud bezien gaat het altijd om de keuze tussen angst of liefde, tussen illusie of waarheid: “De keuze om je met de waarheid of met illusie te verbinden is nog steeds aan jou. Maar bedenk wel dat de ene kiezen betekent de andere los te laten. Die welke je kiest, die zul jij met schoonheid en werkelijkheid begiftigen, want jouw keuze hangt af van welke je het meest waardeert. […] Want je kunt nooit anders kiezen dan tussen God en het ego” (T17.III.9:1-3;5).

Een grote frustratie van vrijwel alle Cursusstudenten is dat hoewel zij zich er nadrukkelijk van vergewissen dat ze werkelijk het ego ongedaan willen laten maken en alleen nog maar voor God willen kiezen, ze onvermijdelijk elke dag weer merken dat ze toch voor het ego blijven kiezen, in het volle besef van de pijn die dat met zich meebrengt. Veel studenten voelen zich kortom verslaafd aan het ego. Maar Jezus biedt ons hierover een psychologische eye-opener van de bovenste plank: “Onder het donkere fundament van het ego ligt de Godsherinnering, en juist hiervoor ben je werkelijk bang. Want door deze herinnering zou jij terstond je eigen plaats [in nondualiteit] hervinden, en juist deze plaats heb je proberen te verlaten. […] Je beseft dat door de donkere wolk weg te nemen die haar aan het oog onttrekt, jouw liefde voor je Vader jou ertoe zou aanzetten Zijn Roep te beantwoorden en met een vreugdesprong de Hemel binnen te gaan. […] Want dieper nog dan het fundament van het ego, en veel sterker dan dat ooit zal zijn, brandt jouw intense liefde voor God, en die van Hem voor jou. Dit nu is wat jij werkelijk wilt verbergen” (T13.III.2:1-9).

Dus zeker willen we uiteindelijk niets liever dan de Liefde van God, maar tegelijkertijd zijn we daar onbewust doodsbenauwd voor, omdat dit zou betekenen dat we onze gekoesterde individualiteit kwijtraken. De angst wordt verder aangewakkerd door het ego, dat ons tamelijk vilein verzekert dat God ons zwaar zou straffen voor de onuitwisbare zonde van de afscheiding. Kortom, Een cursus in wonderen legt ons uit dat we allemaal een gespleten denkgeest hebben. Dit conflict is altijd geworteld in de fundamentele twijfel over wie we in essentie zijn: “Er is geen conflict dat niet de ene, eenvoudige vraag behelst: ‘Wat ben ik?’ […] Onzekerheid over wat jij wel mag zijn is zelfmisleiding op zo’n enorme schaal dat de omvang ervan nauwelijks te bevatten is. […] En juist voor deze ontkenning heb je Verzoening nodig.” (Wd1.139.1:6;3:1;5:2).

Dus de keuze tussen God en het ego – tussen Liefde en angst, tussen de Hemel de de hel – lijkt alleen moeilijk omdat we koppig willen blijven vasthouden aan onze speciale afgescheiden individualiteit, plaats van onze ware realiteit als Christus te omarmen, de Ene Zoon van God. En toch verzekert Jezus ons, aangezien tijd en ruimte zelf volstrekt illusoir zijn, dat deze schijnbaar moeilijke keuze eigenlijk niet werkelijk een keuze is, als we eenmaal helder zien waartussen we kiezen: “De Hemel wordt bewust gekozen. De keuze kan niet worden gemaakt zolang de alternatieven niet nauwkeurig bekeken en begrepen zijn. Alles wat in schaduwen is gehuld, moet tot begrip worden gebracht om opnieuw te worden beoordeeld, ditmaal met behulp van de Hemel. En alle beoordelingsfouten die de denkgeest in het verleden heeft gemaakt, staan open voor correctie, nu de waarheid ze als oorzaakloos verwerpt. […] Nu wordt onderkend dat ze niets zijn” (Wd1.138.9:1-4;6).

Jezus vertelt ons eigenlijk: ‘De enige reden dat je nog niet louter voor de Hemel kiest, is dat je je keuze-opties nog niet in alle eerlijkheid bekijkt en het ego doorziet voor wat het is.’ Daarom komen we uitspraken tegen zoals: “Het is niet jouw taak op zoek te gaan naar liefde, maar enkel in jezelf alle hindernissen te zoeken die jij ertegen opgeworpen hebt, en die te vinden” (T16.IV.6:1-2). En in hoofdstuk 11: “Niemand kan ontsnappen aan illusies tenzij hij ernaar kijkt, want door er niet naar te kijken worden ze beschermd. […] De ‘dynamiek’ van het ego zal een tijd onze les zijn, want we moeten hier eerst naar kijken om erdoorheen te kunnen zien, aangezien jij het werkelijkheid hebt verleend. […] Hoe kan men illusies anders verdrijven dan door ze direct onder ogen te zien, zonder ze in bescherming te nemen?” (T11.V.1:1;1:5;2:2).

Maar hoe consequent zijn wij eigenlijk in het ‘direct onder ogen zien’ van de ‘dynamiek’ van het ego? Kijken we daar werkelijk elk moment van de dag naar, met Jezus bij ons? Niet echt. Als ik bijvoorbeeld een fietstochtje ga maken, kan ik me voornemen om van elke ontmoeting een heilig ogenblik te maken, hoe vluchtig ook. Ik kan me in alle eerlijkheid voornemen om geen broeder achter me te laten zonder een stille zegening. In de eerste tien minuten ben ik een lichtbaken van vrede en zegen iedereen die ik zie, in elk geval in gedachten. Maar na een halfuur bemerk ik dat ik dat al een poosje niet meer heb volgehouden. Ongemerkt viel ik toch weer terug in het gedachteloos veroordelen van vormen; in vrijwel iedereen vond ik wel iets dat me niet helemaal beviel, hoe onbeduidend het ook was.

Daarom benadrukken leraren zoals Kenneth Wapnick steeds weer opnieuw het belang van het blijven oefenen met kijken, kijken, kijken naar wat er in de denkgeest gebeurt, zonder oordeel. Zo herinnert Jezus ons liefdevol: “Elke dag, elk uur en elke minuut, ja zelfs elke seconde, kies je tussen de kruisiging en de opstanding, tussen het ego en de Heilige Geest” (T14.III.4:1). En precies daarom merk ik dat ik niet vaak genoeg Jezus’ centrale vraag aan jezelf kan herhalen, uit les 156: “Wie vergezelt mij? Deze vraag moet duizend keer per dag worden gesteld, tot zekerheid een eind aan twijfel heeft gemaakt en vrede tot stand heeft gebracht. Laat vandaag twijfel ophouden.” (Ws1.156.8:1-3). Dit is de enige manier om ons volledig bewust te worden van het belang van de enige betekenisvolle keuze die we in dit leven kunnen maken: de keuze tussen het ego en God.

Het ego is en blijft honderd procent veroordeling, haat, aanval en afscheiding. De enige reden dat ik nog niet honderd procent voor de Hemel kies is dat ik nog steeds een sprankje hoop heb dat ik als individu god kan zijn in mijn eigen wereld, en zo iets van blijvend geluk hier kan vinden. Voeg daar het schrikbeeld aan toe van de wraakzuchtige God, dat het ego ons steeds gretig voorhoudt, en het lijkt erop dat we voor altijd ‘bewusteloos’ (mindless) zijn geworden. Totdat we in alle eerlijkheid naar binnen kijken, en daar tot onze verrassing bemerken dat er geen zonde is. Het ego-verhaal over zonde, schuld en angst is gefabriceerd. Juist daarom kan Jezus stellen dat de keuze tussen God en het ego feitelijk helemaal geen keuze is: “Je neemt maar één keuze. En wanneer die ene is genomen, zul je merken dat het helemaal geen keuze was. Want waarheid is waar, en niets anders is waar. Er is geen tegendeel om in plaats daarvan te kiezen. Er is niets in tegenspraak met de waarheid” (Wd1.138.4:4-8).

Dus door consequent en in alle eerlijkheid, zonder boos op je zelf te worden, te kijken naar wat er in de denkgeest gebeurt, ondersteunen we ons eigen proces van het leren om steeds vaker de enige betekenisvolle keuze te maken, zoals we lezen in werkboekles 138: “Maar wie kan nalaten zijn keus uit alternatieven te maken wanneer er maar één als waardevol wordt gezien, en de ander als iets volkomen waardeloos, een louter ingebeelde bron van schuld en pijn? Wie aarzelt om een dergelijke keuze te maken? En zullen wij aarzelen om vandaag te kiezen?” (Wd1.138.10:3-6). Of, zoals Jezus hoofdstuk 23 van het Tekstboek afrondt: “Wie, die zich door Gods Liefde gedragen weet, kan de keuze tussen wonderen en moord moeilijk vinden?” (T23.IV.9:8). Veel inspiratie gewenst met oefenen!

— Jan-Willem van Aalst