Van Heer naar oudere broeder

Voor veel mensen in de westerse wereld is de Bijbelse Jezus een ietwat problematische figuur. Enerzijds wordt hij voorgesteld als een redder, die ons van onze vroegere zonden bevrijd heeft. Dankzij Jezus, onze ware Heer, de alfa en de omega, hebben we opnieuw een kleine kans weer in de Hemel toegelaten te worden wanneer we dit aardse leven achter ons gelaten hebben, hoewel dat altijd nog afhangt van onze voortdurende bereidheid trouw te blijven aan Jezus’ leringen in de Bijbel. Aan de andere kant versterkt het feit dat Jezus gepresenteerd wordt als Gods enige Zoon – ons achterlatend als enkel ‘geadopteerde kinderen’ – onze onbewuste schuld over dat wij niets meer zijn dan beklagenswaardige zondaars, Gods liefde amper waardig.  De  overtreding van Gods gebod door Adam en Eva, wat symbool staat voor hoe de mensheid God afwees, is een bloedvlek die nimmer verwijderd kan worden. [H17.7:13]. Slechts door een leven vol lijden en boetedoening krijgen we een kans eeuwige bestraffing in het hiernamaals te ontgaan. Het resultaat: alleen al aan Jezus denken herinnert ons continu aan onze onbewuste schuld, en hoe waardeloos we zijn.

Hoe volstrekt anders presenteert Jezus zich in Een cursus in wonderen! Verdwenen zijn al die bijgeluiden die aan zijn verheven status refereren als ‘Heer’. Daarentegen stelt Jezus zich voor als onze liefhebbende oudere broeder, totaal gelijk aan ons in termen van waarde voor God. In de Verklaring van termen lezen we “De naam van Jezus is de naam van iemand die mens was, maar in al zijn broeders het gelaat van Christus zag, en zich God herinnerde. Zo werd hij met Christus vereenzelvigd, een mens niet langer, maar één met God. De mens was een illusie, want hij leek een afgescheiden wezen te zijn, op zichzelf staand, in een lichaam dat zijn zelf leek weg te houden van het Zelf, wat alle illusies doen. […] En Christus had zijn vorm nodig, opdat Hij aan de mensen kon verschijnen en hen van hun illusies kon verlossen. Door zijn volledige vereenzelviging met de Christus – de volmaakte Zoon van God, Zijn enige schepping en Zijn gelukzaligheid, voor eeuwig zoals Hij en één met Hem – werd Jezus wat jullie allen zijn. Hij ging jou voor, zodat je hem kunt volgen. […] Is hij de Christus? Jazeker, samen met jou” [VvT5.2:1-3,6;3:1-2;5:1-2].

Nogmaals, Jezus stelt zich aan ons voor als onze oudere broeder. Onze houding zou er daarom  niet een moeten zijn van ontzag, maar van broederlijk respect, aangezien we gelijken zijn. Zo vroeg als in hoofdstuk één van het tekstboek lezen we: “Er is niets aan mij wat jij niet kunt bereiken. Ik heb niets wat niet van God afkomstig is. Het huidige verschil tussen ons is dat ik niets ánders heb. Daardoor verkeer ik in een toestand die in jou potentieel aanwezig is.” [T1.II.3:10-13]. Hij is onze oudere broeder omdat hij de Hemel al voor honderd procent gekozen heeft, een keuze die wij nog steeds moeten maken: “Jij staat onder mij en ik sta onder God. In het proces van ‘opstijgen’ sta ik hoger, omdat zonder mij de afstand tussen God en mens voor jou te groot zou zijn om te omvatten. Ik overbrug die afstand, als een oudere broer voor jou enerzijds en anderzijds als een Zoon van God.” [T1.II.4:3-5].

Dit betekent nou ook weer niet dat zodra we daadwerkelijk naar de Hemel terugkeren, en daarbij een eind maken aan tijd, ruimte, waarneming, en al het overige in de dualiteit, dat we dan simpelweg door de Hemelpoort wandelen, Jezus begroetend, en zeggen: “Hallo broeder! Hoe gaat het met je? Dat is een tijd geleden! We waren afgedwaald en raakten verdwaald toen we verder gingen. Dank je zeer ons naar Huis geleid te hebben. We hebben besloten hier in alle eeuwigheid te blijven.” In de Hemel bestaat er niet zo iets als individueel bewustzijn: geen tijd, geen waarneming, niemand om mee te praten of mee verbonden te zijn. Wanneer we ontwaken uit de dualistische droom van tijd en ruimte, zijn we helemaal één met Jezus, in die zin dat er geen punt bestaat waar Jezus ophoudt en de overige Zonen van God beginnen. God heeft slechts één Zoon, één uitbreiding van onvoorwaardelijke Liefde, en dit is wat wij in essentie zijn. Of, zoals de Boeddhisten het uitdrukken: “Ik ben Dat, jij bent Dat, en Dat is alles wat er is.”

En dit is precies waar we zo bang voor zijn. “Vertel me niet dat alles wat mij dierbaar is aan mijn unieke speciale zelf, een leugen is!” Juist hierom blijven we die ene beslissing ten gunste van Eenheid maar uitstellen, de enige beslissing die we kunnen en allen zullen maken. “Wees alleen waakzaam voor God en Zijn Koninkrijk”[T6.V.C.2:8] betekent “nee” te zeggen tegen ons dierbare individuele ego; ons speciaal zijn; ons gevoel in relatie tot iets anders te bestaan; onze poging een god te zijn in een universum van onszelf.  Daarentegen nemen we genoegen met een zekere mate van ellende in ons leven, zo lang we maar zelfstandig kunnen bestaan. Totdat… je neergeslagen wordt door een ernstige crisis in je leven, en je je realiseert dat alles vergaat en sterft; niets is blijvend. “Alles gaat voorbij”, zong George Harrison in 1970, te midden van het schrijfproces van de Cursus. Een cursus in wonderen nodigt ons uit eens eerlijk naar deze “woestijn des doods” te kijken, die wij gekozen hebben, en wijst naar een “betere weg” die naar de werkelijke wereld zal voeren, waarin alle waarneming gezuiverd is van oordeel en aanval.

De beste manier om deze juiste manier van denken te oefenen ligt besloten in onze relaties. Jezus dringt er bij ons op aan uitsluitend het gelaat van Christus waar te nemen telkens wanneer we een broeder ontmoeten.  In [T31.VII.8:1-7] lezen we: “Aanschouw je rol in het universum! Aan elk deel van de ware schepping heeft de Heer van Liefde en Leven heel de verlossing uit de ellende van de hel toevertrouwd. En aan elk heeft Hij de genade vergund een verlosser te zijn voor de heiligen die speciaal zijn toevertrouwd aan zijn zorg. En dit leert hij wanneer hij voor het eerst één broeder beziet zoals hij zichzelf ziet, en in hem de spiegel van zichzelf ontwaart. Zo wordt zijn zelfconcept terzijde gelegd, want niets staat tussen zijn zicht en dat waarnaar hij kijkt, om te oordelen over wat hij aanschouwt. En in deze enkelvoudige visie ziet hij het gelaat van Christus, en begrijpt dat hij iedereen beziet zoals hij deze ene aanschouwt. Want er is licht waar eerst duisternis was, en nu is de sluier weggetrokken voor zijn ogen.”

Zodoende bereiken we Eenheid door eerst de gelijkheid te zien in onze broeders en onszelf. De sleutel om de ladder naar Verzoening te bestijgen ligt besloten in het eerlijk kijken naar alle verschillen tussen ons, waarvan we dachten dat ze echt waren, en hun illusoire natuur in te zien. “De sluier over het gelaat van Christus, de angst voor God en voor verlossing, en de liefde voor schuld en dood; het zijn allemaal verschillende namen voor een en dezelfde dwaling: dat er ruimte is tussen jou en je broeder, uit elkaar gehouden door een illusie van  jezelf die hem op een afstand houdt van jou, en jou weghoudt van hem. Het zwaard des oordeels is het wapen dat jij aan de illusie van jezelf geeft, opdat die zou kunnen vechten om de ruimte die je broeder op afstand houdt, door liefde onbezet te laten.” [T31.VII.9:1-2]. Onze taak is dus simpel: vergeef jezelf je niet-vergevende denkgeest, en ga door met je praktijk van het stilletjes zegenen van een broeder telkens als je er een tegenkomt gedurende de dag, of dat nu fysiek of in gedachten gebeurt. Dan ben je aardig op weg om kennis met je oudere broeder te maken –  nee, die te worden, eindelijk!

© Jan-Willem van Aalst, 08 oktober 2016 (vertaling: Robert J Visser)

Het paradijs op aarde kiezen

Een cursus in wonderen biedt zijn studenten een duidelijk beeld van wat het verschil is tussen dualiteit (tijd, ruimte, bewustzijn, concepten, waarneming) en non-dualiteit (eenheid, wat tijd noch ruimte betekent, geen bewustzijn, geen concepten, geen waarneming). Globaal uitgedrukt wordt ‘dualiteit’ in Een cursus in wonderen gelijkgesteld met de hel, en ‘non-dualiteit’ met de Hemel. Daar komt bij dat dualiteit gelijkgesteld wordt met illusie, en non-dualiteit met realiteit. Jezus’ formidabele taak bestaat erin ons allereerst dit fundamentele onderscheid te doen beseffen, en vervolgens ons te overtuigen dat non-dualiteit (Hemel) ons ware Thuis is, als Christus, wat trouwens precies is waar we diep van binnen naar smachten, zodra we die dikke lagen afleidingen van het ego afpellen. De schoonheid van Een cursus in wonderen is dat hij ons tegemoet treedt op het niveau van de hallucinatorische dualistische droom, waarvan we nog steeds geloven dat het onze dagelijkse werkelijkheid is. Voorzichtig onderwijst Jezus ons je niet schuldig te voelen over ons vastklampen aan ons geloof in de illusie van verval en dood, terwijl we – tenminste theoretisch – direct zouden kunnen ontwaken en naar Huis gaan.

Helaas is Jezus niet in staat ons een beeld te geven van hoe ‘Thuis’ eruit ziet, juist omdat dat voorbij alle vorm, alle concepten, alle verbeelding, bestaat. “De werkelijkheid [de Hemel] wordt uiteindelijk gekend zonder vorm, onafgebeeld, en ongezien.” [T-27.III.5:2]. Er wordt ons gezegd dat zodra de Zoon wakker wordt (wat wil zeggen: het dwaze idee van dualiteit eens en voor altijd afdanken, om zo tijd en ruimte ongedaan te maken) wij de Hemel zullen kennen, en ons überhaupt niets meer zullen herinneren van dualiteit. Vanzelfsprekend is dit zo, want je iets herinneren, kost tijd. In non-dualiteit bestaat er niet zo iets als tijd. Ben  je in staat je een gesteldheid van de denkgeest (Denkgeest, eigenlijk) in te denken die onveranderlijk is, onveranderbaar, absoluut zeker, zonder een spoor van twijfel of angst of depressie? Een gesteldheid waarin allesomvattende Liefde het enige ding is, dat er is? Een toestand  waarin volledige communicatie met de Vader bestaat, zonder wat voor inmenging of onzekerheden dan ook? Een situatie bestaande uit pure vrede, vreugde en licht, die in alle eeuwigheid voortduurt? Kortom: de Hemelse staat?

Jezus zegt dat wij allen die herinnering in ons meedragen. Hij gebruikt de metafoor van een lied: “Luister, – misschien vang je wel een vleugje op van een aloude toestand, niet geheel vergeten; vaag, wellicht, en toch niet helemaal onbekend, zoals een lied waarvan de naam allang vergeten is en waarvan jij je de omstandigheden waarin je het hoorde totaal niet meer heugen kan. Niet het hele lied is jou bijgebleven, maar slechts een zweem van een melodie, niet gebonden aan een persoon, een plaats of iets bepaalds. Maar jij herinnert je, alleen al aan dit fragmentje, hoe lieflijk het lied was … als subtiele geheugensteun voor wat jou tot tranen toe bewegen zou, als jij je kon heugen hoe dierbaar het jou was.” [T-21.I.6:1-3;7:2]. Dat is de herinnering aan de Hemel die we allemaal in ons meedragen. Er is alleen één klein probleem: Hemel heeft geen weet van individualiteit. Puur mijn alsmaar voortdurende wens te trachten zelfstandig te leven, als een god in mijn eigen kleine afgescheiden denkgeest, schijnt tijd, ruimte, en waarneming in stand te houden, en derhalve de Hemel op afstand. Daarom zegt Jezus dat het autoriteitsprobleem het enige probleem is dat ik heb. [T-3.VI.10:2]. En iedere brave student van Een cursus in wonderen ontdekt hoe grondig we vastgehecht zitten aan deze individualiteit. Het ego is niet gemakkelijk ongedaan te maken.

Aan de andere kant mag het ego dan dummiedicht*) zijn, maar niet Goddicht. [T-5.VI.10:6]. Gelukkig is ook de stem van de Heilige Geest (die de herinnering van Thuis brengt) alom aanwezig binnen de illusoire droom.  Hoewel we de meeste tijd weigeren naar de Heilige Geest te luisteren, worden we getroost met “Je mag dan veel pijn kunnen verdragen, maar daaraan is een grens. Uiteindelijk begint iedereen in te zien, hoe vaag ook, dat er een betere manier moet zijn.” [T-2.III.3:5-6]. Een zelfs nog grotere troost is het als we ervaren dat uiteindelijk iedereen die keus zal maken. De kwestie is niet of de droom wel of niet zal eindigen; het is slechts de vraag hoe veel meer tijd wij in de hel verkiezen door te brengen. Studenten van Een cursus in wonderen zijn brengers van verlossing, ofwel leraren van God, in die zin dat zij langzaamaan leren hun denkgeesten te trainen er voor te kiezen iedere dag een klein beetje vaker naar de stem van de Heilige Geest te luisteren. De Heilige Geest als gids voor je denkgeest te kiezen betekent in essentie je van oordelen, veroordelen en aanval onthouden, ondertussen zo oprecht mogelijk gadeslaan wat er in je denkgeest gaande is, een stap terugdoen, en vervolgens om advies vragen wat nu te doen. Dit mag er op het eerste gezicht gedwee en zwak uit zien, edoch worden we er vriendelijk aan herinnerd dat we waarachtig niet in de positie zijn wat dan ook betrouwbaar te beoordelen (zie W-151.4:1-4), aangezien onze waarneming zo vertekend is. Het oordelen opgeven dus, en de leiding van de Heilige Geest volgen “… betekent jezelf van schuld te laten vrijwaren. Dat is de essentie van de Verzoening. Dat is de kern van het leerplan.”[H-29.3:3-5]. De gemoedsrust die volgt wordt in Een cursus in wonderen beschreven als de werkelijke wereld. Stapje voor stapje deze werkelijke wereld in je denkgeest manifesteren is de koninklijke route om uit de droom te ontwaken, en de Zoon van God klaar te maken voor zijn terugkeer naar, en herinnering van de Hemel.

Zo gezien, is de werkelijke wereld zo na aan het concept van ons ‘paradijs op aarde’ als we ons maar kunnen voorstellen. Het is het klaarmaken voor de Hemel. Het paradijs op aarde is geen waarneembare staat waarin mensen altijd lief en aardig tegen elkaar zijn, het weer permanent geweldig, oorlog niet bestaat, ziekte verdwenen is, net als hongersnood en gebrek aan wat dan ook. Volgens Een cursus in wonderen bevindt het paradijs zich in de denkgeest, en uitsluitend in de denkgeest. Het is een innerlijke toestand waarin geen oordeel voorkomt, en geen veroordeling van welke soort ook. Het is nog steeds binnen de droomwereld van waarneming, maar het veroorzaakt geen verdere aanvallen en afscheidingen, en daarom geen verdere illusies. Uiterlijkheden veranderen niet: er vindt nog steeds strijd plaats, ziekte, honger en gebrek aan van alles en nog wat. Edoch, wanneer ik naar iemand kijk, en mijn ogen weliswaar nog steeds een lichaam zien, ziet mijn denkgeest alleen maar Christus. Ongeacht bij welk gedrag. Omdat het uiterlijke het innerlijke weerspiegelt, kies ik voor deze werkelijke wereld door de innerlijke te wijzigen. De uiterlijke wereld zal zelf na verloop van tijd verschijnen; eerst in mijn denkgeest, vervolgens in de relaties, en alsmaar wijder uitspreidend, geheel volgens het ‘plan’ van de Heilige Geest. In [T-14.X.1:6-7] lezen we: “Weerspiegel de hemelse vrede hier en breng deze wereld naar de Hemel. Want de weerspiegeling van de waarheid trekt iedereen tot de waarheid aan, en als ze die betreden laten ze alle weerspiegelingen achter.” Dat is visie; zo is het paradijs op aarde.

Dus hoe train ik mijn denkgeest om de werkelijke wereld in mijn denkgeest te manifesteren? Allereerst, moet ik steeds in gedachten houden dat ik geen lichaam ben; ik ben een holografisch deel van de Zoon van God, die alleen maar in dromen kan lijden. Ten tweede kan ik me realiseren dat iedereen en alles wat ik waarneem een projectie van mijn oordelende en niet-vergevende onjuist denkende denkgeest is. Als derde, dien ik me telkens weer te herinneren dat mijn denkgeest een keuzemaker is, die maar twee keuzemogelijkheden heeft: of naar het ego te luisteren, of naar de Heilige Geest te luisteren. Op elk moment kies ik tussen die twee. Welke stem maakt me waarlijk gelukkig? Als ik heel eerlijk met mezelf ben, tja… naar het ego luisteren heeft me niet echt gelukkig gemaakt. Zeker, er waren momenten van extase, maar er zijn als maar meer problemen, en tenslotte vergaat mijn lichaam en sterft. Heb ik daarentegen Een cursus in wonderen als mijn spirituele pad gekozen, bemerk ik dat, elke keer als ik me van een oordeel onthoud, en in plaats daarvan vraag wat te denken en te doen, dingen veel vrediger uitpakken. Bijna iedere student van Een cursus in wonderen kan over zulke ervaringen berichten. En elke dag dat deze ‘kleuter van innerlijke vrede’ innerlijk een klein beetje verder groeit, ben ik toenemend bereid mijn onwil te vergeven, evenals de veroordelingen te beëindigen, en te pauzeren om de Heilige Geest te vragen wat in plaats daarvan te doen. En dan, uiteindelijk, komt de dag wanneer je plotseling beseft dat je veel gelukkiger geweest bent in de laatste paar jaar van je leven dan je ooit daarvoor geweest bent. En dat is een glimp van de werkelijke wereld; de ware verwerkelijking van een paradijs op aarde. Vandaar de laatste oproep van Jezus in het Tekstboek: “Broeder, maak opnieuw je keuze” [T-31.VIII]. Het paradijs is een keuze!

© Jan-Willem van Aalst, 01 oktober 2016 (vertaling: Robert J Visser)

*): De officiële ECIW-vertaling “waterdicht” van het originele “fool-proof” dekt in deze context de lading niet, omdat het hier de betekenis heeft van het Duitse “idiotensicher”, dat geen Nederlands equivalent kent, en het beste nog weergegeven wordt als: “doodsimpel”, of beter “(juist) voor dummies (begrijpelijk)”, of tenslotte “dummiedicht” [om te contrasteren met “Goddicht”].

Help, ik heb een gespleten denkgeest!

Een van de meest pijnlijke gewaarwordingen van veel studenten van Een cursus in wonderen is om de kloof te ervaren tussen ‘het vatten’ van Jezus’ boodschap, het intellectueel accepteren ervan, enerzijds, anderzijds echter in gebreke te blijven die boodschap in het dagelijks leven op te volgen. Dit wordt vaak ervaren als zelf-sabotage, en kan buitengewoon frustrerend zijn. Ik blijf mezelf vertellen dat ik vanzelfsprekend Jezus’ pad van vergeving wil bewandelen, en toch moet ik vaststellen dat ik mezelf boos zie worden, angstig, en/of gedeprimeerd. Zulke teleurstellingen hebben veel serieuze studenten ertoe geleid het boek voor lange tijd terzijde te leggen, of er zelfs helemaal mee op te houden. Alzo, waarom is deze kloof zo volhardend?

Het antwoord op deze vraag wordt duidelijk zodra je in de metafysische onderbouwing van de boodschap van de Cursus duikt. “In de eeuwigheid, waar alles één is, sloop een nietig dwaas idee binnen waarom de Zoon van God vergat te lachen.” [T-27.VIII.6:2]. De Zoon scheen in slaap te vallen, dromend van afscheiding, van ruimte en tijd; kortom: van dualiteit. Het ego is het idee dat afscheiding van Eenheid, van non-dualiteit, mogelijk is, en dat ik, als individu, beter af zal zijn omdat ik nu god in mijn universum kan zijn. Dit kernpunt in mijn leven, terwijl ik op ego-autopiloot leef, is gefocust op mijn eigen overleving en welzijn. Ik mag dan voor mijn eigen soort en anderen in deze wereld zorgen, maar slechts nadat ik voor mijn eigen individuele benodigdheden zorg gedragen heb.

En dan komt die Jezus-knul voorbij met Een cursus in wonderen, bewerend dat tijd, ruimte, waarneming, bewustzijn, het ego – verdorie, zelfs mijn eigen individualiteit! – niets anders zijn dan broze illusies, die elke mogelijke realiteit ontberen. Hij daagt mijn denkgeest uit met vragen als ”Wil je liever gelijk hebben of gelukkig zijn? Want je kunt niet beide zijn” [T-29.VII.1:9]; “Er is geen wereld! Dit is de kerngedachte die de Cursus probeert te onderwijzen” [W-132.6:2-3], en “… aanvaard geen compromis waarin de dood [waarmee alles bedoeld wordt dat niet blijvend is, wat dus voor alles geldt in de dualiteit] een rol speelt.” [H-27.7:1]. Geen wonder dat mijn ego een sterke weerstand ondervindt bij zo’n boodschap! Niemand staat klaar een raadgeving op te volgen, die zeker naar de volledige verdwijning van het universum en zijn eigen wezen zal voeren. Dat ik me realiseer dat ik een gespleten denkgeest bezit, leidt niet automatisch tot de bereidheid de splitsing te helen, door voortaan uitsluitend naar de Heilige Geest te luisteren.

Zelfs in geval we bereid zijn onze ´observerende keuzemaker´ in de denkgeest te trainen, zodat we leren naar onze gedachten te kijken ´van boven het slachtveld´, moeten we ons nog steeds met de onbedwingbare drang bezig houden om Jezus´ waarheid in ons dagelijks leven te introduceren. We zouden kunnen zeggen: “Ja, ik weet dat het lichaam een illusie is, maar als ik mijn dagelijkse affirmaties volhoud, zal ik ziekte op afstand houden”, of “Ja, ik weet dat de wereld een illusie is, maar middels mijn liefdadigheidswerk kan ik wellicht enkele personen meer overtuigen de weg van vrede en vreugde te kiezen.” Zolang als ik nog steeds geloof dat vergeving betekent iemand anders vergeven, en dat relaties bestaan tussen twee overduidelijk gescheiden personen, hoor ik Jezus’ boodschap niet werkelijk. Waar Kenneth Wapnick regelmatig op wijst in zijn “Journey through the workbook van A Course in Miracles”.

Veel Cursus studenten slagen er niet in hun teleurstelling te boven te komen over het falen in het stante pede helen van hun gespleten denkgeest en kiezen de hele tijd de Heilige Geest als hun exclusieve leraar. Ik zou kunnen beseffen dat mijn juiste denkgeest met Een cursus in wonderen wenst te ‘wandelen’, maar mijn onjuiste denkgeest wenst dat die met mij aan de wandel gaat. En als ik me dag in dag uit realiseer, dat, ondanks mijn trouwe studie van de Cursus  en het in de praktijk  brengen van het werkboek, mijn hoogst niet-vergevende denkgeest diepgaand gespleten blijft, ik niet verbaasd moet zijn dat de moed me in de schoenen zinkt en mijn spirituele oefeningen voor lange tijd verwateren.

Jezus begrijpt de omvang van onze weerstand tegen zijn boodschap totaal. En dat is de reden dat hij verschillende keren in het tekstboek, ons zachtjes eraan herinnert dat we spirituele beginnelingen zijn, die “een nieuweling op het verlossingspad” zijn [T-17.V.9:1]: “Dit is jouw taal. Dat je hem nog niet begrijpt, komt alleen doordat je hele communicatie als die van een baby is” [T-22.I.6:2-3]. “Toch is het  in dit kindje dat jouw visie jou wordt teruggegeven, en het zal de taal spreken die jij begrijpen kunt” [T-22.I.7:3]. Jezus kan zich permitteren vriendelijk te zijn, en geduldig, omdat hij de afloop van de droom van dualiteit met absolute zekerheid kent: deze complete droom zal eindigen zoals hij begon – in helemaal niets – en in waarheid zijn we al veilig thuis. “.. we zien mentaal opnieuw wat is voorbijgegaan.”[W-158-4:5]

De betekenis van Jezus’ hardnekkig advies aan ons te kijken naar (wat er in de denkgeest gaande is), moet erg letterlijk genomen worden. Een gespleten denkgeest genezen vereist dat ik naar de tweedeling kijk, zo vaak als ik daartoe bereid ben, van boven het slachtveld. En dat betekent: iedere niet-vergevende gedachte van me gadeslaan zonder mezelf te veroordelen. Dat laatste is cruciaal. In plaats van mezelf op m’n kop te slaan omdat ik weer faalde Jezus’ advies op te volgen, zou ik alleen maar eerlijk  moeten concluderen, dat, wanneer puntje bij paaltje komt, ik nog steeds het ego kies, de onjuist denkende denkgeest. Beoefen dit in het bijzonder met het oog op schijnbaar ‘onbetekenende’ voorkeuren. Bijvoorbeeld, elke keer dat ik merk dat ik een bepaald aspect van iemand of een situatie als onprettig  ervaar, kan ik beseffen dat ik niet met God wens te lopen; Ik wil god zijn. En elke keer dat ik mezelf betrap op hopen van dit of dat, kan ik me bewust worden dat ik eigenlijk wens dat Jezus me steunt om gelukkiger te leven in deze dualistische droom.

Het antwoord op de vraag hoe de gespleten denkgeest geheeld kan worden, vind je niet door spiritueel overijverig te worden, of roekeloos te worden door jezelf te oorvijgen bij iedere niet-vergevende gedachte. De truc is om de metafysische waarheid van Jezus’ boodschap onafgebroken in je achterhoofd te houden, zelfs hoewel je het nog niet echt helemaal gelooft, en “… vertrouw onvoorwaardelijk op je bereidwilligheid [vergeving te blijven praktiseren], wat zich verder ook mag aandienen” [T-18.IV.2:2]. Je keuzemaker trainen om van boven het slachtveld te observeren, blijft de meest productieve oefening. Zoals Jezus ons troost: “Hoe kun jij die zo heilig bent lijden? Heel je verleden is verdwenen op zijn schoonheid na, en niets blijft er over dan een zegen. Ik heb al je vriendelijkheden en elke liefdevolle gedachte die jij ooit had, bewaard. Ik heb ze [je gedachten] gezuiverd van de vergissingen die hun licht verborgen hielden, en ze voor jou in hun eigen volmaakte straling behouden. […] Ze waren afkomstig van de Heilige Geest in jou, en we weten dat wat God schept eeuwig is.”[T-5.IV.8:1-4,6]. Dus sta ik volledig in mijn recht mezelf vriendelijk te vergeven van mijn gehechtheid aan de onjuist denkende denkgeest. Het helen van de gespleten denkgeest is simpel een kwestie van tijd, en Een cursus in wonderen is een perfecte gids me tijd te helpen besparen.

© Jan-Willem van Aalst, 25 september 2016 (vertaling: Robert J Visser)

-o-o-o-o-