Ziekte is je eigen schuld?

Ernstige ziekten vormen een onderwerp dat niet gemakkelijk bespreekbaar is, vooral waar het aankomt op de oorzaak van de ziekte. Dit is in het algemeen in de samenleving zo, maar zeker in spirituele kringen, waar men geneigd is de waarde van het lichaam te bagatelliseren, waarmee een ‘ernstige boodschap’ van het lichaam extra pijnlijk wordt. De onderliggende kwestie gaat altijd over schuld. Als je geconfronteerd wordt met een ernstige lichamelijke ziekte, dan komt vroeg of laat de onbewuste vraag naar boven over de grondoorzaak: heb ik mijn eigen ziekte veroorzaakt? Aardig wat mensen duiken vooral in spiritualiteit omdat men daarmee hoopt allerlei ernstige ziektes te kunnen vermijden of afwenden. Dat kan natuurlijk niet werken, omdat het ontkennen van het belang van het lichaam niet betekent dat het er niet meer is, noch dat dat men er niet stiekem nog steeds heilig in gelooft.

In de onderzoekswereld van gezondheid wordt de rol van het individu in het ontstaan van ziekten, en dan met name de manier van leven (‘lifestyle’) steeds nadrukkelijker bekeken. Zo is het inmiddels algemeen bekend en aanvaard dat een leven lang roken leidt tot een aanzienlijke kans op longkanker. En weinigen twijfelen er nog aan dat serieus overgewicht gecombineerd met te weinig beweging tot een sterk verhoogde kans op suikerziekte leidt. “Lifestyle medicine” is de nieuwe trend. Het idee erachter is dat de ziekten waar we individueel genetisch bevattelijk voor zijn kunnen worden vermeden of uitgesteld door zo gezond mogelijk te leven. Maar hoewel een gezonde levensstijl ongetwijfeld bijdraagt aan een gezond lichaam, gaat dit nog goeddeels voorbij aan de rol die onze onbewuste denkgeest speelt in het aansturen van het lichaam. Sommige vooruitstrevende onderzoekers zoals Bruce Lipton (“De biologie van de overtuiging”) en Joe Dispenza (“Jij bent het placebo”) gaan gelukkig wel degelijk die richting op; maar de focus ligt in het algemeen nog meer op het ombuigen van “blokkerende overtuigingen” over je eigen persoonlijkheid, dan op het ongedaan maken van het oorspronkelijke schuldgevoel over de oorspronkelijke afscheiding van eenheid.

In Een cursus in wonderen is Jezus volstrekt compromisloos over de gezondheidskwestie, zoals eigenlijk de hele Cursus compromisloos is. Enkele illustratieve voorbeelden: “Alle ziekte is mentale ziekte” (P2.IV.1:1); “Ziekte is iets van de denkgeest, en heeft niets met het lichaam van doen” (H5.II.3:2); “Elk soort ziekte kan worden gedefinieerd als het resultaat van de zienswijze het zelf te zien als iets wat zwak, kwetsbaar, slecht en bedreigd is, en dus voortdurend verdediging behoeft.” (P2.IV.6:1). Dat zijn ferme uitspraken. Jesus zegt eigenlijk dat telkens wanneer het lichaam symptomen vertoont, die louter een gevolg zijn van de denkgeest die voor ziekte gekozen heeft. De denkgeest doet dat door het voortdurende afwijzen en veroordelen. Dergelijke oordelen kunnen over van alles gaan, maar ze symboliseren uiteindelijk slechts het ontologische moment waarop we besloten om van God af te scheiden, wat in realiteit helemaal niet kan en daarom nooit is gebeurd. Onbewust houden we ons echter koste wat kost vast aan de overtuiging dat dit wel degelijk echt is gebeurd, want alleen dán kunnen we onzelf als uniek individu ervaren.

Volgens Jezus ervaren we fysieke symptomen omdat “alle aanval altijd een aanval op je Zelf is” (T10.II.5:1). De denkgeest valt aan, en het lichaam weerspiegelt die aanval. Echter, in tegenstelling tot veel andere spiritualiteiten denigreert Een cursus in wonderen het lichaam niet, zelfs niet in deze dualistische droomwereld. Het ziet het lichaam louter als een neutraal gevolg van de staat van de denkgeest. In weerwil van onze dagelijkse ervaring opereert het lichaam niet volstrekt zelfstandig: “Het [lichaam] probeert niet van pijn een bron van vreugde te maken en naar blijvende genoegens te zoeken in het stof. Het zegt jou niet wat zijn bedoeling is, en kan niet begrijpen waartoe het dient. […] Het lijdt niet onder de straf die jij geeft, omdat het geen gevoel heeft. Het gedraagt zich op de manier die jij wilt, maar maakt nooit de keuze. Het is niet geboren en het sterft niet. Het kan slechts doelloos het pad volgen waarop het is gezet” (T-28.VI.1:4-5;2:2-5). De zinsnede over ‘het is niet geboren en het sterft niet’ verwijst uiteraard naar de metafysische grondslag van het nondualisme, waar de Cursus van uitgaat: aangezien alles in tijd en ruimte illusoir is, wordt niets hier werkelijk geboren, en niets sterft hier werkelijk: dit lijkt slechts zo voor onze zintuigen. Het is de denkgeest die deze droom kiest en ervaart. Maar een illusie blijft een illusie.

Voor het ego is lichamelijke ziekte een favoriet instrument om aan de slapende Zoon van God (d.w.z, wij allemaal) te ‘bewijzen’ dat de afscheiding van eenheid daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. De eenheid van God (= Liefde) is versplinterd, en gebrek wordt het kenmerk van de dagen van de Zoon van God, inclusief gebrek aan gezondheid. De vormen zijn legio, en ze voeden altijd schuld en angst. Zo worden fysieke symptomen soms geïnterpreteerd als Gods bestraffing voor onze kardinale zonden; of, beter gezegd, als voorproefje van de straf die ons te wachten staat zodra we overlijden. Velen die lijden onder een ernstige ziekte vragen zich vertwijfeld af dit Gods straf is voor hun ‘slechtheid’. Anderen, waaronder veel spiritueel ingestelde mensen, gebruiken de symptomen als ‘bewijs’ van hun onschuld: in een wrede wereld zullen zij die goed zijn onvermijdelijk lijden. “Bezie mij, God. Mijn hele leven ben ik een goed mens geweest, en het leven hier behandelt mij wreed. Ik lijd in weerwil van mijn goedheid. Verschaf mij toegang tot de hemel en verdoem alle slechteriken!”

Beide interpretaties zijn echter afleidingsmanoeuvres van het ego, om de patiënt vooral niet te laten kijken naar waar de ware oplossing ligt: in ons vermogen om van gedachten te veranderen over onszelf. Jezus licht toe: “Aanvaarden dat ziekte een beslissing is van de denkgeest, terwille van een doel waarvoor hij het lichaam gebruiken wil, is de basis van genezing. En dit geldt voor genezing in elke vorm.” (H5.II.2:1-2). “Ziekte is derhalve een vergissing die correctie behoeft” (P2.IV.7:1). De correctie, vanuit een metafysisch standpunt bekeken, ligt in het besef dat “Zoon van God, jij hebt niet gezondigd, maar je hebt je wel zeer vergist.” (T10.V.6:1). Als ik dus mijn denkgeest genees door in te zien dat ik mij heb vergist over mezelf, en mijzelf daar voor vergeef, dan zal het lichaam volgen (hoewel in het algemeen niet à la minute, omdat materie traag is). Het probleem is dat iedereen die zichzelf nog als een fysiek lichaam beschouwt een ongenezen denkgeest heeft, wat voor zo’n beetje iedereen op deze planeet geldt. Daarom besteedt Een cursus in wonderen zoveel aandacht aan het ongedaan maken van onze basisovertuiging dat jij en ik een lichaam zijn. Lessen 201 t/m 220 laten ons dagelijks herhalen: “Ik ben niet een lichaam. Ik ben vrij. Want ik blijf zoals ik ben, zo schiep God mij.” (WdI.201-220). Het achterliggende idee is dat hoe meer ik mij identificeer met zijn Zelf (hoofdletter Z) als geest in plaats van met het kleine ego-zelf, hoe minder snel de staat van mijn denkgeest zal leiden tot lichamelijke symptomen.

Dit inzicht overtuigt echter studenten van Een cursus in wonderen (en veel andere spirituele zoekers) absoluut niet. Het is tenslotte behoorlijk pijnlijk als je meent spiritueel goed bezig te zijn en dan plotseling te merken dat je toch ziek wordt. Dit is wederom een krachtige ego-strategie om jou te overtuigen van zijn gelijk: “Zie je wel? Spiritualiteit is een farce. Het werkt voor geen meter, zoals je duidelijk kunt zien. Niet voor jou, en voor niemand niet. Ik kan dozijnen spirituele goeroes opnoemen die veel te vroeg aan allerlei verschrikkelijke ziekten zijn overleden. Je kunt beter terugkeren naar je overtuiging dat je een schuldige zondaar bent, want dan ben je tenminste eerlijk over wat je bent – ja, ellendig en eenzaam en in pijn, maar je bestaat tenminste als autonoom individu, los en onafhankelijk van God. Dat was de bedoeling vanaf het begin, toch? Wel, deze ziekte bewijst dat dat nog steeds zo is!”

Bijgevolg is ziekte voor veel spirituele studiegroepen een moeilijk gespreksonderwerp, om het zacht uit te drukken. Voor studenten van Een cursus in wonderen is dat niet anders. Zo is het feit dat zowel Helen Schucman als Kenneth Wapnick op hun 71e aan kanker overleden, en Bill Thetford op z’n 65e aan een hartaanval, voor sommigen een reden om zich serieus af te vragen of deze Cursus wel werkt. Deze focus op anderen is echter louter een truc van het ego om de denkgeest af te leiden van het werkelijke huiswerk: de Verzoening aanvaarden voor zichzelf – in de denkgeest. Zolang de denkgeest geobsedeerd wordt door pogingen om de levensduur van het lichaam te verlengen blijft die gevangen in dualiteit en is dus ongenezen. In werkelijkheid bestaat er niet zoiets als de tijd! Waarom zou je dan proberen de tijd van je lichaam zoveel mogelijk te rekken? Hoewel reïncarnatie onderdeel van de droom van tijd en ruimte is en derhalve net zo illusoir als tijd zelf, kun je er zeker van zijn dat jij hiervoor al honderden lichamen op deze planeet hebt gehad, waarvan sommige op een vreselijke manier aan hun einde zijn gekomen. Dus waarom zou je niet overwegen om je leven in een breder perspectief te zien? Volgens Boeddhisten is het lichaam een “jas die je van leven tot leven verwisselt”, totdat je karma (d.w.z. duisternis in je denkgeest) is opgeschoond.

Dus du moment dat je jezelf – of een geliefde – geconfronteerd ziet met ernstige fysieke symptomen, kun je – in plaats gelijk in de slachtofferrol te schieten – dit zien als een nuttig teken van op te schonen duisternis in de denkgeest. Deze duisternis vraagt om compassie en vergeving, en om niets anders. Op deze manier bekeken wordt ziekte één van de middelen die de Heilige Geest kan aanwenden voor de spirituele ontwaking van zelf naar Zelf. Niet dat Hij je de ziekte aanbiedt, maar hij maakt je wel gewaar van de boodschap ervan. Het zal beslist niet altijd comfortabel aanvoelen, zeker niet als een geliefde aan een ziekte bezwijkt, maar het is en blijft in essentie een oproep aan de denkgeest om zich gewaar te worden van de illusoire aard van de wereld, en onvoorwaardelijke vergeving te blijven oefenen. Het is daarbij van het grootste belang om een normaal mens te blijven. Neem de tijd om te rouwen als een geliefde overlijdt. Neem de tijd om te huilen. Uiteindelijk ga je misschien beseffen dat die emoties de hardnekkige keuze weerspiegelen om gehecht te blijven aan lichamen en dus aan individualiteit, en dus aan de afscheiding van God. De Heilige Geest brengt je zo weer een les in (zelf)vergeving.

Dit alles betekent overigens niet dat je nooit meer iets medisch zou moeten (laten) doen. Het zou een erg tragische vergissing zijn om te weigeren een arts of ziekenhuis te bezoeken omdat “de ware genezing uit de denkgeest moet komen”. Medisch handelen mag dan een vorm van ‘magie’ zijn, maar Jezus benadrukt in hoofdstuk 2 van het Tekstboek dat daaruit niet volgt dat medisch handelen slecht zou zijn. Hij wil ons er echter wel op wijzen dat magie nooit tot blijvende verlossing leidt. Een Cursusstudent die in balans is, beoefent vergeving en zorgt tegelijkertijd goed voor het lichaam, daarbij nooit vergetend dat de denkgeest altijd de oorzaak is en het lichaam het gevolg daarvan, en bovendien dat iedereen uiteindelijk zal ontwaken uit de dualistische droom; wellicht niet in dit leven, maar dan toch zeker in een toekomstig leven. Jezelf schuldig voelen over je ziekte is dus zo’n beetje het slechtste wat je jezelf kunt aandoen. Besef dat dit slechts een ego-poging is om de afscheiding in stand te houden, en ga vervolgens door met het beoefenen van (zelf)vergeving.

Een laatste wenk over het ‘vroegtijdig’ overlijden van Helen, Bill en Ken. Helen besefte zich ten volste dat ze tot haar laatste snik aan haar ego vasthield, waarmee ze Jezus’ geschenk nog niet volledig voor zichzelf kon ervaren. Voor Bill en Ken lag de situatie volgens mij iets anders. Ik denk dat zij simpelweg hun laatste taak in dit leven hadden voltooid, waarmee ze geen reden hadden hier nog langer ‘rond te hangen’. Veel studenten kennen het verhaal van Bill’s “afstuderen” van de Cursus in zijn laatste levensjaren, toen hij vol vreugde op straat uitriep: “Ik ben vrij, ik ben vrij!”. Kenneth Wapnick verzekerde in zijn laatste dagen iedereen om hem heen dat hij niet stervende was. Het leven, legde hij vaak uit, heeft niets met het lichaam van doen. Hij realiseerde zich ten volste dat hij niet dat lichaam was. Ik vraag me sterk af of Bill en Ken hier nog zullen reïncarneren. Maar, nogmaals, dergelijke mijmeringen over anderen zijn feitelijk afleidingen voor je eigen beoefening van het aanvaarden van de Verzoening. De Heilige Geest (of ‘Innerlijke Leraar’) is de enige Gids die je nodig hebt in je leven. Hij zal je naar je Thuis leiden buiten tijd en ruimte. Voel je niet schuldig over ziek zijn; wees niet bang voor de dood. Alles is een les in liefde die de Heilige Geest je aanbiedt. Om te besluiten met de lieflijke slotzinnen van “De geschenken van God”, opgetekend door Helen in 1978: “Vergeet alles, behalve Mijn onveranderlijke Liefde. Vergeet alles, behalve dat Ik hier ben.” (De Geschenken van God, p.128).

— Jan-Willem van Aalst, december 2017 (Vertaling van: https://miraclesormurder.wordpress.com/2017/12/16/guilty-of-being-ill/)

Geen enkele ontmoeting is toeval

Deze blog heeft een iets ander stramien dan gewoonlijk, in die zin dat ik een soort Kenneth-achtig commentaar geef bij alinea’s van de sectie “De selectie van patiënten” in de “Psychotherapie” Aanvullingen. Niet dat ik zonodig de behoefte voel om Kenneth Wapnick te imiteren, maar zoals Gary Renard in zijn laatste, aan Kenneth opgedragen boek opmerkte: “Ik kan niet jou zijn; maar net als jij, kan ik wel bij de waarheid blijven.” De twee Aanvullingen (“Psychotherapie” en “Het Lied van het Gebed”) worden nog wel eens over het hoofd gezien. Ze waren niet in het dikke blauwe boek opgenomen tot aan de derde editie, en moesten tot dan apart worden aangeschaft. Naar mijn mening presenteert Jezus in deze aanvullingen niet alleen erg belangrijk aanvullend studiemateriaal, maar trakteert hij ons ook op een aantal van de meest ontroerende poëtische passages die de Cursus bevat, om ons te helpen die diep verlangde innerlijke vrede te kunnen vinden. De sectie die we in deze blog bespreken (P.3.I) gaat uit van de notie dat iedereen in deze wereld zowel leerling als leraar is; iedereen is zowel patiënt als therapeut; iedereen demonstreert en leert de hele tijd. Ieders gedrag weerspiegelt slechts de overtuigingen of toewijdingen (altaren) in de denkgeest, en denkgeesten zijn allemaal verbonden. We kunnen er derhalve voor kiezen om onze verlossing te herkennen in iedereen die we tegenkomen. Bovendien is geen enkele ontmoeting toeval:

Ieder die naar jou wordt gezonden, is jouw patiënt. Dit betekent niet dat jij hem uitkiest, en evenmin dat jij de soort behandeling kiest die geschikt is. Maar het betekent wel dat niemand per vergissing naar jou toe komt. Er zijn geen vergissingen in Gods plan. Het zou echter wel een vergissing zijn ervan uit te gaan dat jij weet wat jij ieder die komt te bieden hebt. Het is niet aan jou dit te beslissen. De neiging bestaat aan te nemen dat jou voortdurend wordt gevraagd zelf offers te brengen ten behoeve van degenen die komen. Dit kan allerminst waar zijn. Een offer van jezelf eisen is een offer van God eisen, en Hij heeft geen weet van offers. Wie zou Volmaaktheid kunnen vragen dat Hij onvolmaakt is?” (P-3.I.1)

Wanneer we iemand op straat tegenkomen, beschouwen we die persoon in het algemeen niet als iemand die opzettelijk naar ons toe wordt gebracht om ons een vergevingsles aan te bieden. Toch verzekert Jezus ons dat er geen toevallige ontmoetingen zijn. Iedereen die we ontmoeten biedt ons de gelegenheid om ons onbewuste schuldgevoel en onze angst ongedaan te laten maken; dat wil zeggen, zodra we er voor kiezen van de ontmoeting, hoe kortdurend ook, een heilige ontmoeting te maken. Dit is de term die de Cursus gebruikt voor het besluit om geen verschil in belangen te zien tussen jou en degene die je ontmoet. We zien er natuurlijk verschillend uit, we gedragen ons anders, we hebben verschillende waarden en normen, talenten, en ambities, maar in essentie zijn we exact hetzelfde (d.w.z, van dezelfde geest) en verlangen we ten diepste naar hetzelfde: terugkeer naar de Liefde van God. Deze eenheid in zijn en doel wordt ons uitgelegd in, bijvoorbeeld, hoofdstuk 8 van het Tekstboek: “Telkens wanneer jij iemand ontmoet, bedenk dan dat het een heilige ontmoeting is. Zoals je hem ziet, zie jij jezelf. Zoals je hem behandelt, behandel jij jezelf. Zoals je over hem denkt, denk jij over jezelf. Vergeet dit nooit, want in hem zul jij jezelf vinden of verliezen. Telkens wanneer twee Zonen van God elkaar ontmoeten, wordt hun een nieuwe kans op verlossing geboden. Ga nooit bij iemand weg zonder hem verlossing gegeven en die zelf ontvangen te hebben.” (T-8.III.4:1-7).

Wanneer ik zonder hulp probeer dit gedrag te vertonen, dat wil zeggen vanuit mijn eigen ego-kracht, dan zal de onbewuste pijn van opoffering nooit ver weg zijn, aangezien het ego-axioma altijd is: de één of de ander. Als mijn ego vriendelijkheid geeft, dan ervaar ik dat onbewust als iets dat ik weggeef wat ik liever voor mezelf zou willen houden. Daarom zegt Jezus dat ik op mezelf niet kan weten wat ik eenieder die ik tegenkom kan aanbieden. Maar ik heb een Leraar tot mijn beschikking die dat wel weet: de Heilige Geest, de ware Therapeut. Pas als ik mijn gedachten laat leiden door de Heilige Geest, door niet te veroordelen, wordt de ontmoeting een heilige ontmoeting, en zullen wij allebei (ik en degene die ik ontmoet) het beste uit de ontmoeting halen. In de Psychotherapie Aanvulling vervolgt Jezus:

“Wie beslist er dan wat elke broeder nodig heeft? Zeker niet jij die nog niet inziet wie het is die vraagt. Er is Iets in hem dat jou dat zal zeggen, mits je luistert. En dat is het antwoord: luister. Eis niets, beslis niets, offer niets. Luister. Wat je hoort is waar. Zou God jou Zijn Zoon zenden zonder er zeker van te zijn dat jij inziet wat zijn noden zijn? Bedenk eens wat God jou vertelt: Hij heeft jouw stem nodig om namens Hem te spreken. Kan er iets heiliger zijn? Of een groter geschenk aan jou? Kies je liever wie er god zou zijn dan de Stem te horen van Hem die God is in jou?” (P3.I.2)

Hoe vaak wisten jij en ik absoluut zeker wat het beste zou zijn voor een bepaald persoon om te doen, waar we vervolgens op aandrongen? Dit komt echter louter neer op het projecteren van eigen ego-pijn die we nog niet onder ogen willen zien. En hoewel de Aanvulling is geschreven in de specifieke context van een wereldse patiënt – therapeut relatie, geldt dit advies voor ons allemaal: stop met veroordelen, vanuit de overtuiging dat je de waarheid kent, en luister. “Het merendeel van het onderricht in de wereld volgt een leerplan in oordelen, erop gericht van de therapeut een beoordelaar te maken.” (P–3.II.2:4). Maar laten we ons herinneren: “Als jij op de fouten van je broeders ego wijst, moet je daar wel met het jouwe naar kijken, want de Heilige Geest neemt zijn vergissingen niet waar. […] Wanneer jij überhaupt op vergissingen reageert, luister je niet naar de Heilige Geest. […] Als je Hem [de heilige Geest] niet hoort, luister je naar je ego en ben je even onzinnig als de broeder wiens vergissingen jij waarneemt.” (T9.III.3:1;4:1-4). Het beoefenen van Jezus’ Cursus in wonderen vraagt van ons dat wij een stapje terug doen en de Stem namens Liefde ons denken laat leiden.

Vervolgens wijst Jezus ons er op dat deze uitgangspunten niet alleen gelden voor mensen die we fysiek tegenkomen, maar net zo goed voor mensen waar we aan denken: “Je patiënten hoeven niet fysiek aanwezig te zijn om jou de gelegenheid te geven hen in de Naam van God te dienen. Dit is misschien moeilijk in gedachten te houden, maar God wil niet dat Zijn gaven aan jou beperkt blijven tot de enkelingen die jij daadwerkelijk ziet. Je kunt ook anderen zien, want zien is niet beperkt tot de ogen van het lichaam. Sommigen hebben jouw fysieke aanwezigheid niet nodig. Ze hebben jou even hard, en misschien zelfs meer, nodig op het ogenblik dat ze worden gezonden. Je zult hen herkennen op elke manier die voor jullie beiden het meest behulpzaam kan zijn. Het doet er niet toe hoe ze komen. 8Ze zullen worden gezonden in elke vorm die het meest behulpzaam is: als naam, als gedachte, als beeld, als idee, of misschien alleen maar als gevoel dat je met iemand ergens contact maakt. De verbinding ligt in handen van de Heilige Geest. Ze kan alleen maar lukken.” (P3.I.3).

Dit kan inderdaad lastig zijn om steeds in gedachten te houden. Als we oprecht iemand die we tegenkomen een glimlach schenken, ervaren we een direct gevolg (afhankelijk van met welke leraar we kijken). Maar te lezen dat zelfs het liefdevol denken aan een persoon een minstens zo sterk effect kan hebben, voelt onbekend of zelfs oncomfortabel voor ons. Toch, als we ons herinneren dat denkgeesten verbonden zijn, wordt dit logisch en vanzelfsprekend. Zelfs in het geval van een fysieke ontmoeting vindt de echte verbinding – en dus genezing – plaats op het niveau van de denkgeest. Dus waarom zou fysieke afstand uitmaken? Of zelfs tijd, de vierde dimensie van ruimte? Zoals Jezus uitlegt in hoofdstuk 28 van het Tekstboek: “Verbind je niet met je broeders dromen, maar verbind je met hem [zijn denkgeest], en waar jij je met de Zoon verbindt, daar is de Vader aanwezig.” (T28.IV.10:1). Dus ook liefdevolle gedachten aan overledenen kunnen onze relatie met hen helen.

“Een heilige therapeut, een gevorderde leraar van God, vergeet één ding nooit: hij stelde het leerplan van zijn verlossing niet vast, en bepaalde evenmin zijn aandeel daarin. Hij begrijpt dat zijn aandeel noodzakelijk is voor het geheel, en dat hij door middel daarvan het geheel zal herkennen, wanneer zijn aandeel compleet is. Ondertussen dient hij te leren, en zijn patiënten zijn de middelen die hem daartoe gezonden zijn. Wat kan hij anders dan om hen en jegens hen dankbaar zijn? Ze komen en dragen God met zich mee. Zou hij deze Gave willen afslaan voor een kiezelsteen, of zou hij de deur willen sluiten voor de verlosser van de wereld om een spook binnen te laten? Laat hij de Zoon van God niet verraden. Wie er een beroep op hem doet gaat zijn begrip verre te boven. En zou hij niet blij zijn dat hij antwoorden kan, wanneer hij alleen zo de roep kan horen en begrijpen dat het de zijne is?” (P3.I.4).

Jij en ik kennen waarschijnlijk niet veel therapeuten die op deze manier denken en werken. Maar zie eens hoe simpel het is (hoewel niet noodzakelijkerwijs erg gemakkelijk) om hier een dagelijkse gewoonte van te maken! We komen tenslotte elke dag mensen tegen, en als we willen kunnen we elke dag aan honderden mensen denken. Dat betekent honderden gelegenheden om de Heilige Geest toestemming te geven je eigen denkgeest te genezen! Dit vraagt van mij dat ik mijn eigen veroordelingen gadesla, naar binnen keer, een stapje terug doe en de Heilige Geest vraag om mij vanuit Liefde te gidsen. Combineer dat met het besef dat jij en ik geen lichaam zijn, maar geesten die in Christus verbonden zijn, met de garantie dat iedereen zal terugkeren naar het Hart van God (dat we nooit hebben verlaten, maar dat zijn we vergeten), dan zou ik zeggen dat jij en ik in Jezus’ Cursus een bijzonder aantrekkelijk leerplan hebben gevonden. En mocht het volledig aanvaarden van de Verzoening ons niet in dit leven lukken, dan hebben we onszelf in elk geval een groot plezier gedaan voor ons volgend leven, waarin we de “reis zonder afstand naar een doel dat nooit is veranderd” (T8.VI.9:7) kunnen voltooien. Veel inspiratie gewenst vandaag!

— Jan-Willem van Aalst, december 2017 (vertaling van https://miraclesormurder.wordpress.com/2017/12/02/no-one-comes-to-you-by-mistake/)