Nee zeggen

Eén van de grote uitdagingen voor studenten van Een cursus in wonderen is het kunnen hanteren van een conflict en daarbij spiritueel te blijven denken. In deze wereld van ego’s maken mensen nu eenmaal misbruik van anderen. Het zit er dik in dat ook jij dat vroeg of laat zult tegenkomen. Wie weet is het iemand op je werk die jou je beoogde promotie niet gunt. Misschien is het iemand die geld verduistert uit je eigen onderneming. Misschien maakt iemand je zwart, simpelweg omdat hij je niet mag. De vormen zijn eindeloos. Vanuit spiritualiteit bezien kan ik dergelijke gebeurtenissen leren beschouwen als “lessen in liefde”, mij aangeboden door de Heilige Geest. Ik kan mezelf eraan herinneren dat dit wederom een kans is om “aanval zonder aanval tegemoet te treden” (P-2.IV.10); een gelegenheid om een betere keuze te maken: de keuze voor de Visie van Eenheid, waar ik voorheen voor veroordeling koos.

Dit zijn typisch situaties waarin het ego zijn kracht tentoonspreidt. Je zou het misschien niet verwachten, maar het ego citeert graag uit Een cursus in wonderen in dergelijke omstandigheden. Bijvoorbeeld: “Het ego analyseert; de Heilige Geest accepteert.” (T11.V.13:1) wordt frequent aangehaald. “Ha! Zie eens wat er met je gebeurt als je niet goed nadenkt en handelt, maar de situatie accepteert en simpelweg over je heen laat walsen. Wat een geweldige cursus toch”, vertelt het ego ons sarcastisch. En wat te denken van deze: “Als je broeder jou iets ‘ongehoords’ vraagt, doe het dan, omdat het niet van belang is.” (T12.III.4:1). Direct daarop volgt de cynische lach van het ego, die mij vraagt hoeveel ik denk uit dit leerplan van Jezus te halen als ik werkelijk zo zou denken en handelen. Zelfs de quote vier hoofdstukken later hierover: “Ik heb gezegd dat als een broeder iets dwaas van jou vraagt, dat te doen. Maar vergewis je ervan dat dit niet betekent iets dwaas doen wat hem of jou zou kwetsen, want wat de een kwetst zal ook de ander kwetsen.” (T16.I.6) heeft een ego-interpretatie. “Zie je wel?” zo adviseert het ego ons, “zelfs Jezus wil dat je handelt als je wordt aangevallen. Je moet voor jezelf opkomen als je misbruikt wordt. Dat is het beste om te doen. Wees geen voetveeg; onderneem actie en vecht voor je recht!”

Het kost menig spirituele student erg veel moeite om juist-gericht te blijven denken als ze met dergelijk gedrag geconfronteerd worden. Ze herinneren zich eraan dat ze niet zouden moeten veroordelen, maar uiteindelijk wordt er over ze heen gelopen. Wat resteert is een knagend gevoel van opoffering en slachtofferschap. Dit zijn onfortuinlijke gevallen van wat Kenneth Wapnick “niveauverwarring” noemt. Bedenk dat Een cursus in wonderen ons het leerplan op twee niveaus aanbiedt. Niveau 1 is het nondualistische, metafysische niveau van God en de uitbreiding van Liefde. Op dit niveau bestaat er geen tijd en wereld. Niveau 2 is het niveau van de droomwereld waarin wij overtuigd zijn ons bestaan te ervaren. De echte moeilijkheid ontstaat zodra we metafysische beginselen proberen toe te passen in een bedreigende droomwereld waarin we ons gedwongen voelen te overleven en in actie te komen. We proberen eigenlijk de vergissing van de afscheiding tot werkelijkheid te maken, aangezien we tegen beter weten in hopen dat door spiritueel te handelen, ik als individu een beter leven in deze droomwereld zal hebben. Deze paradox zal nooit werken.

De uitweg uit deze paradox is niet om “spiritueel nooit meer te oordelen”, maar om je ‘kleine zelf’ aan de kant te zetten en de Heilige Geest te vragen wat te doen. Jazeker, de Heilige Geest accepteert beslist, maar dat is op niveau 1, waar iedereen dezelfde Zoon van God is. Op het wereldse niveau 2 van tijd, ruimte en perceptie biedt de Heilige Geest jou en mij praktisch advies over hoe je een conflictsituatie hanteert zodanig dat die voor iedereen het beste uitpakt. Dit kan best standvastigheid betekenen, terwijl je duidelijk zegt: “Nee, dit aanvaard ik niet.” Een dergelijke afwijzing gaat over vorm, de situatie die op dat moment speelt. Het is dus heel goed mogelijk, ja zelfs aan te raden, om aan de ene kant iemand als de schuldeloze Zoon van God te zien (niveau 1), terwijl je aan de andere kant het gedrag van die persoon (op niveau 2) niet aanvaardt, omdat dit alleen maar tot meer aanval, afscheiding, verdediging, enzovoorts, zou leiden. Zoals op zoveel plekken in Een cursus in wonderen, is het cruciaal om onderscheid te maken tussen vorm en inhoud, tussen niveau 1 en 2. In sommige situaties is dat niet zo moeilijk. Als je bijvoorbeeld kleine kinderen met een schaar ziet spelen, dan pak je ze die gelijk af. Dit kan op het kind misschien onaardig overkomen, maar je handelt liefdevol in ieders beste belang.

Conflictsituaties zijn in het algemeen lastiger om zo te benaderen. Het moeilijke eraan is om jezelf bewust te blijven van jouw gehechtheid aan je geloof dat jij het in elke situatie het beste weet. Maar dat is hetzelfde als te proberen dit “met het ego als gids” op te lossen. Juist hier raken we in de war. Iedere situatie waarin conflict speelt of potentiële aanval, kan perfect worden opgelost door de Heilige Geest als Hij daartoe wordt uitgenodigd. Ken Wapnick hield van de combinatie van de volgende twee citaten: “Neem nu ontslag als je eigen leraar […] want je werd slecht onderwezen” (T12.V.8:3; T28.I.7:1).  Het zal je verbazen hoe praktisch het advies van de Heilige Geest kan zijn als je Hem om hulp vraagt, zodra je geconfronteerd wordt met een ego-gedreven conflictsituatie. Oefen hier een poosje mee, en het zal je verrassen hoe vaak een situatie vrediger uitpakt dan je ooit voor mogelijk had gehouden. Zoals eerder genoemd, heeft Ken Wapnick dit zelf ervaren toen hij een inbreker betrapte in zijn huis. Toen hij eenmaal de moed had gevonden het advies van de Heilige Geest te vragen en te volgen, eindigde de situatie met het vredige vertrek van de inbreker uit zijn appartement, met het hartverscheurende verzoek aan Ken om voor hem te bidden.

Dus probeer het eens de komende dagen. Zodra je voelt dat je in een situatie belandt waarin je voelt dat je wordt uitgebuit, en je bemerkt het ego-advies om direct te handelen (door je te verdedigen, door boos te worden), probeer dan eens een stapje terug te doen en kijk naar je gedachten. De meesten vinden het niet moeilijk om te observeren dat het ego ten tonele is verschenen. Het moeilijke is de snelheid waarmee we ons vervolgens laten meeslepen en het ego uitleven. Je neemt een enorme stap in je spirituele groei als jij je denkgeest kunt trainen om even te stoppen, te kijken naar wat er gebeurt, en vervolgens eenvoudigweg te zeggen: “Ik wil niet nogmaals slecht onderwezen worden. Heilige Geest, ik wil jou als gids. Vertel me alsjeblieft wat Liefde hier zou doen.” Je aanvaardt nog steeds de ander als een Zoon van God, maar je aanvaardt niet per se de verwachte uitkomst van het gedrag of het conflict. Daarom hebben we nog steeds rechtbanken en rechters. Jezus roept ons beslist niet op om alle rechtbanken en gevangenissen te sluiten. We hoeven slechts te oefenen in het kiezen van een betere leraar in deze droomwereld. Kies voor de Stem namens Liefde. Zo realiseren we ons dat deze wereld wel degelijk opnieuw ervaren kan worden als een lesruimte waarin we werkelijk leren om blijvende innerlijke vrede te vinden.

— Jan-Willem van Aalst, december 2016 (vertaling van https://miraclesormurder.wordpress.com/2016/12/10/saying-no/ )

Het geluid van stilte

Steeds opnieuw wijst Een cursus in wonderen ons erop om onze denkgeest te trainen om sneller gewaar te worden van de gids die ons denken leidt: ofwel het ego (wat resulteert in wat Kenneth Wapnick “onjuist gericht denken” noemt), ofwel de Heilige Geest (wat resulteert in “juist gericht denken”). Zolang ik mij niet bewust ben van mijn onbewuste,  maar desondanks doelgerichte keuze voor het ego als de gids van mijn gedachten, blijf ik hangen in “zoek, maar vind niet” (T16.V.6:5). Trouwe studie en toepassing van Een cursus in wonderen doen mij realiseren dat ik meer ben dan mijn ego. Op veel plaatsen in de tekst spreekt Jezus ons aan als wat Kenneth Wapnick  “de keuzemaker” noemt. Elke dag, ieder uur, elke minuut, ja elk moment binnen die minuut kies ik tussen juist of onjuist gericht denken. Een cursus in wonderen is simpel, in die zin dat ik me kan realiseren dat onjuist gericht denken altijd zal leiden tot ellende in het leven, terwijl juist gericht denken altijd innerlijke vrede geeft. Het verrot moeilijke deel zit ‘m in het dagelijks toepassen van dat besef.

Het doel van Een cursus in wonderen is niet om de staat van de Hemel te bereiken. Blijvende innerlijke vrede kan tot op zekere hoogte bereikt worden in deze dualistische wereld van tijd en ruimte, maar die vrede zal nooit totaal zijn. Ze zal niet blijvend zijn, omdat het ego ons altijd verleidingen zal voorschotelen zolang wij nog de dagen en de jaren tellen. Jezus’ gedachtetraining dient slechts als voorbereiding op onze terugkeer in de Hemel, waarmee tijd en ruimte voorgoed eindigen. Dat is de ware vrede van God “die alle begrip te boven gaat” (Filippenzen 4:7). Dat is de toestand waarin de Zoon van God is ontwaakt als de tijdloze Liefde van God. Iedere herinnering aan de droom van dualiteit zal volledig vergeten zijn. Desondanks stelt de Cursus heel duidelijk dat hij binnen het raamwerk van het ego blijft, waar hij nodig is (VvT-In.3:1). De staat van de Hemel, of de betekenis van Liefde, kan niet onderwezen worden (T-in.1). Wel kunnen wij onze denkgeest er klaar voor maken. Maar bedenk: ergens klaar voor zijn is niet hetzelfde als volleerd zijn.

Aan de andere kant vertelt Jezus ons in het werkboek dat het beslist mogelijk is om God te bereiken: “In feite is het heel makkelijk, omdat dit de allernatuurlijkste zaak ter wereld is.” (WdI.41.8:2). De valkuil waar we direct instappen is dat we denken dat hier communicatie met woorden wordt bedoeld. We doen er goed aan ons te bedenken dat dit niet het type communicatie is waar Jezus naar verwijst, omdat woorden overduidelijk zijn gemaakt door dualistische denkgeesten in de dualistische droom, waar God niets van weet. Het is zelfs zo dat Jezus ons er voor waarschuwt niet onze “verbale gedachten” als onze ware gedachten te beschouwen. Hij legt dit uit in werkboekles 10, “Mijn gedachten betekenen niets”: “Dit idee geldt voor alle gedachten waarvan je je bewust bent, of […] bewust wordt. De reden hiervan is dat ze niet jouw werkelijke gedachten zijn.” (WdI.10.1:1-2). In les 15 lezen we dat “mijn gedachten zijn beelden die ik heb gemaakt”, en, nog raker in werkboekles 45: “Niets wat jij denkt dat je werkelijke gedachten zijn, lijkt ook maar enigszins op jouw werkelijke gedachten. […] Waar zijn dan jouw werkelijke gedachten? […] We zullen ze in jouw denkgeest dienen te zoeken, want dat is waar ze zijn. Ze moeten daar nog altijd zijn, want ze kunnen hun bron niet hebben verlaten. […] Onder al de zinloze gedachten en dwaze ideeën waarmee jij je denkgeest hebt volgestouwd, gaan de gedachten schuil die jij in den beginne met God hebt gedacht. Ze huizen ook nu nog in je denkgeest, volkomen onveranderd. Ze zullen altijd in je denkgeest zijn, precies zoals ze dat altijd waren.” (WdI.45-1-7).

Dus het is als volgt: we proppen onze denkgeest vol met zinloze verbale gedachten, met als doel om de gedachten te verhullen die we met God denken. Onze ware gedachten hebben helemaal niets met grammatica te maken. Ze kunnen niet beschreven worden. Misschien komt “eeuwige Liefde” in de buurt, omdat dat is wat God en jij en ik zijn. Op verscheidene plaatsen in het tekstboek en werkboek nodigt Jezus ons uit om onze denkgeest weg te leiden van dit verbale gebabbel, al is het maar voor een moment, om in plaats daarvan de stilte te zoeken. Dat is een oefening in het leren concentreren op niets. Misschien ken je Patanjali’s achtvoudige Yoga-pad, waarin de training van de denkgeest een belangrijke plaats inneemt. In de Pratyahara oefening bijvoorbeeld leer je om je bewuste denkgeest en zintuigen los te koppelen van alle externe objecten. In de Dharana oefening daarna leer je om je te concentreren op één concept. Het stadium daarna, Dhyana, komt neer op onverstoorde meditatie en observatie van wat is. Je laat alle gehechtheid, alle controle en alle verdedigingsmechanismen los. De kroon op dit leerpad is de staat van Samadhi (letterlijk: bevrijding), of “het mediteren op niets”. In Samadhi is de denkgeest zich totaal bewust van het nu. Hij weet dat er niets anders is. De stroom van verbaal gebabbel is gestopt, en er is louter gewaarzijn van Zelf. Gewaarzijn van onze Identiteit als Zoon van God .

Dit is de vereiste voor het direct bereiken van God. Dit is overduidelijk niet eenvoudig. Bovendien is het niet de focus van Een cursus in wonderen. In het Handboek voor leraren lezen we dat “Er zijn er die God rechtstreeks hebben bereikt, doordat ze aan niet de geringste wereldse beperking vasthielden en zich hun eigen Identiteit volmaakt herinnerden. […] Soms kan een leraar van God een korte ervaring hebben van rechtstreekse vereniging met God. In deze wereld is het bijna onmogelijk dat dit van blijvende aard is. Het kan, misschien, na veel inzet en toewijding worden verkregen en dan een groot deel van de aardse tijd in stand worden gehouden. Maar dit komt zo zelden voor dat het niet als een realistisch doel kan worden beschouwd. Als het gebeurt, laat het zo zijn. Als het niet gebeurt, laat het eveneens zo zijn. Elke wereldse toestand moet wel illusoir zijn. Als God in een aanhoudende bewustzijnstoestand rechtstreeks werd bereikt, zou het lichaam niet lang in stand kunnen worden gehouden. […] Wanhoop dus niet vanwege beperkingen. Het is jouw functie om aan ze te ontkomen, maar niet om zonder ze te zijn.” (H.26.2-4)

Samenvattend kunnen we dus stellen dat het niet mogelijk is om God in aanhoudende bewustzijnstoestand te ervaren. Tegelijkertijd worden we wel uitgenodigd om onze denkgeest te leren om een staat van perfecte stilte te bereiken, ook al is het maar voor even. Een mooi voorbeeld hiervan vinden we in werkboekles 182, “Ik zal een ogenblik stil zijn en naar huis toe gaan“: “Wanneer je een ogenblik stil bent, wanneer de wereld van jou wijkt, wanneer ideeën zonder waarde ophouden waarde te hebben in je rusteloze denkgeest, dan zul je Zijn Stem horen. […] In dat ogenblik neemt Het jou naar Zijn huis en zul jij bij Hem blijven in volmaakte stilheid, sereen en in vrede, aan alle woorden voorbij.” (WdI.182.8:1;3). Hoe dit te doen wordt uitgelegd in werkboekles 189: “Doe eenvoudig dit: wees stil en leg alle gedachten terzijde over wat jij bent en wat God is, alle ideeën die je hebt geleerd ten aanzien van de wereld, alle beelden die je hebt van jezelf. Maak je denkgeest leeg van alles waarvan hij denkt dat het waar of onwaar, goed of slecht is, van iedere gedachte die hij waardevol acht en van alle ideeën waarvoor hij zich schaamt. Houd vast aan niets.  Breng geen enkele gedachte met je mee die het verleden je heeft geleerd, en geen enkele overtuiging die je vroeger ooit aan wat ook hebt ontleend. Vergeet deze wereld, vergeet deze cursus, en kom met volkomen lege handen tot jouw God.” (WdI.189.7) Dit is overigens tegelijk een rake beschrijving van Patanjali’s Yoga pad. Het klinkt eenvoudig genoeg, maar is het je ooit voor meer dan enkele seconden gelukt?

De volgende oefening kan een echte eye-opener zijn om je te realiseren hoe stevig de ketenen van het ego-gebabbel eigenlijk zijn. Zoek een lege kamer op waar je een poosje alleen met jezelf kunt zijn. Ga zitten op een stoel in een ontspannen maar alerte houding, rechtop. Leg je handen in je schoot, of losjes op je dijen. Sluit je ogen. Doe nu wat Jezus ons vraagt in les 189, in de alinea hierboven. Maak je denkgeest leeg. Houd vast aan niets. Word de stille observator. Ah, je merkte dat je een gedachte had! Je weet wat je te doen staat: voel je niet schuldig; ga gewoon terug naar de observator. Oeps, daar was weer een gedachte! Wat Jezus van ons vraagt lijkt op het eerste gezicht best eenvoudig, maar we merken dat het vrijwel onmogelijk lijkt om dit zelfs maar een minuut vol te houden. We lijken de hele tijd te denken! En toch is het mogelijk om gedurende langere tijd volledige stilte te ervaren.

In de zestiger jaren, de eerste jaren van het optekenen van de Cursus, reisde de Indiase leraar Maharishi Mahesh Yogi (1918-2008) de wereld rond; hij onderwees wat hij “Transcendente meditatie” (TM) noemde, zoals hem dat was geleerd door zijn goeroe Dev. Maharishi heeft dit aan vele duizenden mensen onderwezen, inclusief de Beatles. TM is een techniek om de stroom van verbale gedachten volledig stil te leggen, en zo de totale stilte te ervaren waarover we lezen in lessen 182 en 189, ook al is het maar tijdelijk. Deze techniek gebruikt de adem als vehikel voor de “focus op één concept”, zoals Patanjali het uitdrukte. Aangezien de adem min of meer automatisch gereguleerd wordt door het cerebellum, is dit een betrouwbaar fenomeen voor gerichte concentratietraining. Na een tijdje met volledige aandacht de adem gevolgd te hebben, bemerk je plotseling dat je een poosje volstrekt vrij van gedachten was. Dat wil zeggen, verbale gedachten. Je concentreerde je op niets. Dat is de stilte waar Jezus het over heeft, en dat kan een behoorlijk indrukwekkende ervaring zijn. Sommigen noemen het een openbaring. Daarom horen we John Lennon “Jai Guru Dev – aah” zingen in “Across the universe”. Natuurlijk is deze techniek niet door Goeroe Dev, noch door zijn leerling Maharishi uitgevonden. Deze techniek wordt in het Oosten al duizenden jaren beoefend. Ook Shamanistische rituelen staan bekend om het teweegbrengen van een trance die leidt tot min of meer dezelfde “concentratie op niets”, en dus eenzelfde ervaring. En er zijn nog vele andere vormen van meditatieve concentratie mogelijk. Het gaat niet om het unieke van de technieken; het gaat erom dat de meesten van ons zich niet bewust zijn van de enorme schatkist in onze denkgeest, die voor het grijpen ligt als we gedisciplineerd willen blijven oefenen.

“Een universele ervaring is niet alleen mogelijk, maar zelfs noodzakelijk.” (VvT-In.2.5). Deze universele ervaring kan in zekere zin omschreven worden als het geluid van stilte, in het besef dat al het leven één is. Het is helemaal geen geluid. Het is directe communicatie met God, die Liefde is. In werkboekles 106, “Laat ik stil zijn en naar de waarheid luisteren”, lezen we: “Als je de stem van het ego terzijde schuift, hoe luid die ook schijnt te roepen; als je zijn onbeduidende gaven, die jou niets geven wat jij werkelijk wenst, niet aanneemt; als je luistert met een open denkgeest, die jou niet alvast verteld heeft wat verlossing is; dan zul je de machtige Stem van de waarheid horen, kalm in kracht, sterk in stilte en volkomen zeker in Zijn boodschappen. Luister, en hoor je Vader tot jou spreken via Zijn aangewezen Stem, die het misbaar van het betekenisloze doet verstommen en aan hen die niet kunnen zien de weg naar vrede wijst. Wees stil vandaag en luister naar de waarheid.” (WdI.106:1,2) Nogmaals, hoewel het niet de primaire focus van het leerplan van de Cursus is om deze staat in een aanhoudende bewustzijnstoestand te blijven ervaren (omdat je dan geen reden meer zou hebben om nog in de wereld te zijn), is het wel nuttig als training van je denkgeest, om je steeds wat sneller gewaar te worden van de aanwezigheid van een veel betere leraar dan die van het verbale gebabbel. Als je het beoefenen van deze momenten van volledige stilte gebruikt om je steeds sneller bewust te worden van de “betere manier”, dan mag je er zeker van zijn dat je jezelf een enorm tijdinterval aan ego-ellende bespaart. Veel inspiratie met oefenen gewenst!

— Jan-Willem van Aalst, december 2016 (vertaling van https://miraclesormurder.wordpress.com/2016/12/03/the-sound-of-silence/ )

Vergeven is vergeten

Het valt studenten van Een cursus in wonderen ongetwijfeld op dat in de tekst nadrukkelijk onderscheid wordt gemaakt tussen zonde en vergissing. Als je ooit enige mate van blijvende innerlijke vrede wilt ervaren, dan is een goed begrip van dit onderscheid cruciaal. Een zonde is permanent, onherroepelijk en onvergeeflijk. De zondaar is voorgoed schuldig, en dat zal nooit veranderen. In de Cursus gebruikt Jezus de beeldspraak van een bloedvlek om de ernst van zonde te beschrijven: “De bloedvlek kan nooit worden verwijderd, en ieder die deze smet op zich draagt, moet de dood smaken.” (H17.7:13). Een vergissing echter, is slechts een fout die hersteld en dus ongedaan gemaakt kan worden, en zo geheel vergeten kan worden.

Dit onderscheid tussen zonde en vergissing wordt met name besproken in hoofdstuk 19 van het tekstboek. In (T19.II.1) lezen we: “Het is van wezenlijk belang dat een vergissing niet met zonde wordt verward, en juist dit onderscheid maakt verlossing mogelijk. Want een vergissing kan worden gecorrigeerd, en het kromme rechtgemaakt. Maar zonde, zo die al mogelijk was, zou onomkeerbaar zijn. […] Zonde is geen vergissing, want zonde gaat gepaard met een arrogantie die vreemd is aan het idee van een vergissing. Zondigen zou zijn: de werkelijkheid geweld aandoen, en daarin slagen. Zonde is de verkondiging dat aanval iets werkelijks is en schuld gerechtvaardigd.” Jezus legt vervolgens uit waarom het ego zo koppig vasthoudt aan het idee dat zonde nooit gecorrigeerd kan worden: het is namelijk de beste manier om iemand te beschuldigen van wreedheid en aanval, waarmee je zelf automatisch een onschuldig ‘slachtoffer’ wordt. Mijn wens om de overtuiging in stand te houden dat niet ik zondig ben, maar iemand anders, kan ik alleen vervullen door voortdurend te zoeken naar schuldige personen of ‘slechte’ situaties.

Vergis je niet in hoe gretig jij en ik nog vasthouden aan het idee van zonde in iemand anders. In (T-19.II.5) lezen we: “Elke poging om zonde als een vergissing te herinterpreteren is voor het ego altijd onverdedigbaar. Het idee van zonde is in zijn denksysteem volkomen sacrosanct en niet te benaderen anders dan met eerbied en ontzag. Het is het meest ‘heilige’ concept in het egosysteem: geliefd en machtig, volkomen waar, en uiteraard beschermd door elk verdedigingsmiddel dat tot zijn beschikking staat. Want dit is zijn ‘beste’ verdediging, waaraan al de andere dienstbaar zijn. Dit is zijn pantser, zijn bescherming, en de fundamentele bedoeling van de speciale relatie volgens zijn interpretatie.” Verderop in de tekst ontmaskert Jezus de geheime, diep verborgen angst die ons in ons onbewuste achtervolgt: de angst dat ik feitelijk de echte zondaar ben (omdat ik God mijn Schepper heb verlaten). Het zien van zonde in anderen is dus feitelijk een projectie van de angst dat ik de echte zondaar ben, die God zonder twijfel zal straffen in het gevreesde Laatste Oordeel. En dus vul ik de dagen van mijn leven met het verzamelen van ‘bewijzen’ voor God dat anderen zondig zijn, en ik onschuldig.

Een pijnlijk voorbeeld van deze projectie, en de weigering om het onderscheid tussen zonde en vergissing te aanvaarden, zien we bij de Joden die de Tweede Wereldoorlog overleefden. Hun bekende uitspraak “wij zullen vergeven, maar nooit vergeten” illustreert duidelijk hun conclusie dat wat toentertijd is gebeurd een bloedvlek is die nooit meer verwijderd kan worden. De Nazi-Duitsers zouden door God gestraft moeten worden, en al hun onschuldige slachtoffers zouden toegelaten moeten worden tot de Hemel. Het punt hier is niet om de verschrikkingen van de Tweede Wereldoorlog te ontkennen — die zijn grondig en betrouwbaar genoeg gedocumenteerd. Maar het besluit om uitsluitend de slechtheid van de ‘zondige’ Duitsers te blijven zien, betekent het springlevend houden van de pijn in de denkgeest.  De pijn ligt niet eens zozeer in de herinnering op zich, maar in het blijvend veroordelen van degenen die de misdaden begingen. Zolang ik blijf weigeren om te erkennen dat zelfs de grootste oorlogsmisdadiger nog altijd een Zoon van God is, kies ik voor niet-vergeving in mijn denkgeest, waarmee ik mezelf de blijvende innerlijke vrede ontzeg die ik zo graag wil. Het gebruikelijke argument voor de uitspraak “Wij zullen vergeven, maar nooit vergeten” is dat we van het verleden kunnen leren, om te voorkomen dat zo’n hel ooit nog eens gebeurt. Het is zeker waar dat we van het verleden kunnen leren, maar dat is iets heel anders dan dit te gebruiken als argument om maar te kunnen blijven veroordelen.

We hoeven heus niet naar het Joodse volk te vingerwijzen vanwege dit denkmechanisme — wij passen dit allemaal van dag tot dag toe in onze dagelijkse levens. Neem maar eens een moment om je denkgeest te bekijken, dat wil zeggen: boven het slagveld, als observator. Het kost je waarschijnlijk geen moeite om een lijstje te maken van mensen die je beslist niet mag, en situaties die jou angstig maken (omdat jij er geen invloed op hebt, uiteraard). Zoals Kenneth Wapnick vaak benadrukte in zijn essays en workshops, hoeven we slechts te kijken naar de relatie met onze ouders, of andere autoriteiten zoals leraren of managers. Talloze generaties volwassenen hebben de pijn weggestopt over de liefde die ze vonden dat ze verdienden, maar van hun ouders nooit hebben ontvangen. Talloze werknemers hebben zich slachtoffer gevoeld op hun werk omdat ze nooit de beloning kregen die ze vonden dat ze verdienden. De sleutel is dat ik er steeds voor kies om pijn te ervaren, zodat ik kan blijven veroordelen. Nogmaals, de reden dat ik daarvoor kies is omdat ik zo mijn doodsangst kan projecteren dat ik de zondaar ben die God heeft afgewezen, en daarom gestraft zou moeten worden. Om dat te kunnen vergeten zoek ik steeds geschikte zondebokken zoals de autoritaire figuren hierboven.

Gelukkig geeft dit besef over projectie gelijk ook de juiste richting aan om uit deze hel te kunnen ontsnappen. Als ‘vergeven’ feitelijk betekent ‘vergeten’, dan moet ik daarvoor een kraakheldere, overtuigende en onloochenbare reden vinden, anders zal ik nooit bereid zijn om wat dan ook te vergeten. Deze overtuigende reden, zoals ik vaak in deze blogs beschrijf, is de gewaarwording dat ik niet een individu ben in een boze, onbeheersbare wereld, maar dat ik de dromer van de droom van afscheiding ben. Onze gehele droomwereld is holografisch: het geheel is vervat in elk deeltje. Dit geldt zowel voor het ego-denksysteem als dat van de Heilige Geest. De metafysica van Een cursus in wonderen moet tot op zekere hoogte begrepen worden om er werkelijk van overtuigd te zijn dat ware vergeving beter is dan voortdurende veroordeling. De Heilige Geest gebruikt de genoemde autoriteiten als ‘lessen in liefde’ voor ons. Wij krijgen zo vele gelegenheden om onze relatie met hen te heroverwegen, om vervolgens ervoor te kiezen onze gedachten te laten leiden door de Heilige Geest, waarmee onvoorwaardelijke Liefde automatisch het gat vult dat het ‘vergeten van veroordelen’ had achtergelaten.

Alleen door het besef dat onze schijnbare afscheiding in miljarden en miljarden afgescheiden fragmentjes een zotte klucht is, kunnen we ons langzaamaan realiseren dat, vanuit de geest beschouwd, ik en mijn ouders, mijn leraren en mijn manager helemaal geen verschillende belangen hebben: wij zijn allen de ene Zoon van God, die er nog voor kiest om in de droomwereld in slaap te blijven. Het beoefenen van ware vergeving (dat wil zeggen, het vergeten van alle veroordeling die ik voorheen koos) is de ‘koninklijke weg’ om deze droomwereld gestaag terug te brengen naar haar bron, alwaar die in het niets zal verdwijnen waaruit die ooit voort leek te komen. De keuze om deze dagelijkse wereld waarin we leven zo te bezien wordt visie genoemd in Een cursus in wonderen. En visie kan alleen nu gekozen worden. Ter afsluiting lezen we een inspirerende gedachte uit werkboekles 164, die de essentie van deze boodschap goed verwoordt.

“Op welk ander tijdstip dan nú kan de waarheid worden herkend? Het heden is de enige tijd die er is. En dus gaan we vandaag, op dit ogenblik, nu, kijken naar wat er altijd is, niet in onze ogen, maar in de ogen van Christus [d.w.z., Liefde]. Hij kijkt voorbij de tijd en ziet de eeuwigheid daar weergegeven. Hij hoort de geluiden die de zinloze, drukke wereld produceert, maar Hij hoort ze vaag. Want voorbij dit alles hoort Hij het gezang van de Hemel en de Stem namens God [Liefde] helderder, betekenisvoller, dichterbij.
De wereld vervaagt moeiteloos voor Zijn blik. Haar geluiden worden zwak. Een melodie van ver voorbij de wereld wordt almaar en almaar duidelijker: een aloude roep waarop Hij een aloud antwoord geeft. Je zult ze allebei herkennen, want het is slechts jouw antwoord op je Vaders Roep tot jou. Christus antwoordt voor je, als echo van jouw Zelf, waarbij Hij jouw stem gebruikt om Zijn vreugdevolle instemming te bieden en jouw bevrijding voor jou aanvaardt.
Hoe heilig is je oefenen vandaag wanneer Christus jou Zijn blik schenkt en voor jou luistert, en in jouw naam de Roep beantwoordt die Hij hoort! Hoe rustig is de tijd die jij eraan geeft om met Hem door te brengen, voorbij de wereld. Hoe makkelijk zijn al je schijnbare zonden vergeten en wordt al je ellende niet meer herinnerd. Op deze dag wordt verdriet terzijde gelegd, want beelden en geluiden die van dichterbij dan de wereld komen, zijn helder voor jou die vandaag de gaven die Hij geeft, aanvaarden wil.”

— Jan-Willem van Aalst, november 2016 (vertaling van https://miraclesormurder.wordpress.com/2016/11/26/forgiving-is-forgetting/)

Leven vanuit dankbaarheid

Voor veel studenten van Een cursus in wonderen lijkt het leerplan zo nu en dan een onuitvoerbare taak. Het is tenslotte een trainingsprogramma waarvoor je “…bereid [moet] zijn iedere waarde die jij eropna houdt in twijfel te trekken. Niet één kan er verborgen en in het duister gehouden worden, of deze zal jouw leerproces in gevaar brengen.” (T24.In.2:1). We lezen over de wetten van de chaos, die geheel onbewust — maar wel doelbewust — ons leven sturen. Zelfs hoewel je volhoudt “… dat je deze onzinnige wetten niet gelooft, en er ook niet naar handelt…”, verzekert Jezus ons: “Broeder, je gelooft ze.” (T23.II.18:3). Dit wordt ons vrijwel dagelijks duidelijk, telkens als we ons realiseren dat we de werkboekles voor die dag toch niet zo perfect hebben gedaan als we ons hadden voorgenomen. Auw! Op een gegeven moment vragen we ons zuchtend af hoe we ooit de volledige ommekeer van gedachten gaan bereiken die de Cursus van ons verlangt.

Hoe verfrissend is het dan om Jezus zijn opdracht aan ons veel eenvoudiger verwoord te zien, al vroeg in het tekstboek: “Jouw dankbaarheid jegens je broeder is het enige geschenk dat ik [van je] verlang. Ik zal het voor jou bij God brengen, in de wetenschap dat je broeder kennen hetzelfde is als God kennen. […] Door jouw dankbaarheid leer jij je broeder kennen, en één ogenblik van werkelijke herkenning maakt iedereen tot jouw broeder, want iedereen is afkomstig van je Vader.” (T4.VI.7:2). En ook in hoofdstuk 9: “Als je wilt weten of je gebeden verhoord zijn, twijfel dan nooit aan een Zoon van God.” (T9.II.4:1). En wederom, in de “Psychotherapie” aanvulling: “Hoor een broeder om hulp roepen en geef hem antwoord. Het is God aan wie je antwoord geeft, want Hem riep je aan. Er is geen andere manier om Zijn Stem te horen. Er is geen andere manier om Zijn Zoon te zoeken. Er is geen andere manier om jouw Zelf te vinden.” (P2.V.8).

Dus in plaats van een leven lang hard te werken aan een volledige ommekeer van al mijn onjuist gerichte gedachten, al mijn conditioneringen en alle projecties die in mijn uitermate niet-vergevende denkgeest schuilen, volstaat het dus om mijn broeder een dankbare glimlach te schenken…? Wel… ja; maar om niveauverwarring te vermijden, moeten we zeker weten dat we wel bewust het verschil blijven zien tussen vorm en inhoud. Zo vraagt Jezus niet van ons om al het onjuist gerichte gedrag te ontkennen dat we zien in deze wereld waarin wij nog steeds geloven dat we een leven aan het opbouwen zijn. Dat is vorm. Jezus verlangt niet van ons dat wij bijvoorbeeld onze afkeuren van bepaalde personen ontkennen (jij en ik kunnen er vast een paar in onze directe omgeving opnoemen, alsook bepaalde bekende personen!). Het focussen op inhoud betekent: je realiseren dat alle gedrag neerkomt op ofwel liefde, ofwel een verwrongen roep om liefde. Iets anders is er niet. Alleen met dat onderscheid op inhoud in gedachten kunnen we leren om “aanval zonder aanval — en dus zonder verdediging — tegemoet te treden.” (P2.IV.10:1).

Het leren om vormen waar te nemen, zoals valse beschuldigingen of fysiek geweld, maar vervolgens te handelen vanuit een gerichtheid op inhoud, wordt door Jezus prachtig beschreven in (T9.III.2:5), telkens wanneer wij ons aangevallen voelen: “Hij is op dat moment misschien niet verstandig, en het staat vast dat hij niet verstandig zal zijn zolang hij vanuit het ego spreekt. Maar het is nog altijd jouw taak om hem te zeggen dat hij juist is. Je zegt hem dat niet met zoveel woorden, als hij onzin praat. De correctie die hij nodig heeft ligt op een ander vlak, omdat zijn vergissing op een ander vlak ligt. Hij is nog altijd juist, omdat hij een Zoon van God is. Zijn ego is altijd mis, wat het ook zegt of doet. Als jij op de fouten van je broeders ego wijst, moet je daar wel met het jouwe naar kijken, want de Heilige Geest neemt zijn vergissingen niet waar.” Dát is inhoud. Je beantwoordt aanval niet met aanval.

Met andere woorden: ik kan het mezelf veroorloven om Jezus mijn geschenk van dankbaarheid jegens mijn broeder te bieden, zolang ik het onderscheid kan blijven maken tussen vorm en inhoud. Telkens wanneer ik een broeder tegenkom (op straat, op het werk, thuis, waar dan ook), kunnen hij en ik qua vorm allerlei verschillen en eigenaardigheden opmerken in de ander die ons niet bevallen. Dergelijke vormen zullen er altijd zijn, omdat het ego nu eenmaal is ontstaan als het idee van aanval en afscheiding. Echter, vanuit inhoud gezien, zijn alle schijnbaar afgescheiden belangen volstrekt denkbeeldig, omdat mijn broeder en ik van dezelfde Vader zijn. Iedere waargenomen aanval kan vanuit juist gericht denken opnieuw bezien worden als een verwrongen roep om liefde. Dat betekent niet dat ik zou moeten toestaan dat mijn broeder mij als voetveeg behandelt, maar het betekent wel dat ik in elke situatie kan kiezen voor een liefdevolle respons. De Heilige Geest zal mij daarin feilloos leiden als ik dat toesta.

Probeer vandaag dus eens een welgemeende glimlach wanneer je een broeder ontmoet! Niet de tandpasta glimlach, maar een echte glimlach, vanuit het hart; het verschil zal altijd merkbaar zijn in je ogen. Met het “liefde of een verwrongen roep om liefde” idee in het achterhoofd, is er geen reden meer om niet liefdevol te denken en te handelen, wat er ook gebeurt. Iedere dag weer krijgen wij talloze gelegenheden aangeboden om dit te leren (en te onderwijzen). Jezus geeft ons daar zelfs enkele voorbeelden van. Lees bijvoorbeeld eens over de ‘toevallige ontmoetingen’ in (H3.2): “Misschien zullen de schijnbare vreemden in de lift naar elkaar glimlachen; misschien zal de volwassene niet tegen het kind uitvaren omdat het tegen hem is opgebotst; misschien zullen de studenten vrienden worden. Zelfs op het niveau van de meest terloopse ontmoeting is het mogelijk dat twee mensen hun afzonderlijke belangen uit het oog verliezen, al was het maar voor een moment. Dat moment zal volstaan. Verlossing is gekomen.”

Dus telkens wanneer je je ontmoedigd voelt vanwege de enorme gedachten-omkerende taak die Jezus van ons lijkt te verlangen, realiseer je dan dat dat het ego aan het werk is. Zoals altijd bestaat jouw aandeel eruit om je gedachten “boven het slagveld” te verheffen, zonder veroordeling, en dan de Heilige Geest te vragen wat te denken en te doen. Met deze uitnodiging komt de verrassende gewaarwording dat we eigenlijk helemaal geen tegenstrijdige belangen hebben, en dat elke schijnbare aanval feitelijk een verwrongen roep om liefde is. In mijn boek “Wonderen of waan” haal ik twee keer de oud-Griekse filosoof Philo aan, die steeds onderwees: “Wees vriendelijk, want iedereen die je tegenkomt levert een innerlijke strijd waar jij niets van weet.” Waarom zou je dan niet kiezen voor een eenvoudige glimlach vanuit het hart? Dat is de dankbaarheid die Jezus van ons verlangt. Het is ons geschenk aan God; het geschenk waarmee wij ons ware Zelf weer herkennen.

— Jan-Willem van Aalst, november 2016 (vertaling van https://miraclesormurder.wordpress.com/2016/11/19/an-attitude-of-gratitude/ )

 

Leg je wapens neer

De Amerikaanse presidentsverkiezingen in 2016 waren een fikse emotionele uitdaging voor veel spirituele aspiranten die zoeken naar de ervaring van blijvende innerlijke vrede, ongeacht wat er ook gebeurt. Spirituele leerscholen zoals Een cursus in wonderen mogen ons dan onderwijzen om “niet te proberen de wereld te veranderen, maar ervoor te kiezen je denken over de wereld te veranderen” (T21.in.1:7), vanuit het uitgangspunt “Er is geen wereld!” (WdI.132.6), maar de presidentsverkiezing toentertijd herinnerde ons maar weer eens aan de lange weg die we nog te gaan hebben voordat we dit werkelijk geloven. Zoals de Cursus zegt over ons diepste verlangen “Ik wil de vrede van God“: “Deze woorden uitspreken is niets. Maar deze woorden menen is alles.” (Wd1.185.1). Klaarblijkelijk menen wij deze woorden nog niet onverdeeld, want als we ze wel zouden menen, dan zouden we hier niet meer in de tijd en ruimte ronddolen. En intussen fluistert het ego dat we deze woorden nooit werkelijk zullen menen, omdat de vrede van God overduidelijk een leugen is, als we goed om ons heen kijken.

Het lijkt inderdaad een mission impossible om het punt te bereiken waarop we deze woorden werkelijk menen. En toch zijn er lichtende voorbeelden van grote denkgeesten die ons hebben getoond hoe zij dit geloof in hun praktische leven hebben kunnen toepassen. Daarvoor hoeven we niet eens helemaal terug de geschiedenis in te gaan naar Boeddha of Jezus van Nazareth. Laten we eens een situatie pakken waarin innerlijke vrede zonder twijfel onmogelijk lijkt: gevangen zijn in een Nazi concentratiekamp gedurende de tweede wereldoorlog. En toch bevond Viktor Frankl zich toentertijd in precies die ‘ongemakkelijke’ situatie. Hij ontdekte de staat van innerlijke vrede, en overleefde de oorlog. Je leest er alles over in zijn boek uit 1946 getiteld: “De zin van het bestaan” (“Man’s search for meaning”). Hoewel Frankl niet uitging van nondualiteit, concludeerde hij desalniettemin “…dat liefde het ultieme en hoogste doel is waar de mensheid naar streven kan. De verlossing van de mensheid is via liefde en in liefde. Ik begreep hoe een man die alles verloren heeft in deze wereld nog steeds gelukzaligheid kan ervaren, zij het slechts kort, in het overdenken van zijn geliefden. Zelfs in een staat van volledige verlatenheid, […] kan een mens, door liefdevolle contemplatie op het beeld van de geliefden dat hij in zich draagt, vervulling ervaren.”

Een ander voorbeeld betreft Kenneth Wapnicks ervaring met het onverwachts aantreffen van een inbreker in zijn appartement. Zonder zijn eigen volstrekt begrijpelijke gevoelens van schrik en angst te ontkennen, was hij desalniettemin in staat om ‘een stap terug te doen’ en de Heilige Geest om hulp te vragen, wat de herinnering inhoudt dat Gods Zoon één is. Hij gaf de inbreker zijn portemonnee, die hem vervolgens een deel van zijn geld teruggaf. Ken uitte geen aanval, maar louter liefde, en dit had een diepgaand effect op zijn ‘bezoeker’. Hij verliet uiteindelijk Kens huis met het emotionele verzoek “Bid voor mij…”. Hoewel jij en ik misschien nog niet de gevorderde vaardigheid van fundamenteel “loslaten en toelaten” hebben bereikt die Viktor Frankl, Kenneth Wapnick en andere lichtende voorbeelden demonstreerden, dienen ze wel als een lichtbaken en verzekering dat het inderdaad mogelijk is om de woorden “Ik wil de vrede van God” niet alleen uit te spreken, maar ook echt te gaan menen en doorleven.

Het mooie aan Een cursus in wonderen is dat hij ons overtuigend uitlegt waarom wij nog steeds niet onverdeeld de vrede van God willen zolang we nog lijken te ademen hier in de tijd en ruimte, bezig met eten, werken en slapen, terwijl we de uren, dagen en jaren tellen. Herinner je deze scherpzinnige passage uit (T13.III.4): “Je hebt jouw hele krankzinnige geloofssysteem opgebouwd omdat je meent in Gods Tegenwoordigheid hulpeloos te zijn, en jij wilt jezelf van Zijn Liefde verlossen omdat je denkt dat die jou tot niets vermalen zou. Je bent bang dat ze jou van jezelf weg zou vagen en jou nietig zou maken, omdat je gelooft dat grootheid in verzet besloten ligt, en aanval allure heeft. Jij denkt dat je een wereld hebt gemaakt die God zou willen vernietigen, en dat je door Hem lief te hebben, wat je doet, die wereld weg zou werpen, wat je ook zou doen. Daarom heb je de wereld gebruikt om je liefde te verhullen, en hoe dieper je in de zwartheid van het fundament van het ego doordringt, hoe dichter je bij de Liefde komt die daar verborgen is. En juist dit jaagt jou angst aan.” Waarom? Omdat individualiteit niet bestaat in Zijn Liefde; er is louter een “als één verbonden Eenheid”, wat het einde betekent van onze individuele persoonlijkheid. Dat is onze angst.

Het verlossende antwoord op deze angst is te vinden op veel plekken in het Tekstboek, Werkboek en de Handleiding voor leraren. Laten we eens één bijzonder inspirerend voorbeeld daarvan bekijken, te vinden in werkboek les 170, “Er schuilt geen wreedheid in God en evenmin in mij.” Deze les ontmaskert de ego-tactiek om ons gedachteloos te houden door ons denken steeds doen te richten op een uiterst gevaarlijke wereld, waarin wij onszelf voortdurend moeten verdedigen. In (Wd1.170.2:4) lezen we: “Vandaag leren we een les die jou meer vertraging en nodeloze ellende kan besparen dan jij je maar enigszins kunt voorstellen. Het is deze: Jij maakt zelf datgene waartegen jij je verdedigt, en door je eigen verdediging ertegen is het werkelijk en onontkoombaar. Leg je wapens neer, en dan pas zie je dat het niet echt is.” En, iets verderop: “Liefde zou jou vragen alle verdedigingen als louter dwaasheid af te leggen. En jouw wapens zouden zeker tot stof vergaan. Want dat is wat ze zijn.” (Wd1.170.5:4)

Tegen al diegenen die de ervaring van blijvende innerlijke vrede zoeken ongeacht wat er ook mag gebeuren, zegt Jezus vriendelijk: “Leg je wapens neer.” Dit komt neer op het opgeven van alles wat we nog veroordelen. Aanvaard het nu zoals het is, want jij en ik zijn veilig, nu en voor eeuwig. De innerlijke vrede van de Zoon van God lijkt slechts aan scherven te liggen als we ervoor kiezen dat als zodanig te ervaren. Hoe beroerd je situatie er ook uit lijkt te zien, hoe hopeloos de toekomst ook mag lijken, realiseer je dat deze perceptie een keuze is. Zelfs in je diepste wanhoop kun jij je realiseren dat jij niet een weerloze figuur in een droom bent, maar dat jij de dromer van de droom bent. Jij en ik hebben dus altijd de mogelijkheid om ons denken anders te richten, dat wil zeggen: een stapje terugdoen en de Heilige Geest (de Stem namens Liefde) vragen om hulp bij wat te denken, waarnemen, en doen. En nogmaals: deze woorden uitspreken is niets, maar ze menen is alles. En wees niet benauwd dat je de eindstreep van deze ogenschijnlijk onmogelijke gedachten-omkerende reis op je eentje moet halen. Het enige wat jou en mij te doen staat is om van dag tot dag zo alert als mogelijk te zijn, eerlijk te kijken naar de verwoesting in je denkgeest, en je bereidheid te voeden om geleid te worden door een betere Leraar. En waar die Leraar werkelijk wordt verwelkomd, is Hij er ook. (T-19.16:6)

— Jan-Willem van Aalst, november 2016  (vertaling van https://miraclesormurder.wordpress.com/2016/11/12/lay-down-your-arms/ )