Ik weet het beter!

Eén van Frank Sinatra’s bekendste nummers is ongetwijfeld “My way”, een single uit 1969 met tekst van Paul Anka op een melodie van Jacques Revaux en Claude François. Dit nummer stond maar liefst 75 achtereenvolgende weken in de Engelse Top-40, nog steeds een record. Je zou dit nummer het ultieme ego-lied kunnen noemen, in elk geval vanuit het oogpunt van Een cursus in wonderen. Het ego wijst God immers voortdurend af, omdat het meent alles altijd beter te weten. Wikipedia meldt trouwens dat Frank Sinatra dit lied eigenlijk verafschuwde, omdat hij vreesde dat het publiek dit als grootheidswaan zou beschouwen, iets wat hij in het algemeen sterk afkeurde. Niettemin is de duidelijke verheerlijking van het ego ongetwijfeld één van de hoofdredenen van het succes van deze hit. Het gaat over het geloven in je eigen kracht, in de overtuiging dat dat zal leiden tot vervulling in het leven. Maar is dat ook zo?

In Een cursus in wonderen gaat werkboekles 47 op precies die overtuiging in: “Als jij op je eigen kracht vertrouwt, heb je alle reden om ongerust, bezorgd en bang te zijn. Wat kun jij voorspellen of beheersen? Wat is er in jou waarop jij rekenen kunt? Wat kan jou het vermogen verschaffen je van alle facetten van een probleem bewust te zijn en ze zo op te lossen dat er alleen iets goeds van komen kan? Wat is er in jou dat jou de juiste oplossing als zodanig doet herkennen en jou de garantie geeft dat die zal worden bereikt?” (Wd1.47.1). Als je daar wat langer over nadenkt, dan is de vraag stellen ‘m beantwoorden, zoals Jezus ook direct vervolgt: “Vanuit jezelf kun je niets van dit alles. Geloven dat je dit wel kunt, is je vertrouwen schenken waar vertrouwen ongegrond is, en angst, verontrusting, depressiviteit, kwaadheid en verdriet rechtvaardigen. Wie kan zijn vertrouwen stellen in zwakheid en zich veilig voelen?” (Wd1.47.2:1-3).

Het probleem is dat wij aannemen dat wij überhaupt in staat zijn om ook maar iets te beoordelen. Dit begon allemaal met het oorspronkelijke oordeel van de Zoon van God dat hij heel goed los van Zijn Bron en Schepper zou kunnen bestaan, wat in feite de denkbeeldige afwijzing van de Liefde is die de Zoon zowel heeft als is. Hiermee begon de illusoire droom (nou ja, nachtmerrie eigenlijk) van tijd en ruimte, die uitsluitend in stand wordt gehouden door voortdurend te veroordelen. Alle gedachten die niet louter liefde zijn, komen neer op afwijzing en veroordeling. Daarom maakt Een cursus in wonderen ons duidelijk dat de denkgeest, ondanks zijn schijnbare ingewikkeldheid, altijd slechts “kiest uit twee stemmen” (VvT-1.7): ofwel de stem van het ego, die over afscheiding en individualiteit schreeuwt, ofwel de Heilige Geest, de Stem namens Liefde, die ons zachtjes uitnodigt om ons Erfgoed als Liefde en Eenheid wederom te aanvaarden. “Het ego analyseert, de Heilige Geest accepteert.” (T11.V.13:1). Kortom, de Cursus onderwijst ons dat ‘te denken het beter te weten’ juist niet zal leiden tot geluk en vervulling.

In het Handboek voor Leraren lezen we in hoofdstuk 10 iets soortgelijks: “Het is noodzakelijk dat de leraar van God beseft, niet dat hij niet mag oordelen, maar dat hij dat niet kán. […] Wat ons leerplan beoogt, in tegenstelling tot het doel van al het leren in de wereld, is het inzicht dat oordelen in de gebruikelijke zin onmogelijk is. […] Om iets correct te beoordelen, moet men zich ten volle bewust zijn van een onvoorstelbaar breed scala van zaken: uit verleden, heden en toekomst. Men zou van tevoren alle gevolgen van zijn oordeel moeten overzien ten aanzien van alles en iedereen daarbij op een of andere manier betrokken. En men zou er zeker van moeten zijn dat zijn waarneming niet vervormd is, zodat zijn oordeel volkomen rechtvaardig kan zijn tegenover ieder op wie dat nu en in de toekomst rust. Wie is in de positie dat te doen?” (H10.2:1;3:1,3-6). Het antwoord is overduidelijk: helemaal niemand.

Je zou hier natuurlijk tegenin kunnen brengen dat het onmogelijk is om in deze wereld van tijd en ruimte te leven zonder te oordelen. Niet alleen zou je de spreekwoordelijke voetveeg worden, maar je zou waarschijnlijk zelfs niet erg lang overleven. Met andere woorden, het opgeven van de ego-dynamiek zonder een alternatieve gids zou volstrekt hopeloos zijn. Gelukkig hebben we allemaal de keuze om een andere stem dan het ego te horen, dat wil zeggen de Heilige Geest, de Stem namens Liefde. Dat is in het algemeen niet een hoorbare stem. De Heilige Geest meldt zich meestal als een vredig gevoel, vanuit intuïtie, of wat ook wel genoemd wordt “Innerlijke Leraar”, of “Grote Geest”. Het goede nieuws is dat die Stem er altijd is, zodra we de keuze maken om even niet naar het ego-gebabbel te luisteren, en ons op de stilte richten die daar onder ligt. Zoals Jezus in hoofdstukken 12 en 28 zegt, in een combi-citaat dat Ken Wapnick vaak gebruikte: “Neem nu ontslag als je eigen leraar […] want je werd slecht onderwezen.” (T12.V.8:3; T28.I.7:1).

In hoofdstuk 27 van het Tekstboek vat Jezus dit als volgt samen: “Het geheim van verlossing is slechts dit: dat jij dit [d.w.z., al je ellende] jezelf aandoet.” (T27.VIII.10:1). Nogmaals, zonder een veel beter alternatief zou dit alleen maar tot depressie leiden. Daarom legt Jezus ons uit in werkboek 47: “God is je veiligheid in elke omstandigheid. Zijn Stem [d.w.z., de Heilige Geest] spreekt namens Hem in alle situaties en in elk aspect van alle situaties, en zegt je precies wat jou te doen staat om een beroep te doen op Zijn bescherming en Zijn kracht. Er zijn geen uitzonderingen, want God kent geen uitzonderingen.” (Wd1.47.3:1-3). En ook in het slothoofdstuk van het Tekstboek: “Je kiest altijd tussen jouw zwakheid en de kracht van Christus in jou. En wat je kiest is wat je voor werkelijk houdt. Door zwakheid eenvoudig nooit als leidraad voor je handelingen te gebruiken, heb je haar geen kracht gegeven. En het licht van Christus in jou heeft de leiding gekregen over alles wat jij doet.” (T31.VIII.2:3-6).

Een cursus in wonderen is een leerplan in het trainen van je denkgeest. Dus zodra je weer merkt dat je denkt “Ik weet het beter!”, zou je steeds wat sneller direct moeten beseffen dat dat alleen maar zal leiden tot teleurstelling, eenzaamheid en angst. In plaats daarvan zouden we juist de moed moeten vinden om een stapje terug te doen, te “vergeten wat we menen nodig te hebben” (LvG1.1.4:1) en de hulp van de Heilige Geest te vragen bij het loslaten van al onze oordelen (d.w.z. veroordelingen). Zoals Jezus ooit tegen Helen zei: “Je kunt niet vragen ‘Wat zal ik hem [d.w.z, een specifiek iemand] zeggen?’ en Gods antwoord horen. Vraag liever in plaats daarvan: ‘Help mij om mijn broeder te zien door de ogen van waarheid en niet die van veroordeling’, en God en al Zijn Engelen zullen jouw roep beantwoorden” (uit: Een leven geen geluk). Maak er een gewoonte van om uitsluitend dit te vragen. Wacht op de vredige intuïtieve impuls van de Heilige Geest. Vervolgens zul je automatisch het meest liefdevolle doen: “Als ze [deze impuls] waarachtig wordt benut, zal ze onvermijdelijk worden uitgedrukt op de manier die de ontvanger het meest zal helpen” (T2.IV.5:2). En hoewel het ego direct bezwaar zal maken, en ons waarschuwen dat dit ‘loslaten’ onvermijdelijk tot chaos zal leiden, zul je naderhand tot je verbazing bemerken dat de situatie inderdaad het beste uitpakte voor alle betrokkenen.

Een vaak gehoord bezwaar hierbij is dat dit allemaal wel erg leuk klinkt, maar dat het bijzonder moeilijk is om de Stem van de Heilige Geest überhaupt op te merken, omdat de denkgeest zo vol zit met gedachte-impulsen. Daarom nodigt Jezus ons (al tamelijk vroeg in het Werkboek) uit om de denkgeest te trainen regelmatig de stilte in te gaan, voorbij het gebabbel (nadat je het gebabbel hebt leren opmerken). Een goed voorbeeld van deze zeer belangrijke oefening vinden we in werkboekles 47: “Neem een minuut of twee om naar situaties in je leven te zoeken die jij met angst beladen hebt, en zet ze een voor een van je af door tegen jezelf te zeggen: “God is de kracht waarop ik vertrouw.” Probeer nu aan alle zorgen die verband houden met je eigen gevoel van ontoereikendheid te ontsnappen. Het is duidelijk dat elke situatie die jou zorgen baart, gepaard gaat met gevoelens van ontoereikendheid, want anders zou je geloven dat je de situatie met succes het hoofd kon bieden. Niet door op jezelf te vertrouwen zul je vertrouwen krijgen. Maar de kracht van God in jou slaagt in alles. […] Probeer in de laatste fase van de oefenperiode diep in je denkgeest een plek van ware veiligheid te bereiken. Je zult weten dat je die hebt bereikt als je een gevoel van diepe vrede ervaart, hoe kort ook. Laat alle onbenulligheden los die aan de oppervlakte van je denkgeest borrelen en kolken, en reik in de diepte daaronder naar het Koninkrijk der Hemelen. Er is een plaats in jou waar volmaakte vrede heerst” (Wd1.47.4:4-7:5). Een vuistregel (uit het boeddhisme) om deze training effectief te maken, is dat je deze minimaal 15 minuten, twee keer per dag doet. En merk dan je ego op dat direct klaagt dat dat te lang, te moeilijk of onmogelijk is. Probeer daarover mild te glimlachen, en neem jezelf voor juist deze oefening één van de belangrijkste onderdelen van je dagritme te maken. Elke dag weer. En zo besluit je voor jezelf: “Ik weet het niet beter; ik laat me liever leiden door de Stem namens Liefde.” En dat is de ‘koninklijke weg’ naar blijvende innerlijke vrede.

— Jan-Willem van Aalst, maart 2018 (vertaling van https://miraclesormurder.wordpress.com/2018/03/24/ill-do-it-my-way/)

Vooruit naar onze terugkeer

Een bijzonder raadselachtige uitspraak in Een cursus in wonderen is: “Wij zien de reis [van de tijd] slechts vanaf het punt waarop ze eindigde en kijken erop terug, terwijl we ons inbeelden dat we haar nog eens maken; en we zien mentaal opnieuw wat is voorbijgegaan.” (Wd1.158.4). Laten we in deze tijd waarin de wereld in angst en chaos lijkt weg te glijden eens kijken naar hoe de Cursus het fenomeen tijd beschrijft. Mocht je daar echt diep in willen duiken, dan raad ik aan om Kenneth Wapnicks “A vast illusion: time according to A Course in Miracles“, te lezen, verkrijgbaar in het Engels via http://www.facim.org. Voor je spirituele voortgang in Jezus’ leerplan van vergeving is het van belang dat je de betekenis van het begrip ‘tijd’ tot op zekere hoogte doorgrondt.

Zoals ik in vrijwel elke blog opmerk, is Een cursus in wonderen een strikt nondualistische spiritualiteit. Dat betekent dat, volgens de Cursus, uitsluitend God werkelijk is. God heeft geen vorm en staat buiten tijd en ruimte, en daarmee buiten ons zintuiglijk begrip. Bijgevolg is alles in onze dualistische wereld van waarneming, tijd en ruimte volstrekt illusoir, als in een droom. En de Cursus bedoelt dat niet alleen theoretisch. Als afgescheiden lichamen bestaan jij en ik in werkelijkheid helemaal niet, ook al zeggen onze zintuigen iets heel anders. In werkelijkheid is al het leven één collectieve geest, in de Cursus genaamd ‘De Zoon van God’, die zich nog steeds in het Hart van God [Liefde] bevindt, maar die lijkt te dromen over verbanning (T10.1.2:1). Deze droom is de mijmering van de Zoon over hoe het zou zijn om los te bestaan van God, en dat is de droom van tijd en ruimte. Het doel van Een cursus in wonderen als leerplan is om ons het verschil te doen beseffen tussen de ellende van het dualisme en de vrede en Liefde van het nondualisme. De Cursus wijst ons de weg naar het einde van de droom van tijd en ruimte, en dus het einde van je individualiteit. Als je liefst een spiritualiteit zoekt waarmee je je eigen zelfbeeld keurig in stand kunt houden maar dan zonder al je lijden, dan is Een cursus in wonderen niet jouw pad. En dat is niet erg; uiteindelijk leiden alle spirituele paden naar God [Liefde]; de Cursus is er maar één van. Maar wel één die veel tijd kan besparen.

Werkboekles 167 gaat in op de notie van slapen en waken, en hoe de tijd zelf feitelijk een droom is: “Wat het tegendeel van leven schijnt, is alleen in slaap. Wanneer de denkgeest besluit te zijn wat hij niet is, en verkiest een vreemde macht aan te nemen die hij niet heeft, een oneigen toestand waartoe hij niet komen kan, of een kunstmatige gesteldheid die binnen zijn Bron niet bestaat, lijkt hij slechts een poosje te gaan slapen. Hij droomt van de tijd: een interval waarin wat schijnt te gebeuren nooit heeft plaatsgevonden, de teweeggebrachte veranderingen geen substantie hebben en alle gebeurtenissen nergens zijn. Wanneer de denkgeest ontwaakt, gaat hij slechts voort zoals hij altijd is geweest.” (Wd1.167.9; mijn cursivering). Bedenk wel: dit ‘gaat hij slechts voort…’ gebeurt volledig buiten tijd en ruimte. Omdat ons brein de abstractie van nondualisme niet echt kan begrijpen, gebruikt Jezus hier het woord ‘gaat voort’ alsof er tijd zou zijn in de eeuwigheid, wat natuurlijk een contradictio in terminis is.

De Jezus die ons Een cursus in wonderen heeft gegeven, via Helen Schucman en Bill Thetford, beschrijft zichzelf als een manifestatie van de Heilige Geest (H6.1), oftewel de Stem namens Liefde. Deze manifestatie zouden we niet moeten verwarren met de Bijbelse Jezus, wiens persoonlijkheid is opgetekend door schriftgeleerden die nog door hun eigen ego naar hem keken. Ondanks hun ongetwijfeld goede bedoelingen, gaf dat toch een behoorlijk vertekend beeld. De Jezus van Een cursus in wonderen staat volledig buiten tijd en ruimte. Hij weet dus al precies hoe en wanneer de tijd zal eindigen. Sterker nog, Jezus verzekert ons dat toen hij ontwaakte uit de illusie van tijd en ruimte, wij met hem waren. Dus aan eenieder van ons die nog rotsvast gelooft dat wat er in het leven in onze tijd hier op aarde gebeurt erg belangrijk is, vertelt hij ons op milde toon: “Tijd is een kunstgreep, een goocheltoer, een immense illusie waarin figuren als bij toverslag komen en gaan. Toch zit er een plan achter alle verschijningsvormen dat niet verandert. Het draaiboek is geschreven. Wannéér ervaring een eind komt maken aan jouw twijfelen staat vast. Want wij zien de reis slechts vanaf het punt waarop ze eindigde en kijken erop terug, terwijl we ons inbeelden dat we haar nog eens maken; en we zien mentaal opnieuw wat is voorbijgegaan.” (Wd1.158.4).

Sommige Cursusstudenten interpreteren deze uitspraak als dat alles in de tijd al voorbestemd is, en het dus niets uitmaakt wat we denken, zeggen of doen. Dat is echter niet zo. Hoewel het waar is dat het wanneer en hoe van het einde van de tijd vaststaat, moeten we niet vergeten dat tijd niet lineair verloopt. Alles in de tijd gebeurt nu. We kunnen ons een enorme hoeveelheid tijd besparen door ware vergeving nu te beoefenen. Dit is het wonder, oftewel (a) het besef dat wij de dromer van de droom zijn, en (b) het besef dat het in elk moment aan onszelf is om óf voor angst óf voor liefde te kiezen. “Het wonder bekort de tijd door die samen te vouwen, met als gevolg dat bepaalde tijdsspannes daarbinnen verdwijnen. Het doet dit evenwel binnen het grotere verloop van tijd. […] De fundamentele beslissing van een wondergericht iemand is niet langer dan nodig de tijd te rekken. Tijd is een verspilling, en kan verspild worden. De wonderdoener aanvaardt daarom de factor tijdsbeheersing graag. Hij erkent dat iedere samenvouwing van de tijd iedereen dichter bij de uiteindelijke verlossing van de tijd brengt, waarin de Zoon en de Vader één zijn.” (T1.II.6; T1.V.2).

Het is misschien moeilijk te begrijpen dat Jezus ons vertelt dat het enige nut van de tijd is om de noodzaak voor nog meer tijd ongedaan te maken (T5.VI.12). De duidelijkste verklaring hiervoor vinden we wellicht in hoofdstuk 26 van het Tekstboek, waarin hij onze linaire “horizontale” begrip van tijd vergelijkt met zijn holografische “verticale” begrip van tijd: “Elke dag, en iedere minuut van elke dag, en elk ogenblik dat iedere minuut bevat, herbeleef je slechts het ene ogenblik waarop de tijd van verschrikking de plaats van de liefde innam.” (T26.V.13:1). Met andere woorden: alles dat ooit is gebeurd in de tijd, en alles wat nog zal gebeuren in de tijd gebeurt nu, in elk geval vanuit Jezus’ perspectief van buiten de droom van tijd en ruimte: “[…] nu is de dichtst mogelijke benadering van de eeuwigheid die deze wereld biedt. In de werkelijkheid van het ‘nu’, zonder verleden of toekomst, begint het besef van de eeuwigheid. Want alleen ‘nu’ is hier, en alleen ‘nu’ biedt de gelegenheid voor de heilige ontmoetingen waarin verlossing kan worden gevonden.” (T13.IV.7). Dus onze voortdurende focus op het verleden en de toekomst leidt ons enorm af van de enige keuze die we hebben om de noodzaak voor nog meer tijd te verkorten: vergeving, nú. Maar aangezien dat uiteindelijk het einde van het ego zou betekenen, houden we onszelf steeds bezig in de tijd met trivialiteiten, om deze keuze maar zo lang mogelijk uit te stellen.

“De Verzoening is het middel waarmee je jezelf van het verleden kunt bevrijden terwijl je voorwaarts gaat. Ze maakt je vroegere vergissingen ongedaan en maakt het aldus voor jou onnodig steeds weer op je schreden terug te keren zonder dichter bij je terugkomst te komen.” (T2.II.6). Dit is zo omdat naarmate we consequenter vergeving leren toe te passen in onze dagen hier (wat het wonder is), we feitelijk teruggaan naar dat ontologische oorspronkelijke begin van de tijd, net vóór de Oerknal, waarmee de droom van tijd en ruimte begon: “Evolutie is een proces waarin je van het ene naar het volgende niveau lijkt voort te gaan. Je corrigeert je eerdere misstappen door stappen vooruit te doen. Dit proces is in temporele zin eigenlijk onbegrijpelijk, omdat je terugkeert en tegelijkertijd vooruitgaat.” (T2.II.6).

“In die zin bespaart de Verzoening tijd, maar heft die, net als het wonder dat ze dient, niet op. Zolang Verzoening nodig is, is er tijd nodig. Maar de Verzoening heeft als voltooid plan een unieke relatie tot de tijd. Tot het moment waarop de Verzoening is voltooid, zullen de verschillende fasen ervan in de tijd verlopen, maar de totale Verzoening staat aan het eind van de tijd. Dan is de brug van terugkeer gebouwd.” (T2.II.6). Dus de hoeveelheid tijd die we nog nodig hebben voordat we ontwaken uit de droom hangt af van wie we als gids voor ons denken kiezen: ofwel het ego (dat voor meer tijd zal zorgen), ofwel de Heilige Geest, die buiten de tijd staat met ons ware Zelf, en die geduldig wacht totdat we de juiste keuze maken. Daarom kan het consequent beoefenen van vergeving ons wel “duizend jaar besparen” (Wd1.97.3), dat wil zeggen: vele reïncarnaties in lichamen in de tijd en ruimte.

De tijd is dus inderdaad een “een truc, een goocheltoer, een immense illusie” — een onjuist concept dat wij verzonnen: de droom van tijd en ruimte, bedoeld om ons te kunnen verstoppen voor een ingebeelde wraakzuchtige God. Deze zotte droom kunnen we beëindigen door voor het wonder te kiezen, ofwel vergeving. “Tijd en eeuwigheid bevinden zich beide in je denkgeest, en zullen conflicteren totdat je ziet dat de tijd louter een middel is om de eeuwigheid te hervinden. […] Leer dat de tijd tot jouw beschikking staat, en dat niets ter wereld jou deze verantwoordelijkheid kan ontnemen” (T22.II.10:2). Gelukkig! Wij zijn geen slaaf van de tijd, ondanks wat onze waarneming van alle verval in de tijd ons vertelt: “De tijd zelf is jouw keuze. Als jij je de eeuwigheid wilt herinneren, dien je alleen oog te hebben voor het eeuwige.” (T10.V.14:3).

Hoe leren we om alleen oog te hebben voor het eeuwige? Door alle veroordeling op te geven; door het “gelaat van Christus” van pure onschuld in iedereen te zien; door geen enkel schijnbaar conflict meer de macht te geven je vrede te verstoren. We delen immers allemaal hetzelfde hoogste belang, namelijk: het terugkeren naar eeuwige Liefde, Eenheid, God, onze Schepper. Een cursus in wonderen helpt ons om die fundamentele keuze helder voor ogen te krijgen en houden: “Als jij jezelf veroorlooft totaal door het tijdelijke in beslag te worden genomen, leef je in de tijd. Zoals steeds wordt jouw keuze bepaald door wat jij waarde toekent. Tijd en eeuwigheid kunnen niet beide werkelijk zijn, want ze zijn met elkaar in tegenspraak. Als je alleen het tijdloze als werkelijk aanvaardt, zul je de eeuwigheid beginnen te verstaan en je die eigen maken. […] De tijd lijkt in één richting te verlopen, maar wanneer je zijn eind bereikt, zal hij zich oprollen als een lange loper, achter je uitgerold over het verleden, en verdwijnen. Zolang je gelooft dat de Zoon van God schuldig is, zul je over deze loper lopen, overtuigd dat hij leidt naar de dood. En de reis zal lang, bar en zinloos lijken, want dat is ze ook.” (T10.V.14:6-9; T13.I.3:5-6).

Zodra we in vreugde en dankbaarheid de leiding van de Heilige Geest aanvaarden, kunnen we ons veroorloven om geduldig vertrouwen te hebben in de goede afloop. De keuze voor een wonder levert direct genezende resultaten op, zowel voor jezelf als voor allerlei zielen die je wellicht nog nooit hebt ontmoet, allemaal volgens het ‘plan’ van de Heilige Geest: “Wat jij nu moet leren is: alleen oneindig geduld sorteert onmiddellijk effect. Op deze manier wordt de tijd voor de eeuwigheid verruild. Oneindig geduld roept oneindige liefde op [door het aanvaarden van het wonder] en door nu resultaat op te leveren maakt het de tijd overbodig.” (T5.VI.12).

Ter afsluiting: zolang we nog geloven dat we een lichaam zijn, afgescheiden van alle andere lichamen, elk met eigen belangen, elk met eigen angsten, maken we voor onszelf meer tijd om de Verzoening op een afstandje te houden. Maar dat is onze eigen keuze, en die kunnen we veranderen. Zodra we van gids veranderen, omdat “we slecht onderwezen werden” (T28.I.7:1), beseffen we dat we allemaal hetzelfde hoogste belang hebben, en allemaal even onschuldig zijn: “Wanneer je de heilige metgezellen ziet die met jou meereizen, zul je beseffen dat er geen reis is, maar alleen een ontwaken.” (T13.I.7:1). Daarom is het voltooien van het leerplan van Een cursus in wonderen een “reis zonder afstand naar een doel dat nooit veranderd is” (T8.VI.9). “Wat God voor jou gewild heeft is van jou. Hij heeft Zijn Wil geschonken aan Zijn schat, wiens schat dit is. Jouw hart is waar jouw schat is, evenals het Zijne. Jij die door God bemind bent, bent volkomen gezegend. Leer dit van mij, en bevrijd de heilige wil van al degenen die even gezegend zijn als jij.” (T8.VI.10).

— Jan-Willem van Aalst, maart 2018 (vertaling van https://miraclesormurder.wordpress.com/2018/03/10/advancing-to-our-return/)

Ik heilig, jij heilig, iedereen heilig?

In het werkboek voor studenten van Een cursus in wonderen zien we vanaf les 36 het thema van onze heiligheid besproken worden, als in “Mijn heiligheid omsluit al wat ik zie”; “Mijn heiligheid zegent de wereld”; “Er is niets wat mijn heiligheid niet kan”; en zelfs “Mijn heiligheid is mijn verlossing.” (WdI.36-39). Dit is niet hoe we onszelf in het algemeen zien. Als we heel eerlijk naar binnen kijken, zien we vooral “onzekerheid, eenzaamheid, en voortdurende angst” (T31.VIII.7:1). Zoals Jezus vaak uitlegt in zijn Cursus, komt dit omdat we een gespleten denkgeest hebben: enerzijds voelen we ons verschrikkelijk schuldig over de afscheiding en dus Gods Liefde niet waardig; anderzijds weten we allemaal diep vanbinnen wel dat we allemaal in dezelfde Geest verbonden zijn. Hoe past de notie van onze heiligheid daar in?

Deze gespletenheid wordt in Een cursus in wonderen vaak gekarakteriseerd als het verschil tussen onjuist-gericht denken (wanneer onze gedachten geleid worden door het ego, de stem namens afscheiding) en juist-gericht denken (wanneer onze gedachten geleid worden door de Heilige Geest, de stem namens Liefde). Een belangrijk doel van deze lessen is om onszelf te trainen in het mild en oordeelloos aanschouwen (observeren) van onze onjuist-gerichte, of onheilige gedachten. Jezus wil dat jij en ik gaan beseffen hoe vaak we op een dag niet kiezen voor juist-gericht denken, dat wil zeggen: de oorzaak van alles wat we negatief vinden buiten onszelf zoeken. Dat is natuurlijk slechts een projectie van onze eigen ingebeelde waardeloosheid: “Verdoeming is jouw oordeel over jezelf, en dit zul jij op de wereld projecteren. Zie haar als verdoemd, en het enige wat je ziet is wat jij gedaan hebt om de Zoon van God te pijnigen. Als je onheil en rampspoed ziet, heb je geprobeerd hem te kruisigen. Als je heiligheid en hoop ziet, heb jij je met Gods Wil verbonden om hem te bevrijden” (T21.in.2:1-4).

Zolang jij en ik nog geloven dat we als afgescheiden lichaam in een wereld van afgescheidenheid leven, zitten we vast in onjuist-gericht denken. Dat wil zeggen, we denken dat we gezondigd hebben tegen onze Schepper (door op onszelf te willen zijn, losgerukt uit de Eenheid). Daar voelen we ons enorm schuldig over, wat leidt tot de doodsangst om zwaar bestraft te worden. En dus verstoppen we ons in een gefragmenteerde wereld van afgescheidenheid, hopend tegen beter weten in dat God ons niet zal vinden om zijn wraak uit te voeren, wat hopeloos is omdat we één ding zeker weten: we gaan een keer dood. Hoewel veel van deze angst onbewust is, is dit wel degelijk de vloek die wij over onszelf in stand houden. Dat is de reden dat iedereen zich “onzeker, eenzaam en voortdurend angstig” voelt. Deze vroege werkboeklessen nodigen ons dus uit om een heel andere manier van denken te verkennen, wat in de tekst visie wordt genoemd (bijv. T-12.VI). Juist-gericht denken betekent dat we inzien dat het “nietig, dwaas idee” (T27.VIII.6) een lachwekkende onwaarheid is. De waarheid is dat wij, als Zoon van God, niet hebben gezondigd. God is niet woest. Wij zijn niet ons lichaam. De wereld die we waarnemen is slechts een nare droom. De werkelijkheid van alles en iedereen is pure geest, ondanks wat onze zintuigen aan onze hersenen rapporteren.

Het idee van onze heiligheid heeft dan ook niets van doen met het lichaam of de materiële wereld om ons heen. Het duidt op ons vermogen om juist-gericht te denken; of preciezer gezegd: het vermogen van de keuzemaker in onze denkgeest om daarvoor te kiezen. Wanneer ik daadwerkelijk kies voor de heiligheid van mijn juist-gerichte gedachten, verandert mijn waarneming en interpretatie van de wereld onvermijdelijk ook. Vergeet niet dat de metafysica van Een cursus in wonderen stelt dat de wereld die we aanschouwen louter een projectie is van de gedachten die mijn denkgeest kiest. Zo binnen, zo buiten. Dus wanneer ik mezelf als heilig zie, dan moet jij dat ook zijn, en met jou iedereen, omdat heiligheid een kenmerk is van geest. En we zijn allen manifestaties van dezelfde ene Geest. In hoeverre we daadwerkelijk kiezen voor juist-gericht denken kunnen we zien door naar onze relaties te kijken: “Verlossing is een gezamenlijke onderneming” (T4.VI.8:2); “De ark van vrede wordt twee aan twee betreden” (T20.IV.6:5), en natuurlijk het vaak aangehaalde citaat “jij en hij zullen in vertrouwen jullie ogen samen opslaan, of helemaal niet” (T19.IV-D.12:8).

Dat betekent overigens niet dat ik zoveel mogelijk mensen zou moeten proberen te bekeren. Aangezien onze waarneming (interpretatie) van de wereld een gevolg is van onze keuze voor juist of onjuist-gericht denken, hoeven we onze heiligheid niet te demonstreren in uiterlijk gedrag. Zoals Jezus zegt in werkboekles 37: “Jouw heiligheid is de verlossing van de wereld. Ze laat je de wereld onderwijzen dat ze één met je is, niet door tegen haar te preken, noch door haar iets te vertellen, maar gewoon door jouw stille inzicht dat in jouw heiligheid alle dingen samen met jou gezegend zijn.” (W-pI.37.3:1-2). Dat is een ontnuchterende gedachte. Zoals Kenneth Wapnick vaak benadrukte: we hoeven niet de wereld te redden. We hoeven niet van de wereld gered te worden. We moeten slechts onze eigen denkgeest ‘redden’ van onze vergissing om in een afgescheiden wereld te geloven. We hoeven niets uiterlijks te doen om andere mensen van hun ellende te verlossen: “Bekommer je niet om de uitbreiding van heiligheid, want het wezen van wonderen begrijp je niet.” (T16.II.1:3); “Vergeving uitbreiden is de functie van de Heilige Geest. Laat dat aan Hem over. Laat het alleen jouw zorg zijn Hem te geven wat kan worden uitgebreid.” (T22.VI.9:2-4). “Laat de overdracht van wat jij leert dan ook over aan Degene die de wetten daarvan werkelijk begrijpt en die zal garanderen dat ze ongeschonden en onbeperkt blijven. Jouw aandeel bestaat er slechts in wat Hij jou heeft geleerd toe te passen op jezelf, en Hij zal de rest doen” (T27.V.10:1-2.

Dus wanneer Jezus in werkboekles 38 zegt dat er “niets is dat mijn heiligheid niet kan doen”, dan heeft hij het niet over het genezen van de zieken, het vinden van een parkeerplek, of het verplaatsen van een berg. Jezus verwijst naar het vermogen van de denkgeest (de keuzemaker) om een wonder beschikbaar te stellen aan de Heilige Geest (een wonder is de keuze voor Liefde, het einde van veroordeling). Die neemt dat geschenk graag aan en gebruikt dit op de best mogelijke manier in de collectieve denkgeest van de slapende Zoon van God: “Jouw heiligheid is in haar macht volkomen onbegrensd, omdat ze jou bekrachtigt als Zoon van God, één met de Denkgeest van zijn Schepper. Door jouw heiligheid wordt de macht van God gemanifesteerd. Door jouw heiligheid wordt de macht van God beschikbaar. En er is niets wat de macht van God niet vermag. Jouw heiligheid kan daarom alle pijn wegnemen, alle leed beëindigen en alle problemen oplossen. Ze kan dit doen met betrekking tot jezelf en ieder ander.” (Wd1.38.1:3-2:5).

Voor onze lineair geprogrammeerde hersenen is dit volstrekte nonsens. Hoe zou ik ooit alle pijn die ik on me heen zie kunnen genezen, louter door me mijn Identiteit als geest (Liefde) weer te herinneren en al mijn eigen veroordelende gedachten te vergeven? Dit werkt omdat de Heilige Geest, de Stem namens Liefde, als verbinding fungeert tussen nondualisme (werkelijkheid) en de dualistische droomwereld van tijd en ruimte. De Heilige Geest is niet gebonden aan beperkingen als tijd, ruimte, afstand, of wat voor begrenzing dan ook. We zouden altijd in gedachten moeten houden dat een wonder, dat wil zeggen de bewuste keuze voor Liefde en vergeving, helende effecten kan hebben op plekken in de wereld waar jij en ik nog nooit geweest zijn. Zowel tijd en ruimte zijn irrelevant voor het wonder. Maar er wordt, nogmaals, niet van ons verlangd dat wij dit begrijpen; alleen al het “Hem geven wat kan worden uitgebreid” (d.w.z., een liefdevolle vergevende gedachte) volstaat, en vat onze belangrijkste functie samen hier in deze denkbeeldige wereld van tijd en ruimte. En we zijn heilig omdat het ons gegeven is deze keuze te kunnen maken.

Als dit alles nou ontzettend vaag overkomt, weet dan dat het goede nieuws is dat jij en ik dit kunnen oefenen in zeer praktische situaties van dag tot dag. Wees simpelweg alert op elke negatieve gedachte die in je opkomt: “Specifieke situaties, gebeurtenissen of personen die jij associeert met allerlei liefdeloze gedachten, zijn geschikte onderwerpen voor de oefeningen van vandaag. Het is voor jouw verlossing noodzakelijk dat jij ze anders gaat zien. […] Het is van groot belang het idee [van vergeving] te gebruiken wanneer iemand een vijandige reactie in jou lijkt op te roepen. Schenk hem onmiddellijk de zegen van jouw heiligheid, zodat jij leert die in je eigen bewustzijn te bewaren.” (Wd1.39.7; Wd1.37.6:3-4). Dat laatste is erg belangrijk. Je kunt heiligheid alleen delen als je voelt dat je die zelf hebt: “Hoe zou jij, aan wie jouw heiligheid toebehoort, er dan van uitgesloten kunnen zijn? God kent geen onheiligheid. Kan het zijn dat Hij Zijn Zoon niet kent? […] Jouw heiligheid betekent het einde van schuld, en daarmee van de hel.” (W39.4:2-6).

Mijn liefdeloze gedachten over wie of wat dan ook (allemaal uiteindelijk over mezelf) houden mijzelf in de hel. Mijn heiligheid betekent dat ik een andere keuze kan maken: de keuze voor visie; de keuze om te vergeven; de keuze om de hel te beëindigen waar we nog allemaal in denken te leven. Deze keuze is in werkelijkheid de meest natuurlijke om te maken, maar vaak voelt dat niet echt zo. Om “waakzaam te zijn louter voor God en Zijn Koninkrijk” (T6.V-C) vergt discipline, aanhoudende aandacht en volhardende ijver. Daarom is het, om een bekend citaat nog maar eens aan te halen, “niet jouw taak op zoek te gaan naar liefde, maar enkel in jezelf alle hindernissen te zoeken die jij ertegen opgeworpen hebt, en die te vinden.” (T16.IV.6:1). Dat klinkt als hard werken, en dat is het ook. Maar de beloning is dan ook fantastisch: “Vrede; geluk; een kalme denkgeest; doelgerichtheid en een gevoel van waarde en schoonheid dat de wereld overstijgt; zorg en geborgenheid en de warmte van een veilige bescherming, voor altijd; een kalmte die niet kan worden verstoord, een zachtmoedigheid die nooit kan worden gekwetst; een diepe, blijvende troost, en een rust zo volmaakt dat die nooit kan worden geschonden.” (Wd1.122.1:2-6). Als dat niet motiveert! Veel inspiratie gewenst!

— Jan-Willem van Aalst, maart 2018 (vertaling van https://miraclesormurder.wordpress.com/2018/03/04/holy-me-holy-you-holy-all/)