Allerlei soorten liefde

We zijn allemaal grootgebracht met het onwrikbare idee dat er veel schillende soorten liefde bestaan. Zo vinden we het bijvoorbeeld vanzelfsprekend dat de liefde tussen een getrouwd stel beslist anders is dan de liefde tussen vrienden. De liefde die ouders voelen voor hun kinderen is anders dan de liefde die we voelen voor, laten we zeggen, de planeet. En de liefde die we wellicht voelen voor Jezus of God is natuurlijk weer van een heel andere orde. Althans, zo is ons denken geconditioneerd.

Hoe vreemd lijkt het dan om in werkboekles 127 van Een cursus in wonderen te lezen dat er geen liefde is dan die van God. In die les licht Jezus dit als volgt toe: “Liefde is één. Ze kent geen afzonderlijke delen en geen gradaties, geen soorten of niveaus, geen verschillen en geen onderscheidingen. Ze is zichzelf gelijk, volkomen onveranderlijk. Ze verandert nooit naar gelang de persoon of de omstandigheid. Ze is het Hart van God en tevens van Zijn Zoon” (Wd1.1:3-7). Dat is een behoorlijk compromisloze definitie van liefde. Hoe zou dat praktisch gezien mogelijk kunnen zijn in deze wereld? Moet ik dan mijn levenspartner vertellen dat ik net zo van haar hou als ik van iedereen hou, omdat liefde één is?

Wat hier belangrijk is om je te herinneren is dat Jezus het hierboven over de inhoud van liefde heeft vanuit een nondualistisch oogpunt, terwijl de daarboven genoemde voorbeelden de verschillende vormen weergeven waarin we liefde ervaren of uiten, aangezien wij onszelf nu eenmaal in de tijd en ruimte van een dualistische wereld wanen. Kenneth Wapnick benadrukte altijd het verschil tussen speciale liefde, die inherent is aan deze dualistische droomwereld, en de Eenheidsliefde die jij en ik en iedereen zowel heeft als is, als onze werkelijke realiteit in het nondualistische rijk van de Hemel. Jij en ik en iedereen zijn daar nu nog steeds, maar we kiezen ervoor dat een poosje te “vergeten”.

In dezelfde werkboekles legt Jezus ons ook uit waarom wij, als de schijnbaar afgescheiden Zoon van God, de voorkeur geven aan speciale liefde in plaats van aan de Eenheidsliefde van God. Door een rangorde in vormen van liefde te zien (en daarmee dus het eerste principe van wonderen te ontkennen dat stelt dat er geen rangorde naar moeilijkheid in wonderen is, T1.I.1:1), kunnen jij en ik nu wijzen naar waar liefdeloosheid lijkt te bestaan. En dat is natuurlijk altijd ergens buiten onszelf. Nu kunnen we ons ‘gelaat van onschuld’ opzetten en anderen verantwoordelijk houden voor alles wat liefdeloos lijkt te zijn; we kunnen zo zelfs onze eigen aanvallen rechtvaardigen: “Het gezicht van de onschuld, dat door het zelfconcept zo trots wordt vertoond, kan een aanval als zelfverdediging wel gedogen, want is het geen welbekend feit dat de wereld ruw omspringt met weerloze onschuld?” (T31.V.4:1).

In Een cursus in wonderen nodigt Jezus zijn studenten uit om hun idee over de veranderlijkheid van liefde anders te bezien, en voortaan consequent het juist gericht denken te beoefenen, wat betekent: louter liefde waarnemen en uiten. Dat wil zeggen, de onveranderlijke inhoud van liefde. Hij beschrijft dat als volgt: “Je kunt niet onderdelen van de werkelijkheid liefhebben én begrijpen wat liefde betekent. Hoe kun je dit begrijpen als je anders wilt liefhebben dan God, die geen speciale liefde kent? Geloven dat speciale relaties, met speciale liefde, jou verlossing kunnen bieden, is geloven dat afscheiding verlossing is. Want juist in de volstrekte gelijkheid van de Verzoening wordt verlossing gevonden. Hoe kun je nu besluiten dat speciale aspecten van het Zoonschap jou meer kunnen geven dan andere?” (T15.V.3:1-5).

Hoewel Jezus’ pleidooi duidelijk is om consequent de aandacht te richten op de inhoud van liefde, betekent dat beslist niet dat jij en ik die liefde niet in allerlei vormen in ons dagelijks leven zullen uiten. Zo is het hier niet behulpzaam om je echtgenote te vertellen dat je net zoveel van haar houdt als van ieder ander, omdat ‘alle liefde één is’. Vooral met echtgenotes die niet bekend zijn met de twee niveaus van onderwijs in Een cursus in wonderen, gaat dit niet echt helpen, om het zacht uit te drukken. Evenmin zou het erg praktisch zijn om de zelfde vorm van liefde naar iedereen te uiten die je tegenkomt gedurende de dag, omdat Jezus nu eenmaal heeft gezegd dat alle liefde één is, en dus op iedereen van toepassing.

Jezus ziet dus graag dat we op beide niveaus van zijn onderricht oefenen. Op het nondualistische niveau I oefen je met hetzelfde ‘witte licht’ te zien in iedereen. Het middel hiertoe heet vergeving, oftewel het loslaten van veroordeling, en ervoor kiezen een betere Stem als Gids van je gedachten te kiezen, zoals Jezus toelicht: “Wanneer jij je met mij verenigt, verenig jij je zonder het ego, want ik heb het ego in mezelf opgegeven en kan me daarom niet met dat van jou verenigen. Onze vereniging is daarom dé manier om het ego in jou op te geven” (T8.V.4:1-2). Tegelijkertijd oefen je in het dualistische niveau II van deze droomwereld om die liefde in de vorm te uiten die het beste bij die situatie of persoon past.

En dus uit je de speciale liefde die je voor die speciale levenspartner voelt op een heel andere manier dan de speciale liefde die je voelt voor je vrienden, je sportmaatjes, familieleden, enzovoorts. In alle gevallen zal de inhoud van Eenheidsliefde in je gedachten zijn en subtiel merkbaar in hoe jij je uit. Dus terwijl jij je levenspartner vol passie vertelt dat hij/zij het allermooiste is wat jou ooit is overkomen (de vorm), kun je tegelijkertijd, in alle eerlijkheid, die persoon (en iedereen) zegenen voor het hebben en zijn van Gods Liefde. Werkboekles 127 bevat daartoe het volgende prachtige gebed: “Ik zegen jou, broeder, met de Liefde van God, die ik met jou delen wil. Want ik wil de vreugdevolle les leren dat er geen liefde is dan die van God, van jou, van mij, van iedereen.” (Wd1.127.12:4-5). Dus uit vandaag liefde zonder voorbehoud, steeds in een passende vorm!

— Jan-Willem van Aalst

Je lichaam als vriend

Een cursus in wonderen wordt vaak gezien als een erg intellectueel ingestoken spiritueel pad. Het gaat steeds over de denkgeest en het veranderen van je gedachten. Niet alleen dat, maar in de Cursus lezen we ook dat het lichaam niets is: het is slechts de uiterlijke vorm van de innerlijke wens tot afscheiding (Zie bijv. WdI.68.1:3). Alles wat mis lijkt te gaan met het lichaam is, zo lezen we, slechts een weerspiegeling van onze gehechtheid aan de oorspronkelijke keuze om het idee van afscheiding serieus te nemen. Alle lichamelijke pijn ‘bewijst’ dat de afscheiding daadwerkelijk heeft plaatsgevonden en dat ik als autonoom individu besta, en speciaal ben.

Vervolgens ontstaat bij veel Cursusstudenten de begrijpelijke neiging om het eigen lichaam af te wijzen als een vervelende herinnering aan een vergissing die ongedaan gemaakt zou moeten worden. Elke pijn herinnert me er aan dat ik nog vergevingswerk te doen heb om de innerlijke vrede van Gods Eenheid weer te mogen ervaren. Toch is juist deze afwijzing van het lichaam de feitelijke vergissing. Voor Jezus is het lichaam volkomen neutraal; het kan slechts willoos de instructies van de denkgeest volgen (T28.VI.2). Sterker, in het Tekstboek verzekert Jezus ons: “Het lichaam werd niet door liefde gemaakt. Toch veroordeelt de liefde het niet en kan ze het liefdevol gebruiken, omdat ze respect heeft voor wat de Zoon van God heeft gemaakt en dit aanwendt om hem van illusies te verlossen” (T18.VI.4:7-9).

We hebben welbeschouwd dus geen reden om ons eigen lichaam af te wijzen. Kenneth Wapnick benadrukt dat het in feite gaat om het doel dat we geven aan het lichaam: het kan een middel zijn om schuldgevoel te versterken in jezelf en anderen (onjuist gericht denken), of een middel om de weerspiegeling van de Liefde van de Heilige Geest ongehinderd door je heen te laten stromen om innerlijke vrede te bewerkstelligen in jezelf en in anderen (juist gericht denken). Zoals Jezus zegt: “Zou je niet willen dat de werktuigen van de afscheiding werden geherinterpreteerd als middel tot verlossing, en voor de doeleinden van de liefde gebruikt? Zou je de omslag van wraakfantasieën naar de bevrijding daarvan niet verwelkomen en ondersteunen?” (T-18.VI.5:1-2).

Hoe gebruik je dan het lichaam als middel tot verlossing? Door er liefdevol aandacht voor te hebben, en goed te luisteren naar de signalen die het geeft. Door een symptoom niet gelijk te veroordelen als een lastpak, maar te zien als een nuttig signaal dat jou wil vertellen waar er in je denken nog een blokkade zit. Als je bijvoorbeeld met regelmaat rugpijn voelt, ga je misschien gebukt onder overmatige serieusheid over deze droomwereld. Als je een maagzweer hebt of galstenen, zit er misschien teveel bitterheid in je denken. Als je schildklier te traag werkt, vind je het misschien nog te eng om de volgende stap te nemen in je spiritueel ontwaken. Als die te snel werkt, wil je misschien teveel tegelijk controleren om grip te kunnen blijven houden op je leven. Enzovoorts.

Er zijn legio boeken over integrale of holistische geneeskunde die de diepere boodschap van fysieke symptomen tamelijk precies kunnen duiden. De waarde van Een cursus in wonderen is dat die ons wijst op de uiteindelijke bronoorzaak van het symptoom: een blijvende gehechtheid aan het super-serieuze idee om afgescheiden te blijven van God. Of, heel subtiel: wél de Eenheidsliefde van God weer willen ervaren, maar dan wel als autonoom individu. Dat gaat niet, en dát is de ultieme angst. Er is overigens wat Jezus betreft beslist niets op tegen om symptomen te verzachten met ‘magie’ zoals medicijnen, zalfjes of kruiden (zie T2.IV.4), (omdat dit kan helpen de rust te vinden die je nodig hebt om naar de bronoorzaak te kijken), maar het symptoom zal pas werkelijk verdwijnen als je de betreffende vergevingsles in je denkgeest hebt aanvaard.

Een veel voorkomende misvatting is de “eis” dat symptomen direct moeten verdwijnen zodra een vergevingsles is geleerd. Hoofdstuk 6 van het Handboek voor Leraren begint immers met “Genezing staat altijd vast. Het is onmogelijk illusies naar de waarheid te laten brengen en de illusies alsnog te behouden” (H6.1). Maar even verderop zegt Jezus ook: “Het is niet de functie van Gods leraren om het resultaat van hun geschenken te beoordelen. Het is slechts hun functie ze te geven” (H6.3). Hoed je er dus voor om eisen te stellen aan het direct verdwijnen van symptomen. Feitelijk speel je daarmee alsnog het spel van goddelijke controle willen hebben over je autonome leven hier in de waakdroom, wat betekent dat je de eenheidsliefde van God onbewust nog steeds als bedreiging ziet.

Probeer je lichaam dus meer als je vriend te zien, en oefen tegelijkertijd je vertrouwen in je bereidwilligheid om oordeelloos naar je eigen niet-vergevingen te kijken, een stapje terug te doen en de Heilige Geest te vragen om hulp om je functie hier in de waakdroom beter te bezien. Elk lichaam dat we in de waakdroom ervaren kan liefdevol gebruikt worden om de volgende liefdesles te zien waar we kennelijk aan toe zijn op ons pad naar de aanvaarding van de verzoening. Dus neem bij rugpijn gerust een paracetamol en bedenk tegelijkertijd met opluchting: “Ik hoef niets te doen (T18.VII). Ik ben veilig. Ik word geleid in wat ik hier te doen heb, als ik ervoor kies die leiding te horen.” En misschien verdwijnt de rugpijn niet subiet, maar afhankelijk van hoezeer je dit “loslaten – toelaten” principe werkelijk omarmt, zul je met verbazing de toename van vrede in je lijf voelen. Wat uiteraard louter de vrede in je denkgeest weerspiegelt. Hou vandaag van je lichaam!

— Jan-Willem van Aalst, mei 2021