Schuldig omdat je vergat te oefenen

Ieder mens begaat kleine en grote blunders in het leven. Dat is hier onvermijdelijk. Kun jij je een bijzonder gênante situatie herinneren waarin je simpelweg vergat op te letten, waardoor iets helemaal fout ging? Ik wel. Het voelt enorm ongemakkelijk. Zo nu en dan lijken dergelijke situaties zich aan te dienen, schijnbaar ongevraagd. Zulke gevoelens van verlegenheid en onwaardigheid houden je gedachten een poosje bezig, totdat de dagelijkse bezigheden onze aandacht weer opeisen en we het gevoel terzijde schuiven. Maar vroeger of later komt er toch weer zo’n situatie langs, die ons er weer aan herinnert. We lijken het verleden voortdurend levend te houden. Dat is overduidelijk één van de vele strategieën van het ego om schuld springlevend te houden in de denkgeest. Want wie zouden we zijn zonder schuld?

Een cursus in wonderen helpt ons in te zien dat alle gevoelens die wij over schuld, schaamte en ontoereikendheid hier lijken te ervaren, slechts flauwe weerspiegelingen zijn van de oorspronkelijke schuld die we voelden vanwege onze zonde om ons van God af te scheiden, vlak voordat de tijd begon. We kennen deze ‘oorspronkelijke vergissing’ allemaal van het Bijbelse verhaal over Adam en Eva in het boek Genesis. Deze archetypische prototypen van het ego zondigden tegen God door van de verboden vrucht van de boom der kennis te eten. Ze realiseerden zich dat ze iets verschrikkelijks hadden gedaan, en voelden zich direct enorm schuldig en onwaardig. En ja hoor: God strafte ze zwaar voor hun ‘blunder’. Dit is het metaforische verhaal van ons allemaal. Doordat we ervoor kozen een leven los van God te willen leiden, in volkomen afscheiding van Hem, hebben we onszelf veroordeeld tot een leven van lijden, pijn en dood (zoals Kaïn en Abel daarna duidelijk demonstreerden), en zullen we voortdurend blunders blijven maken.

Een cursus in wonderen ontdoet dat verhaal van de mythologische beeldspraak en verklaart het psychologische beginsel dat de denkgeest regeert over dit concept van zonde en schuld. Het goede nieuws is dat het allemaal denkbeeldig is (want afscheiding van God kan in werkelijkheid helemaal niet). We leken slechts in slaap te vallen, en dromen nog steeds over tijd en ruimte, waarin we autonoom en op onszelf zijn. Het slechte nieuws is dat we zijn vergeten dat we de hele tijd slapen. Omdat onze angst voor de bestraffing door God voor onze oerzonde van afscheiding ons ertoe leidde onszelf te verbannen naar een ingebeeld universum van versplinterde materie, herinneren wij ons niet dat het onze keuze was om in een nachtmerrie van fragmentatie, waarneming en tijd te geraken. Zoals Jezus het zegt: “En hier vind je de oorzaak van jouw blik op de wereld. Ooit was jij je niet bewust van wat in werkelijkheid de oorzaak moet zijn van alles wat de wereld jou ongenood en ongevraagd leek op te dringen. Van één ding was je zeker: van al de vele oorzaken die jij zag als brengers van pijn en lijden voor jou, was jouw schuld er niet een van. En evenmin heb jij er op enige wijze voor jezelf om verzocht.” (T27.VII.7:2-5). Daar klampen we ons aan vast.

We worden geplaagd door schuldgevoel, maar in deze droomwereld verbeelden we ons dat alle oorzaak van onrust en schaamte altijd buiten onszelf ligt: onbetrouwbare mensen, de wet van Murphy, het weer, ouders, politici, bazen, noem maar op. Ik ben onschuldig; het kwaad bevindt zich buiten mij. En toch, onder al dat vingerwijzen, blijft steeds dat onbestemde knagende gevoel van onze eigen onwaardigheid, en de angst dat als we daar werkelijk naar zouden kijken, wij zouden moeten inzien dat wij de schuldige zondaar zijn, niet iemand anders. Jezus legt dit als volgt uit: “Jij denkt dat slechtheid, duisternis en zonde in jou huizen. Jij denkt dat als iemand de waarheid over jou kon zien, hij zou worden afgestoten en voor je terug zou deinzen als voor een giftige slang. Jij denkt dat als jou de waarheid over jou werd geopenbaard, je met zo’n intense afschuw zou worden vervuld, dat je halsoverkop de hand aan jezelf zou slaan, omdat het je onmogelijk zou zijn nog verder te leven na dit te hebben gezien. Dit zijn overtuigingen die zo vast verankerd zijn dat het moeilijk is je te helpen inzien dat ze op niets zijn gebaseerd.” (WdI.93.1). Ze zijn op niets gebaseerd omdat de droomwereld waarin we denken te leven op niets is gebaseerd.

Niemand ontkomt aan volledig aan dat knagende schuldgevoel dat we steeds wegdrukken maar dat af en toe toch weer opduikt, schijnbaar ongevraagd. Dat geldt net zo goed voor Cursusstudenten. Het werkboek zelf is daar een goed voorbeeld van. Het is welbekend dat geen enkele Cursusstudent het werkboek perfect in één jaar voltooit. Het is zelfs zo dat Jezus zijn werkboek heeft opgezet om ons te doen inzien dat we toch niet zo verlicht zijn als we gehoopt hadden: het vergt een lang en langzaam proces van ijverige oefening om onszelf toe te laten een stapje terug te doen (loslaten) en vervolgens het liefdevolle advies van de Heilige Geest te volgen (toelaten) om het ego stap voor stap ongedaan te laten maken. En toch, wie kent niet het enorme schuldgevoel dat boven komt drijven zodra je merkt dat je de specifieke les voor vandaag toch niet volgens Jezus’ instructies hebt gedaan? Dit is precies het gevoel van ontoereikendheid waarvan Jezus ons aanspoort om dit niet te ontkennen of te onderdrukken, maar in alle kalmte te bekijken – samen met hem.

Telkens als we merken dat we een werkboekles niet perfect hebben uitgevoerd en wij ons daarover schuldig of ontoereikend gaan voelen, zouden we ons in blijdschap moeten realiseren dat we onszelf zojuist een prachtige gelegenheid tot zelf-vergeving hebben geboden. Dit schuldgevoel weerspiegelt namelijk slechts het oorspronkelijke schuldgevoel van Adam en Eva (d.w.z., het ego) over hun afwijzing van God, wat het “nietig, dwaas idee” is dat in werkelijkheid nooit is gebeurd. Het ego herinnert ons slechts aan deze schuld, louter om het eigen bestaan als een afgescheiden individu zeker te kunnen stellen. Maar het is allemaal een illusie. Een veel betere reactie zou iets zijn in de trant van: “Dank je wel, ego, dat je me er weer bewust van maakt dat ik hier samen met Jezus anders naar zou kunnen kijken.” Waarop Jezus direct beaamt: “Niemand kan ontsnappen aan illusies tenzij hij ernaar kijkt, want door er niet naar te kijken worden ze beschermd. […] We zijn klaar om het denksysteem van het ego nader te bekijken, want samen hebben we de lamp die het zal verdrijven…” (T11.V.1:1,3, mijn cursivering).

In het Handboek voor leraren geeft Jezus nog wat aanvullend advies aan zijn studenten hieromtrent, in sectie 16, genaamd: “Hoe behoort een leraar van God zijn dag door te brengen?”. Hoewel Jezus ons uitlegt dat deze vraag voor de gevorderde leraar van God geen betekenis heeft, omdat “…hem [zal] worden verteld waaruit zijn rol allemaal bestaat, vandaag en alle dagen” (H16.1:5), is het overduidelijk dat de meeste studenten zo’n rotsvaste zekerheid nog niet hebben bereikt. Er zit nog steeds teveel schuldgevoel in het onbewuste! Voor al deze studenten raadt Jezus aan om de denkgeest te trainen door de dag op de juiste manier te beginnen en te eindigen, dat wil zeggen: de tijd nemen om aan God [Liefde] te denken, wat neerkomt op: tijd nemen om aan de weg naar God [Liefde] te denken: een focus op vergeving en oordeelloosheid. Hij wordt daar zelfs zo specifiek in dat hij ons aanraadt dat niet liggend te doen, maar rechtop zittend, terwijl we ons concentreren op onze ‘stiltetijd met God’ (in lijn met de oude Oosterse meditatie-adviezen). Het in kalme stilte loslaten van veroordeling is de keuze voor de Stem namens Liefde, en zo maken we schuldgevoel in onszelf ongedaan: waar we ooit dachten Liefde afgewezen te hebben, omarmen we dit nu weer.

Jezus waarschuwt ons overigens voor de valkuil van overmatig ijverige discipline in dergelijke oefeningen, omdat dat zou neerkomen op een poging schuldgevoel te bevechten, wat natuurlijk niet kan werken: “Een vaste routine is als zodanig gevaarlijk, omdat ze gemakkelijk zelf tot een god kan worden, en dan juist een bedreiging vormt voor de doelen waarvoor ze is opgesteld.” (H16.2:5). En tevens: “De duur [van de stiltetijd met God] is niet de hoofdzorg. Men kan makkelijk een uur lang met gesloten ogen stilzitten en niets bereiken. Men kan even makkelijk God slechts een ogenblik geven en zich in dat ogenblik volledig met Hem verenigen.” (H16.4:4-6). Het gaat dus niet om de kwantiteit, maar om de “kwaliteit” van onze bereidheid om ons te laten leiden, die bepaalt hoe succesvol we zijn in het afbouwen van ons (oorspronkelijke) schuldgevoel; het gaat niet om het plannen van wanneer en hoe vaak je zult oefenen. Schuldgevoel maak je ongedaan door eerst alle veroordeling los te laten, en vervolgens de Stem van God toe te laten, en daar dan bij te blijven. Doe wat je intuïtie je aangeeft te doen, en laat wat je intuïtie je aangeeft te laten. Veel inspiratie gewenst!

— Jan-Willem van Aalst, oktober 2017 (Vertaling van https://miraclesormurder.wordpress.com/2017/10/14/guilty-for-not-practicing/)

Gebruik je lichaam wijs

Vrijwel zonder uitzondering zijn we niet echt heel blij met ons fysieke lijf. Wel in je twintiger jaren, maar naarmate je ouder wordt, en je het trage maar onvermijdelijke verval begint te merken in kleine pijntjes en dingen die het niet zo goed meer doen, leer je steeds meer om daar in te berusten en er maar ‘het beste van te maken’. In menige spiritualiteit wordt het lichaam gezien als iets negatiefs. De oude gnostiek bijvoorbeeld, zo’n tweeduizend jaar geleden, beschouwde het lichaam als vuiligheid, iets wat veracht en overwonnen zou moeten worden, door de denkgeest zodanig te trainen dat die zijn ware identiteit als lichtwezen weer ging herinneren.

Aangezien Een cursus in wonderen een strikt nondualitisch spiritueel en psychologisch denksysteem is waarin alle materie als louter illusoir wordt beschouwd, zou je verwachten dat ook de Cursus het lichaam zou afwijzen. Maar dat is beslist niet het geval. Hoewel Jezus wel degelijk beaamt dat “van zichzelf het lichaam geen waarde heeft” (T8.VII.2:7), benadrukt hij ook dat “het lichaam iets volkomen neutraals is” (Wd2.294). In hoeverre het lichaam ons van dienst is, hangt volledig af van het doel dat we er aan geven. Herinner je dat in Een cursus in wonderen alles draait om doel. Dat geldt net zo voor het fysieke lichaam.

In zekere zin draait het hele idee van Jezus’ leerplan in Een cursus in wonderen erom ons te onderwijzen dat wij, in tegenstelling tot onze dagelijkse ervaring, niet een lichaam zijn: “Ik ben niet een lichaam. Ik ben vrij. Want ik blijf wat ik ben, zo schiep God mij (d.w.z., als pure geest als uitbreiding van Gods Liefde)” (WdI.201-220). Intellectueel mag ons dit misschien aanspreken, maar zodra onze aandacht weer wordt afgeleid door een pijnlijk fysiek symptoom, zouden we er goed aan doen ons te realiseren dat we dit nog niet werkelijk geloven. In elk geval nog niet helemaal. En toch vertelt Jezus ons in het tekstboek dat het lichaam slechts de orders van de denkgeest opvolgt, als een marionet aan touwtjes. Dit komt doordat de staat van het lichaam slechts die van de denkgeest weerspiegelt: de denkgeest is de bron, het lichaam het effect.

Iedere ziekte betekent dan ook dat de denkgeest het lichaam gebruikt om aan te vallen. Dit hoeft niet per se een fysieke aanval te zijn. Iedere negatieve gedachte manifesteert zichzelf uiteindelijk in het lichaam (vaak eerst in de kwaliteit van de samenstelling van de bloedbaan, zoals endocrinologen vaak benadrukken). Maar Jezus gaat een stap verder. Zelfs jezelf en anderen als lichamen beschouwen, is in feite al een vorm van aanval. Dat komt omdat zo’n gedachte voortkomt uit het idee van afscheiding, en afscheiding is aanval. Zoals Jezus toelicht in hoofdstuk 8, waarin hij het gebruik van het lichaam als communicatiemiddel bespreekt: “Het lichaam waarnemen als een afzonderlijke entiteit kan niet anders dan ziekte bevorderen, want het is niet waar.” (T8.VII.11.4).

En toch, aan de andere kant, in hetzelfde hoofdstuk: “Genezing is het resultaat wanneer het lichaam uitsluitend voor communicatie wordt gebruikt.” (T8.VII.10:1) Dit betekent een verschuiving in doel. “Gezondheid is daarom niets dan een vereend doel.” (T8.VII.13:4). Zodra ik ervoor kies mijn denkgeest te laten leiden door de Heilige Geest, verander ik het doel waarvoor ik het lichaam wil gebruiken: “Als je het alleen gebruikt om de denkgeest te bereiken van hen die geloven dat ze een lichaam zijn, en hun door middel van het lichaam leert dat dit niet zo is, zul jij de macht van de denkgeest die in jou is begrijpen. […] Dienend om te verenigen wordt het een prachtige les in gemeenschap, die waarde heeft tot er gemeenschap is.” (T-8.VII.3:2;4). En, iets verderop: “Het lichaam is mooi of lelijk, vredig of woest, nuttig of schadelijk, al naargelang het gebruik dat ervan wordt gemaakt. […] Als het lichaam een instrument wordt dat jij aan de Heilige Geest geeft om ten behoeve van het verenigen van het Zoonschap te gebruiken, zul jij in iets fysieks niets anders zien dan wat het is.” (T8.VII.4:3;5).

Jezus vertelt ons kortom dat het beschouwen van een broeder als louter een lichaam, een fysieke entiteit, betekent dat we hem hebben aangevallen, omdat we ervoor kozen hem niet te zien zoals hij werkelijk is (namelijk: louter geest). Maar aangezien de wereld van materiële fenomenen slechts een projectie van de denkgeest is, moet dit wel betekenen dat wij eerst onszelf hebben aangevallen, dat wil zeggen: we beschouwen onszelf als slechts een lichaam, een fysieke entiteit. De remedie hiervoor, zoals altijd, is om de bereidheid op te brengen om een stapje terug te doen en de controle over onze gedachten over te dragen aan Jezus of de Heilige Geest: “Verheug je dan dat jij van jezelf uit niets kunt. Jij bent niet van jezelf. Hij van Wie jij bent heeft jouw kracht en heerlijkheid voor jou gewild, waarmee je Zijn heilige Wil voor jou volmaakt volbrengen kunt wanneer jij die voor jezelf aanvaardt.” (T8.VII.6:1-3).

Deze waarheid voor mezelf aanvaarden vraagt van mij dat ik ijverig blijf oefenen in het weigeren mijn broeders als lichamen te willen zien, zonder uitzondering. “Telkens wanneer je van een ander vindt dat hij tot of door zijn lichaam is beperkt, leg jij jezelf deze beperking op. Ben je bereid dit te aanvaarden wanneer juist de bedoeling van wat je leert zou moeten zijn aan alle beperkingen te ontkomen? […] Je hebt jezelf veroordeeld, maar veroordeling is niet iets van God. Daarom is ze niet waar.” (T8.VII.14:3-4;15:4-5). Dus telkens als mijn ogen een lichaam zien, zou ik moeten proberen daar aan voorbij te zien, en in plaats daarvan de pure geest (of het pure licht) in die persoon te zien, wat slechts mijn eigen essentie weerspiegelt. Dit is bepaald niet makkelijk om de hele tijd vol te houden, omdat lichamen nu eenmaal geneigd zijn elkaar aan te vallen (om de afscheiding te bevestigen), wat de duistere plakken van niet-vergeving in de denkgeest weerspiegelt.

De Heilige Geest gebruikt deze wereld waarin we lijken te leven om ons precies die lessen voor te schotelen waar we aan toe zijn. Het is bemoedigend om in hoofdstuk 9 te lezen: “Wanneer jij een broeder verbetert, zeg je hem dat hij mis is. Hij is op dat moment misschien niet verstandig, en het staat vast dat hij niet verstandig zal zijn zolang hij vanuit het ego spreekt. Maar het is nog altijd jouw taak hem te zeggen dat hij juist is. Je zegt hem dat niet met zoveel woorden als hij onzin praat. De correctie die hij nodig heeft, ligt op een ander vlak, omdat zijn vergissing op een ander vlak ligt. Hij is nog altijd juist, omdat hij een Zoon van God is. Zijn ego is altijd mis, wat het ook zegt of doet. Als jij op de fouten van je broeders ego wijst, moet je daar wel met het jouwe naar kijken, want de Heilige Geest neemt zijn vergissingen niet waar. […] Wanneer jij überhaupt op vergissingen reageert, luister je niet naar de Heilige Geest. Hij heeft er gewoon geen acht op geslagen, en als jij er aandacht aan schenkt hoor je Hem niet.” (T9.III.2:4-10;4:1-2).

Concluderend: ik kan mijn lichaam wijs gebruiken door mijn oordeel (eigenlijk: veroordeling) op te geven over wat mijn broeders lichaam lijkt te doen (fysiek of mentaal). Sterker nog, het loslaten van veroordeling is de keuze om een stapje terug te doen en Jezus (of de Heilige Geest) aan het roer te zetten. Langzaamaan ga ik me realiseren dat hoe ik een ander lichaam beoordeel veel zegt over hoe ik mijn eigen lichaam zie, wat weer de staat van mijn eigen denken weerspiegelt. Hoe weet ik dat ik op de juiste weg ben? Door in alle mensen om mij heen allereerst hetzelfde lieflijke eenheidslicht te zin in plaats van een fysieke entiteit. Telkens wanneer een lichaam mij lijkt te hinderen (dat van mijzelf, in het geval van ziekte, of van iemand anders, bijvoorbeeld overlast door jongeren, of een overval) weet ik dat de Heilige Geest aan het werk is, via lichamen, in de lesruimte die ik ‘mijn leven’ noem. Het voelt beslist niet altijd gelijk erg comfortabel, maar als blijf oefenen in het vragen aan Jezus of de Heilige Geest hoe ik deze situatie vanuit liefde zou kunnen bezien, dus zonder veroordeling, dan weet ik zeker dat ik mijn lichaam (dat dus mijn denkgeest weerspiegelt) inzet vanuit eenheid en verbinding, de Wil van God: “Met een deel van God Zelf communiceren betekent voorbij het Koninkrijk reiken naar de Schepper ervan, via Zijn Stem die Hij tot deel van jou heeft gemaakt.” (T8.VII.5:9). Dus gebruik je neutrale lichaam wijs vandaag!

— Jan-Willem van Aalst, oktober 2017 (vertaling van https://miraclesormurder.wordpress.com/2017/10/07/using-the-body-constructively/)