Je onderwijst wat je wilt geloven

Als je terugdenkt aan de leraren die je in je kindertijd hebt meegemaakt, weet je vast niet meer precies welke onderwerpen ze allemaal behandeld hebben. Maar je weet ongetwijfeld nog wél welke leraren vriendelijkheid en veiligheid uitstraalden, en welke leraren voornamelijk boos of nerveus waren. We weten, met andere woorden, in het algemeen nog goed hoe ze onderwezen. Velen onder ons kunnen zich nog wel een bijzonder wijze, markante leraar herinneren die misschien zelfs aanzienlijk heeft bijgedragen aan ons eigen zelfbeeld en hoe we in de wereld staan.

In Een cursus in wonderen bedoelt Jezus met het begrip ‘onderwijzen’ iets heel anders dan hoe we dit gewoonlijk zien. In de inleiding van het Handboek voor Leraren licht Jezus toe: “Onderwijzen is een doorgaand proces: het gaat ieder moment van de dag verder en zet zich bovendien voort in de gedachten tijdens de slaap. Onderwijzen is demonstreren. […] Van wat jij demonstreert leren anderen, en ook jij. De kwestie is niet óf je wilt onderwijzen, want daarin is geen keus. […] Onderwijzen is slechts het oproepen van getuigen om te getuigen van wat jij gelooft. […] In dit verband doet de woordelijke inhoud van wat je onderwijst geheel niet ter zake. Het kan ermee samenvallen, of niet. […] Wat je onderwijst versterkt slechts wat je over jezelf gelooft.” (H.In.1:6-2:1;3:2-7).

Zo bekeken zijn ‘onderwijzen’ en ‘leren’ niet speciale perioden waarin een leerling en leraar maar heel even met elkaar omgaan. Iedereen onderwijst de hele tijd. Als onderwijzen werkelijk bestaat uit het ‘oproepen van getuigen om te getuigen van wat jij gelooft’, dan zijn jij en ik en iedereen voortdurend aan het onderwijzen, bij elke ontmoeting, bijeenkomst, feestje, noem maar op, hoewel we dit niet bewust zo ervaren. Waarom doen we dat? We demonstreren om aan anderen te benadrukken wat wij denken dat belangrijk is. Jezus benadrukt dat onderwijzen “een methode van bekering” is (H.In.2:8). Alles wat ik dus tegen jou zeg is een demonstratie van wat ik meen dat belangrijk en waar is; en natuurlijk wens ik dat jij het daar mee eens bent.

Jezus herinnert ons er bovendien aan dat wat wij aan anderen demonstreren, we net zo goed in onszelf versterken, omdat er in werkelijkheid helemaal geen anderen zijn — eenieder die we ontmoeten is een projectie van een deel van de onbewuste denkgeest. “Je kunt niet aan iemand anders geven, maar uitsluitend aan jezelf en dat leer je door te onderwijzen. […] Het primaire doel ervan is twijfel aan jezelf te verminderen.” (H-In.2:6;3:8). Met andere woorden, elke interactie met jou dient als bevestiging en versterking van mijn eigen overtuigingen — naar mijzelf toe — over wat de wereld is, over wat ik ben, en over wat jij voor mij betekent (M-In.2:9). Cognitieve onderwerpen doen er in dit proces niet toe. Het gaat louter om wat ik wens dat waar is. Aangezien Een cursus in wonderen benadrukt dat er slechts twee denksystemen zijn, onderwijs ik voortdurend ofwel vanuit het ego denksysteem van speciaalheid, ofwel vanuit het eenheids-denksysteem van de Heilige Geest.

Kenneth Wapnick gebruikte in zijn workshops soms de metafoor van de dansvloer om het denksysteem van het ego te verbeelden. Aangezien het doel van het ego is om te demonstreren dat afscheiding en verschillen werkelijk en begerenswaardig zijn, nodig ik jou steeds uit op deze ‘dansvloer van speciaalheid’ om te demonstreren dat jij en ik enorm verschillen, en dat dat geweldig is, omdat dit ons respectievelijke ‘unieke zelf’ benadrukt. Het is een ‘dansvloer’ omdat, in lijn met de wetten van de chaos (T23.II.2), jij en ik er onbewust steeds op uit zijn om van de ander weg te graaien wat we in onszelf denken te missen om vervuld te kunnen raken. Mijn behoeften kunnen alleen bevredigd worden ten koste van anderen. Ik ben er steeds op uit om gelegenheden te vinden om anderen te kunnen beschuldigen van hun roofaanval op mij om mijn waarde, zodat ik mijzelf gerechtigd kan voelen om in de tegenaanval te gaan. Er zijn dus altijd slachtoffers en daders. Het maakt niet uit of we speciale haat of speciale liefde naar elkaar uiten. In het denksysteem van het ego zullen we alles doen om te onderwijzen (demonstreren) dat de afscheiding werkelijk is, en aanval gerechtvaardigd.

Deze ‘dansvloer van de dood’ is één groot rookgordijn om de illusie in stand te kunnen houden dat de dualistische ego-wereld van tijd, ruimte en waarneming — altijd los van God — heel echt is. Jezus licht toe: “Ieder die het leerplan van de wereld volgt, en iedereen hier volgt dat tot hij zijn denken verandert, onderwijst uitsluitend om zichzelf ervan te overtuigen dat hij is wat hij niet is. Dit is het doel van de wereld. Hoe kan haar leerplan iets anders zijn? In deze hopeloze en gesloten leersituatie die niets dan wanhoop en dood onderwijst, zendt God Zijn leraren.” (M-In.4:4-7). Jezus zegt hier simpelweg, net zoals we in de drieduizend jaar oude Bhagavad Gita lezen, dat je leven volstrekt verspild is zolang je je nog richt op zelfzuchtige verlangens. Het enige dat we betekenisvol in dit leven kunnen demonstreren, is onze keuze voor het denksysteem van de Heilige Geest. Al het andere doet er niet toe, in termen van onze verlossing.

Telkens wanneer ik ervoor kies om mij te laten leiden door het denksysteem van de Heilige Geest, wordt wat ik onderwijs — dat wil zeggen, van minuut tot minuut demonstreer — heel anders. Vanuit juist-gericht denken beantwoord ik angst en aanval alleen nog maar met oordeelloze vriendelijkheid en liefde. Ik dans niet meer met jou op de dansvloer van de dood — in tegendeel, ik nodig je uit om ook te kiezen voor de innerlijke vrede die ik zelf ervaar. Ik onderwijs dat jij en ik niet zoveel van elkaar verschillen als we altijd dachten. Door dit te doen versterk ik die overtuiging ook in mezelf. Ik train mijn denkgeest om wederom de innerlijke vrede van de Heilige Geest te verkiezen boven het venijn van het ego. Dit betekent overigens niet dat ik de spreekwoordelijke voetveeg word. In de praktijk kan mijn stem best wel eens assertief overkomen, maar zolang ik dat vanuit juist-gericht denken doe, zal de Heilige Geest daar altijd in doorschijnen. Je herinnert je vast nog wel een leraar die soms heel streng kon zijn, maar die tegelijkertijd een soort universele liefde voor het kind uitstraalde.

Een cursus in wonderen biedt ons een kristalheldere manier om bewust te kiezen wat we willen onderwijzen — aan anderen, en uiteindelijk aan onszelf — over de aard van de wereld, over de aard van ons wezen, en de betekenis van het leven. Bovenal moet ik kiezen welk denksysteem ik prefereer om mijn gedachten te leiden; de rest volgt vanzelf. Het lijkt een eenvoudige keuze. Maar wat deze ‘eenvoudige keuze’ bepaald niet gemakkelijk maakt is dat die keuze een besluit inhoudt over wat ik wil dat ik ben. Het gaat over mijn antwoord op vragen zoals: “Wat ben ik?”, “Wat is leven?”, “Waarom ben ik hier?” Het komt er op neer dat ik het script van mijn leven schrijf. “Het leerplan dat je opstelt wordt dan ook uitsluitend bepaald door wat jij denkt dat jij bent en door wat jij meent dat de relatie met anderen voor jou is.” (H-In.3:1).

Zolang ik kies voor het denksysteem van het ego vertel ik mezelf dat ik een afgescheiden individu wil zijn met een speciale unieke persoonlijkheid, zelfs als dat betekent dat mijn geluk afhangt van wat ik anderen kan ontnemen. Pas als ik bewust besluit dat individualiteit blijkbaar niet de verlossing brengt waar ik op hoopte — sterker nog, het zorgt er alleen maar voor dat ik “onzeker, eenzaam, en in voortdurende angst” leef (T31.VIII.7:1), en dat het alternatief van de Heilige Geest veel beter is, worden geluk en verlossing onvermijdelijk. “De Heilige Geest heeft een gelukkige leerling nodig, in wie Zijn opdracht op een gelukkige manier kan worden volbracht.” (T14.II.1). Zodra ik er voor kies die gelukkige leerling te zijn, kan ik aan anderen onderwijzen (demonstreren) dat zij dezelfde keuze zouden kunnen maken: de innerlijke vrede die ik uitstraal zou ook jouw innerlijke vrede kunnen zijn. Ik hoef kortom niets te doen; ik hoef er alleen maar voor te kiezen alle veroordeling achter me te laten, en mijn gedachten te laten leiden door de Heilige Geest.

“Zouden Gods leraren er niet zijn, dan zou er weinig hoop zijn op verlossing, want de wereld van zonde zou voor altijd werkelijk schijnen. […] Het is hun missie om hier volmaakt te worden, en dus onderwijzen ze volmaaktheid, keer op keer en op vele, vele manieren, totdat ze dit hebben geleerd.” (M-In.5:1). Juist daarom biedt Jezus een ‘Handboek voor leraren’ in zijn leerplan voor innerlijke vrede. Als je je genegen voelt die gelukkige leerling te worden, neem dan vooral tijd om dat Handboek door te nemen, naast het doen van de vergevingslessen in het werkboek. Je zult merken dat niet alleen jouw eigen dagen steeds vrediger zullen aanvoelen, maar die van de mensen om je heen ook, omdat ze ontegenzeggelijk jouw onweerstaanbare oproep bemerken om te kiezen voor de oordeelloze liefde van de Heilige Geest, de Stem namens Liefde, wat het diepste verlangen in ons allemaal weerspiegelt.

— Jan-Willem van Aalst, juni 2017 (vertaling van https://miraclesormurder.wordpress.com/2017/06/10/you-teach-what-you-want-to-believe/)

Leven naar de wetten van de chaos

Ondanks onze goede intenties om vriendelijk en liefdevol te zijn, hebben we allemaal last van negatieve gedachten en ervaringen die we liever niet zouden hebben. Zelfs wanneer we ons ten diepste realiseren dat alle beroering in het leven uiteindelijk voortkomt uit keuzes (interpretaties) van de denkgeest, mag degene die echt nooit meer voor enige vorm van veroordeling kiest de eerste steen werpen. In hoofdstuk 23 van het Tekstboek van Een cursus in wonderen neemt Jezus ons mee in zijn uitleg van “De wetten van de chaos”. In niet mis te verstane bewoordingen beschrijft Jezus hoe deze onzinnige ‘wetten’ het onbewuste deel van onze denkgeest aansporen tot voortdurende afwijzing en veroordeling, en ook waarom wij ons koppig aan deze wetten blijven vastklampen; nogmaals, in weerwil van onze beste bedoelingen om vriendelijk en liefdevol te zijn. Als je “De wetten van de chaos” slechts oppervlakkig leest, is er een goede kans dat je er ronduit depressief van wordt. Om aan deze onzinnige wetten voorbij te kunnen gaan, moeten we ze kalm en aandachtig bekijken (T23.II.1:4). Je kunt je denkgeest immers niet veranderen als je niet weet waartussen je kunt kiezen. Laten we daarom deze wetten, die eigenlijk geen wetten zijn maar slechts overtuigingen, eens nader bekijken.

De eerste chaotische wet is dat de waarheid voor iedereen anders is. (T23.II.2:1). Even afgezien van wiskundige logica, kunnen we stellen dat ‘waarheid’ in deze wereld altijd verbonden is met normen en waarden. Deze wet stelt koppig dat afgescheidenheid en verschillen altijd waar zijn. ‘Waarheid’ betekent daarom voor iedereen wat anders. Jouw waarheid is anders dan mijn waarheid. Dit ontkent het eerste wonderprincipe (T1.I.1:1) dat wonderen geen rangorde naar moeilijkheid kennen omdat alle illusies inhoudelijk hetzelfde zijn. Deze eerste chaotische wet stelt dat de ene illusie waardevoller is dan de andere, en dat elk levend wezen voor zichzelf vaststelt wat ‘waar’ is op basis van wat als waardevol of belangrijk wordt beschouwd. Deze ‘wet’ kwam voort uit het ‘nietig, dwaas idee’ dat wij los van God onze eigen waarheid zouden kunnen bepalen. “Eenheid is onzin — verschillen zijn waar, zoals je zult beamen als je goed om je heenkijkt”, trompettert het ego luidkeels.

De tweede chaotische wet volgt ‘logischerwijs’ uit de eerste. Als jouw waarheid anders is dan de mijne, en jij zit fout, dan verdien jij het om afgewezen en gestraft te worden. Achter de beleefde uitspraak “ik zie dat anders” schuilt uiteindelijk altijd haat. Omdat jouw waarheid anders is dan de mijne, moet jij wel fout zijn. Dit de wortel van alle woede en aanval, die — nogmaals — slechts het oorspronkelijke ‘nietig, dwaas idee’ weerspiegelt dat God fout is en ik goed. God en ik (als ego) verschillen van elkaar en zijn dus voor eeuwig elkaars vijanden. “Angst voor God en voor elkaar lijkt nu zinnig, tot werkelijkheid gemaakt door wat Gods Zoon zowel zichzelf als zijn Schepper heeft aangedaan” (T23.II.5:7). Merk op dat deze chaotische wet uitsluit dat dit alles misschien wel slechts een vergissing is. We zien in alles en iedereen kenmerken die anders zijn dan wij, God incluis, wat onbewust altijd leidt tot angst en haat.

Dit leidt automatisch tot de derde absurde chaotische wet dat God Zijn Zoon wel moet haten. Aangezien God en wij van elkaar verschillen en dus vijanden zijn, is God om hulp vragen volstrekt zinloos. “nu is conflict tot iets onvermijdelijks gemaakt, buiten het bereik van Gods hulp. Want nu moet verlossing wel onmogelijk blijven, omdat de Verlosser de vijand geworden is. Er is geen bevrijding en geen ontsnapping mogelijk. Verzoening wordt zo een mythe, en wraak, en niet vergeving, is de Wil van God” (T23.II.7:5). Dit verwijst natuurlijk naar het beeld dat het ego van God heeft gemaakt. En aangezien waarneming voortkomt uit projectie (T-13.V.3:5), zullen we de wereld ervaren zoals we God ervaren.

Op dit punt aangekomen geloven we rotsvast dat we in een gevaarlijke en uiterst bedreigende wereld leven, waarmee we de vierde chaotisch wet omarmen, namelijk de overtuiging dat je slechts bezit wat je genomen hebt. Wat ik van jou neem heb jij niet meer, en vice versa. Zoals Jezus uitlegt: “Alle andere wetten moeten hiertoe leiden. Want vijanden geven elkaar niet vrijwillig, en streven er evenmin naar de dingen waaraan ze waarde hechten met elkaar te delen. En wat jouw vijanden je willen onthouden moet wel begerenswaard zijn, want ze houden het voor jou verborgen” (T23.II.9:5-7). Als je niet aanvalt, zal alles wat je hebt van je worden afgenomen, wordt het mantra van onjuist-gericht denken: aanval is de beste verdediging. Ik voel me daarom gedwongen om zowel aan te vallen als te verdedigen, opdat ik alles wat ik heb niet zal verliezen.

Wat deze wet zo venijnig maakt is dat we heimelijk al ons ‘verlies’ toedichten aan een zondige aanval op ons door onze vijanden. En wat hebben we verloren? Onze innerlijke vrede; uiteindelijk onze onschuld als een kind van God. Mijn vijanden hebben dat door hun wrede aanval van mij ontnomen. Dit moet ik terug zien te krijgen, en daartoe ben ik volstrekt gerechtvaardigd. Dit leidt tot de vijfde en finale chaotische wet: verlossing kan slechts gevonden worden door de mij ontnomen onschuld weer terug te graaien uit andere lichamen. Dit resulteert in ofwel een speciale haatrelatie (waarin ik jou botweg aanval, om jou “in een naamloze afgrond te storten”, T24.V.4:3), ofwel in een speciale liefdesrelatie, waarin ik jou en je lichaam hartstochtelijk bemin zolang jij me geeft wat ik denk dat ik nodig heb voor vervulling.

Jezus concludeert: “Nooit wordt je bezit compleet. En nooit zal je broeder zijn aanval op jou staken voor wat jij gestolen hebt. En evenmin zal God Zijn wraak tegen jullie beiden beëindigen, want in Zijn waanzin wil Hij beslist dit substituut voor liefde hebben en jullie beiden doden” (T23.II.13:1-3). Aangezien elk lichaam onvermijdelijk sterft, worden we er door het ego voortdurend aan herinnerd dat deze wetten van de chaos de waarheid zijn, en niet ontkend kunnen worden. Door deze ‘wetten’ af te pellen heeft Jezus onze onbewuste onjuist-gerichte denkwijze naar het bewuste gebracht: “Jij die gelooft dat je innerlijk gezond, met beide voeten op vaste grond door een wereld gaat waarin betekenis kan worden gevonden, overweeg dit eens: dit zijn de wetten waarop je ‘innerlijke gezondheid’ lijkt te berusten. Dit zijn de principes die jou vaste grond onder je voeten lijken te geven. En juist hier zoek jij naar betekenis” (T23.II.13:4-6). Op dit punt wordt het ego benauwd voor zijn eigen ontmaskering, en stelt daarop met veel omhaal dat wij deze onzinnige wetten natuurlijk niet geloven, er evenmin naar handelen. Waarop Jezus kalm antwoordt: “Broeder, je gelooft ze. Want hoe zou je anders de vorm die ze aannemen kunnen waarnemen, met een dergelijke inhoud?” (T23.II.18:3).

We hoeven slechts aandachtig de interpersoonlijke wisselwerking tussen mensen op een feestje te observeren om in te zien hoe onwrikbaar deze wetten opereren, achter alle beleefdheden en vertier. Heimelijk vergelijkt iedereen zijn of haar ‘staat van geluk’ met die van alle anderen: fysiek, geestelijk, emotioneel, sociaal, financieel, noem maar op. Hoeveel heb ik ten opzichte van anderen hier? Zelfs wanneer ik iemand feliciteer met een bepaald behaald succesresultaat, voel ik heimelijk een steek van pijn (of haat), omdat ik eigenlijk vind dat succes mij toebehoort, omdat ik gelijk heb in wat waardevol en waar is. En zo houden we voortdurend het mechanisme van afwijzing en aanval in stand, waarmee we natuurlijk uiteindelijk het afgescheiden ego in stand blijven houden. En hoewel het leven uiteindelijk eindigt in de dood, bewijs ik wel dat ik als uniek individu in elk geval besta.

Zoals altijd bij Een cursus in wonderen is de uitweg uit deze hel gelegen in vergeving. Omdat al deze wetten uitgaan van de aanname dat er een rangorde in illusies is, ligt het ongedaan maken van deze ‘wetten’ (oftewel overtuigingen) in onze aanvaarding van het simpele feit dat alle illusies inhoudelijk hetzelfde zijn, inclusief de illusie dat wij ons hebben afgescheiden van God. Waarheid verandert niet van moment op moment, en het is beslist niet aan ons om vast te stellen wat waarheid is. Waarheid is van God. Als de collectieve ene Zoon van God, zijn wij in essentie louter een uitbreiding van de Liefde die God is. In werkelijkheid kunnen wij ‘slechts’ deze zelfde Liefde uitbreiden; al het andere is illusoir. Zelfs in deze ‘waakdroom’ in tijd en ruimte is dit waar: een idee dat je deelt, versterk je. Hoe meer liefde je geeft, hoe meer liefde je zult ontvangen (hoewel misschien niet direct, en langs een onverwachte weg). Dit draait de vierde en vijfde wetten van de chaos om: ik bezit de liefde die ik met anderen heb gedeeld.

Dit betekent niet dat ik al mijn aardse bezittingen zou moeten weggeven, in de verwachting dat er ik er veel meer voor terugkrijg. Gods wetten werken op het nondualistische niveau I. Op niveau II, de dualistische droom in tijd en ruimte waarin we lichamen, verschillen en afscheiding ervaren, heeft “zelfs een gevorderde therapeut enige aardse noden terwijl hij hier is” (P3.III.3). Hierin zal automatisch voorzien worden zolang we ervoor kiezen om niveau II als een lesruimte te zien; een proces waarin we geleidelijk leren om onze Goddelijke essentie (als Christus) te zien in alles en iedereen die we waarnemen, en ons door Liefde te laten leiden. Aangezien alles wat we waarnemen voortkomt uit projectie (of uitbreiding), is dit ook de manier om ons ware Zelf weer te herinneren. Dat stelt ons uiteindelijk in staat om onszelf te vergeven voor ons geloof in het ‘nietig, dwaas idee’ van afscheiding, wat in werkelijkheid nooit heeft plaatsgevonden.

We bevechten de wetten van de chaos niet; we kijken er slechts in kalmte aan voorbij. Zoals Jezus zegt: “Vergeving is stil en doet in alle rust niets. […] Ze kijkt alleen, en wacht, en oordeelt niet” (Wd2.1.4:1;3). Probeer je dus elke dag gewaar te worden van hoe deze chaotische wetten in de wereld lijken te werken, en vergeef jezelf dan voor die waarneming, in het besef dat “God anders denkt” (T23.I.2:7). Aangezien de wetten van de chaos al zo’n veertien miljard jaar feilloos lijken te werken, is het niet zo vreemd als je niet morgen ineens volstrekt verlicht bent — het is een traag leerproces. Maar telkens als het je lukt om je te laten leiden door het liefdevolle advies van de Heilige Geest, bespaar je jezelf misschien wel duizend jaar aan reïncarnaties (WdI.97.3). En wie zou dat niet willen?

— Jan-Willem van Aalst, mei 2017 (vertaling van: https://miraclesormurder.wordpress.com/2017/05/27/living-by-the-laws-of-chaos/)