Beter omgaan met boosheid

In deze wereld ontkomt niemand aan boosheid, in elk geval niet altijd en overal. Als jij meent dat jij de boosheid voorbij bent, probeer dan bijvoorbeeld eens een Ayahuasca ritueel of een gerichte psychotherapie, om de boosheid te ervaren die zich onder de waterspiegel bevindt van de ijsberg die je denkgeest is. In de zestiger en zeventiger jaren waren therapieën zoals Janos’ Oerschreeuwtherapie, waarin je je woede zo intens mogelijk naar buiten brengt, erg populair. Dat we daar nu veel minder over horen illustreert het feit dat het uiten van woede niets doet met de onderliggende oorzaak. Niets wordt opgelost, en de woede komt vroeger of later weer naar buiten. Er moet een betere manier zijn om met boosheid om te gaan.

In Een cursus in wonderen is het effectief omgaan met boosheid (of, beter gezegd: de oorzaak van boosheid) een belangrijk thema, zoals we lezen in de “Psychotherapie” aanvulling: “Haar [d.w.z.: Psychotherapie] hele functie is de patiënt te helpen één fundamentele dwaling aan te pakken: de overtuiging dat woede hem iets brengt wat hij werkelijk wil, en dat door een aanval te rechtvaardigen hij zichzelf beschermt.” (P2.In.1:5). Aanval volgt uit woede, wat weer voortkomt uit veroordeling. De Cursus onderwijst ons dat veroordeling gelijkstaat aan ‘niet-vergeving’. “Want psychotherapie, mits juist begrepen, onderwijst vergeving en helpt de patiënt deze te herkennen en aanvaarden.” (P1.In.2:6). Dus Jezus vindt dat het omgaan met boosheid een cruciaal onderdeel is van zijn leerplan voor blijvende innerlijke vrede, en dit leren we door het beoefenen van vergeving.

Maar waar gaat onze boosheid eigenlijk over? Waarom blijven we toch steeds maar veroordelen, terwijl we net zo makkelijk voor innerlijke vrede zouden kunnen kiezen? We blijven met z’n allen bijvoorbeeld maar klagen over het weer, terwijl we heel goed weten wat we daar geen enkele invloed op hebben. Ook blijven veel mensen steeds maar klagen over anderen – hun collega’s, manager, ouders, noem maar op – terwijl ze best weten dat al dat geklaag beslist geen gedragsverandering teweeg gaat brengen in de ander. Dus waarom blijven we dat doen? Zoals wel vaker vermeld in deze blogs, houden we ervan om te kunnen vingerwijzen naar mensen en situaties om ons heen, zodat we kunnen bewijzen dat ‘het kwaad’ zich buiten ons bevindt, en niet in onszelf. We projecteren daarmee ons onbewuste schuldgevoel weg over de ‘slechtheid’ van onze (schijnbare) afscheiding van God. Dankzij dit vingerwijzen zal al het kwaad ‘buiten mij’ gestraft worden, terwijl ik zal worden toegelaten tot de Hemel.

Hoewel dit alles vanuit het oogpunt van Een cursus in wonderen volstrekt illusoir is, omdat tijd en ruimte zelf denkbeeldig zijn, zijn we er niettemin nog steeds rotsvast van overtuigd dat de afscheiding van God werkelijk heeft plaatsgevonden; immers, alles wat onze ogen, oren, neus, tong en aanrakingen bemerken getuigt hiervan. Nogmaals, aangezien wij het schuldgevoel hierover te verschrikkelijk vinden om onder ogen te zien, projecteren we deze ‘kardinale zonde van afscheiding’ weg, zelfs terug naar God zelf: “Je was in vrede tot je om een speciale gunst hebt gevraagd [d.w.z., erkend te worden als autonoom individu; de afscheiding van eenheid]. En God heeft die niet verleend, want het verzoek was Hem wezensvreemd, en je kon zoiets niet vragen van een Vader die Zijn Zoon waarlijk liefheeft. Daarom heb jij van Hem een liefdeloze vader gemaakt, en van Hem geëist wat alleen een dergelijke vader geven kon.” (T13-III.10:2-4).

Met andere woorden, al onze boosheid, of dat nu het weer betreft, onze leidinggevende, of ons eigen aftakelende lichaam, is uiteindelijk slechts een flauwe weerspiegeling van onze boosheid jegens God, Die ‘weigert’ ons te op te merken als belangrijk, speciaal, autonoom individueel wezen. Talloze generaties hebben onophoudelijk tot God gebeden om ze in deze wereld te helpen met van alles en nog wat, en wat zien we: God antwoordt niet, omdat vanuit de Hemel gezien er hier niets te ‘fixen’ valt, omdat er geen wereld is. Onze conclusie: God wijst ons af! Dat we elke dag moeten ondervinden dat onze poging om God als ultieme Schepper van de troon te stoten heeft gefaald (dingen lopen immers altijd anders, en het lichaam takelt af en sterft), maakt onze woede alleen maar groter. We schreeuwen voortdurend: “Zo wil ik het hebben!”, maar we ervaren voortdurend conflicten, omdat iedereen nu eenmaal iets anders wil en wij elkaar door veroordeling en aanval alleen maar schade berokkenen. Jezus licht toe: “Je broeder is je ‘vijand’, omdat jij in hem de rivaal voor jouw vrede ziet, een plunderaar die zijn vreugde van jou rooft en jou met niets anders achterlaat dan een donkere wanhoop, zo bitter en meedogenloos dat er geen hoop overblijft. Nu is wraak het enige wat er nog te wensen valt.” (WdI.195.3:1). Zo rechtvaardigen wij onze boosheid, waarbij ‘boosheid’ alles inhoudt van “een lichte ergernis tot intense woede” (Wd1.21.2:5).

In Een cursus in wonderen onderwijst Jezus ons dat het “…wellicht nuttig is te onthouden dat niemand kwaad kan worden op een feit.” (H17.4:1). Woede ontstaat altijd door mijn interpretatie van een situatie of persoon. Derhalve concludeert Jezus: “Als woede voortkomt uit een interpretatie en niet uit een feit, is die nooit gerechtvaardigd. Zodra dit begrepen wordt – al is het maar vaag –, dan staat de weg open. Nu is het mogelijk de volgende stap te zetten. Eindelijk kan de interpretatie gewijzigd worden.” (H17.8:6-9). Ah, dus daarom instrueert Jezus mij om mijn denkgeest te trainen om zich steeds iets sneller te realiseren dat “Ik nooit onvrede voel om de reden die ik denk” (Wd1.5). Ik dacht altijd dat ik boos werd op wat mijn zintuigen mij voorschotelen, en wat ik beslist als de waarheid beschouw; maar nu kan ik zien dat ik boos word vanwege mijn interpretatie van iemand of iets, wat sowieso niets met de werkelijkheid van doen heeft. “Er is geen wereld!” (Wd1.132.6:2) Mijn boosheid gaat dus uiteindelijk over mijn onbewuste projectie van mijn schuld op God (Die hier helemaal niets van weet, buiten tijd en ruimte). Daarom is het zo belangrijk dat ik leer mezelf te vergeven voor de duisternis in mijn eigen denkgeest.

Dat gezegd hebbende, zouden jij en ik niet moeten denken dat we hoger op de ‘ladder van vergeving’ zijn dan waar we feitelijk staan. Dit principe van vergeving intellectueel vatten betekent beslist niet dat we nooit meer boos zullen worden. Integendeel, dit inzicht zorgt er juist voor dat onze ‘heksenketel’ van onderdrukte woede alleen maar duidelijker in beeld komt. De Heilige Geest gebruikt onze dagelijkse situaties als lesruimte om ons gelegenheden te bieden deze duisternis stukje bij beetje ongedaan te laten maken. Maar het helpt niet om onszelf te vertellen dat onze woede niets voorstelt “omdat er in werkelijkheid geen wereld is”. Dat maakt de woede niet ongedaan. Het is veel beter om de woede volledig in het gewaarzijn toe te laten, maar dan als observator (of keuzemaker) boven het slagveld (T23.IV). Als je als observator de woede heel goed in je lijf kunt voelen, maar het niet uit te leven, en in plaats daarvan te vragen: “Gaat dit mij helpen? Wat als ik hier anders mee zou omgaan?”, dan zul je merken dat de golf van woede langzaam wegebt. De keuzemaker heeft voor de Heilige Geest gekozen, Die met vreugde Zijn licht doet schijnen op je duisternis, en die duisternis daarmee vervangt met de vrede van God.

Een laatste wenk over dit bedrieglijk eenvoudige proces: het werkt pas echt goed als je zonder boosheid het metafysische principe kunt aanvaarden dat de Zoon van God (d.w.z. al het leven) één is, en dat individualiteit nooit tot blijvende innerlijke vrede zal leiden – niet nu, en nooit niet. Zeker in het begin van mijn oefeningen ben ik best bereid om naar de Stem van de Heilige Geest te luisteren, maar alleen op voorwaarde dat ik mijn eigen kleine zelfje mag behouden. Dat is de reden dat de meeste psychotherapieën uiteindelijk niet werken, zoals we in de Psychotherapie-aanvulling lezen: “Hun [d.w.z., de patiënten] oogmerk is hun zelfbeeld precies zo te kunnen handhaven als het is, maar zonder het lijden dat dit met zich meebrengt. Hun hele evenwicht berust op de krankzinnige overtuiging dat dit mogelijk is.” (P2.In.2:3-4). Dat is de reden dat Jezus ons onderwijst dat gedurende dit proces van het onder de knie krijgen van totale vergeving, wij door een “donkere nacht van de ziel” zullen gaan, waarin wij ons realiseren dat verlossing is gelegen in het inzicht dat autonome individualiteit een aanval op de Hemel is. Verlossing vraagt van ons dat wij loslaten wat wij als onze individuele kern beschouwen. Maar zelfs dat gezegd hebbende, is het altijd voldoende om ons vertrouwen te stellen in Jezus / de Heilige Geest, die ons naar blijvende innerlijke vrede zullen leiden, naar de werkelijke wereld, in het tempo dat wij bereid zijn te aanvaarden. Voel je dus beslist niet schuldig zodra je merkt dat je weer boos wordt, maar probeer wel om dit als keuzemaker zo snel als mogelijk over te geven aan je Innerlijke Leraar.

— Jan-Willem van Aalst, november 2017 (vertaling van https://miraclesormurder.wordpress.com/2017/11/18/angry-deal-with-it/)

We nemen waar wat we wensen

Wij zijn allemaal grootgebracht met het idee dat degenen die op deze planeet de beste kansen hebben om te overleven, degenen zijn die zich het beste aanpassen aan de omgeving waarin ze leven. Ons is geleerd om de mensen, plaatsen en situaties om ons heen goed te beoordelen, en er dan zó op te reageren dat dit ons welzijn en onze effectiviteit in dit leven helpt. We kijken om ons heen; we geven betekenis aan wat onze zintuigen waarnemen, en reageren daar vervolgens op. Deze wereld is duidelijk een stimulus-respons omgeving waar wij ons zo goed mogelijk aan proberen aan te passen.

Hoe ontstellend is het dan om in Een cursus in wonderen te lezen dat dat een volstrekt omgekeerde uitleg van de werkelijkheid is! De nondualistische metafysica van Een cursus in wonderen, waar overigens veel elementen uit de kwantumfysica in zitten, vertelt ons dat wij geen effect zijn van de wereld waarin we lijken te leven: wij hebben die gemaakt, de gehele notie van tijd en ruimte incluis. Het is duizelingwekkend om te lezen dat de collectieve denkgeest die we allemaal delen (een beetje zoals de collectieve beweging van een zwerm vogels), de hele kosmos in tijd en ruimte heeft bedacht, waarin die zich versplintert in miljarden stukjes materie en “leven”, zonder herinnering aan de oorzaak ervan, alleen maar om zich te kunnen verstoppen voor de wraakzuchtige Schepper die boos op Zijn Zoon is vanwege de ongehoorde afscheiding van Eenheid. Maar dat is precies wat Jezus ons probeert duidelijk te maken in zijn Cursus: onze zintuigen tonen ons niet de werkelijkheid; wij hebben zintuigen gemaakt om de werkelijkheid van de Eenheid buiten tijd en ruimte uit ons geheugen te bannen, om in een dualistische droom onszelf als autonoom individu te kunnen ervaren.

In het werkboek vertelt Jezus ons: “Het doel van al het zien is jou te tonen wat jij wenst te zien. Al het horen brengt jouw denkgeest slechts de geluiden die hij horen wil. Zo werden specifieke vormen gemaakt.” (WdI.161.2:5-3:1). En uit het tekstboek: “Je ziet wat je verwacht, en je verwacht wat je uitnodigt. Je waarneming is het resultaat van je uitnodiging, en komt naar je toe zoals je haar hebt besteld.” (T12.VII.5:1-2). Vandaar Jezus’ algemene stelregel, die we op allerlei plekken in de Cursus teruglezen: projectie maakt perceptie (T13.V.3:5; T-21.in.1:1). De schijnbaar slapende ene Zoon van God projecteerde zijn schuldgevoel over de schijnbare zonde van afscheiding weg; de schuld wordt nu gezien in de miljarden fragmentjes, met het overgebleven waargenomen zelf als onschuldig slachtoffer in een onberekenbare wereld. Toch blijven zowel schuld als onschuld in alle denkgeesten, want ideeën verlaten niet hun bron (T26.VII.4:7). We hebben lichamen in allerlei vormen buiten onszelf verzonnen zodat we alle schuld buiten onszelf kunnen zien. En we zijn voortdurend op onze hoede, angstig dat die vormen ons vroeg of laat zullen aanvallen en vermoorden.

Daarom, zo legt Jezus uit, is alles en iedereen die we waarnemen, onszelf incluis, slechts een vorm van niet-vergeving: “Het is zeker zo dat alle ellende er niet slechts als niet-vergeven uitziet. Maar dat is de inhoud achter de vorm.” (WdI.193.4:1-2). Omdat we rotsvast geloven dat wat onze ogen en oren zien en horen klopt, vragen we ons nooit af of onze waarneming misschien wel een foutieve interpretatie zou kunnen zijn: “Van één ding was je zeker: van al de vele oorzaken die jij zag als brengers van pijn en lijden voor jou, was jouw schuld er niet een van. En evenmin heb jij er op enige wijze voor jezelf om verzocht. Zo ontstonden alle illusies. Degene die ze maakt ziet zichzelf niet als hun maker, en hun realiteit berust niet op hem. Welke oorzaak ze ook hebben staat volkomen los van hem, en wat hij ziet is gescheiden van zijn denkgeest. Hij kan de werkelijkheid van zijn dromen niet in twijfel trekken, omdat hij niet ziet welk aandeel hij erin heeft ze te produceren en een schijn van werkelijkheid te verlenen.” (T-27.VII.7:4-9)

Samenvattend tot zover: Een cursus in wonderen, een strikt non-dualistisch spiritueel leerplan, onderwijst ons dat wij niet eerst waarnemen en dan reageren: we kiezen eerst wat we (onbewust) wensen, en vervolgens nemen we dat waar. Onze oorspronkelijke wens was om los van God (Eenheid) te bestaan, en om de schuld daarover die we niet onder ogen willen zien kwijt te raken, verzonnen we een hele verzameling (levens)vormen waar we alle schuld in zien, buiten onszelf. Dat is de inhoud achter alle vorm. Onze zintuigen nemen die vormen waar en bevestigen dat alle zonde en schuld zich inderdaad buiten onszelf bevindt. Dit proces van voortdurend waarnemen leidt de denkgeest zo af dat we ons nooit afvragen of onze waarneming en interpretatie eigenlijk wel zijn te vertrouwen. En zo strompelen we voort in deze wereld als bannelingen in een vreemd oord, “onzeker, eenzaam, en in voortdurende angst” (T31.VIII.7:1).

Je zou hier tegenover kunnen stellen dat dit alles misschien klopt vanuit de metafysica gezien, maar dat dat voor ons leven hier weinig praktische waarde heeft. Zolang wij onszelf nog ervaren in de tijd en de ruimte, hoe kan dit inzicht nu allen helpen die “…nog steeds de uren tellen aan de hand waarvan ze opstaan, werken en gaan slapen?” (WdI.169.10:4) Welk praktisch nut heeft abstracte nondualiteit eigenlijk zolang we ons nog steeds moeten bekommeren om het betalen van de rekeningen en de belastingen, en een klein beetje orde en structuur te houden in de uren, dagen en jaren van ons leven? Dit brengt ons bij de kern van Jezus’ boodschap in Een cursus in wonderen: ‘Misschien geloof je nog niet ten diepste dat de wereld in werkelijkheid niet bestaat, maar je kunt wel inzien dat je een gespleten denkgeest hebt die op elk moment kiest tussen veroordeling (de stem van het ego) en vrede (de stem van de Heilige Geest, ofwel ware intuïtie).’

“Wiens manifestaties wil je zien? Van wiens tegenwoordigheid wil je overtuigd worden? Want je zult geloven in wat je manifesteert, en zoals je naar buiten kijkt zo zul je naar binnen zien. […] Het ego vindt wat het zoekt, en niets meer dan dat. Het vindt geen liefde, want dat is niet wat het zoekt. Maar zoeken en vinden zijn hetzelfde, en als je twee doelen zoekt, zul je die vinden, maar geen van beide herkennen. Bedenk steeds dat jij ziet wat je zoekt, want wat je zoekt, zul je vinden.” (T12.VII.5:3-6:3). Met andere woorden: hoewel we gewoonlijk vooral zonde en schuld om ons heen waarnemen, omdat we de wereld daarvoor hebben gemaakt, heeft de keuzemaker in onze denkgeest de mogelijkheid om een andere Gids voor het denken te kiezen: de Heilige Geest, de Stem namens Liefde. Dit is een cruciale keuze, willen we ooit onze ellende achter ons kunnen laten: waar we voorheen naar afscheiding en autonomie zochten, kiezen we er nu voor om gelijkheid en eenheid waar te nemen. Niet qua vorm, maar qua inhoud. En Jezus legt ons geduldig uit dat de eerste manier van kijken louter leidt tot lijden, terwijl de tweede manier altijd tot innerlijke vrede leidt.

“Wie vergezelt mij?’ Deze vraag moet duizend keer per dag worden gesteld, tot zekerheid een eind aan twijfel heeft gemaakt en vrede tot stand heeft gebracht.” (WdI.156.8:1-2). Jezus bedoelt dit tamelijk letterlijk. Omdat we onszelf zó geconditioneerd hebben in het zien van ellende en (potentiële) boosdoeners buiten ons, zelfs als we dat ontkennen in een roze wolk van ‘gelukssulligheid’, zouden we steeds alert moeten zijn op welke gids de keuzemaker in onze denkgeest van moment tot moment kiest: we luisteren ofwel naar de stem van het ego, of die van de Heilige Geest. Deze keuze maken we letterlijk duizenden keren per dag. Het loont dus om ons vaak af te vragen voor welke stem we eigenlijk kiezen.

Ik besluit met een inspirerende passage uit dezelfde werkboekles 156, die ons eraan doet herinneren dat verlossing niet is gelegen in hoe wij de wereld interpreteren, maar in hoe de Heilige Geest deze wereld interpreteert, namelijk als lesruimte om onvoorwaardelijke vergeving onder de knie te krijgen, waarmee alle duisternis in de denkgeest mild ongedaan wordt gemaakt, wat tot blijvende innerlijke vrede leidt (WdI.156.6): “Als jij een stap terugdoet, treedt het licht in jou naar voren en omspant de wereld. Het kondigt niet het eind van zonde aan in straf en dood. Zonde verdwijnt in lichtheid en gelach, omdat haar grillige absurditeit wordt doorzien. Het is een dwaze gedachte, een onnozele droom, niet beangstigend, lachwekkend misschien, maar wie wil ook maar een moment verspillen aan zo’n zinloze gril terwijl hij God Zelf benadert? Toch heb jij aan precies deze dwaze gedachte vele, vele jaren verspild. Het verleden met al zijn fantasieën is voorbij. Ze houden je niet langer gebonden. De nadering tot God is nabij. En in de kleine tussenpoos van twijfel die nog rest, verlies jij misschien je Metgezel uit het oog en verwar je Hem met de zinloze, oeroude droom die nu voorbij is. […] Laat vandaag twijfel eindigen. God spreekt voor jou en geeft met deze woorden antwoord op jouw vraag:

Ik ga met God in volmaakte heiligheid. Ik verlicht de wereld, ik verlicht mijn denkgeest en alle denkgeesten die God als één met mij geschapen heeft.”

— Jan-Willem van Aalst, november 2017 (vertaling van https://miraclesormurder.wordpress.com/2017/11/11/we-wish-and-then-perceive/)

De hartslag van de vrede hinderen

De laatste vijf lessen in het werkboek van Een cursus in wonderen hebben allemaal dezelfde lijvige titel: “Dit heilig ogenblik wil ik U geven. Neemt U het in handen. Want U wil ik volgen, in de zekerheid dat Uw leiding mij vrede geeft.” (WdII.361-365). Eén van Jezus’ belangrijkste doelen met het werkboek is overduidelijk m zijn studenten te motiveren een stapje terug te doen, in het besef dat zij het over alles in het leven bij het verkeerde eind hadden, om hun levens voortaan te laten leiden door het advies van de Heilige Geest, op welke manier dan ook. De beloning: “Vrede; geluk; een kalme denkgeest; doelgerichtheid en een gevoel van waarde en schoonheid dat de wereld overstijgt; zorg en geborgenheid en de warmte van een veilige bescherming voor altijd” (WdI.122.1). Dat lijkt aanlokkelijk genoeg, zou je zeggen? Dus waarom kiezen we daar dan toch steeds niet voor?

Veel studenten van Een cursus in wonderen weten maar al te goed waarom wij nog steeds niet doorlopend voor die Leiding kiezen: we denken nog steeds als afgescheiden zelf beter te weten wat we moeten doen om blijvende innerlijke vrede en geluk te vinden. Uiteraard lopen alle pogingen daartoe uiteindelijk op niets uit, simpelweg omdat elke ingebeelde poging om iets anders dan perfecte eenheid te zijn per definitie niet kan werken: “Je was in vrede tot je om een speciale gunst hebt gevraagd. En God heeft die niet verleend, want het verzoek was Hem wezensvreemd, en je kon zoiets niet vragen van een Vader die Zijn Zoon waarlijk liefheeft. Daarom heb jij van Hem een liefdeloze vader gemaakt, en van Hem geëist wat alleen een dergelijke vader geven kon” (T13.III.10:2-4). En dus hebben we deze ingebeelde god laten weten dat wij heel goed voor onszelf kunnen zorgen, en heel goed in staat zijn om zélf vrede en geluk te vinden.

Al vroeg in het tekstboek rekent Jezus af met de mythe die als basis dient voor ons geloof dat we op onszelf vrede en geluk zouden kunnen vinden: “Ten eerste: je gelooft dat wat God geschapen heeft, door jouw eigen denkgeest kan worden veranderd. Ten tweede: je gelooft dat wat volmaakt is, onvolmaakt of gebrekkig kan worden gemaakt. Ten derde: je gelooft dat je de scheppingen van God, jouzelf inbegrepen, kunt misvormen. Ten vierde: je gelooft dat jij jezelf kunt scheppen en dat de richting van je eigen schepping door jou wordt bepaald. Deze onderling verwante verdraaiingen geven een beeld van wat zich eigenlijk afspeelde bij de afscheiding oftewel de ‘omweg door de angst’ (T2.I.1:9-2:1). Jezus maakt het op vele plekken in zijn Cursus duidelijk dat dit alles nooit heeft kunnen gebeuren; tijd en ruimte vormen samen de illusie van dualiteit, waarin iedereen en alles “onzeker, eenzaam en in voortdurende angst” (T31.VIII.7:1) probeert te overleven. Maar in ons dagelijks leven geloven we er rotsvast in dat de afscheiding daadwerkelijk is gebeurd, en dat wij nog steeds heel goed zelf kunnen bepalen wat ons verlossing (of vervulling) zal brengen.

In hoofdstuk 29 van het tekstboek schotelt Jezus ons de kern van zijn boodschap voor: “Wat wil je liever, gelijk of geluk? Wees blij dat jou gezegd is waar het geluk woont, en zoek niet langer elders” (T29.VII.1:9-10; mijn cursivering). Geluk is gelegen in de keuze om onze gekoesterde autonome individualiteit af te leggen, en ervoor te kiezen terug te keren naar de Eenheid in het Hart van God. Dis is de ultieme verschrikking voor het ego, want dit betekent zijn ondergang. Jezus vervolgt: “Niemand komt hier zonder nog enige hoop, een of andere langslepende illusie, of een droom te hebben dat er buiten hem iets is wat hem geluk en vrede brengen zal” (T29.VII.2:1). Dit geldt voor eenieder die nog op deze planeet rondwandelt. Iedereen die hier is geboren heeft de gedachte omarmd, als afgescheiden fragmentje van de ene slapende Zoon van God, dat geluk misschien hier in tijd en ruimte als individu toch te vinden zal zijn. Jezus legt ons met groot geduld uit dat dit niet zo is, en dat er bovendien iets veel beters is, wat we zullen ervaren zodra we ontwaken uit de ego-droom van dualiteit.

Het ego leest ‘ontwaken’ als ‘zelfvernietiging’. Omdat we ons zo enorm vereenzelvigen met het ego, saboteren we onze spirituele voortgang voortdurend (dat wil zeggen, we blijven maar afwijzen, oordelen en veroordelen), totdat de pijn ons teveel wordt en we uitroepen dat er ‘een betere weg’ moet zijn. Volgens Een cursus in wonderen heet die ‘betere weg’ vergeving – niet in de zin van het kijken naar de serieuze fouten van anderen en daar dan in alle nobelheid zand over te doen, maar in de zin van het zien van ‘het gelaat van Christus’ in elk levend wezen, en vreugdevol iedereen als dezelfde Zoon van God beschouwen, die niet kan zondigen. Dit beoefenen van ware vergeving is een traag proces dat uiteindelijk leidt tot het ontwaken tot de werkelijke wereld, waarin we onszelf nog steeds in een lichaam ervaren dat samen met andere lichamen leeft, maar die allemaal als de ene Zoon van God worden waargenomen, zonder vergelijk, zonder afwijzing of veroordeling. Van buiten tijd en ruimte gezien zijn we al ontwaakt. We herbeleven slechts de film van de tijd tot het moment waar de film nu lijkt te zijn.

Deze blije denkstaat van vergeving, of juist gericht denken, is niet iets wat ik kan cultiveren in het ego-deel van mijn denkgeest. Dat zou vruchteloos zijn, omdat het ego nu eenmaal het idee van afscheiding, veroordeling en aanval is. Wel kan ik me realiseren dat ik behalve voor het ego, ook voor een andere gids zou kunnen kiezen (de Heilige Geest), die óók nu al in mijn denkgeest huist: “De Heilige Geest is in heel letterlijke zin in jou. Het is Zijn Stem die jou terugroept naar waar je vroeger was, en weer zult zijn. Zelfs in deze wereld is het mogelijk alleen die Stem te horen en geen andere” (T5.II.3:7-9). En uit hoofdstuk 18 uit het tekstboek: “Je hebt je vergist te denken dat het nodig is jezelf op Hem voor te bereiden. Het is onmogelijk op een arrogante manier voorbereidingen voor heiligheid te treffen en niet tegelijk te geloven dat jij de voorwaarden voor vrede bepaalt. God heeft die bepaald. […] Jouw bereidwilligheid is alleen nodig om het mogelijk te maken jou te onderwijzen wat ze zijn” (T18.IV.4:3-5;7). Het kiezen voor vergeving is dus een voortdurende oefening om steeds vaker voor de Heilige Geest te kiezen, waarmee het getetter van het ego steeds iets meer naar de achtergrond verschuift. Zo worden duistere plekken in de denkgeest één voor één mild ongedaan gemaakt.

De stem van de Heilige Geest is als het ware de hartslag van de vrede die altijd in mijn denkgeest klopt, maar die verduisterd blijft zolang ik mijn aandacht op mijn ego gericht hou, door steeds mensen en situaties om me heen te blijven aanvallen. De kern van een goede beoefening van vergeving is dus het niet langer hinderen van deze hartslag van de vrede. Dit doe je door simpelweg niet langer meer te beschuldigen en te veroordelen. En als ik zeg ‘simpelweg’, dan betekent dat niet dat het makkelijk is om vol te houden. Écht stoppen met veroordelen kun je min of meer vergelijken met de pogingen van talloze mensen om écht te stoppen met roken: je weet dat het slecht voor je is, en toch ga je er mee door. Allereerst hebben we een helder besef nodig van ons doel hier in dit leven in tijd en ruimte (dat wil zeggen: het leren inzien dat wij de dromer van de droom zijn en dat we de Verzoening met Eenheid kunnen leren aanvaarden), en wat verder nodig is, is een goed besef van wat jij en ik feitelijk zijn: de pure geest van de ene Zoon van God, die desalniettemin lijkt te slapen in een droom die over tijd en ruimte gaat. Het kan behulpzaam zijn om je te realiseren dat jij en ik hier waarschijnlijk niet voor het eerst op deze planeet rondlopen, en ook niet voor het laatst. Zolang er nog ware vergevingslessen te leren zijn, zullen we blijven reïncarneren, niet omdat we gestraft worden, maar omdat wij zélf nog steeds voor veroordeling kiezen. Dus, nogmaals: de ‘koninklijke weg’ naar de werkelijke wereld is: stop met het hinderen van de puls van de vrede, door er steeds vaker voor te kiezen niet te veroordelen.

Telkens als ik mezelf erop betrap geïrriteerd te raken over wat dan ook, kan ik mezelf realiseren dat de betreffende situatie zelf niets met mijn verlossing van doen heeft; sterker nog: met mijn irritatie richt ik het zwaard op mezelf. Veroordeling pijnigt mijn eigen denkgeest, omdat dit het ego voedt en de Stem van de Heilige Geest verder doet verstommen. Als bijvoorbeeld mijn echtgenote of mijn ouders weer eens als een angel werken, kan ik me realiseren dat het niet belangrijk is, althans niet voor verlossing. Dat betekent niet dat je je van de wereld zou moeten afkeren. Elke ego-pijn die naar voren komt mag liefdevolle aandacht krijgen, vanuit het besef dat het allemaal in de denkbeeldige wereld gebeurt. Maar het is ook niet handig om gelijk al je verzekeringen op te zeggen omdat “God in deze wereld voortaan voor me zal zorgen”. Als leraar van God leef je een normaal leven net als iedereen, alleen straal je nu veel krachtiger vrede uit, waar je voorheen veroordeelde. Die innerlijke vrede blijft niet onopgemerkt! “Wanneer ik genezen word, word ik niet alleen genezen” (WdI.137). Vrede uitstralen nodigt vrede uit. Als je een maand lang redelijk succesvol oefent met het loslaten van veroordeling, zul je je op een gegeven moment met verbazing realiseren hoe vredig je je voelt in vergelijking met vorige jaren, die gevuld waren met afwijzing en aanval. Deze realisatie voedt weer ‘het kleine beetje bereidheid’ (T18.IV) dat Jezus van ons vraagt om hem te volgen naar de werkelijke wereld, waar we de poort naar ons ware Thuis waarnemen, en waar we niet zullen aarzelen om die te betreden, waarna we opgaan in de eeuwige vrede van onze Schepper die ‘alle begrip te boven gaat’.

— Jan-Willem van Aalst, november 2017 (vertaling van https://miraclesormurder.wordpress.com/2017/11/04/hindering-the-pulse-of-peace/)