Vals bewijs dat heel echt lijkt

Heb je wel eens een top-5 lijst gemaakt van je ergste angsten? Hoewel dit voor iedereen anders is, zien we de volgende angsten vaak hoog op de lijst staan: geconfronteerd worden met een terminale ziekte; verlies van inkomen; een natuurramp zoals een aardbeving of overstroming; verlaten worden door die speciale liefdespartner waar je je zo afhankelijk van voelt… niet voor niets is een oud-Hollands gezegde: “Een mens lijdt het meest door het lijden dat hij vreest, doch in zijn tijd nooit komen zal.” Bovendien bewijzen vele persoonlijke ontwikkeltrainingen dat we heus niet zo hulpeloos zijn als we soms denken. We kunnen veel doen om te voorkómen dat de zorgen en angsten in ons leven werkelijkheid worden.

Een cursus in wonderen bespreekt het thema ‘angst’ op diepere niveaus. Om te beginnen vertelt Jezus ons dat er slechts twee basisemoties zijn: angst en liefde (T13.V.I). Jezus doelt hier natuurlijk op inhoud. Er bestaan veel verschillende vormen van emotie, maar qua inhoud bestaan er maar twee, waarvan er maar één werkelijk is. Direct bij de inleiding van het Tekstboek vertelt Jezus ons: “Het tegendeel van liefde is angst, maar wat alomvattend is kent geen tegendeel.” (T-In.1:8). Aanvankelijk lijkt dat moeilijk te slikken. Onze angsten voelen tenslotte bijzonder echt! In hoofdstuk 13 van het Tekstboek verklaart Jezus verder: “Je hebt slechts twee emoties: een die jij gemaakt hebt [angst] en een die jou gegeven is [liefde]” (T13.V.10:1). In Een cursus in wonderen verwijst het werkwoord ‘maken’ vrijwel altijd naar illusies in de droomwereld van tijd en ruimte. Aangezien deze hele materiële wereld een verdediging van het ego tegen liefde is, bestaat ze volledig uit angst. Juist omdat angst zo echt voelt, helpt de Cursus ons onze angsten ongedaan te laten maken door ons denken te veranderen, onder leiding van de Heilige Geest, de Stem namens Liefde. Goed nieuws, maar intussen voelt de angst nog steeds heel echt aan… dus wat nu?

Om angst ongedaan te maken, moet ik eerst goed begrijpen waarom ik zo angstig ben, en waar die angst precies over gaat. Dit proces lijkt op het afpellen van de lagen van een ui. Naarmate ik de Cursus langer beoefen, ga ik inzien dat mijn angsten over een terminale ziekte, over verlies van inkomen, of verlaten worden, slechts schaduwen zijn van een veel diepere angst. Onder de oppervlakte van mijn bewustzijn blijkt een ware heksenketel met schuld te borrelen: schuldgevoel over mijn overtuiging dat ik mijn Schepper heb afgewezen en verlaten omdat ik zo graag een leven los van Hem wil. Het ego is letterlijk de gedachte van afscheiding van Eenheid. De ‘oerzonde’ van het afwijzen van ‘onvoorwaardelijke Liefde’ (een treffend synoniem voor ‘God’) moet wel leiden tot verschrikkelijke schuld — het is het meest vreselijke wat we ons kunnen voorstellen. Geen wonder dat deze schuld leidt tot angst voor vergelding door de wraakzuchtige Schepper, die volledig gerechtvaardigd is mij te straffen. Dat is een behoorlijk angstwekkende situatie waarin ik mezelf ervaar…!

De meesten van ons beseffen niet hoeveel tijd wij in ons leven besteden om bepaalde autoriteitsfiguren tevreden te houden, in de angstige hoop dat straf (pijn) ons bespaard blijft. Velen van ons lijden jarenlang volstrekt onnodig, puur om te ‘bewijzen’ dat zij medelijden verdienen en geen straf, omdat ze zichzelf al aan het straffen zijn. Daarnaast zijn we enorm vaardig in het vingerwijzen naar alle ‘kwaad’ buiten ons, wederom om te kunnen ‘bewijzen’ dat anderen zondig zijn en ik onschuldig. Ik ben overduidelijk slechts slachtoffer van krachten waar ik geen invloed op heb, dus anderen zouden gestraft moeten worden; ik heb recht op mijn plekje in de Hemel. Al deze voorbeelden illustreren slechts de dynamiek van projectie: ik voel me schuldig over het afwijzen van God, maar aangezien ik de schuld daarover te pijnlijk vind om onder ogen te zien, projecteer ik die weg uit mijn denkgeest, en zie ik alle zonde en afwijzing buiten mij (ook in God), waar ik vervolgens zo bang voor word. In vergelijking daarmee stellen mijn angsten over ziekte of geld helemaal niets voor.

Echter, zodra we denken dat we hier serieus mee aan het werken zijn, heeft Jezus een nieuwe verrassing voor ons in petto: deze geprojecteerde angst over de afscheiding is nog niets vergeleken met de angst die daaronder ligt. “Je zou zelfs zonder angst naar de donkerste hoeksteen van het ego kunnen kijken, als je niet geloofde dat je, zonder het ego, iets in jezelf zou vinden waar je nog banger voor bent. Je bent niet werkelijk bang voor de kruisiging. Je echte doodsangst betreft de verlossing.” (T13.III.1:9-11). Over deze uitspraak gaan op z’n minst de wenkbrauwen omhoog. Dit lijkt tenslotte volstrekt ridicuul. Dus ik zou er doodsbenauwd voor zijn om te horen dat mijn Schepper mij tot in de eeuwigheid liefheeft? Maar Jezus vervolgt: “Als je niet zou geloven dat je wrede wens om de Zoon van God te doden jou van de liefde zou verlossen, zou jij bereid zijn zelfs daarnaar te kijken. Want die wens heeft de afscheiding veroorzaakt, en jij hebt die beschermd omdat je niet wilt dat de afscheiding wordt geheeld.” (T13.III.2:4-5)

Ho, wacht even. Wat bedoelt Jezus met “Ik wil niet dat de afscheiding wordt geheeld”? Zijn niet al mijn inspanningen als een goede Cursusstudent er juist op gericht om de afscheiding ongedaan te maken, door ijverig mijn niet-vergevende gedachten gade te slaan, en vervolgens niet meer voor afscheiding te kiezen? Het antwoord: nee, niet zolang ik mijzelf en iedereen om me heen nog steeds zie als duidelijk onderscheidbare individuen. Hierom is het zo belangrijk om de nondualistische metafysica van Een cursus in wonderen enigszins te begrijpen. Het citaat hierboven betekent eigenlijk: “Je beschermt de afscheiding omdat je niet wilt dat jouw individualiteit eindigt.” Onze angst voor de verlossing is de angst voor Eenheid, oftewel een staat zonder individualiteit. Hoe spiritueel gevorderd ik ook inmiddels misschien ben, uiteindelijk beschouw ik mezelf nog steeds als een lichaam, los van al het andere leven. Zolang jij en ik er nog voor kiezen om over de tijd en de ruimte te dromen, betekent het concept “Een Eenheid als één verbonden” helemaal niets (T25.I.7). Ik geloof eerder dat ik in het niets zou verdwijnen als ik mijn individualiteit zou opgeven. Voor het ego is dat de hel, maar in waarheid is het de Hemel. Dus, nogmaals: wat nu?

De boodschap van Jezus’ leerplan is niet om het lichaam af te doen door zelfmoord te plegen. Zelf-aanval leidt immers alleen maar tot meer schuld, waarmee het ongedaan maken van tijd en ruimte alleen maar langer duurt (je zult nog een extra keer moeten reïncarneren alvorens je werkelijk de “betere weg” kiest). Als ik serieus ben over mijn doel om blijvende innerlijke vrede te ervaren, zal ik mijn denkgeest moeten trainen om de lagen van angst ongedaan te maken. Hiervoor moet ik de metafysische grondslag van nondualiteit aanvaarden. Ik hoef niet alle metafysische principes grondig te begrijpen (dat is vrijwel onmogelijk voor onze lineair geprogrammeerde hersenen), maar ik zou in elk geval de bereidwilligheid moeten tonen om te aanvaarden dat er iets veel beters is dan individualiteit. Twee citaten die daarbij misschien behulpzaam zijn: “Er moet vooral worden opgemerkt dat God slechts één Zoon heeft. Als al Zijn scheppingen Zijn Zonen zijn, moet elk een integraal deel van het gehele Zoonschap uitmaken. Het Zoonschap in zijn Eenheid overstijgt de som van zijn delen.” (T2.VII.6:1). En uit het werkboek: “Wij zijn de schepping, wij de Zonen van God.  We lijken elk apart te zijn en ons niet bewust van onze eeuwige eenheid met Hem. Maar achter al onze twijfels, voorbij al onze angsten is nog altijd zekerheid. Want liefde blijft bij al haar Gedachten, terwijl haar zekerheid de hunne is.  De Godsherinnering is in onze heilige denkgeest, die zijn eenheid en verbondenheid met zijn Schepper kent.” (WdII.4:1-5). Slechter nieuws dat dit kan het ego zich niet voorstellen.

Terwijl we Jezus’ leerplan doorlopen gaan we ons langzaam realiseren, zonder overspoeld te worden door schuld, hoe waar dergelijke uitspraken in feite zijn: “Jij hebt jouw hele krankzinnige geloofssysteem opgebouwd omdat je meent in Gods Tegenwoordigheid hulpeloos te zijn, en jij wilt jezelf van Zijn Liefde verlossen omdat je denkt dat die jou tot niets vermalen zou.  Je bent bang dat ze jou van jezelf weg zou vagen en jou nietig zou maken, omdat je gelooft dat grootheid in verzet besloten ligt, en aanval allure heeft. Jij denkt dat je een wereld hebt gemaakt die God zou willen vernietigen, en dat je door Hem lief te hebben, wat je doet, die wereld weg zou werpen, wat je ook zou doen. […] Waanzin kun je aanvaarden omdat jij die hebt gemaakt, maar liefde kun je niet aanvaarden, want die heb je niet gemaakt. Jij wilt liever een slaaf van de kruisiging zijn dan een verloste Zoon van God. […] Je bent meer bevreesd voor God dan voor het ego, en liefde kan niet binnengaan waar ze niet welkom is.” (T-13.III.4;5)

Juist omdat wij angst helemaal zelf hebben gemaakt, ligt het ook in onze macht om dit alles volledig ongedaan te maken, of beter: voor ons ongedaan te laten maken. Hoe? Je raadt het: vergeving, het centrale thema van Een cursus in wonderen. De sleutel heet vergeving – niet van wat ik denk dat anderen mij aandeden, maar van wat ze me niet hebben aangedaan, omdat alle kwaad buiten mij slechts een projectie is van mijn eigen niet-vergevende gedachten. Op dezelfde manier vergeef ik mijzelf (als denkgeest) voor wat ik niet heb gedaan, want de afscheiding heeft in werkelijkheid nooit plaatsgevonden, en tijd en ruimte zijn illusoir. In (T1.VI.5) lezen we: “Volmaakte liefde verdrijft angst. Als er angst bestaat, dan is er geen volmaakte liefde. Maar: Alleen volmaakte liefde bestaat. Als er angst is, brengt die een toestand teweeg die niet bestaat.

Het gaat er niet om dat we onze angstgevoelens ontkennen. Het gaat erom de werkboeklessen te oefenen om zo de denkgeest te trainen deze angstgevoelens anders te bezien. Jazeker kies ik er nog steeds voor om een droomwereld in tijd en ruimte te ervaren, maar ik kan dat vanuit juist-gericht denken doen, vanuit een houding van vergeving. Angst is eigenlijk niets meer dan ‘vals bewijs dat heel echt lijkt’. In de “Psychotherapie” aanvulling lezen we: “Niemand in deze wereld ontkomt aan angst, maar ieder kan de oorzaken daarvan opnieuw overdenken en die de juiste waarde leren verlenen. God heeft iedereen een Leraar gegeven, wiens wijsheid en hulp elke bijdrage die een aardse therapeut maar kan leveren, verre te boven gaan.” (P1.1:3). Door al mijn niet-vergevende gedachten zonder veroordeling te bezien en ze vervolgens vreugdevol aan Jezus (of de Heilige Geest) over te dragen, wordt de schuld die al deze angst voedt, eindelijk ongedaan gemaakt. En je zult merken dat zorgen over inkomen, ziekte, natuurrampen of persoonlijke afwijzing zachtjes naar de achtergrond verdwijnen, omdat het niet meer uitmaakt. Van belang is dat ik ervoor kan kiezen een gelukkige leerling van dit leerplan te zijn, wetend dat we in werkelijkheid toch al veilig Thuis zijn. De wereld van angst wordt een lesruimte in vergeving, waarin het ons gegeven is om wonderen hun werk te laten doen via jou en mij.

— Jan-Willem van Aalst, april 2017 (vertaling van https://miraclesormurder.wordpress.com/2017/04/01/false-evidence-that-appears-real/)

Het lichaam liefdevol gebruiken

Veel studenten van Een cursus in wonderen ervaren nogal wat spanning over hoe ze hun eigen lichaam zien. De zesde herhaling in het werkboek (lessen 201-220) vraagt ons tenslotte om twintig dagen achter elkaar te herhalen: “Ik ben niet een lichaam. Ik ben vrij. Want ik blijf wat ik ben, zo schiep God mij.” Passages zoals “Ik heb me vergist toen ik dacht dat ik los van God leefde, als een afzonderlijk wezen dat zich in afzondering bewoog, aan niets gebonden, en gehuisvest in een lichaam.” (WdII.223.1) lijken het lichaam niet bepaald welgezind. In plaats daarvan spoort Jezus ons aan om te kiezen voor “…de geest, en heel de Hemel buigt zich om je ogen aan te raken en je heilig zicht te zegenen, opdat je de wereld van het vlees niet meer zou zien behalve om te genezen, te troosten en te zegenen.” (T31.VI.1:8). In Een cursus in wonderen brengt Jezus ieders ambivalentie over het lichaam vol in het bewustzijn, en dat kan bij tijd en wijle als pijnlijk worden ervaren.

Hieruit volgt echter niet dat het lichaam slecht zou zijn, of dat we het zoveel mogelijk zouden moeten negeren. Integendeel; als je de citaten hierboven zorgvuldig tot je neemt, wordt het duidelijk dat Jezus ons uitnodigt om het lichaam te gebruiken om te genezen, te troosten en te zegenen. In hoofdstuk 18 lezen we de volgende zeer belangrijke passage: “Het lichaam werd niet door liefde gemaakt. Toch veroordeelt de liefde het niet en kan ze het liefdevol gebruiken, omdat ze respect heeft voor wat de Zoon van God heeft gemaakt en dit aanwendt om hem van illusies te verlossen.” (T18.VI.4:7). Deze cruciale uitspraak is wat Een cursus in wonderen onderscheidt van de meeste wereldse religies en zelfs van de meeste spiritualiteiten, waarin de zondigheid (of juist heiligheid) van het lichaam voorop staat. Jezus ziet dat anders. Het gaat niet om wat voor kenmerk van het lichaam dan ook (daar alles in de materiële wereld illusoir is); het gaat om het doel dat richting geeft aan wat we met het lichaam doen. Dit doel is altijd één van de volgende twee opties: ofwel om te verwonden, of te genezen; ofwel om aan te vallen, ofwel om lief te hebben; ofwel een wonder, ofwel moord. Zolang wij nog geloven in tijd en ruimte te leven, kunnen we het lichaam inderdaad uitstekend benutten: om te genezen, te troosten en te zegenen.

De praktische betekenis van zo’n verandering van gedachten kan enorm zijn. Velen zijn bijvoorbeeld extreem onzeker over de aantrekkelijkheid van hun eigen lichaam. Voor sommigen wordt dat een allesoverheersende dagelijkse obsessie. De commerciële glamour-wereld heeft hele generaties gehersenspoeld over wanneer je er enigszins acceptabel uitziet. Vrouwen mogen vrijwel geen vet hebben, en mannen zien er het liefst uit als Tarzan. Dergelijke gekmakende conditionering versterkt slechts de vreemde overtuiging dat om gelukkig te kunnen zijn in dit leven, je de kenmerken van het lichaam moet optimaliseren (en daaraan vooral veel geld uitgeven natuurlijk). Hoe tragisch! Pas als ik Jezus’ troostende woorden in het citaat uit hoofdstuk 18 lees, kan ik inzien dat de visuele aantrekkelijkheid van het lichaam er volstrekt niet toe doet. Misschien voldoe ik niet aan de standaard van de magazines, maar ik kan mijn lichaam nog steeds gebruiken om te genezen, te troosten en te zegenen. Dat geeft mijn leven betekenis. Ik hoef niet eens mijn ego te overstijgen om dit te kunnen doen. De keuze om iemand ergens te helpen kan ik altijd maken, hoe onbeduidend de hulp ook lijkt. In het Handboek voor leraren lezen we: “Zelfs op het niveau van de meest terloopse ontmoeting is het mogelijk dat twee mensen hun afzonderlijke belangen uit het oog verliezen, al was het maar voor een moment. Dat moment zal volstaan. Verlossing is gekomen.” (H3.2:6). Ik geloof nog steeds dat ik in een lichaam besta, maar ik koos er op dat moment voor dat lichaam liefdevol te gebruiken.

Seks is ook zo’n thema dat veel spirituele aspiranten erg ongemakkelijk doet voelen. Is seks tenslotte niet het schoolvoorbeeld van het verheerlijken van het lichaam? De meeste spirituele scholen onderwijzen dat seksuele activiteit niet echt helpt om verlichting te bereiken. Ook Een cursus in wonderen lijkt ons te onderwijzen dat de speciale (lichamelijke) relatie feitelijk een kannibalistisch ritueel is met als doel om uit de ander te graaien wat we in onszelf lijken te missen om vervulling te ervaren. We houden onszelf compleet voor de gek wanneer we “seks” gelijkstellen aan “liefhebben”. Seks is primair ego-gedreven. Dat betekent echter niet dat liefhebben, als in het verbinden van denkgeesten, niet mogelijk is bij seks. “Bedenk dat liefde inhoud is, en geen vorm, van welke soort ook. De speciale relatie is een ritueel van de vorm, dat erop aanstuurt de vorm te verheffen zodat die ten koste van de inhoud de plaats van God in kan nemen. De vorm heeft geen betekenis en zal die ook nooit hebben.” (T16.V.12). Het gaat er dus om je niet langer schuldig te voelen over de vorm van het ritueel (seks, in dit geval) maar je louter te richten op de inhoud ervan, wat idealiter neerkomt op het doel van ware liefde, de verbintenis van twee schijnbaar afgescheiden denkgeesten, waarmee de afscheiding ongedaan gemaakt wordt. Dus zelfs bij seks kan de focus verschuiven van het lichaam (de vorm) naar de denkgeest (de inhoud), zonder schuld of onzekerheid. Pfoe!

Waarom zou de aantrekkelijkheid van het lichaam überhaupt van belang zijn? Mijn lichaam floreert in de eerste twintig jaren van mijn leven… daarna zal ik moeten omgaan met vijftig tot zeventig jaar van verval, wat onontkoombaar eindigt in de dood. Wetenschappers staan misschien op het punt om de levensduur van het lichaam aanmerkelijk te kunnen verlengen, maar met welk doel? Misschien slagen we er in meer jaren te leven, maar levert ons dat meer levensgeluk op? Diep vanbinnen beseffen we best dat dit niet zo zal zijn. Als je bovendien uitgaat van het oosterse concept van reïncarnatie, dan bewonen wij — als geest — vele, vele lichamen in de loop van de eeuwen. Het gaat er dus niet om een lichaam zo krachtig of aantrekkelijk mogelijk te maken, maar te leren hoe we de cyclus van reïncarnatie kunnen beëindigen. In zijn boek “Jouw onsterfelijke werkelijkheid” beschrijft auteur Gary Renard in niet mis te verstane beeldspraak een visioen waarin zijn leraren Pursah en Arten hem meenamen op een visuele reis waarin hij in zeer snelle opeenvolging alle lichamen ziet die hij ooit heeft gehad. Zeer ontluisterend! Gary heeft zelfs een audioboek gepubliceerd (in het Engels), getiteld: “Het einde van reïncarnatie”, waarin hij uitlegt dat onze koppige drang om te blijven proberen autonomie te ervaren in een lichaam — leven na leven — uiteindelijk vergeefs is. Pas als je dankbaar “ontslag neemt als je eigen leraar” (T12.V.8) en de Heilige Geest toestaat je gedachten te laten leiden, leer je hoe je alle duisternis in je denkgeest vergeeft en naar Huis terugkeert, buiten tijd en ruimte, “waar God wil dat wij zijn” (T31.VIII.12).

Kortom: voel je niet langer onzeker, schuldig of gedeprimeerd over je lichaam. Het gaat niet om hoe je tegen je lichaam aankijkt; het gaat om het doel waartoe je je lichaam inzet. Kenneth Wapnick sprak vaak over het onderscheid tussen de voorgrond en achtergrond van de focus van onze denkgeest. De commerciële marketing heeft ons voortdurend geleerd om de (interpretatie van de) visuele waarneming op de voorgrond te zetten, en zaken van de denkgeest naar de achtergrond te laten vervagen. Jezus in Een cursus in wonderen nodigt ons uit om dat compleet om te draaien: plaats de denkgeest op de voorgrond, en plaats zintuiglijke waarneming in tijd en ruimte naar de achtergrond. Ik zie en ervaar het lichaam nog steeds, maar in de achtergrond. Mijn focus richt zich vooral op het doel van liefhebben. Daarmee verschuift de focus van de keuze voor het verheerlijken van het lichaam naar de keuze om de Heilige Geest toe te staan het lichaam te gebruiken om te genezen, te troosten en te zegenen, oftewel: het einde van de afscheiding. Zo krijgt het lichaam waarlijk een heilig doel. Dat is iets wat jij en ik op elk moment van de dag zouden kunnen doen. Waarom eigenlijk niet gewoon hier en nu?

— Jan-Willem van Aalst, maart 2017 (vertaling van https://miraclesormurder.wordpress.com/2017/03/25/using-the-body-lovingly/)

De strijd tegen tijd

Hoe vaak ervaar jij tijdsdruk? Hoe vaak heb jij het gevoel dat er simpelweg te weinig tijd is voor alles wat je graag zou willen doen? En valt het jou wel eens op dat, telkens wanneer je uit gemeende interesse vraagt hoe het met iemand gaat, hoe vaak mensen klagen dat ze het “zo enorm druk hebben”? Het informatietijdperk verbindt ons heel gemakkelijk met zowat alles en iedereen, en dat maakt het alleen maar erger. “Stress” of “tijdsdruk” wordt steeds vaker als ziekte nummer één bestempeld. We kunnen veilig stellen dat zo’n vierhonderd jaar geleden het fenomeen “tijdsdruk” veel minder speelde, ongeacht welk continent je beschouwt. Wetenschappers stellen zelfs dat mensen toentertijd aanmerkelijk langzamer spraken. Kun je je voorstellen hoe dit je denkgeest opjaagt? Tegenbewegingen zoals “slow management” en “mindfulness” lijken slechts een druppel op de gloeiende plaat van dit alarmerend snel groeiende probleem.

Is het een probleem? Dat lijkt zeker het geval, zowel fysiek, mentaal, als spiritueel bekeken. Op fysiek niveau leidt stress tot hogere en instabiele hersengolf frequenties. Dat hindert de hersenen om de lichaamsfuncties adequaat te kunnen blijven besturen. Veel moderne endocrien gerelateerde ziekten zoals burn-out en Parkinson hebben waarschijnlijk een directe relatie met de hersengolven. Op mentaal niveau gunnen we onszelf steeds minder tijd om ons te bezinnen op waarom we doen wat we doen. We komen terecht in een denkmodus van een soort automatische piloot waarin we proberen twee dozijn draaiende bordjes tegelijkertijd in de lucht te houden. De epidemie van ADHD-gerelateerde stoornissen heeft veel te maken met de overdosis aan stimuli waaraan ouders hun kinderen blootstellen, wat vaak weer komt doordat die ouders te druk zijn met hun eigen waslijst aan activiteiten.

Spiritueel gezien zal het duidelijk zijn dat al die drukte slechts dient om de denkgeest af te leiden van het overdenken van fundamentele levensvragen, zoals “Wat ben ik?”, “Wat is mijn doel hier?”, of algemener: “Wat is de betekenis van mijn leven?” Als je de tijdlijn van het universum, zo’n dertien miljard jaar, als een lijntje op een vel papier tekent, dan wordt het hele begrip “tijdsdruk” een zotte klucht. Op die tijdlijn is de mensheid op de planeet aarde slechts een stip aan het einde van de lijn. Jij en ik winden onszelf enorm op over honderden zinloze zorgen over zaken die meestal over een paar uur of een paar dagen gaan, of hooguit een paar jaar. In de context van het grotere plaatje wordt onze stress volkomen onbeduidend en absurd. En toch blijven jij en ik dit doen. Waarom? Omdat ik zo bang ben dat mijn leven zal mislukken als ik niet dit of dat bereik voordat ik sterf. Mijn ‘zelf’, als speciaal individu, moet ik betekenisvol maken, anders heeft mijn bestaan geen zin. En dus worstel ik om mijn leven belangrijk te maken, uiteindelijk (onbewust) richting God. Wat een worsteling!

Natuurlijk kan dit niet werken. Het zit er dik in dat ik aan het einde van mijn leven verreweg mijn meeste inspanningen zal evalueren als ofwel mislukt, ofwel onbelangrijk. Wat overblijft is de vraag hoeveel liefde ik mezelf heb toegestaan te uiten (en te ontvangen) gedurende mijn leven. Het is ontnuchterend om in de Bhagavad Gita, zo’n vierduizend jaar oud, te lezen, dat “zolang jij jezelf op zelfzuchtige verlangens richt, je leven volkomen verspild is”. En toch is dat precies wat we ruim zeven miljard mensen dagelijks zien doen, inclusief onszelf: ervoor zorgen dat ik voorzie in mijn materiële behoeften; en mijn denkgeest bezig houden met een eindeloze reeks speciale afgoden, om aan mezelf en iedereen (God incluis) te bewijzen dat mijn leven niet volkomen verspild is, ook al ben ik het grotere plaatje maar een kort oplichtend vuurvliegje.

In Een cursus in wonderen toont Jezus ons de fundamentele uitweg uit deze hel, door ons botweg de compromisloze nondualistische metafysica voor te schotelen van de onwerkelijkheid van tijd en ruimte. Laten we eens kijken naar tijd, de vierde dimensie in dualiteit. Jezus zegt hierover: “Tijd is een kunstgreep, een goocheltoer, een immense illusie waarin figuren als bij toverslag komen en gaan. Toch zit er een plan achter alle verschijningsvormen dat niet verandert. Het draaiboek is geschreven. […] We ondernemen slechts een reis die al voorbij is. Toch schijnt ze een toekomst te hebben die ons nog onbekend is.” (WdI.158.4;3). Omdat onze hersenen uitsluitend lineair werken, duizelt het ons om ons iets voor te stellen bij de onwerkelijkheid van de tijd. Wij lezen dit tenslotte toch nu, in de tijd? We werken met Een cursus in wonderen in de tijd, toch? Hoezo is tijd onwerkelijk? Jezus legt in hoofdstuk 25 uit dat zolang wij denken dat wij in de tijd vertoeven, zijn boodschap aan ons ook in een tijdgebonden vorm wordt aangeboden: “Dit alles neemt notitie van tijd en plaats alsof dat losstaande zaken waren, want zolang jij denkt dat een deel van jou afgescheiden is, heeft het denkbeeld van een Eenheid die als Eén verbonden is, geen betekenis.” (T25.I.7:1). Jezus ontmoet ons in de toestand waarin wij ons denken te bevinden.

De bevrijding die Jezus ons biedt ligt in het dagende besef dat wij de dromer van een nachtmerrie zijn, die onze realiteit in de eeuwigheid volstrekt niet raakt. Zo lezen we in werkboekles 167: “Wanneer de denkgeest besluit te zijn wat hij niet is, en verkiest een vreemde macht aan te nemen die hij niet heeft, een oneigen toestand waartoe hij niet komen kan, […] lijkt hij slechts een poosje te gaan slapen. Hij droomt van de tijd: een interval waarin wat schijnt te gebeuren nooit heeft plaatsgevonden, de teweeggebrachte veranderingen geen substantie hebben en alle gebeurtenissen nergens zijn. Wanneer de denkgeest ontwaakt, gaat hij slechts voort zoals hij altijd is geweest.” (WdI.167.9). Let wel, “voortgaan zoals hij altijd is geweest” verwijst niet naar tijd, want in de eeuwigheid bestaat geen tijd. Jezus gebruikt de beeldspraak van een tapijtstrook die zich in de tijd voor ons lijkt uit te rollen: “De tijd lijkt in één richting te verlopen, maar wanneer je zijn eind bereikt, zal hij zich oprollen als een lange loper, achter je uitgerold over het verleden, en verdwijnen.” (T13.I.3)

Dus zolang wij menen dat we de zingeving in ons leven moeten vinden binnen tijd en ruimte, houden we onszelf voor de gek. Onze realiteit en verlossing liggen buiten tijd en ruimte. Kunnen we ons hier een voorstelling van maken? In werkboekles 107 probeert Jezus ons hierbij te helpen: “Probeer je een moment te herinneren — misschien een minuut, zelfs minder misschien — waarop niets jouw vrede kwam verstoren, waarop je er zeker van was dat jij bemind en veilig was. Probeer je dan voor te stellen hoe het zou zijn wanneer dat moment werd uitgebreid tot het einde der tijden en tot in eeuwigheid. Laat dan het gevoel van rust dat je voelde honderdmaal vermenigvuldigd worden en dan opnieuw honderdmaal. En nu heb je een beetje een idee, niet meer dan slechts een uiterst vage duiding, van de staat waarin je denkgeest zal verkeren wanneer de waarheid gekomen is.” (WdI.107.2). Die keuze is aan ons, niet iets wat God ons opdringt of onthoudt, afhankelijk van hoe zondig we waren. God heeft helemaal geen weet van zoiets als de tijd, laat staan deze hele materiële wereld. In hoofdstuk 26 lezen we dat deze dualistische droom nooit werkelijkheid was, is, of zal worden: “niet één noot in het lied van de Hemel werd gemist.” (T26.V.5:4).

Allemaal leuk en aardig, maar hoe leer ik dan Jezus’ lessen terwijl ik nog steeds geloof hier in de 21e eeuw te zijn, en daarin een leven probeer op te bouwen? Jij en ik zullen heus niet de volgende ochtend buiten tijd en ruimte wakker worden, dat staat vast. De troostende boodschap is dat dat ook niet hoeft. Ontwaken is een langzaam proces. Net zoals de Bhagavad Gita ons aanraadt om hier een normaal leven te leiden (“wees heel actief in deze wereld, maar als iemand die vanuit zijn diepste kern denkt en handelt”), zo onderwijst Jezus ons om te oefenen met het heilig ogenblik; een keuze in het nu voor de onvoorwaardelijke Liefde van God, waarmee we zowel verleden als toekomst even geheel vergeten. “nu is de dichtst mogelijke benadering van de eeuwigheid die deze wereld biedt” (T13.IV.6). Die uitspraak zette overigens Eckhart Tolle aan tot het schrijven van zijn bestseller “De kracht van het Nu”. De boeddhisten zeggen: “Het verleden is voorbij; de toekomst nog niet hier. Je leeft alleen nu, in het huidige moment.” Hoe haalbaar is dat?

Het werkbroek van Een cursus in wonderen is een lesprogramma voor gedachtentraining waarmee je jezelf aanleert om steeds wat vaker in het nu te leven, waarin de denkgeest zich richt op vergeving, op onvoorwaardelijke liefde. Zo nodig je de Heilige Geest uit als gids van je gedachten, en die uitnodiging aanvaardt Hij graag. Na een poosje oefenen merk je dat je denkgeest veel kalmer wordt, en het leven veel meer vanzelf lijkt te gaan stromen. Het dagelijkse leven kan bij tijd en wijle nog steeds druk lijken, maar brengt veel minder stress, en veel betere uitkomsten. Veel Cursusstudenten kunnen dit beamen. Het is deze ervaring van innerlijke vrede die het doel vormt van Een cursus in wonderen, en uiteindelijk van je leven hier. Hoeveel onvoorwaardelijke liefde sta jij jezelf toe te uiten (en te ontvangen) vandaag? Oefen in blijdschap en dankbaarheid met het heilige ogenblik, en keer dan terug naar de drukke wereld, maar vanuit de intuïtieve leiding van de Heilige Geest, die niet falen kan.

— Jan-Willem van Aalst, maart 2017 (vertaling van https://miraclesormurder.wordpress.com/2017/03/19/fighting-against-time/ )