Lezen dat je niet je lichaam bent

Een cursus in wonderen is een leerplan voor gedachtentraining, met als doel om je denken te richten op de ervaring van blijvende innerlijke vrede. Jezus, als bron van de Cursus, staat voor de formidabele taak om de lezer, die nog meent dat hij een lichaam is die een boek vasthoudt, er van te overtuigen dat je niet je lichaam bent; sterker, dat de materiële wereld om ons heen in werkelijkheid niet bestaat (WdI.132.6:2), en dat alles wat we waarnemen niet echter is dan wat we in onze nachtelijke dromen meemaken. Dit is één van de redenen dat Jezus zoveel symbolisme en poëtische beeldspraak gebruikt in zijn Cursus, want een boodschap die zó radicaal is laat zich niet in rationele wetenschappelijke termen vatten. Onze wetenschap is immers gestoeld op de basis-aanname dat tijd en ruimte echt zijn, en dat wij de wereld kunnen begrijpen en beïnvloeden door te bekijken wat goed doordachte experimenten in die wereld opleveren. Maar Jezus legt juist uit dat wij niet uit materie bestaan, maar uit pure geest, die in werkelijkheid nog steeds Thuis is in het Hart van God (synoniem met Liefde). De materiële wereld is louter een nachtmerrie, waaruit we heel goed in staat zijn om te ontwaken. Kortom, Jezus probeert een nondualistische boodschap over te brengen op een dualistisch lezerspubliek dat zich nog steeds innig identificeert met een lichaam in tijd en ruimte, bewust of onbewust. Hoe gaat hij daar in slagen?

In Hoofdstuk 18 van het Tekstboek stelt Jezus ons de vraag: “Kun jij die jezelf in een lichaam ziet jezelf kennen als een idee? Alles wat jij ziet vereenzelvig je met uiterlijkheden, met iets buiten zichzelf. Je kunt niet eens denken aan God zonder een lichaam, of in een of andere vorm die je denkt te herkennen.” (T18.VIII.1:5-7). Laat dat eens even binnenkomen! In het daaropvolgende hoofdstuk vat Jezus de inherente onwerkelijkheid van het fysieke lichaam samen: “Het lichaam sterft evenmin als het kan voelen. Het doet niets. Van zichzelf is het noch vergankelijk, noch onvergankelijk. Het is niets.” (T19.IV-C.5:2-5). Om ons er verder van te overtuigen dat wij heel goed zonder ons lijf kunnen bestaan, vertelt hij over zijn eigen leerproces: “Ik was een mens die zich de geest en de kennis van de geest herinnerde.” (T3-IV.7:3); en in de Verklaring van Termen gaat hij daar verder op in, verwijzend naar zichzelf: “De naam Jezus is de naam van iemand die mens was, maar in al zijn broeders het gelaat van Christus zag, en zich God herinnerde. Zo werd hij met Christus vereenzelvigd, een mens niet langer, maar één met God. De mens was een illusie, want hij leek een afgescheiden wezen te zijn, op zichzelf staand, in een lichaam dat zijn zelf leek weg te houden van het Zelf, wat alle illusies doen. […]. Door zijn volledige vereenzelviging met de Christus – de volmaakte Zoon van God – […] werd Jezus wat jullie allen zijn. Hij ging jou voor, zodat je hem kunt volgen.” (VvT-5.2:1-3:2).

Nogmaals, het moeilijke hieraan is dat het een nondualistische boodschap is, gericht aan lezers voor wie dualiteit nog steeds de dagelijkse ervaring is. Om die dualiteit in één keer op te geven voor iets wat volslagen onbekend is, kan nogal beangstigend zijn, om het zacht uit te drukken. Jezus beseft dit terdege, en daarom is zijn onderricht altijd mild en geduldig. Nergens beveelt Jezus ons om ons diep gekoesterde lichaam op te geven: “Toch is het haast onmogelijk zijn bestaan in deze wereld te ontkennen. Wie dit doet, begaat een bijzonder onwaardige vorm van ontkenning. […] Het lichaam kan alleen verkeerd handelen wanneer het gehoor geeft aan verkeerd denken.” (T2.IV.3:10-11; 2:5). Het is zelfs zo dat de Heilige Geest, waar Jezus als de auteur van deze Cursus één manifestatie van is, het concept van het fysieke lichaam kan gebruiken om het ego van alle kracht te ontdoen, door de uitweg uit de nachtmerrie te illustreren: “Het lichaam werd niet door liefde gemaakt. Toch veroordeelt de Liefde het niet en kan ze het liefdevol gebruiken, omdat ze respect heeft voor wat de Zoon van God heeft gemaakt en dit aanwendt om hem van illusies te verlossen.” (T18.VI.4:7-8). Dus het lichaam wordt niet afgedaan als iets negatiefs, zoals in zoveel andere spiritualiteiten wel gebeurt. Het lichaam kan een nuttig leermiddel zijn om de Liefdeslessen van de Heilige Geest te leren (T6.V).

Er is slechts één Leraar van God nodig om de wereld te verlossen (H-12), namelijk jijzelf. Je doet dit door de vele andere lichamen die je lijkt te ontmoeten te herinneren aan het Alternatief wat hun denkgeest kan kiezen: de keuze voor Liefde. Lichamen zijn gescheiden, maar denkgeesten zijn verbonden: “Waarom is de illusie dat er velen zijn noodzakelijk? Alleen omdat de werkelijkheid voor hen die in waan verkeren niet te begrijpen is. Slechts zeer weinigen kunnen Gods Stem überhaupt horen […] Ze hebben een hulpmiddel nodig waardoor communicatie mogelijk wordt met degenen die niet beseffen dat ze geest zijn. Een lichaam kunnen ze zien. Een stem verstaan ze en daarnaar luisteren ze, zonder de angst waarop de waarheid in hen zou stuiten. Vergeet niet dat de waarheid alleen daar kan komen waar ze zonder angst verwelkomd wordt. Daarom hebben Gods leraren een lichaam nodig, want hun eenheid kan niet rechtstreeks worden herkend.” (H-12.3). Zo gebruikt Jezus dualiteit om zijn boodschap van nondualiteit te brengen: “Deze cursus blijft binnen het kader van het ego, waar hij nodig is. Hij houdt zich niet bezig met wat voorbij alle dwaling ligt, omdat hij alleen ontworpen is om de richting daarnaar aan te geven.” (VvT.in.3:1-2).

Nergens dwingt Jezus zijn studenten hun lichaam om te geven voordat zijn boodschap over nondualisme zonder angst kan worden aanvaard. Hij richt zich altijd op de denkgeest, die uiteindelijk de oorzaak is van het lichaam; daarom is dit een Cursus in gedachtentraining. En denkgeesten zijn verbonden. Zodra de collectieve denkgeest is genezen, wordt aan het lichaam geen enkele waarde meer toegekend, en zal het simpelweg verdwijnen omdat het simpelweg wordt vergeten; samen met alles in tijd en ruimte (daarom heet het eerste boek van Gary Renard “De verdwijning van het universum”). Maar zover zijn we nog niet: “We leggen nu de nadruk op genezing. Het wonder [van vergeving] is het middel, de Verzoening is het beginsel, en genezing [d.w.z., terugkeer naar nondualiteit] is het resultaat.” (T2.IV.1:1-2; mijn cursivering).

Ware verlossing, ofwel het aanvaarden van de Verzoening, is derhalve een langzaam leerproces binnen de dualistische droom van tijd en ruimte, en dit is precies wat we nodig hebben om onze angst voor het verlies van onze individualiteit en autonomie te kunnen laten varen, hoe illusoir die ook zijn: “Vrees niet dat je opeens zult worden opgetild en de werkelijkheid in geslingerd. De tijd is mild, en als je hem ten behoeve van de werkelijkheid benut zal hij bij jouw overgang zachtjes gelijke tred met je houden.” (T16.VI.8:1). In Hoofdstuk 27 licht Jezus dit verder toe: “Zo beangstigend is de droom, en zo schijnbaar werkelijk, dat hij [d.w.z. de slapende Zoon, wij allen dus] niet zonder angstzweet en een doodskreet tot de werkelijkheid zou kunnen ontwaken, als niet een vriendelijker droom zijn ontwaken voorafging en ervoor zorgde dat zijn gekalmeerde denkgeest de Stem verwelkomde en niet vreesde, die met liefde roept om hem te doen ontwaken; een vriendelijker droom waarin zijn lijden is genezen en zijn broeder zijn vriend is. God heeft gewild dat hij zachtjes en van vreugde vervuld wakker wordt, en hem het middel geschonken om zonder angst te ontwaken.” (T27.VII.13:4-5).

Bedenk wel dat, telkens wanneer je met de Cursus bezig bent, het niet zo is dat Jezus ons een “prettiger” leven belooft om als individu in de dualistische wereld van tijd en ruimte te kunnen blijven, zoals we bij veel andere spiritualiteiten zien. Een cursus in wonderen is compromisloos waar het gaat om het metafysische fundament: blijvende innerlijke vrede kan nooit gevonden worden in een lichaam in de dualistische droom van tijd en ruimte. Jezus bezigt poëtisch dualistisch taalgebruik louter om onze denkgeest te helpen het verschil tussen dualiteit (het ego) en nondualiteit (God; Eenheidsliefde) helder te krijgen. Het is daarbij een grote troost te lezen dat verlossing per definitie vaststaat. Dat wil zeggen, iedereen zal vroeg of laat het lichaam achter zich laten, niet uit spijt maar met een zucht van verlichting: “Het draaiboek is geschreven. Wannéér ervaring een eind komt maken aan jouw twijfelen staat vast. Want wij zien de reis slechts vanaf het punt waarop ze eindigde en kijken erop terug, terwijl we ons inbeelden dat we haar nog eens maken; en we zien mentaal opnieuw wat is voorbijgegaan.” (Wd1.158.4:3-5).

Dus steeds wanneer je met dat blauwe boek van Jezus’ leerplan bezig bent, probeer je dan gewaar te zijn van de nondualistische boodschap die achter poëtische dualistische woorden schuil gaat. Aanvaard voor nu dat je jezelf nog steeds innig met je lichaam identificeert; je hoeft je daar niet schuldig om te voelen. Maar door Jezus’ aanwijzingen in de tekst te volgen en de dagelijkse werkboeklessen te oefenen, train je de denkgeest om jezelf steeds meer als vormloze geest te zien; het abstracte, eeuwige Licht van Liefde wat wij allemaal zijn: de Ene Zoon van God die in werkelijkheid nooit Zijn Thuis in het Hart van God heeft verlaten. Zonde bestaat niet. Onze Vader houdt van Zijn Zoon “en Hij wil niets anders” (T8.VI.4:4). Wijs je lichaam niet af, maar laat het steeds iets meer naar de achtergrond opschuiven. Breng tegelijkertijd het Licht van Eenheid steeds wat meer naar de voorgrond. Je zult merken dat dit de hele wereld om je heen doet oplichten, want jouw ervaring van de wereld weerspiegelt slechts de staat van je denken.

We besluiten met een passage uit de prachtige werkboekles 190: “Mijn heilige broeder, denk eens een moment hieraan: de wereld die jij ziet doet niets. Ze heeft absoluut geen gevolgen. Ze is slechts de weergave van jouw gedachten. En ze zal volkomen veranderen zodra jij besluit je denken te veranderen en jij de vreugde van God kiest als wat jij werkelijk verlangt. […] Leg je wapens neer en ga zonder verdediging de stille plaats binnen waar de hemelse vrede alles tenslotte in stilte bewaart. Leg alle gedachten aan gevaar en angst af. Laat geen aanval met jou mee naar binnen gaan. Leg het wrede zwaard des oordeels neer dat je tegen je eigen keel houdt, en stop de vernietigende aanslagen waarmee jij je heiligheid probeert te verbergen. Hier zul je inzien dat er geen pijn is. Hier behoort de vreugde van God jou toe.” (Wd1.190.6:1-4; 9:1-10:2).

— Jan-Willem van Aalst, maart 2018 (vertaling van https://miraclesormurder.wordpress.com/2018/02/25/the-body-that-reads-hes-not-a-body/)

Een gedachte over “Lezen dat je niet je lichaam bent”

  1. Beste Jan,

    Wat prachtig weer deze post!

    Vooral nu we dreigen “heen en weer geslingerd te worden” door de media en alle gekte en drukte rondom de feestdagen is het fijn om te beseffen dat wij niet een lichaam zijn en dat Jezus ons probeert een nondualistische boodschap over te brengen.

    Wij brengen in gepaste stemming en op afstand de feestdagen door, wetende dat wij allen “eenheid en liefde” zijn.

    Wij wensen jou en je gezin hele fijne en warme kerstdagen toe en een liefdevol en gezond 2021

    René & Corrie

    Like

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s