Hoe natuurlijk is mitose?

Het biologische proces dat we mitose of celdeling noemen, waarin een cel zich in tweeën deelt, de twee vier worden, de vier acht, enzovoorts, blijft voor veel wetenschappers een wonderlijk mysterie. Blijkbaar is er iets dat dit proces ongezien orkestreert: de zestien miljoenste cel is niet anders dan de eerste, en toch resulteert de celdeling in een volstrekt unieke en karakteristieke levensvorm, die een poosje opbloeit, en na verloop van tijd weer verwelkt en onvermijdelijk sterft. Wetenschappers vragen zich af waarom dat op die manier gebeurt, en wat precies de werking en de evolutie van het DNA bepaalt.

Studenten van Een cursus in wonderen realiseren zich dat dit hele afscheiding-en-opsplitsingsproces de kerndynamiek is van wat we het ego noemen. Het ego is per slot van rekening het idee van afscheiding en afsplitsing. Want zie: toen het ‘nietig, dwaas idee’ leek te ontstaan in de denkgeest van de Zoon van God, vroeg de Zoon zich af wat er zou gebeuren als Hij dat idee serieus zou nemen. Die vergissing, de eerste en enige die ooit werd gemaakt (T27.VIII.6:2), leidde tot de eerste splitsing: de ontologische afscheiding (dit is nog vóórdat er zoiets als tijd ten tonele verscheen). Afscheiding werkt! De Zoon lijkt nu autonoom, en los van zijn ware Identiteit als Christus, de Zoon van God.

Met deze gewaarwording komt het besef dat voor deze autonomie een aanzienlijke prijs betaald moest worden: de vernietiging van de eeuwige vrede van de Hemel. God is klaarblijkelijk van de troon gestoten, omdat hij niet meer “al in alles” is. De aanvankelijke extase wordt al snel doodsangst, als de Zoon zich schuldbewust realiseert dat deze afscheiding een zonde was die nooit ongedaan kan worden gemaakt, en waarvoor hij ongetwijfeld zwaar gestraft zal worden door de wraakzuchtige Schepper die het van Hem gestolen leven weer terug wil graaien. Het ego verschijnt om de Zoon te redden door hem te adviseren de zonde en schuld weg te projecteren naar een ander zelf. De Zoon, die nu — volkomen vrijwillig — een verdoofde slaaf van het ego is geworden, volgt het advies op en splitst nogmaals. Nu lijkt hij zelf onschuldig en zondeloos, terwijl de zonde en schuld in het afgescheiden andere zelf zitten. Nu is hij nog steeds op zichzelf, met een verwoeste Hemel, maar daar kan hij niet verantwoordelijk voor worden gehouden, omdat de schuld overduidelijk in die ander zit.

De angst is daarmee echter niet weg: de zoon wordt nu doodsbenauwd voor deze nieuw verzonnen dader, die hij verwart met de wraakzuchtige God, die koste wat kost zijn zondige Zoon wil terugpakken. En weer verschijnt het ego als ‘redder’, trouw aan zijn aard: afscheiding en afsplitsing. Het ego adviseert de Zoon om zich op te splitsen in miljarden fragmentjes, om zo onvindbaar te worden. En weer gehoorzaamt de Zoon slaafs, waarmee wat we de Oerknal noemen in gang wordt gezet, en daarmee het begin van tijd en ruimte. Het proces van het fragmenteren van materie in het universum verschilt in essentie niet van die van de celdeling van mitose: we leven (of beter: lijken te leven) in het huis van het ego, dat louter weet heeft van afscheiding en afsplitsing. Maar is dat natuurlijk? Nauwelijks. Zoals Jezus ons onderwijst in de Cursus: “De wereld druist in tegen je natuur, omdat ze niet met Gods wetten overeenstemt.” (T7.XI.1:5).

Kenneth Wapnick merkte wel eens met humor op dat “DNA” eigenlijk staat voor “Do Not Accept” (“Aanvaard niet“), dat wil zeggen: aanvaard niet ons ware erfgoed als de ene Zoon van God, veilig Thuis in het Koninkrijk van de Hemel, het Hart van God. In werkboekles 95 gaat Jezus in op deze zelfverkozen verdoving: “Jij bent één in jezelf, en één met Hem. Aan jou is de eenheid van de hele schepping. Je volmaakte eenheid maakt verandering in jou onmogelijk. Je aanvaardt dit niet en slaagt er niet in te begrijpen dat het zo moet zijn, alleen maar omdat jij gelooft dat je jezelf al veranderd hebt. […] Jij bent één Zelf, in volmaakte harmonie met al wat is en al wat zijn zal. Jij bent één Zelf, de heilige Zoon van God, verenigd met jouw broeders in dat Zelf, verenigd met jouw Vader in Zijn Wil. Voel dit ene Zelf in jou en laat Het al je illusies en al je twijfels wegschijnen.” (WdI.95.1:2;13:2-3). Wij denken echter deze eenheid niet te willen, omdat dit ten koste zou gaan van onze gekoesterde afgescheiden individualiteit.

Gary Renard heeft van Pursah het Evangelie van Thomas gedicteerd gekregen, met daarin de letterlijke boodschappen die Jezus zijn discipelen zo’n tweeduizend jaar geleden heeft meegegeven. Het is interessant leesvoer, vooral als je dit in combinatie leest met de uitstekende analyse van Rogier Fentener van Vlissingen in zijn boek “Closing the circle” (“De cirkel rondmaken”). In de context van dit blog is vooral gezegde 79 interessant. Dat gaat als volgt: Een vrouw in de menigte zei tot hem [Jezus], “Zalig zijn de baarmoeder en de borsten die jou hebben gevoed.” Hij richtte zich tot haar en zei: “Zalig zijn zij die het woord van de Vader gehoord, begrepen en gevolgd hebben. Want de dagen zullen komen waarop men zal zeggen: “Zalig is de baarmoeder die niet heeft gebaard en de borsten die geen melk hebben gegeven.””

Vanuit het ego bezien is dit volstrekt krankzinnig. Want ja, “geen kinderen meer” betekent uiteindelijk totale uitsterving. En het is beslist niet wat we denken en voelen als onze harten smelten bij het zien van een schattige nieuwgeboren zuigeling. Toch onderwijst Jezus ons ongeveer als volgt: “Ook dit is in feite nog steeds afscheiding. Je aanvaardt nog steeds niet jouw erfgoed als geest, thuis in het Hart van God. Voel je hier niet schuldig over, maar realiseer je wel dat de essentie van fysieke reproductie neerkomt op een keuze voor het ego.” Jezus zou ons overigens nooit adviseren met het stoppen van het maken van baby’s, omdat het lichaam niet het probleem is; het lichaam is volstrekt neutraal (WdI.294), en kan gebruikt worden — door de denkgeest — voor ofwel afscheiding van, of vereniging met onze broeders. De keuze is aan ons.

En dat is natuurlijk de werkelijke boodschap van Jezus voor ons: evalueer wat werkelijk de blijvende innerlijke vrede brengt “die alle begrip te boven gaat” (Paulus in Fil. 4:7). Verschuif de focus van je gedachten van afscheiding en angst naar verbinding en liefde, en volg het advies van de Heilige Geest. Alleen dán zal het proces van mitose juist kunnen worden geëvalueerd en uiteindelijk terzijde worden geschoven; niet met spijt, maar met een zucht van dankbaarheid. Tot dat moment, dat inderdaad heel ver weg lijkt te zijn, hoeven we voor verlossing niets te doen (T18.VII) behalve het blijven oefenen met het vergeven van onze eigen denkgeest, die vergat te lachen om het nietig, dwaas idee van veroordeling van eenheid, alleen maar om individuele autonomie te kunnen proberen. Vergeving doet ons inzien dat het niet uitmaakt. Het enige dat telt is het consequent leren kiezen voor het Koninkrijk, de enige manier om “Do Not Accept” te transformeren naar “Maak opnieuw je keuze voor de betere weg”. Veel inspiratie gewenst!

— Jan-Willem van Aalst, september 2017 (Vertaling van https://miraclesormurder.wordpress.com/2017/09/17/is-mitosis-natural/)

Wat de dood ons kost

In de buurt waar ik woon zag ik jarenlang een ouder echtpaar een paar keer per dag wandelend hun herdershond uitlaten. Hun hond had overduidelijk ook al de pensioengerechtigde leeftijd bereikt: elk jaar liep hij wat trager. Op een gegeven moment begon hij behoorlijk te hinken op zijn achterbenen. Het jaar daarop zag ik het echtpaar wandelen zonder hond. Maar zelf werden zij ook steeds ouder. Nog voordat hun hond overleed raakte zij al gekluisterd aan een rolstoel. Dat duurde een jaar of vier. Uiteindelijk wandelde de man alleen in de buurt, en dit jaar overleed hij zelf ook. Het huis werd verkocht, en de overgebleven bezittingen belandden bij het afvaldepot.

Dit alles deed me weer de nutteloosheid van mijn eigen zorgen doen inzien, de kleine en de ‘grote’. Over zestig jaar loop ik ook niet meer op deze aarde rond. Angsten over mijn lichamelijke gezondheid, over of mensen me wel of niet aardig zullen vinden, over dierbare bezittingen die ik misschien in een brand kwijt zou kunnen raken, verliezen hun belang als je ze in dat licht beziet. Frustraties over mensen die zich kennelijk niets aantrekken van wat dan ook in hum omgeving; dingen die anders lopen dan ik ze had gepland… het is zinloze stress. Als ‘lesruimte’ vormen ze mooie gelegenheden voor vergeving, maar dergelijke lessen herinneren me er ook weer aan hoeveel sporten op de ladder ik nog te gaan heb voordat ik bereik wat Een cursus in wonderen de ‘werkelijke wereld’ noemt.

Als mensheid klampen we ons wanhopig vast aan ons korte bestaan in de tijd. We proberen dingen te construeren die blijven. En toch weten we dat zelfs ‘wereldwonderen’ zoals de Taj Mahal en de piramides bij Giza over een paar duizend jaar waarschijnlijk verdwenen zullen zijn. “All things must pass” (Alle dingen moeten voorbijgaan), zong George Harrison al in 1970, middenin de periode van het optekenen van Een cursus in wonderen door Helen Schucman en Bill Thetford. We weten dat alles en iedereen aftakelt, wegkwijnt en sterft. Omdat we niet beter weten, aanvaarden we verval als een onontkoombare kosmische wet; we proberen het beste te maken van de korte tijd die ons gegeven is. Op z’n best hopen we op een nieuwe kans in een volgend leven.

Het is Jezus’ formidabele taak om zijn studenten ervan te overtuigen dat niet alleen deze hele wereld en het hele universum tragische vergissingen zijn, letterlijk een koortsachtige nachtmerrie, maar ook dat er iets veel, veel beters is dat onze dagelijkse ervaring zou kunnen zijn, als we ervoor zouden kiezen een ander doel in het leven te zien. Hoewel Jezus weet dat deze keuze in werkelijkheid allang is gemaakt, omdat hij buiten de droom van tijd en ruimte staat, geloven alle slapende broeders in de tijd nog steeds dat dit aftakelende lichaam alles is wat ze hebben. Hun ervaring, zoals Jezus het beeldend verwoordt in hoofdstuk 13, is dat “hun groei gepaard [gaat] met lijden, en ze leren wat leed is, afscheiding en dood. Hun denkgeest lijkt opgesloten in hun hersenen, en de krachten daarvan lijken af te nemen wanneer hun lichaam pijn lijdt. Ze lijken lief te hebben, maar ze verlaten en worden zelf verlaten. Wat ze liefhebben, schijnen ze te verliezen, wellicht de meest krankzinnige overtuiging van al. En hun lichamen kwijnen weg, hun adem stopt en ze worden onder de grond gelegd, en zijn niet meer. Niet één van hen die niet gedacht heeft dat God wreed is.” (T13.In.2:6).

Een belangrijke kwaliteit van Een cursus in wonderen is ongetwijfeld dat hij zijn studenten bewust maakt van de alles doordringende kracht van projectie: de dynamiek van het buiten jezelf zien van allerlei vormen van pijn in jezelf, daarmee hopend er zo vanaf te zijn. Deze wereld begon vanuit de ontologische veronderstelling dat we los van onze Schepper zouden kunnen leven, en Hem dus zouden kunnen verlaten. Omdat het schuldgevoel over deze ‘kardinale zonde’ te erg is om onder ogen te zien, projecteren we deze weg, in de magische hoop dat als we die schuld onderdrukken, die ook verdwenen zal zijn (wat natuurlijk allerminst het geval is). Dus door projectie lijkt het nu dat God ons verlaten heeft. Vervolgens vertellen we onszelf ofwel dat God waarschijnlijk niet bestaat, ofwel dat we ontzettend zondig zijn, en smeken we ons Schepper om genade als we sterven, omdat we onszelf ons hele leven zo hebben opgeofferd. Maar wat we ook verkiezen te denken: zolang we nog geloven dat we een lichaam zijn regeert het ego, waarmee we ons pijnlijke voortbestaan in de tijd en de ruimte en in afgescheidenheid zekerstellen.

Veel in deel 2 van het Werkboek van Een cursus in wonderen is erop gericht ons te helpen een andere keuze te maken, zodra we eenmaal de tragische vergissing inzien van het vergeten te lachen om het ‘nietig, dwaas idee’ (T27.VIII.6:2) van het autonoom op onszelf willen zijn. Zoals les 327 ons belooft: “Er wordt mij niet gevraagd om verlossing aan te nemen op grond van een ongefundeerd geloof. Want God heeft beloofd dat Hij mijn roep zal horen en mij Zelf antwoord geven. Laat me slechts op grond van mijn ervaring leren dat dit waar is, en vertrouwen in Hem zal zeker tot me komen. Dit is het vertrouwen dat stand zal houden en me steeds verder en verder zal brengen op de weg die tot Hem leidt.” (Wd2.327.1:1). We moeten echter wel willen roepen en het antwoord willen horen. Om in alle eerlijkheid een dergelijke bereidheid te cultiveren kost tijd, zoals de metaforische passage “de weg die tot Hem leidt” duidelijk benadrukt.

In Een cursus in wonderen onderwijst Jezus ons dat God ons niet heeft verlaten. Het Laatste “Oordeel” van onze Schepper is slechts dit: “Jij bent nog altijd Mijn heilige Zoon, voor immer onschuldig, eeuwig liefdevol en eeuwig geliefd, even onbegrensd als jouw Schepper, totaal onveranderlijk en voor altijd zuiver. Ontwaak daarom en keer terug tot Mij. Ik ben jouw Vader en jij bent Mijn Zoon.” (Wd2.10.5:1-3). Waar Jezus aan toevoegt: “Wijs Liefde niet af. Onthoud dit: wat je ook over jezelf denkt, wat je ook over de wereld denkt, jouw Vader heeft jou nodig en zal je roepen tot jij ten langen leste in vrede tot Hem komt.” (LvG3.IV.10:6-7). Dat is geen oproep uit een soort hoge Hemel, want God  (Liefde) is nu al aanwezig in ieders denkgeest, hoewel diep begraven: “Want dieper nog dan het fundament van het ego, en veel sterker dan dat ooit zal zijn, brandt jouw intense liefde voor God, en die van Hem voor jou.” (T13.III.2:8). Dit is wat het ego voortdurend probeert te onderdrukken.

Een cursus in wonderen is een leerplan voor het trainen van onze gedachten. De Cursus bekommert zich niet om theologische spinsels: “Deze cursus is altijd praktisch.” (H16.4:1). Jezus realiseert zich maar al te goed dat wij echt niet ons denken zullen veranderen enkel en alleen omdat hij ons vraagt hem op zijn blauwe ogen te geloven (als hij die al zou hebben). Veel van zijn curriculum gaat over het elke dag weer eerlijk leren kijken naar alle pijn in de denkgeest, zonder onszelf te veroordelen, om vervolgens de Heilige Geest om hulp te vragen in het maken van een betere keuze, één die tot blijvende innerlijke vrede leidt. De belofte van God is het gevoel van innerlijke vrede dat we ervaren doordat we niet meer veroordelen: “Je hebt geen idee van de geweldige bevrijding en de diepe vrede die ontstaan wanneer jij jezelf en je broeders totaal zonder oordeel tegemoet treedt.” (T3.VI.3:1).

Eigenlijk is de uitnodiging van Jezus aan ons zoiets als: “Kijk eens goed naar jouw keuze om het ego te volgen. Laten we eerlijk zijn: die leidt steeds weer tot teleurstelling. Waarom zou je mijn alternatief niet eens proberen? Doe de test [d.w.z., het oefenen in onvoorwaardelijke vergeving]. Ervaar hoeveel beter je je voelt. Je kunt altijd weer terug naar veroordeling; niemand dwingt je. Maar het kan beslist geen kwaad om mijn weg naar geluk te proberen.” En inderdaad, veel studenten merken dat hoewel de tekst nogal vaag en abstract overkomt, de ervaring van innerlijke die volgt op ware vergeving onmiskenbaar en onweerstaanbaar is. En dat is wat hen doet blijven oefenen met de Cursus. Aangezien de enige vrijheid van de slapende Zoon van God bestaat uit de vrije keuze wanneer hij besluit in vreugde te ontwaken uit de droom, waarom dan niet vroeger dan later? Probeer Jezus’ advies over het stoppen met veroordelen vandaag nog, en ervaar de innerlijke vrede die blijvend is; de overtuigende vrede die het einde aankondigt van alle geloof in zoiets als de dood.

— Jan-Willem van Aalst, september 2017 (vertaling van: https://miraclesormurder.wordpress.com/2017/09/02/the-price-of-death/)