Ik heilig, jij heilig, iedereen heilig?

In het werkboek voor studenten van Een cursus in wonderen zien we vanaf les 36 het thema van onze heiligheid besproken worden, als in “Mijn heiligheid omsluit al wat ik zie”; “Mijn heiligheid zegent de wereld”; “Er is niets wat mijn heiligheid niet kan”; en zelfs “Mijn heiligheid is mijn verlossing.” (WdI.36-39). Dit is niet hoe we onszelf in het algemeen zien. Als we heel eerlijk naar binnen kijken, zien we vooral “onzekerheid, eenzaamheid, en voortdurende angst” (T31.VIII.7:1). Zoals Jezus vaak uitlegt in zijn Cursus, komt dit omdat we een gespleten denkgeest hebben: enerzijds voelen we ons verschrikkelijk schuldig over de afscheiding en dus Gods Liefde niet waardig; anderzijds weten we allemaal diep vanbinnen wel dat we allemaal in dezelfde Geest verbonden zijn. Hoe past de notie van onze heiligheid daar in?

Deze gespletenheid wordt in Een cursus in wonderen vaak gekarakteriseerd als het verschil tussen onjuist-gericht denken (wanneer onze gedachten geleid worden door het ego, de stem namens afscheiding) en juist-gericht denken (wanneer onze gedachten geleid worden door de Heilige Geest, de stem namens Liefde). Een belangrijk doel van deze lessen is om onszelf te trainen in het mild en oordeelloos aanschouwen (observeren) van onze onjuist-gerichte, of onheilige gedachten. Jezus wil dat jij en ik gaan beseffen hoe vaak we op een dag niet kiezen voor juist-gericht denken, dat wil zeggen: de oorzaak van alles wat we negatief vinden buiten onszelf zoeken. Dat is natuurlijk slechts een projectie van onze eigen ingebeelde waardeloosheid: “Verdoeming is jouw oordeel over jezelf, en dit zul jij op de wereld projecteren. Zie haar als verdoemd, en het enige wat je ziet is wat jij gedaan hebt om de Zoon van God te pijnigen. Als je onheil en rampspoed ziet, heb je geprobeerd hem te kruisigen. Als je heiligheid en hoop ziet, heb jij je met Gods Wil verbonden om hem te bevrijden” (T21.in.2:1-4).

Zolang jij en ik nog geloven dat we als afgescheiden lichaam in een wereld van afgescheidenheid leven, zitten we vast in onjuist-gericht denken. Dat wil zeggen, we denken dat we gezondigd hebben tegen onze Schepper (door op onszelf te willen zijn, losgerukt uit de Eenheid). Daar voelen we ons enorm schuldig over, wat leidt tot de doodsangst om zwaar bestraft te worden. En dus verstoppen we ons in een gefragmenteerde wereld van afgescheidenheid, hopend tegen beter weten in dat God ons niet zal vinden om zijn wraak uit te voeren, wat hopeloos is omdat we één ding zeker weten: we gaan een keer dood. Hoewel veel van deze angst onbewust is, is dit wel degelijk de vloek die wij over onszelf in stand houden. Dat is de reden dat iedereen zich “onzeker, eenzaam en voortdurend angstig” voelt. Deze vroege werkboeklessen nodigen ons dus uit om een heel andere manier van denken te verkennen, wat in de tekst visie wordt genoemd (bijv. T-12.VI). Juist-gericht denken betekent dat we inzien dat het “nietig, dwaas idee” (T27.VIII.6) een lachwekkende onwaarheid is. De waarheid is dat wij, als Zoon van God, niet hebben gezondigd. God is niet woest. Wij zijn niet ons lichaam. De wereld die we waarnemen is slechts een nare droom. De werkelijkheid van alles en iedereen is pure geest, ondanks wat onze zintuigen aan onze hersenen rapporteren.

Het idee van onze heiligheid heeft dan ook niets van doen met het lichaam of de materiële wereld om ons heen. Het duidt op ons vermogen om juist-gericht te denken; of preciezer gezegd: het vermogen van de keuzemaker in onze denkgeest om daarvoor te kiezen. Wanneer ik daadwerkelijk kies voor de heiligheid van mijn juist-gerichte gedachten, verandert mijn waarneming en interpretatie van de wereld onvermijdelijk ook. Vergeet niet dat de metafysica van Een cursus in wonderen stelt dat de wereld die we aanschouwen louter een projectie is van de gedachten die mijn denkgeest kiest. Zo binnen, zo buiten. Dus wanneer ik mezelf als heilig zie, dan moet jij dat ook zijn, en met jou iedereen, omdat heiligheid een kenmerk is van geest. En we zijn allen manifestaties van dezelfde ene Geest. In hoeverre we daadwerkelijk kiezen voor juist-gericht denken kunnen we zien door naar onze relaties te kijken: “Verlossing is een gezamenlijke onderneming” (T4.VI.8:2); “De ark van vrede wordt twee aan twee betreden” (T20.IV.6:5), en natuurlijk het vaak aangehaalde citaat “jij en hij zullen in vertrouwen jullie ogen samen opslaan, of helemaal niet” (T19.IV-D.12:8).

Dat betekent overigens niet dat ik zoveel mogelijk mensen zou moeten proberen te bekeren. Aangezien onze waarneming (interpretatie) van de wereld een gevolg is van onze keuze voor juist of onjuist-gericht denken, hoeven we onze heiligheid niet te demonstreren in uiterlijk gedrag. Zoals Jezus zegt in werkboekles 37: “Jouw heiligheid is de verlossing van de wereld. Ze laat je de wereld onderwijzen dat ze één met je is, niet door tegen haar te preken, noch door haar iets te vertellen, maar gewoon door jouw stille inzicht dat in jouw heiligheid alle dingen samen met jou gezegend zijn.” (W-pI.37.3:1-2). Dat is een ontnuchterende gedachte. Zoals Kenneth Wapnick vaak benadrukte: we hoeven niet de wereld te redden. We hoeven niet van de wereld gered te worden. We moeten slechts onze eigen denkgeest ‘redden’ van onze vergissing om in een afgescheiden wereld te geloven. We hoeven niets uiterlijks te doen om andere mensen van hun ellende te verlossen: “Bekommer je niet om de uitbreiding van heiligheid, want het wezen van wonderen begrijp je niet.” (T16.II.1:3); “Vergeving uitbreiden is de functie van de Heilige Geest. Laat dat aan Hem over. Laat het alleen jouw zorg zijn Hem te geven wat kan worden uitgebreid.” (T22.VI.9:2-4). “Laat de overdracht van wat jij leert dan ook over aan Degene die de wetten daarvan werkelijk begrijpt en die zal garanderen dat ze ongeschonden en onbeperkt blijven. Jouw aandeel bestaat er slechts in wat Hij jou heeft geleerd toe te passen op jezelf, en Hij zal de rest doen” (T27.V.10:1-2.

Dus wanneer Jezus in werkboekles 38 zegt dat er “niets is dat mijn heiligheid niet kan doen”, dan heeft hij het niet over het genezen van de zieken, het vinden van een parkeerplek, of het verplaatsen van een berg. Jezus verwijst naar het vermogen van de denkgeest (de keuzemaker) om een wonder beschikbaar te stellen aan de Heilige Geest (een wonder is de keuze voor Liefde, het einde van veroordeling). Die neemt dat geschenk graag aan en gebruikt dit op de best mogelijke manier in de collectieve denkgeest van de slapende Zoon van God: “Jouw heiligheid is in haar macht volkomen onbegrensd, omdat ze jou bekrachtigt als Zoon van God, één met de Denkgeest van zijn Schepper. Door jouw heiligheid wordt de macht van God gemanifesteerd. Door jouw heiligheid wordt de macht van God beschikbaar. En er is niets wat de macht van God niet vermag. Jouw heiligheid kan daarom alle pijn wegnemen, alle leed beëindigen en alle problemen oplossen. Ze kan dit doen met betrekking tot jezelf en ieder ander.” (Wd1.38.1:3-2:5).

Voor onze lineair geprogrammeerde hersenen is dit volstrekte nonsens. Hoe zou ik ooit alle pijn die ik on me heen zie kunnen genezen, louter door me mijn Identiteit als geest (Liefde) weer te herinneren en al mijn eigen veroordelende gedachten te vergeven? Dit werkt omdat de Heilige Geest, de Stem namens Liefde, als verbinding fungeert tussen nondualisme (werkelijkheid) en de dualistische droomwereld van tijd en ruimte. De Heilige Geest is niet gebonden aan beperkingen als tijd, ruimte, afstand, of wat voor begrenzing dan ook. We zouden altijd in gedachten moeten houden dat een wonder, dat wil zeggen de bewuste keuze voor Liefde en vergeving, helende effecten kan hebben op plekken in de wereld waar jij en ik nog nooit geweest zijn. Zowel tijd en ruimte zijn irrelevant voor het wonder. Maar er wordt, nogmaals, niet van ons verlangd dat wij dit begrijpen; alleen al het “Hem geven wat kan worden uitgebreid” (d.w.z., een liefdevolle vergevende gedachte) volstaat, en vat onze belangrijkste functie samen hier in deze denkbeeldige wereld van tijd en ruimte. En we zijn heilig omdat het ons gegeven is deze keuze te kunnen maken.

Als dit alles nou ontzettend vaag overkomt, weet dan dat het goede nieuws is dat jij en ik dit kunnen oefenen in zeer praktische situaties van dag tot dag. Wees simpelweg alert op elke negatieve gedachte die in je opkomt: “Specifieke situaties, gebeurtenissen of personen die jij associeert met allerlei liefdeloze gedachten, zijn geschikte onderwerpen voor de oefeningen van vandaag. Het is voor jouw verlossing noodzakelijk dat jij ze anders gaat zien. […] Het is van groot belang het idee [van vergeving] te gebruiken wanneer iemand een vijandige reactie in jou lijkt op te roepen. Schenk hem onmiddellijk de zegen van jouw heiligheid, zodat jij leert die in je eigen bewustzijn te bewaren.” (Wd1.39.7; Wd1.37.6:3-4). Dat laatste is erg belangrijk. Je kunt heiligheid alleen delen als je voelt dat je die zelf hebt: “Hoe zou jij, aan wie jouw heiligheid toebehoort, er dan van uitgesloten kunnen zijn? God kent geen onheiligheid. Kan het zijn dat Hij Zijn Zoon niet kent? […] Jouw heiligheid betekent het einde van schuld, en daarmee van de hel.” (W39.4:2-6).

Mijn liefdeloze gedachten over wie of wat dan ook (allemaal uiteindelijk over mezelf) houden mijzelf in de hel. Mijn heiligheid betekent dat ik een andere keuze kan maken: de keuze voor visie; de keuze om te vergeven; de keuze om de hel te beëindigen waar we nog allemaal in denken te leven. Deze keuze is in werkelijkheid de meest natuurlijke om te maken, maar vaak voelt dat niet echt zo. Om “waakzaam te zijn louter voor God en Zijn Koninkrijk” (T6.V-C) vergt discipline, aanhoudende aandacht en volhardende ijver. Daarom is het, om een bekend citaat nog maar eens aan te halen, “niet jouw taak op zoek te gaan naar liefde, maar enkel in jezelf alle hindernissen te zoeken die jij ertegen opgeworpen hebt, en die te vinden.” (T16.IV.6:1). Dat klinkt als hard werken, en dat is het ook. Maar de beloning is dan ook fantastisch: “Vrede; geluk; een kalme denkgeest; doelgerichtheid en een gevoel van waarde en schoonheid dat de wereld overstijgt; zorg en geborgenheid en de warmte van een veilige bescherming, voor altijd; een kalmte die niet kan worden verstoord, een zachtmoedigheid die nooit kan worden gekwetst; een diepe, blijvende troost, en een rust zo volmaakt dat die nooit kan worden geschonden.” (Wd1.122.1:2-6). Als dat niet motiveert! Veel inspiratie gewenst!

— Jan-Willem van Aalst, maart 2018 (vertaling van https://miraclesormurder.wordpress.com/2018/03/04/holy-me-holy-you-holy-all/)

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s