Ziekte is je eigen schuld?

Ernstige ziekten vormen een onderwerp dat niet gemakkelijk bespreekbaar is, vooral waar het aankomt op de oorzaak van de ziekte. Dit is in het algemeen in de samenleving zo, maar zeker in spirituele kringen, waar men geneigd is de waarde van het lichaam te bagatelliseren, waarmee een ‘ernstige boodschap’ van het lichaam extra pijnlijk wordt. De onderliggende kwestie gaat altijd over schuld. Als je geconfronteerd wordt met een ernstige lichamelijke ziekte, dan komt vroeg of laat de onbewuste vraag naar boven over de grondoorzaak: heb ik mijn eigen ziekte veroorzaakt? Aardig wat mensen duiken vooral in spiritualiteit omdat men daarmee hoopt allerlei ernstige ziektes te kunnen vermijden of afwenden. Dat kan natuurlijk niet werken, omdat het ontkennen van het belang van het lichaam niet betekent dat het er niet meer is, noch dat dat men er niet stiekem nog steeds heilig in gelooft.

In de onderzoekswereld van gezondheid wordt de rol van het individu in het ontstaan van ziekten, en dan met name de manier van leven (‘lifestyle’) steeds nadrukkelijker bekeken. Zo is het inmiddels algemeen bekend en aanvaard dat een leven lang roken leidt tot een aanzienlijke kans op longkanker. En weinigen twijfelen er nog aan dat serieus overgewicht gecombineerd met te weinig beweging tot een sterk verhoogde kans op suikerziekte leidt. “Lifestyle medicine” is de nieuwe trend. Het idee erachter is dat de ziekten waar we individueel genetisch bevattelijk voor zijn kunnen worden vermeden of uitgesteld door zo gezond mogelijk te leven. Maar hoewel een gezonde levensstijl ongetwijfeld bijdraagt aan een gezond lichaam, gaat dit nog goeddeels voorbij aan de rol die onze onbewuste denkgeest speelt in het aansturen van het lichaam. Sommige vooruitstrevende onderzoekers zoals Bruce Lipton (“De biologie van de overtuiging”) en Joe Dispenza (“Jij bent het placebo”) gaan gelukkig wel degelijk die richting op; maar de focus ligt in het algemeen nog meer op het ombuigen van “blokkerende overtuigingen” over je eigen persoonlijkheid, dan op het ongedaan maken van het oorspronkelijke schuldgevoel over de oorspronkelijke afscheiding van eenheid.

In Een cursus in wonderen is Jezus volstrekt compromisloos over de gezondheidskwestie, zoals eigenlijk de hele Cursus compromisloos is. Enkele illustratieve voorbeelden: “Alle ziekte is mentale ziekte” (P2.IV.1:1); “Ziekte is iets van de denkgeest, en heeft niets met het lichaam van doen” (H5.II.3:2); “Elk soort ziekte kan worden gedefinieerd als het resultaat van de zienswijze het zelf te zien als iets wat zwak, kwetsbaar, slecht en bedreigd is, en dus voortdurend verdediging behoeft.” (P2.IV.6:1). Dat zijn ferme uitspraken. Jesus zegt eigenlijk dat telkens wanneer het lichaam symptomen vertoont, die louter een gevolg zijn van de denkgeest die voor ziekte gekozen heeft. De denkgeest doet dat door het voortdurende afwijzen en veroordelen. Dergelijke oordelen kunnen over van alles gaan, maar ze symboliseren uiteindelijk slechts het ontologische moment waarop we besloten om van God af te scheiden, wat in realiteit helemaal niet kan en daarom nooit is gebeurd. Onbewust houden we ons echter koste wat kost vast aan de overtuiging dat dit wel degelijk echt is gebeurd, want alleen dán kunnen we onzelf als uniek individu ervaren.

Volgens Jezus ervaren we fysieke symptomen omdat “alle aanval altijd een aanval op je Zelf is” (T10.II.5:1). De denkgeest valt aan, en het lichaam weerspiegelt die aanval. Echter, in tegenstelling tot veel andere spiritualiteiten denigreert Een cursus in wonderen het lichaam niet, zelfs niet in deze dualistische droomwereld. Het ziet het lichaam louter als een neutraal gevolg van de staat van de denkgeest. In weerwil van onze dagelijkse ervaring opereert het lichaam niet volstrekt zelfstandig: “Het [lichaam] probeert niet van pijn een bron van vreugde te maken en naar blijvende genoegens te zoeken in het stof. Het zegt jou niet wat zijn bedoeling is, en kan niet begrijpen waartoe het dient. […] Het lijdt niet onder de straf die jij geeft, omdat het geen gevoel heeft. Het gedraagt zich op de manier die jij wilt, maar maakt nooit de keuze. Het is niet geboren en het sterft niet. Het kan slechts doelloos het pad volgen waarop het is gezet” (T-28.VI.1:4-5;2:2-5). De zinsnede over ‘het is niet geboren en het sterft niet’ verwijst uiteraard naar de metafysische grondslag van het nondualisme, waar de Cursus van uitgaat: aangezien alles in tijd en ruimte illusoir is, wordt niets hier werkelijk geboren, en niets sterft hier werkelijk: dit lijkt slechts zo voor onze zintuigen. Het is de denkgeest die deze droom kiest en ervaart. Maar een illusie blijft een illusie.

Voor het ego is lichamelijke ziekte een favoriet instrument om aan de slapende Zoon van God (d.w.z, wij allemaal) te ‘bewijzen’ dat de afscheiding van eenheid daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. De eenheid van God (= Liefde) is versplinterd, en gebrek wordt het kenmerk van de dagen van de Zoon van God, inclusief gebrek aan gezondheid. De vormen zijn legio, en ze voeden altijd schuld en angst. Zo worden fysieke symptomen soms geïnterpreteerd als Gods bestraffing voor onze kardinale zonden; of, beter gezegd, als voorproefje van de straf die ons te wachten staat zodra we overlijden. Velen die lijden onder een ernstige ziekte vragen zich vertwijfeld af dit Gods straf is voor hun ‘slechtheid’. Anderen, waaronder veel spiritueel ingestelde mensen, gebruiken de symptomen als ‘bewijs’ van hun onschuld: in een wrede wereld zullen zij die goed zijn onvermijdelijk lijden. “Bezie mij, God. Mijn hele leven ben ik een goed mens geweest, en het leven hier behandelt mij wreed. Ik lijd in weerwil van mijn goedheid. Verschaf mij toegang tot de hemel en verdoem alle slechteriken!”

Beide interpretaties zijn echter afleidingsmanoeuvres van het ego, om de patiënt vooral niet te laten kijken naar waar de ware oplossing ligt: in ons vermogen om van gedachten te veranderen over onszelf. Jezus licht toe: “Aanvaarden dat ziekte een beslissing is van de denkgeest, terwille van een doel waarvoor hij het lichaam gebruiken wil, is de basis van genezing. En dit geldt voor genezing in elke vorm.” (H5.II.2:1-2). “Ziekte is derhalve een vergissing die correctie behoeft” (P2.IV.7:1). De correctie, vanuit een metafysisch standpunt bekeken, ligt in het besef dat “Zoon van God, jij hebt niet gezondigd, maar je hebt je wel zeer vergist.” (T10.V.6:1). Als ik dus mijn denkgeest genees door in te zien dat ik mij heb vergist over mezelf, en mijzelf daar voor vergeef, dan zal het lichaam volgen (hoewel in het algemeen niet à la minute, omdat materie traag is). Het probleem is dat iedereen die zichzelf nog als een fysiek lichaam beschouwt een ongenezen denkgeest heeft, wat voor zo’n beetje iedereen op deze planeet geldt. Daarom besteedt Een cursus in wonderen zoveel aandacht aan het ongedaan maken van onze basisovertuiging dat jij en ik een lichaam zijn. Lessen 201 t/m 220 laten ons dagelijks herhalen: “Ik ben niet een lichaam. Ik ben vrij. Want ik blijf zoals ik ben, zo schiep God mij.” (WdI.201-220). Het achterliggende idee is dat hoe meer ik mij identificeer met zijn Zelf (hoofdletter Z) als geest in plaats van met het kleine ego-zelf, hoe minder snel de staat van mijn denkgeest zal leiden tot lichamelijke symptomen.

Dit inzicht overtuigt echter studenten van Een cursus in wonderen (en veel andere spirituele zoekers) absoluut niet. Het is tenslotte behoorlijk pijnlijk als je meent spiritueel goed bezig te zijn en dan plotseling te merken dat je toch ziek wordt. Dit is wederom een krachtige ego-strategie om jou te overtuigen van zijn gelijk: “Zie je wel? Spiritualiteit is een farce. Het werkt voor geen meter, zoals je duidelijk kunt zien. Niet voor jou, en voor niemand niet. Ik kan dozijnen spirituele goeroes opnoemen die veel te vroeg aan allerlei verschrikkelijke ziekten zijn overleden. Je kunt beter terugkeren naar je overtuiging dat je een schuldige zondaar bent, want dan ben je tenminste eerlijk over wat je bent – ja, ellendig en eenzaam en in pijn, maar je bestaat tenminste als autonoom individu, los en onafhankelijk van God. Dat was de bedoeling vanaf het begin, toch? Wel, deze ziekte bewijst dat dat nog steeds zo is!”

Bijgevolg is ziekte voor veel spirituele studiegroepen een moeilijk gespreksonderwerp, om het zacht uit te drukken. Voor studenten van Een cursus in wonderen is dat niet anders. Zo is het feit dat zowel Helen Schucman als Kenneth Wapnick op hun 71e aan kanker overleden, en Bill Thetford op z’n 65e aan een hartaanval, voor sommigen een reden om zich serieus af te vragen of deze Cursus wel werkt. Deze focus op anderen is echter louter een truc van het ego om de denkgeest af te leiden van het werkelijke huiswerk: de Verzoening aanvaarden voor zichzelf – in de denkgeest. Zolang de denkgeest geobsedeerd wordt door pogingen om de levensduur van het lichaam te verlengen blijft die gevangen in dualiteit en is dus ongenezen. In werkelijkheid bestaat er niet zoiets als de tijd! Waarom zou je dan proberen de tijd van je lichaam zoveel mogelijk te rekken? Hoewel reïncarnatie onderdeel van de droom van tijd en ruimte is en derhalve net zo illusoir als tijd zelf, kun je er zeker van zijn dat jij hiervoor al honderden lichamen op deze planeet hebt gehad, waarvan sommige op een vreselijke manier aan hun einde zijn gekomen. Dus waarom zou je niet overwegen om je leven in een breder perspectief te zien? Volgens Boeddhisten is het lichaam een “jas die je van leven tot leven verwisselt”, totdat je karma (d.w.z. duisternis in je denkgeest) is opgeschoond.

Dus du moment dat je jezelf – of een geliefde – geconfronteerd ziet met ernstige fysieke symptomen, kun je – in plaats gelijk in de slachtofferrol te schieten – dit zien als een nuttig teken van op te schonen duisternis in de denkgeest. Deze duisternis vraagt om compassie en vergeving, en om niets anders. Op deze manier bekeken wordt ziekte één van de middelen die de Heilige Geest kan aanwenden voor de spirituele ontwaking van zelf naar Zelf. Niet dat Hij je de ziekte aanbiedt, maar hij maakt je wel gewaar van de boodschap ervan. Het zal beslist niet altijd comfortabel aanvoelen, zeker niet als een geliefde aan een ziekte bezwijkt, maar het is en blijft in essentie een oproep aan de denkgeest om zich gewaar te worden van de illusoire aard van de wereld, en onvoorwaardelijke vergeving te blijven oefenen. Het is daarbij van het grootste belang om een normaal mens te blijven. Neem de tijd om te rouwen als een geliefde overlijdt. Neem de tijd om te huilen. Uiteindelijk ga je misschien beseffen dat die emoties de hardnekkige keuze weerspiegelen om gehecht te blijven aan lichamen en dus aan individualiteit, en dus aan de afscheiding van God. De Heilige Geest brengt je zo weer een les in (zelf)vergeving.

Dit alles betekent overigens niet dat je nooit meer iets medisch zou moeten (laten) doen. Het zou een erg tragische vergissing zijn om te weigeren een arts of ziekenhuis te bezoeken omdat “de ware genezing uit de denkgeest moet komen”. Medisch handelen mag dan een vorm van ‘magie’ zijn, maar Jezus benadrukt in hoofdstuk 2 van het Tekstboek dat daaruit niet volgt dat medisch handelen slecht zou zijn. Hij wil ons er echter wel op wijzen dat magie nooit tot blijvende verlossing leidt. Een Cursusstudent die in balans is, beoefent vergeving en zorgt tegelijkertijd goed voor het lichaam, daarbij nooit vergetend dat de denkgeest altijd de oorzaak is en het lichaam het gevolg daarvan, en bovendien dat iedereen uiteindelijk zal ontwaken uit de dualistische droom; wellicht niet in dit leven, maar dan toch zeker in een toekomstig leven. Jezelf schuldig voelen over je ziekte is dus zo’n beetje het slechtste wat je jezelf kunt aandoen. Besef dat dit slechts een ego-poging is om de afscheiding in stand te houden, en ga vervolgens door met het beoefenen van (zelf)vergeving.

Een laatste wenk over het ‘vroegtijdig’ overlijden van Helen, Bill en Ken. Helen besefte zich ten volste dat ze tot haar laatste snik aan haar ego vasthield, waarmee ze Jezus’ geschenk nog niet volledig voor zichzelf kon ervaren. Voor Bill en Ken lag de situatie volgens mij iets anders. Ik denk dat zij simpelweg hun laatste taak in dit leven hadden voltooid, waarmee ze geen reden hadden hier nog langer ‘rond te hangen’. Veel studenten kennen het verhaal van Bill’s “afstuderen” van de Cursus in zijn laatste levensjaren, toen hij vol vreugde op straat uitriep: “Ik ben vrij, ik ben vrij!”. Kenneth Wapnick verzekerde in zijn laatste dagen iedereen om hem heen dat hij niet stervende was. Het leven, legde hij vaak uit, heeft niets met het lichaam van doen. Hij realiseerde zich ten volste dat hij niet dat lichaam was. Ik vraag me sterk af of Bill en Ken hier nog zullen reïncarneren. Maar, nogmaals, dergelijke mijmeringen over anderen zijn feitelijk afleidingen voor je eigen beoefening van het aanvaarden van de Verzoening. De Heilige Geest (of ‘Innerlijke Leraar’) is de enige Gids die je nodig hebt in je leven. Hij zal je naar je Thuis leiden buiten tijd en ruimte. Voel je niet schuldig over ziek zijn; wees niet bang voor de dood. Alles is een les in liefde die de Heilige Geest je aanbiedt. Om te besluiten met de lieflijke slotzinnen van “De geschenken van God”, opgetekend door Helen in 1978: “Vergeet alles, behalve Mijn onveranderlijke Liefde. Vergeet alles, behalve dat Ik hier ben.” (De Geschenken van God, p.128).

— Jan-Willem van Aalst, december 2017 (Vertaling van: https://miraclesormurder.wordpress.com/2017/12/16/guilty-of-being-ill/)

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s