Oefenen met de werkboeklessen

Veel studenten van Een cursus in wonderen hebben een dubbel gevoel over hoe goed ze de werkboeklessen doen, of zouden moeten doen. Zodra ze er van overtuigd raken dat een gedisciplineerde dagelijkse beoefening van Jezus’ lessen de manier is om de ‘werkelijke wereld’ te bereiken, dat wil zeggen: de innerlijke ervaring van ware waarneming, is er volop motivatie om zijn instructies op te volgen. Maar zodra ze merken dat het niet eens lukt om drie keer per dag zelfs maar vijf minuten concentratie op te brengen, krijgen gevoelens van teleurstelling, schuld, en ontoereikendheid al snel de overhand. Vervolgens zetten ze de Cursus voor een poosje in de kast (soms voor een lange poos), of ze nemen zichzelf verbeten voor om het voortaan nóg gedisciplineerder te proberen, waarmee het een zwaar, veeleisend ritueel wordt, als een donkere wolk in de denkgeest.

Jezus wil natuurlijk geen van beide. In de allereerste werkboekles probeert hij studenten te behoeden voor de laatstgenoemde valkuil: “[…] deze oefeningen moeten geen ritueel worden.” (Wd1.I.3:5). In het Handboek voor Leraren komt Jezus hier nog een keer op terug: “Een vaste routine is als zodanig gevaarlijk, omdat ze gemakkelijk zelf tot een god kan worden, en dan juist een bedreiging vormt voor de doelen waarvoor ze is opgesteld” (H16.2:5). Elders in het werkboek verzoekt Jezus zijn studenten om zich te richten op de algehele boodschap van een les, en niet dwangmatig naar exacte formulering te kijken: “Het is niet noodzakelijk om in de oefenperioden de toelichting na elk idee woordelijk of grondig te repeteren. Probeer liever de nadruk te leggen op de kern ervan…” (Wd1.R1.3:1-2).

Of we nou vergeetachtig of dwangmatig worden, in beide gevallen weet Jezus dat er ego-weerstand aan het werk is. En dat is niet zo vreemd, want de reis naar de werkelijke wereld betekent de teloorgang van het ego. Elke werkboekles die je goed oefent, brengt het ego ietsje verder naar de achtergrond. Natuurlijk zal er bij het oefenen dan weerstand ontstaan, zolang we ons nog identificeren met onze ego-identiteit. Jezus is heel mild en open naar ons toe over dit fenomeen: “Het is in deze fase moeilijk, als je je denkgeest lang oefent, om die niet te laten afdwalen. Dat heb je inmiddels vast wel ontdekt. Je hebt gezien hoe groot je gebrek aan mentale discipline is en hoezeer je denkgeest training behoeft. […] Daarom is structuur voor jou op dit moment onontbeerlijk, opgezet met veelvuldige herinneringen aan je doel en regelmatige pogingen dat te bereiken” (Wd1.95.4:2-4;6:1). Kortom, hoewel onze oefenperioden geen starre rituelen zouden moeten worden, zijn vaste oefenperioden wel degelijk behulpzaam.

Voor wie de neiging heeft regelmatig oefenperiodes te vergeten (en dat geldt voor zo’n beetje elke Cursusstudent), leidt Jezus die ‘vriendelijk doch dringend’ terug naar het juiste pad, zodat er weer voortgang geboekt kan worden: “Gebruik de keren dat je verzuimt niet als een uitvlucht om niet naar het tijdsschema terug te keren zodra je dat kunt. Je zult wellicht in de verleiding raken de dag als verloren te beschouwen omdat het je toch al niet gelukt is te doen wat werd gevraagd. Dit moet je echter gewoon zien als wat het is: een weigering je fout te laten corrigeren en onwil om het opnieuw te proberen” (Wd1.95.7:3-5). En ook in werkboekles 40: “Je wordt ernstig aangeraden je op dit tijdschema toe te leggen en waar enigszins mogelijk je eraan te houden. Mocht je het vergeten, probeer het opnieuw. Mochten er lange onderbrekingen zijn, probeer het opnieuw. Telkens wanneer het je weer te binnen schiet, probeer het opnieuw” (Wd1.40.1:3-7). Met andere woorden: vergeetachtigheid is geen zonde en maakt jou niet ontoereikend. Het is slechts een vergissing, geboren uit de genoemde ego-weerstand. Dit vraagt om correctie, niet om depressie of boosheid op jezelf.

Echter, zodra dat besef eenmaal goed is doorgedrongen, dan is de volgende stap het besef dat we zouden moeten proberen de lessen toe te passen op alle situaties die we van dag tot dag tegenkomen. In zekere zin kunnen we zeggen dat het werkboek twee modi van oefenen kent. De eerste modus gebeurt gewoonlijk thuis in stilte, waar je de instructies aandachtig tot je neemt en vervolgens tijd neemt om ze te oefenen. De tweede modus echter, omvatten juist ook de dagelijkse situaties in ons leven die ons van streek maken: bij angst, woede, depressie, en wanhoop; en telkens wanneer we ons verliezen in speciale haat- en liefde-relaties. Dat zijn de moeilijkste momenten om aan een werkboekles te denken, maar het zijn juist die gebeurtenissen waar we de werkboeklessen werkelijk mee leren.

Aanvankelijk lijkt dit in tegenspraak met Jezus’ herhaalde oproep in meerdere werkboeklessen om juist te oefenen in rust, en de stilte te zoeken, zoals bijvoorbeeld in werkboekles 44: “Probeer dan in je denkgeest te verzinken, waarbij je alle mogelijke afleiding en storing loslaat door daar voorbij rustig dieper te verzinken. Jouw denkgeest kan hierin niet worden tegengehouden, tenzij jij dat verkiest. Hij volgt slechts zijn natuurlijke koers. […] Wanneer je op deze manier oefent, laat je alles wat jij nu gelooft plus alle gedachten die jij bedacht hebt achter je. In eigenlijke zin is dit de bevrijding uit de hel” (Wd1.44.7:2-4;5:4-5). Dat lijkt toch te suggereren dat we vooral in een meditatieve setting zouden moeten oefenen. Echter, het doel van die ‘meditatieve oefening’ is om je in staat te stellen die vrede altijd te voelen, ongeacht hoe ellendig de situatie ook mag zijn: “Je zult hoe dan ook leren dat vrede deel van jou is en slechts van je vraagt dat je elke situatie waarin je je bevindt, omhelst” (Wd1.R1.5:1). Dit houdt dus ook de situaties in waarin we onszelf dreigen te verliezen in discussies, beschuldigingen, ziekte, terreur, angst, enzovoorts.

Jezus’ meditatieve instructies zijn dus bedoeld om ons, als keuzemaker, in staat te stellen om voor vrede te kiezen ongedacht wat er gebeurt. Meditatie is daarom een middel, niet een doel op zich. Menig student maakt van het meditatieproces een afgod, met een speciaal altaar, speciale kaarsen, en/of speciale muziek. Met een beetje pech wordt dat uiteindelijk de enige plek waar ze denken de vrede van God te kunnen ervaren. Het doel van het werkboek is echter om ons vermogen te trainen deze innerlijke vrede altijd en in elke situatie te ervaren. “En uiteindelijk zul je leren dat er geen grens is aan waar jij bent, zodat jouw vrede overal is, net als jij” (Wd1.R1.5:2). Zolang we zo’n gevorderd niveau nog niet hebben bereikt, hebben we vaste oefenperioden van stille oefening nodig. We kunnen ons leerproces vervolgens behoorlijk versnellen door ook in emotionele omstandigheden die innerlijke stilte te omarmen, wetende dat de beschreven ego-weerstand er ook nog is. Probeer dit vandaag eens!

— Jan-Willem van Aalst, maart 2018 (Vertaling van https://miraclesormurder.wordpress.com/2018/03/31/a-successful-workbook-practice/)

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s