Natuurlijk wil ik liefde…of niet soms?

Laten we zeggen, ik ben een dag vrij. Buiten is ’t prachtig weer. Ik besluit om een fietstocht te maken naar de bossen om van de prachtige natuur te genieten, om tegelijkertijd wat te ontstressen. En bovendien herinner ik me de werkboekles van vandaag (“Ik dank mijn Vader voor Zijn gaven aan mij”- Les 123, simpel als een 1-2-3-tje) en besluit m’n les in de praktijk te brengen terwijl ik van het bos geniet. Ik spring goedgemutst op de fiets en vertrek. Maar binnen vijf minuten na ik vertrokken ben, word ik bijna door een auto aangereden die van links komt – de bestuurder zag me eenvoudigweg niet door het verblindende zonlicht. Dat was behoorlijk beangstigend. Ik voel mijn hart bonzen en mijn stemming zakken. Nog geen twee minuten later ervaar ik problemen bij het inhalen van een groep tieners op hun fietsen, achteloos de gehele breedte van het fietspad innemend, bij een snelheid waar zelfs een schildpad geen moeite mee zou hebben. Ook reageren ze nou niet bijzonder vriendelijk op mijn verzoek me alsjeblieft te laten passeren. Kortom, tegen de tijd dat ik de bossen bereik, ben ik mijn lust voor de mooie natuur verloren – mijn focus is nu gevestigd op mijn irritatie over al die vervelende mensen om me heen.

Als ik het woongebied achter me laat en de bossen inga, komt mijn trouwe dagelijkse oefening als Een cursus in wonderen student weer naar boven, en begin ik op dat moment naar mijn gedachten te kijken, en naar wat er daarnet nu werkelijk gebeurde. Ik besef bijvoorbeeld dat ik gewoon blanke woede voelde, en dat ik psychologisch zo ongeveer iedereen aangevallen heb die ik tegenkwam sinds ik op de fiets sprong. Ook besef ik, voor de zoveelste keer, hoe moeilijk het kan zijn om op een les gefocust te blijven; ik heb mijn Vader nauwelijks bedankt voor Zijn gaven aan mij (die zijn: Vrede, Liefde, Eenheid, eeuwige Veiligheid, de zekerheid van mijn Identiteit, enzovoorts). Integendeel, ik was deze gaven totaal vergeten. Als ik oprecht eerlijk ben, stel ik vast dat ik zelfs bij de kleinste afleiding in gedachteloze veroordeling verval. Hoe komt het dat ik na al die jaren oefenen nog steeds lastig gevallen word door een dergelijk veroordelende en niet vergevende denkgeest? Ik ben er vast van overtuigd dat de Eenheid en Liefde van God mijn diepste verlangen is. Natuurlijk wil ik liefde… of niet soms?

De unieke bijdrage van Een cursus in wonderen als spiritualiteit is, dat het veel aandacht besteedt aan de gedachtesystemen in ons dagelijks leven. Zeker, er bestaan verheven metafysische begrippen over tijd, ruimte, holografie en onze ware Identiteit als zuivere Geest. Die zijn noodzakelijk om ons te doen inzien dat we meer zijn dan dit kleine hoopje klei wat we ons lichaam noemen. Maar een eenvoudige analyse van hoe en waarom we een gedachte kiezen, is minstens zo belangrijk, in het bijzonder het waarom. En dit waarom is metaforisch gezien “gekmakend”. Als een Cursus student ga je je realiseren dat wij allemaal letterlijk een denkgeest bezitten, die met zichzelf in conflict is: we schakelen continu tussen onjuist denken en juist denken. Ja, we willen liefde, zo lang als die aan de behoefte van ons ego voldoet om onze speciaalheid te versterken. En nee, we willen geen liefde als die ons herinnert aan ons verlangen terug te keren naar de Eenheid van onze Vader, wat elke keer het geval is als we gemeenschappelijke belangen zien in plaats van belangen die gescheiden zijn van elkaar.

Ik realiseer me plotseling dat die kinderen op hun fietsen niet mijn irritatie veroorzaakten, en evenmin deed de bestuurder in de auto dat. Ik heb deze gedachten actief gekozen, die vrijwel onmiddellijk naar de daarmee samenhangende biochemie (emoties) in mijn lichaam voerden. Ik heb deze gedachten actief gekozen zodat ik het kwaad in iets buiten me kon zien, en niet in mezelf. Aha, juist, Jezus onderwijst ons dat we heimelijk (dat wil zeggen, onbewust) geloven dat wij het thuis zijn van het kwaad, de duisternis, en de zonde, en dat wanneer iemand deze waarheid over ons zou kunnen zien, hij terug zou deinzen als bij het zien van een giftige slang. We geloven dat als deze waarheid ons geopenbaard zou worden, we met zo’n intense afschuw vervuld zouden worden dat we halsoverkop de hand aan onszelf zouden slaan, omdat het ons onmogelijk zou zijn nog verder te leven na dit te hebben gezien. (W-pI.93). Om er voor te zorgen dat we dat niet hoeven te zien, projecteren we dat beeld naar buiten op alles buiten ons met de bedoeling verschillen te onderstrepen en aanval te rechtvaardigen. De schuld voor zonde moet altijd in iets anders zijn! Mijn gedachten,  beter gezegd mijn waarneming, speurt onophoudelijk naar aanwijzingen buiten me om me zelfs het geringste flintertje schuld te melden. En die waarneming van me sleept dat schreeuwend voor mijn meester (mijn onjuiste denkgeest), om te worden verslonden. (T.19-IV.A.12). Nu ben ik geheel gerechtvaardigd die miserabele, zondige wereld buiten me aan te vallen. Het punt is dat dit bewijst dat ik me waarachtig afgescheiden heb van mijn Schepper, maar, ho eens, ik daar niet verantwoordelijk voor gehouden kan worden. Ik ben een onschuldig slachtoffer in een kwaadaardige wereld. Dus, alsjeblieft, lieve God, het is nu overduidelijk dat op het moment jij de zondaren veroordeelt naar de eeuwige hel, ik daar niet bij hoor. Mijn onschuld is evident, terwijl mijn individuele uitzonderlijkheid verzekerd blijft. Lang leve mijn ego!

Ongelukkigerwijze richten vele spirituele tradities zich hoofdzakelijk op wat Kenneth Wapnick gelukssukkeligheid noemt. Het overkoepelende idee hierbij is dat, wanneer je je denkgeest traint om op Liefde en Eenheid te focussen, je het oordelende deel van je denkgeest conditioneert om langzaam te verdwijnen, precies als een laaiend vuur gereduceerd wordt tot nagloeiende as zodra je ophoudt het te voeden. Samengevat beweren dergelijke spirituele leersystemen dat het ego overwonnen (of ongedaan gemaakt) kan worden door het helemaal geen aandacht te schenken. Dit is precies het tegenovergestelde van wat Jezus ons leert in Een cursus in wonderen. Zoals Jezus uitlegt: door niet naar illusies (onze onjuiste denkgeest) te kijken is dé manier ze te beschermen (T-10.IV.1). Elke dag gelukzalig liefdevolle affirmaties herhalen creëert een sluier van vredige liefde in de denkgeest, maar de “vlekken en roest” (W-pI.133.8) van de onbewuste veroordelende ijsberg onder het wateroppervlak in jouw denkgeest zal niet erg lang onopgemerkt blijven. Een gevoel van leegte blijft knagen aan de uiteinden van die denkgeesten vol van gelukssukkeligheid. Dat is de reden dat Jezus ons waarschuwt: “Vertrouw niet op je goede voornemens. Die zijn niet genoeg.” (T.18-IV.2)

Om waarlijk Gods gaven van Vrede, Liefde, Eenheid, Veiligheid, zekerheid van Identiteit als eeuwige zuivere Geest, te ontvangen, moet ik eerst leren waarom ik deze gaven niet al aanvaard. Ik zal naar mijn gedachten moeten kijken. Dat is de betekenis van het wonder: Het slaat slechts verwoesting gade, en doet in alle rust niets. (W-pII.13.1). Het herinnert me er slechts aan dat ik de dromer van de droom ben, en dat deze droom niet de waarheid is. Houd dat woord alsjeblieft in je denkgeest vast: verwoesting. Het wonder kijkt niet naar liefde; het kijkt naar verwoesting, dat wil zeggen, naar al die aandrang in mijn niet-vergevende denkgeest om aan te vallen. Die neigingen vormen mijn ego-aandrang om rechtvaardiging te vinden voor dat aanvallen, wat mijn individualiteit versterkt en mijn veronderstelde onschuld. Een cursus in wonderen toont ons daarom niet alleen waarom we veroordeling blijven kiezen in plaats van vergeving, maar het biedt tevens een uitweg uit deze boosaardige cirkel van vergeetachtigheid: de dagelijkse praktijk van het inschakelen van de waarnemer “boven het slachtveld” van de denkgeest, en dan simpelweg te kijken. Niet oordelend. Vanuit die denkstaat, zijn we in staat onze aandacht te richten op stilheid, en plaats te maken voor de stem van de Heilige Geest, die meestal geen stem is, maar een vredige of gelukkige impuls. Het is dit simpele kijken en rustige vragen om leiding dat de slapende Zoon van God uiteindelijk een weg biedt uit deze helse droom die schijnbaar zo’n veertien miljard jaar aan de gang is. Dus waarom op de Hemel wachten? De vrede van God straalt nu in mij.(W-pI.188).

Juli 2016, Jan-Willem van Aalst (vertaling: Robert J. Visser)

Advertenties

Medicijn is magie… nou en?

Als we Een cursus in wonderen lezen, wordt ons duidelijk dat hoewel jij en ik ziekte over het algemeen in ons lichaam ervaren, alle symptomen slechts een weerklank zijn van onjuist denken. Kijk bijvoorbeeld eens naar lessen 136 tot 138, en lees het pamflet “Psychotherapie”. Een van de belangrijkste lessen in het leerprogramma van ECIW  is, dat deze hele wereld van vorm om ons heen een projectie is, opzettelijk door ons gekozen (wij als de slapende Zoon van God) in een schuldbeladen poging ons te verstoppen voor een wraakzuchtige Schepper die Zijn zondige zoon beslist in het niets zal doen verdwijnen, omdat die zich van zijn Bron afgescheiden heeft! Dit denken in termen van zonde-schuld-angst, dat is het ego. Het wordt onjuist denken genoemd in Een cursus in wonderen. Het ego zit zo in elkaar dat het onze denkgeest onafgebroken afleidt naar uiterlijkheden, hoe illusoir die ook zijn, opdat de slapende Zoon van God nimmer naar binnen kijkt, en de onschuld en het gedeelde verlangen ziet van alle schijnbaar gefragmenteerde levensvormen: de hunkering om naar de Vader terug te keren, daarbij tevens ruimte en tijd, evenals individualiteit voor eens en altijd ongedaan te maken.

Ego-afleidingen bestaan in vele vormen: milde irritaties over ‘verwerpelijk’ gedrag; oordelen over het weer; of het wereldnieuws, en al het andere dat je wellicht niet mag. Afleidingen treden ook in de vorm van lichamelijke ziekte op. Hoewel dit op het eerste gezicht een aparte categorie lijkt, legt Jezus uit dat alle ervaren gevolgen van onjuist denken hetzelfde zijn qua inhoud, ongeacht hun waargenomen vorm. Voor het ego doet het er niet toe of ik ellende nu in deze wereld of in mijn lichaam ervaar: de bedoelde afleiding van de denkgeest richting uiterlijkheden wordt opnieuw verzekerd. Daarom raadt Jezus ons aan niet te proberen gevolgen te wijzigen, maar oprecht de bron van de ellende te onderzoeken: en dat is onze keuze voor veroordeling en afscheiding. Een beroemd ECIW citaat zegt het zo: “Probeer dan ook niet de wereld [inclusief je lichaam] te veranderen, maar kies ervoor je denken over de wereld te veranderen (T-21.In.1:7).

Als we les 136 zorgvuldig lezen, die volgens Kenneth Wapnick tot de belangrijkste lessen uit het werkboek behoort, leren we beseffen dat “Ziekte is geen toevalligheid. Zoals elke verdediging, is ze een waanzinnig middel tot zelfmisleiding. En net als alle andere is het doel ervan de werkelijkheid te verbergen, aan te vallen, te veranderen, absurd te maken, te vervormen, te verdraaien, of terug te brengen tot een hoopje losse onderdelen.” (W-d1.136.2). Doen we dat opzettelijk? Op het niveau van het onbewuste beschouw ik ziekte als een duidelijk bewijs dat de afscheiding van God daadwerkelijk gelukt is. Voorts kan ik er niet verantwoordelijk voor gehouden worden, omdat deze wereld duidelijk een wrede plek is waar de goedhartigen – zoals ikzelf – constant tot slachtoffer gemaakt worden door mensen die duidelijk de hel verdienen. Als iemand terug in de Hemel geaccepteerd wordt zonder straf, moet beslist ik dat zijn. En oh, zie eens hoe ik lijd om mijn fout mij af te scheiden: mijn ziekte verdient beslist de compassie van mijn Schepper…? – En zo ga ik maar door, als voorbeeld van Jezus z’n duiding van hoe wij denken: “Ziekte is een beslissing. Het is niet iets wat jou overkomt, geheel ongezocht, dat je zwak maakt en je lijden brengt. […] Nu ben je ziek, opdat de waarheid zal weggaan en jouw verworvenheden niet langer zal bedreigen.” (W-d1.136.7:1+4).

Genezing moet dan net zo goed een keuze van de denkgeest zijn. Jezus legt uit dat dit een bereidwilligheid vereist ‘de waarheid van wat ik ben’ te accepteren, en dat is: zuivere geest. Telkens wanneer ik me dan ziek voel, kan ik mezelf eraan herinneren dat ik … “ dan mezelf opnieuw misplaats, en een lichamelijke identiteit gevormd heb die het lichaam zal aanvallen, want de denkgeest is ziek.” (W-d1.136.19:2) Dan kan ik mezelf vertellen: “Ik ben vergeten wat ik werkelijk ben, want ik heb mijn lichaam met mezelf verward. Ziekte is een verdediging tegen de waarheid. Maar ik ben geen lichaam. En mijn denkgeest kan niet aanvallen. Dus kan ik niet ziek zijn.” (W-d1.136.20:3-7). Het resultaat evenwel is zeer waarschijnlijk dat ik me schuldig en depressief zal voelen, omdat de fysieke symptomen niet onmiddellijk verdwijnen door deze waarheid te beseffen. In feite lijken de fysieke symptomen veelal geheel niet beïnvloed door hoe liefdevol mijn gedachten ook door de dag heen schijnen te zijn.

Op dit punt aangekomen zouden we moeten beseffen dat we gevoelig zijn voor wat Kenneth  Wapnick noemt ‘niveau-verwarring’. Jezus zijn uitspraken over ziekte van de denkgeest behoren tot een Niveau-I perspectief, waarin er niet zo iets bestaat als een wereld en afscheiding – er bestaat uitsluitend geest. Vanuit een Niveau-II perspectief daarentegen, in de schijnbare droom van tijd en ruimte en waarneming, voelen deze wereld en mijn lichaam tastbaar echt, en worden we niet verondersteld dat te ontkennen. In deze wereld, hoe illusoir ze ook mag zijn, zijn er keuzes te maken, waarbij ik ervoor kies of door onjuist  gericht denken (ego) ofwel door juist gericht denken (Heilige Geest) geleid te worden. De schoonheid van Een cursus in wonderen is dat hij ons niet zal uitlachen voor onze fysieke ervaringen (en pijn!) in deze illusoire wereld.

Er zijn momenten dat onze fysieke pijn te zeer een hindernis vormt om wat voor spirituele boodschap dan ook in de praktijk te brengen. Medicatie afwijzen als ‘een vorm van magie die niet werkelijk zal genezen’, is een vergissing die voortvloeit uit niveau-verwarring. Jezelf pijn laten lijden past nauwelijks bij de mildheid die Jezus in zijn leerprogramma bepleit. In hoofdstuk 2 van het tekstboek lezen we: “Elk stoffelijk middel dat je als remedie tegen lichamelijke kwalen aanvaardt is een herbevestiging van magische beginselen […] Hieruit volgt echter niet dat het gebruik van dergelijke middelen ten behoeve van herstel slecht is. Soms heeft de ziekte zo’n sterke greep op iemands denkgeest, dat het hem tijdelijk ontoegankelijk maakt voor de Verzoening. In dat geval kan het verstandig zijn om ten opzichte van lichaam en denkgeest een tussenweg te bewandelen, waarbij aan iets van buitenaf tijdelijk genezende werking wordt toegeschreven.” (T-2.IV.4:1+4-6].

Als je dus hoofdpijn hebt, neem alsjeblieft gerust een aspirientje. Als je te maken hebt met een meer serieuze ziekte, volg alsjeblieft precies het advies op van je arts. Het gebruik van medicijnen mag dan niet resulteren in het soort genezing zoals Jezus dat definieert in de zin van het ongedaan maken van schuld om zo de werkelijke wereld in de denkgeest te bereiken. Maar het zorgt wel voor meer ruimte in de denkgeest, waardoor je in de eerste plaats de kalmte gaat ervaren die je nodig hebt om vredig in je denkgeest te worden. Raad alsjeblieft je gezin en vrienden niet aan om medische behandeling af te wijzen, door te beargumenteren dat dergelijk gebruik van magie uiteindelijk niet wérkelijk zal genezen. Dat is geen liefdevolle houding; dat is een vergissing, door te menen dat jij het ’t beste weet. Als je je hart opent voor de stem van de Heilige Geest (je ware intuïtie), zul je weten dat elke ingreep die pijn kan verlichten (en in het bijzonder de daaruit volgende angst) nuttig kan zijn, op z’n minst tijdelijk. Het eerste altijd eerst: je hebt allereerst fysiek verzachtende genezing nodig voordat je de ruimte in je denkgeest ervaart om te werken met Jezus’ leermethode in gedachte-training.

In geval je fysiek gezond bent en uitkijkt naar spiritueel advies bedoeld om genezing van je niet-vergevende denkgeest te bewerkstelligen, wat ware genezing is, is het niet eens nodig een psychotherapeut te vinden die zich baseert op Een Cursus in Wonderen. Ware genezing bevindt zich in je eigen denkgeest. Niemand is in staat jouw denkgeest voor jou te veranderen. Een psychotherapeut van een bepaalde spirituele school opzoeken is vaak een subtiele dekmantel om verantwoordelijkheid af te schuiven voor het denkwerk, dat jij moet doen om je eigen ego-focus ongedaan te maken. Er is slechts één Psychotherapeut, die gedurende de hele dag met perfecte helderheid spreekt als je Hem alleen maar binnen nodigt: en dat is de Heilige Geest, die zich in jou bevindt in de meest letterlijke zin (T-5.II.3). Een doeltreffende manier deze openheid-van-denkgeest te bereiken zou bijvoorbeeld zijn om Kenneth Wapnick’s magnifieke serie “Journey through … [Textbook | Workbook | Manual for teachers ] of a Course in Miracles” te bestuderen. Dat is een geweldige manier om geheel te begrijpen waarom, om les 140 te citeren, “Alleen van de verlossing kan worden gezegd dat ze geneest.”, hoewel aspirines daarbij prima in orde zijn.

© 17 augustus 2016, Jan-Willem van Aalst (vertaling: Robert J. Visser)

Gekruisigd in de supermarkt

Wat verbindt een supermarkt met een kruisiging? Niets, zouden de meesten van ons zeggen. Maar vanuit het gezichtspunt van Een Cursus in Wonderen is er een duidelijke verbinding. Net als met al zulke beschrijvingen heeft ‘kruisiging’, volgens Een Cursus in Wonderen niets te maken met een lichaam. Het slaat uitsluitend op wat de denkgeest beslist, omdat het lichaam een gevolg van die denkgeest is. Kruisiging staat gelijk aan veroordeling. Onszelf kruisigen is iets dat jij en ik dagelijks doen, en ook nog eens vrijwillig – we zijn het ons meestal niet bewust. Daarom is Een Cursus in Wonderen een cursus in gedachtetraining. Laten we eens even bekijken hoe dit werkt, en hoe je kunt stoppen jezelf te kruisigen.

Laten we eens aannemen dat je je in een supermarkt bevindt om wat te eten en drinken te halen. Ongelukkigerwijze staan er bij de kassa niet minder dan drie mensen voor jou in de rij te wachten. Natuurlijk gaan de andere kassa’s niet open. De contante betaling van de oudere dame vooraan lijkt wel eindeloos te duren, omdat ze moeite heeft de muntjes van elkaar te onderscheiden. De klant na haar doet alsof hij twaalf dingen heeft af te rekenen (het maximum voor de snelle rij), terwijl jij er vrij zeker van bent dat het er dertien zijn. Kort samengevat, jij voelt de irritatie zich langzaam in je bloedbaan opbouwen. Biochemisch gesproken ben je bezig je bloed te vergiftigen met adrenaline en cortisol, wat je normaal gesproken niet zou willen doen… maar al die vreselijke mensen laten je geen keus, is het niet?

Als een student van Een Cursus in Wonderen leer je je denkgeest te trainen veel sneller een stap terug te doen, om dan de innerlijke waarnemer in te schakelen, en dan oprecht naar je gedachten te kijken. Niet met de bedoeling je schuldig te gaan voelen over je gebrek te kunnen vergeven, maar om je duidelijk te maken hoe ongelofelijk je met je eigen speciale kleine zelf verbonden bent. Dat oprecht te beseffen vormt de basisvoorwaarde om in staat te zijn “opnieuw te kiezen” voor het wonder van vergeving dat we gewoonlijk in de denkgeest verstoppen. Een Cursus in Wonderen doet ons inzien dat we niet heen en weer geslingerd worden in een wereld die aan onze controle ontgaat, maar dat we bereidwillig alle pijn kiezen die we ervaren (maar dan wel alle anderen daarvoor de schuld geven). Dit “bewijst” niet alleen dat de afscheiding van Eenheid daadwerkelijk gebeurde (bij de Oerknal), maar het toont ook duidelijk aan dat God iemand anders ervoor zal straffen, niet mij. Natuurlijk gaat dit niet werken, omdat mijn onophoudelijk oordelen alleen maar toevoegt aan mijn eigen schuld. Kort gezegd: elke keer dat ik veroordeel, kruisig ik slechts mezelf, omdat ik de pijn ervaar.

Om ons te helpen deze denk-waanzin te ontmantelen, leidt Jezus ons op zachtaardige wijze naar het ongedaan maken van ´ons dubbele schild van vergetelheid” (W-pI.136.5:2) dat we opgeworpen hebben om onszelf in de onjuiste denkgeest te houden, ofwel de “ego-modus”. Allereerst kan ik mezelf eraan herinneren dat ik nooit onvrede voel om de reden die ik denk (W-pI.5). Niet alleen ben ik het die kiest hoe ik de langzame betaling van de oudere dame en het valse gedrag van de man interpreteer, maar deze mensen zijn zelf projecties van de ego-denkgeest. Ik heb voor mezelf een ego bedacht net als voor iedereen die ik tegenkom. Ik ben gewoon bezig te projecteren! Hetzelfde moment dat ik de projectie terugneem, besef ik dat mijn werkelijke verstoring ontstond omdat ik mijzelf stiekem aanklaag zo krom te denken. Ik raakte de overtuiging kwijt dat ik een miserabele zondaar ben, door die angst op de anderen om me heen te projecteren. Als ik die projectie terugneem kan ik plots zien dat ik al die tijd slechts bezig was mezelf aan te vallen, echter zonder me dat te realiseren. Zoals we in de Cursus lezen: “Wil ik mezelf hiervan beschuldigen?” (W-pI.134.9:3). Want dat is wat ik aan het doen ben.

Nu moet de tweede stap (het ongedaan maken van het tweede schild van vergetelheid) snel volgen, want anders zal ik ernstig depressief raken. In Een Cursus in Wonderen legt Jezus uit dat ik helemaal geen lichaam ben, dat er in feite geen materiële wereld en tijd bestaan (W-pI.132.6). Ik heb mezelf abusievelijk geïdentificeerd met een hoopje stof, een bergje klei, lichaam genaamd (T-19.IV.B.4), in een nachtmerrie van de slapende Zoon van God. Daarom betekent die tweede stap dat je beseft dat je lichaam geenszins je ware wezen is. Mijn essentie is zuivere geest. Ik ben en zal te allen tijde veilig bij God thuis zijn. In zekere zin is dit ook het terugnemen van een projectie: en wel die van de ontologische schuld in een myriade van gefragmenteerde materie en “levende” lichamen. In waarheid heeft God slechts één Zoon, zelfs in de droom van tijd en ruimte. Dus zelfs in de supermarkt kan ik alleen maar mijzelf aanvallen, of zegenen, de verschijningsvormen ten spijt. Door deze tweede projectie terug te nemen ga ik me realiseren dat “Wat ik denk [interpreteer] is niet de waarheid” (W-pI.134.7:5). Ik heb mezelf gekruisigd: ten eerste mijn denkgeest, door mezelf te veroordelen, wat meteen daarna verdrongen wordt, gevolgd door het beoordelen van andere mensen; en ten tweede mijn lichaam, door cortisol in mijn bloedbaan te injecteren. Totdat ik zulke dwaasheid besef, ben ik vrij mezelf te kruisigen zo vaak ik dat maar wil (T-4.In.3:9), me daarbij genotvol wentelend in mijn speciale ego-identiteit. Zodra dat te pijnlijk wordt, kan ik het alternatief kiezen dat naar blijvende innerlijke vrede leidt: vergeving.

Dus, de volgende keer dat ik de supermarkt bezoek en mezelf aan het eind van de rij klanten zie staan wachten, die me schijnbaar beginnen te irriteren, kan ik nu snel mijn juiste manier van denken kiezen, vriendelijk glimlachen, en tot mezelf zeggen: “Ah, ik ken dit. Ik doe het weer. Natuurlijk doe ik het, omdat ik nog steeds enorm geïdentificeerd ben met mijn ego en mijn fysieke lichaam. Ik zie overal domheid en kwaad om me heen omdat ik dat niet in mijzelf wens waar te nemen. Maar ik ben niet een lichaam. Ik ben vrij. Want ik blijf wat ik ben, zo schiep God mij (W-pI.205). Dus ik zou in plaats hiervan vrede kunnen zien (W-pI.34). Ik heb simpelweg verkeerd gekozen. Natuurlijk deed ik dat, omdat de besluiten van het ego altijd verkeerd zijn. Ik wens anders te beslissen, omdat ik in vrede wens te zijn. Ik voel me niet schuldig, want de Heilige Geest zal alle gevolgen van mijn verkeerde keuze ongedaan maken als ik Hem laat begaan. Ik kies ervoor Hem te laten begaan, door toe te laten dat Hij voor mij voor God kiest.” (T-5.VII.6:10-11). Het geheim van de verlossing is slechts dit: dat jij dit jezelf aandoet (T-27.VIII.10:1).

De vervelende valkuil is om ontmoedigd te raken met je oefenen, omdat je er maar in blijft trappen, opnieuw en opnieuw. Besef echter, dat dit onvermijdelijk is. Daarom ben je in deze wereld gekomen (T-16.V.3), om te leren dat ze opnieuw geïnterpreteerd kan worden als een nuttige lesruimte. Als je niet alsmaar in die valkuil zou struikelen, zou je niet hier zijn – je zou al in de Hemel zijn. Feitelijk ben je al in de Hemel, maar nu bezig in de droom te leren ontslag te nemen als je eigen leraar (omdat je slecht onderwijs kreeg, T-28.VII.1), en om ervoor te kiezen de Heilige Geest steeds vaker te vragen hoe de omstandigheden en mensen in deze wereld van tijd en ruimte opnieuw te interpreteren. En het antwoord komt steeds weer neer op het kiezen van een wonder door oordelen tegen te houden, en jezelf te vergeven voor je niet vergevende denkgeest. Gun jezelf wat ruimte. Verlichting komt zelden van de ene op de andere dag. Door geduldig de leiding van de Heilige Geest te volgen, ben je aardig op weg te ontwaken uit deze dualistische nachtmerrieachtige hel van tijd en ruimte.

© Jan-Willem van Aalst, augustus 2016 (vertaling: Robert J Visser)