Volslagen verspild

De Bhagavad Gita is een erg oude filosofische verhandeling over de aard van de denkgeest, over deze wereld, en onze essentie als geest. Waarschijnlijk dateert het op z’n minst uit een tijd drie of vier duizend jaar geleden. Haar boodschap wordt als een verhaal gepresenteerd, waarin twee legers op het punt staan op het slagveld oorlog te voeren. Opvallend symboliseert dit slagveld het slagveld van de denkgeest. Een van de vechtersbazen heet Arjuna, die zich op dat  moment afvraagt wat de bedoeling van dit alles is. Hij begint een gesprek met zijn wagenmenner, die de reïncarnatie van Heer Krishna blijkt te zijn, een avatar van de hoogste god Vishnu. De gesprekspunten die hun conversatie aansnijdt komen opmerkelijk overeen met Jezus’ zijn boodschap in Een Cursus in Wonderen, in het bijzonder wat betreft de illusoire aard van al wat onze zintuigen aanschouwen. Vreugde, vrede en verlossing zijn een keuze van de denkgeest, aangezien er buiten de denkgeest niets is. Overigens, alle schijnbaar gescheiden denkgeesten zijn in feite vereend, en hallucineren alleen maar over afscheiding. Dit hele onzinnige idee van verschillende belangen wordt in de Gita uitvoerig besproken. Op een zeker moment verzekert Krishna Arjuna dat “Zolang je denkgeest bezig blijft met zelfzuchtige verlangens, heb je je leven volslagen verspild. Dat is een behoorlijk gedurfd standpunt. Wat betekent het eigenlijk?

Aangezien we ons allemaal nauw vereenzelvigen met ons ego, moet de bewering van Krishna direct een steek in het ego-deel van onze denkgeest toebrengen door middel van een zich inwrijvend schuldgevoel. Heb ik ‘t mis – of, preciezer: ben ik zondig – om steeds maar eerst aan mezelf te denken? Kom nou! Ik moet voor mezelf zorgen in deze beangstigende wereld, nietwaar? Word ik verondersteld er voor te kiezen als de spreekwoordelijke voetveeg behandeld te worden, omdat, als ik eerst aan mijn eigen belangen denk, dat een concentreren op zelfzuchtige verlangens zou betekenen? Zulke overwegingen zijn voor het ego volslagen onaanvaardbaar, dus onderdrukken we dat schuldgevoel snel. Vervolgens projecteren we die schuld naar buiten, zodat al ons egoïsme nu buiten ons gezien wordt: ”Ja, iedereen handelt onophoudelijk vanuit egoïstische verlangens. Ik moet mijzelf verdedigen wil ik kunnen overleven”. Soms wordt dit gevolgd door een door het ego gestimuleerd spiritueel voorwendsel: “Ik, die toch een trouwe, ijverige spirituele aspirant ben, zal me niet door deze zelfzuchtige ego-tirannie van mijn stuk laten brengen, en me concentreren op mijn wettige plaats in de Hemel”.

Dit is natuurlijk absoluut niet wat Krishna bedoelt als hij het over de denkgeest heeft die in beslag genomen wordt door egoïstische verlangens. Het punt is dat een zelfzuchtige denkgeest zich toespitst op veroordeling, haat en aanval van en op alles buiten zichzelf. Een dergelijk boosaardige geesteshouding wordt onherroepelijk uit angst geboren, overtuigd dat het in een wereld vol strijdtonelen leeft, waar slechts één regel geldt: dood of word gedood. Vriendelijk, genereus en behulpzaam kan ik slechts in dat geval zijn dat mijn eigen persoonlijke veiligheid gewaarborgd is, en omdat alles daar buiten er tenslotte op uit is dat van me af te pakken wat ze menen zelf te vermissen, kan ik nooit onvoorwaardelijk op waarachtige wijze geven. Een  dergelijk tragische kijk op het leven volgt uit de overtuiging dat er werkelijk miljarden met elkaar wedijverende levensvormen daar buiten bestaan. En omdat de eindbestemming van leven de dood moet zijn, is de enige reden om niet iets zelfzuchtigs te doen, dat God me wellicht terug in de Hemel zal toelaten, en iemand anders zal straffen.

Krishna legt Arjuna geduldig uit, net zoals Jezus ons met engelengeduld uitlegt in Een Cursus in Wonderen, dat we een vergissing hebben begaan door te geloven dat leven opgesplitst werd in met elkaar wedijverende levensvormen. Er is maar één leven, en dat is de uitbreiding van God als Bron van het leven. De denkgeest kan denken dat hij slaapt (en dromen van fragmentatie en een wereld vol van met elkaar strijdende levensvormen), maar dat is dan ook alles (W-pI.167.6). De werkelijkheid van jou en mij is één gedeelde denkgeest, die pure geest is. Alle denkgeesten zijn als één verenigd. Dit beginnen we ons te realiseren zodra we leren de denkgeest “van boven het slagveld” te bekijken (T-23.V.1). Zo gezien, wat heeft het dan voor  zin je te concentreren op zelfzuchtige verlangens? Zo’n focus is volslagen verspilling, alleen al omdat het probeert deze droomwereld van afscheiding en opsplitsing in stand te houden. Deze keuze van gedachten zal niet leiden tot de “vrede die alle begrip te boven gaat”, wat ons ware verlangen vormt als we volkomen eerlijk zijn.

Op het moment dat we de illusoire aard van gefragmenteerde, wedijverende ego’s compleet doorzien, is ons eigen ego niet direct buitenspel, zacht uitgedrukt. Het ego bezit een indrukwekkend arsenaal subtiele technieken om een piepklein achterdeurtje in onze denkgeest te vinden om weer naar binnen te kruipen. Het is cruciaal je besef van dergelijke ego-tactieken te ontwikkelen, als je oprecht de Heilige Geest wilt toestaan jou te helpen. Hier is het kardinale criterium: zolang als je oprecht probeert voor het algemeen belang te handelen, voor de collectief hoogste belangen, uit een holistische houding van compassie en broederliefde, verwacht je daar dan stiekem iets voor terug? Veel zogenaamde ‘liefdadige’ acties worden gevoed door een opofferend verlangen erkenning te ontvangen, lof, of applaus. Dat zou Krishna een ‘zelfzuchtig verlangen’ noemen. Het ego is dan weer terug op de bühne!

Opnieuw, hiermee is niet gezegd dat je jezelf als voetveeg laat behandelen, maar het roept zeker het beslissende deel van je denkgeest op, je te realiseren, dat iedereen daar buiten eenvoudig een projectie is van een of ander niet vergevend deel van je denkgeest. Projecties komen voort uit niet vergeven, wat wil zeggen dat we ons verzetten tegen de Wil van God om eeuwig Eén met al het leven te zijn. Dit vereist vergeving, en niets anders. En daarom vertelt Krishna Arjuna: “Zij leven in wijsheid die zichzelf in alles waarnemen, en alles in henzelf, die ieder zelfzuchtig verlangen en kwellend hartzeer afgezworen hebben”. Maar dit betekent nu ook weer niet dat we niet actief in deze denkbeeldige wereld bezig zouden moeten zijn, als Krishna dan vervolgt: “Verricht werk in deze wereld, Arjuna, als een in jezelf gevestigd man – zonder zelfzuchtige gehechtheden, en blijf dezelfde bij succes en nederlaag. Zij, die alle egoïstische verlangens afwijzen en zich losmaken van de ego gevangenis van het “ik”, het “mij”, en het “mijn”, zijn voor alle tijden vrij om met de Heer verenigd te worden. Dit is de hoogste staat. Verwerf dit, en overstijg de dood naar onsterfelijkheid”.

© Jan-Willem van Aalst, juli 2016 (vertaling: Robert J Visser)

Advertenties

Beeldschone façades

Anna Freud, de dochter van de beroemde pionier op het gebied van psychotherapie, Sigmund Freud, herinnerde zich een gesprek met haar vader tijdens een wandeling door een district vol grote herenhuizen in het centrum van Wenen. “Zie je die prachtige huizen met hun heerlijke gevels?” merkte hij op. “Achter die gevels zijn dingen niet perse zo lieflijk. En zo is het ook bij mensen”. Freud verwees naar de uitzonderlijk dunne laag beschaving die onze giftige zelfzuchtige drang bedekt, om over vrijwel alles buiten ons te oordelen, het af te wijzen, het aan te vallen, zo niet te vermoorden en seksueel leeg te ruimen. Naar buiten toe en in de openbare ruimte doen we ons best om vriendelijk, bedachtzaam, behulpzaam te zijn, en aan ieders voornaamste belangen bij te dragen. Achter de voordeur daarentegen, in het bijzonder wanneer niet aan alle door Maslow beschreven basislevensbehoeftes voorzien is, is het beest daarbinnen geneigd zijn kop op te steken zodra onze egoïstische belangen in gevaar dreigen te zijn. Wij zijn allemaal bekend met verhalen vol pijn en gruwel achter de voordeuren van sommige gezinnen in onze buurt. En hoewel we onszelf bewust vertellen dat wij zo iets beslist nooit zouden doen, weten we ergens diep van binnen dat datzelfde beest in ons allen op de loer ligt.

In Een Cursus in Wonderen bevestigt Jezus de opvatting dat het ego 100% haat en aanval is. We mogen dan ons gezicht vol onschuld opzetten, en al de veroordelende neigingen, die we weigeren in onszelf waar te nemen, naar buiten toe projecteren, zodat alle kwaad nu buiten ons waargenomen wordt; maar, zolang we alsmaar de onjuiste denkgeest kiezen, zullen onze gedachten onontkoombaar de afscheiding versterken, en in haar kielzog veroordeling en aanval, wat de vorm ook mag zijn. Lichtjes ineenkrimpen door irritatie is niets anders dan een sluier die intense woede bedekt. Maar terwijl Freud pessimistisch bleef over het vooruitzicht van de mensheid, omdat hij geen uitweg voor het ego kon ontdekken, verzekert Jezus ons in ECIW blijmoedig dat het ego zelf niets anders is dan een flinterdunne sluier, simpelweg op te heffen, zodra we ervoor kiezen om, met Jezus aan onze zijde, te kijken naar al z’n donkere onnozelheid, wat betekent, vanuit een positie ‘boven het slagveld’, kalm, en zonder oordeel. Freud was hier niet toe in staat omdat hij ‘in z’n lichaam gevangen’ bleef – hij kon zich onze essentie als pure geest buiten tijd en ruimte niet voorstellen, laat staan het begrip van dualiteit – kortom, alles wat wij waarnemen – als de illusoire droom van een slapende Zoon van God.

Opnieuw zien we het belang van het snappen van het metafysische fundament waar Jezus over uitweidt in Een Cursus in Wonderen. We geven onze volledige identificatie met het ego slechts dan pas op, als we er door en door van overtuigd zijn dat er een veel beter alternatief bestaat. Jezus zal niet veel studenten overtuigen door alleen maar te beweren dat we ons beduidend beter zullen voelen wanneer we onze individualiteit laten varen en Huiswaarts keren als pure geest in het hart van God, daarbij tijd en ruimte en alle concepten voor altijd achter ons latend. We kunnen niet bevatten hoe dat zou zijn, dus gaan we dat niet doen. We hebben de ervaring van de werkelijke wereld nodig, de weerklank van Gods Liefde hier op aarde, in onze dagelijkse bezigheden in ons leven hier op deze planeet, hoe illusoir die ook mag zijn. Om te ontwaken uit de droom is een langzaam zich ontvouwend leerprogramma van denkgeesttraining nodig (M-9.1), waarin we leren om onszelf toe te staan de geloofsovertuigingen van ons ego stap voor stap ongedaan te maken. Elke keer dat we erin slagen het oordelen tegen te houden, en in plaats daarvan het advies van de Heilige Geest, waargenomen als wat we ‘ware intuïtie’ noemen, op te volgen, versterkt het daaruit ontstane gevoel van innerlijke vrede onze vastberadenheid vaker te wisselen in onze denkgeest. We glimlachen vaker als we beetje bij beetje leren de illusoire aard te doorzien van alles wat onze zintuigen oppikken.

Wat deze ontmaskering van onze waarneming zo moeilijk maakt zijn de lieflijke vormen die het vaak schijnt aan te nemen. Wie wordt nou niet ademloos bij het zien van magnifieke berglandschappen, prachtige bloemenvelden, indrukwekkende architectuur en idyllische eilanden? Zo bezien, is het heel moeilijk om Jezus te horen zeggen in ECIW dat deze wereld gemaakt werd als een aanval op God (W-pII.3.2). Zeker, we weten dat  het allemaal voorbijgaand is – alles vervaagt en sterft uiteindelijk, maar er is iets onweerlegbaar glorieus aan alle leven dat we ervaren, dat onverwoestbaar is, toch? Nee, zegt Jezus, alles wat we hier als leven beschouwen is een illusie van leven, omdat er geen leven bestaat buiten God, die geen weet heeft van dualiteit. Op soortgelijke wijze verzekert Jezus ons dat ware Liefde niet gevonden kan worden in tijd en ruimte. Welnu, ik kan toch zeggen: “ illustreert het feit dat mensen zorg dragen voor elkaar, niet de werkelijkheid van liefde hier op aarde, in de droom”? Op dit punt wordt de leiding van Jezus subtieler, maar nog steeds consistent. Nee, we zijn geen miserabele zondaars die onszelf voor de gek houden wat liefde betreft, we zijn eenvoudig in de war door een denkgeest die ogenschijnlijk in conflict is (T-6.V.B.3-8). Een van de kerngedachten in Een Cursus in Wonderen is dat we zowel een onjuiste denkgeest als een juiste denkgeest hebben, plus een keuzemaker die onophoudelijk tussen die twee kiest. Een Cursus in Wonderen is in wezen een leerplan om die keuzemaker te trainen vaker de juist denkende denkgeest te kiezen.

Dat is de reden dat Jezus benadrukt dat de wereld die we waarnemen niet intrinsiek slecht is, zoals Freud concludeerde; ze is per definitie niets (W-pI.132.4). De enige te vragen vraag bij alles wat we waarnemen, luidt: “Waar dient het toe?” (T-4.V.6). Bedoeling is alles, zoals we allemaal zullen toegeven. Zie ik mijn relatie met jou, met mijn bezittingen, met de plaatsen die ik bezoek, als middelen om mijn eigen bijzonderheid te onderstrepen (het standpunt van het ego), of zie ik zulke relaties als lessen van liefde, me vriendelijk aangeboden door de Heilige Geest, omdat ik ze tot nu toe niet had weten te leren? Alle tegenspoed en beproevingen in ons leven zijn niets anders dan gelegenheden een liefdesles te leren die je tot nu toe weigerde te leren (T-31.VIII.3). Zodra we de innerlijke vrede ervaren die uiteindelijk voortvloeit uit het achterhouden van oordelen, en uit het opvolgen van het advies van de Heilige Geest (d.w.z. het wonder kiezen middels vergeving), bemerken we dat onze ego waarnemingen voorschoven zijn naar ware waarnemingen. Nog steeds nemen we illusies waar in tijd en ruimte, maar ware waarneming broedt geen nieuwe illusies uit. We zijn gelukkig op onze weg naar de werkelijke wereld, die zich eveneens nog steeds in de waarneembare wereld van de dualiteit bevindt, maar daarentegen zo dicht bij de Hemel, dat de brug makkelijk overgestoken wordt. Tot het zover is, is onvoorwaardelijke vergeving alles wat we moeten doen om de weg te bewandelen naar blijvende vrede, die Freud niet waarnam.

© Jan-Willem van Aalst, juli 2016 (vertaling: Robert J Visser)

Een horrorverhaal

Op een online forum gerelateerd aan Een Cursus in Wonderen, bracht iemand een gesprek in herinnering tussen Cursus-wetenschapper Kenneth Wapnick en één van zijn workshop-deelnemers. Deze man merkte op dat hij graag een exemplaar van Een Cursus in Wonderen aan een paar van zijn vrienden wilde geven, als geschenk. Kenneth reageerde: “Waarom zou je dat willen doen? Vind je hen niet aardig? Het is een horrorverhaal!” Je kunt je de verbazing voorstellen in de ogen van deze betreffende kerel toen hij deze verbluffende visie op ECIW overwoog.

Dus, waarom is Een Cursus in Wonderen een gruwelijk verhaal? Is dit niet de leerstof par excellence die “het doel èn de middelen” levert op weg naar blijvende innerlijke vrede? De fundamentele voortdrijvende kracht welke Een Cursus in Wonderen onderwijst, is ware vergeving, allereerst van je broeder en dan van jezelf (wat natuurlijk in werkelijkheid hetzelfde is). Daarbij komt het besef dat deze nachtmerrieachtige droom van tijd en ruimte in werkelijkheid nooit is gebeurd. En niet alleen dat; we worden op overtuigende wijze door Jezus onderwezen dat God niet kwaad is. In tegendeel, Hij heeft het gehele Zoonschap lief. We hoeven slechts op eerlijke wijze naar de werkwijzen van het ego te kijken, en er opnieuw voor te kiezen de Heilige Geest, de “Stem namens God”, te horen – en te volgen. God is Liefde, en verlossing is gegarandeerd! Dat klinkt nou niet direct als een horrorverhaal, is ’t wel?

Wat weerzinwekkend aan Een Cursus in Wonderen is, is, dat het het einde van het ego aankondigt, waar we zo hopeloos aan vast zitten. Ieder die deze aarde bewandelt, is er stellig van overtuigd dat hij in wezen een lichaam is, geboren met een unieke, bijzondere persoonlijkheid. We beschouwen een “sterk en gezond ego” als een basisvereiste om te overleven. De vaststelling dat we ertoe neigen ziek, gemanipuleerd en gekwetst te worden, en onvermijdelijk sterven, wordt gewoonlijk onder het wateroppervlak van de ijsberg die we onze denkgeest noemen, verdrongen. De meeste mensen leven hun leven op de automatische piloot, met pieken en dalen, want dat is “de aard van het leven”, is het niet?

In Een Cursus in Wonderen lezen we dat alles in tijd en ruimte wat we koesteren (of haten) volslagen illusoir is. En daar komt nog bij, dat zelfs onze dierbare individuele persoonlijkheid slechts een krachteloze bevlieging blijkt te zijn. We zijn als de zonnestraal die denkt de zon te zijn; of als het golfje dat hallucineert de oceaan te zijn (T-18.VI.9.3). Dit symboliseert natuurlijk onze schijnbare afscheiding van onze Schepper – ik heb me tegen God verzet en nu geloof ik dat ik god ben; de ultieme zonde; de bron van al onze schuldgevoelens en al onze angsten. De gruwel voor het ego is dat, als we oprecht binnen in onze denkgeesten zouden rondneuzen, we helemaal geen zonde zouden zien – en bijgevolg geen grondslag voor het bestaan van het ego.

Ai! Voor het ego is ons mogelijke besef dat we het zonder het ego zouden kunnen stellen, en er zelfs veel beter aan toe zouden zijn, pure horror. “Jij vraagt niet te veel van het leven, maar veel te weinig”, spoort Jezus ons aan (W-pI.133.2), ons vriendelijk uitnodigend om van leraar te wisselen voor onze denkgeest. De keuze voor de juiste manier van denken stelt ons in staat aan de kannibalistische wetten van chaos te ontsnappen (T-23.II), die deze wereld van tijd en ruimte van het ego besturen, een wereld die er precies toe dient om de denkgeest voor eeuwig gedachteloos te houden. Op een of andere manier beseffen we diep verborgen in ons dat alles hier tenslotte faalt, verdort en sterft, maar het alternatief (zo verzekert het ego ons) betekent het verlies van onze individualiteit, wat we zworen nimmer op te geven, door zich voor alle tijden op deze wijze tegen de Wil van God te verzetten. (T-24.IV.4).

We hebben onszelf verbannen naar een woestijn, “waar hongerende en dorstende schepsels komen sterven” (W-pII.13.5). Een woestijn kan niet bevochten worden. Wat gedaan moet worden, is de woestijn verlaten, wat Jezus Helen ooit persoonlijk vertelde (zie: Een leven lang geen geluk, pagina 259). Nochtans, zo lang we ons niet volledig bewust zijn van een veel beter alternatief, zullen we het simpelweg gewoon niet doen. Als voorbeeld, jij en ik vinden het buitengewoon moeilijk om slechte gewoontes die zelf-saboterend zijn, op te geven, omdat de pijn die we daarbij ondervinden nu juist ons speciale individuele zelf bepaalt. Verstandelijk gezien proberen we het, maar in onze onderbuik zijn we te bang om de verandering van denken die Jezus ons uitnodigt te bewerkstelligen, werkelijk uit te voeren, omdat we daarbij uitsluitend het alternatief van ongedaan maken waarnemen dat ons ego ons voorhoudt. Wie zouden we zijn zonder onze problemen (d.w.z. zonder ons ego)? Dit is precies het punt waarom het zo belangrijk is de combinatie van het Tekstboek en het Werkboek te doorgronden. Het Tekstboek levert een samenhangende en overtuigende verhandeling over wat we werkelijk zijn, wat het ego bekokstooft, waarom het alternatief veel beter is, en hoe daar mee om te gaan. Het Werkboek levert de middelen hoe dit intellectuele begrip in ervaring om te zetten is. Het is juist deze persoonlijke ervaring van innerlijke vrede die ons, blij verrast, in staat stelt tegen onze vrienden te zeggen, dat Een Cursus in Wonderen werkelijk werkt.

Het is begrijpelijk dat iedere student die op overtuigende wijze deze beloofde innerlijke vrede ervaren heeft, hoe kort ook, de drang voelt om de boodschap van Een Cursus in Wonderen vrienden, familie en andere geliefden, “op te dringen”. Het is verleidelijk jezelf als een gelukkige leerling te beschouwen, een Leraar van God, en brenger van de verlossingsboodschap van de Heilige Geest. Helaas is dit geenszins wat Jezus in Een Cursus in Wonderen bepleit. In tegendeel – als je deze verleiding van dichtbij bekijkt, zal je beseffen dat het ego subtiel via de achterdeur weer naar binnen gekropen is. Als ECIW student vraagt Jezus me slechts de Verzoening voor mijzelf te aanvaarden. Elke keer dat ik waarlijk vergeef, doe ik dat voor het gehele Zoonschap, daar denkgeesten verbonden zijn,. Wanneer anderen er voor kiezen deze vorm van vergeven te accepteren, is niet aan ons om te beslissen. Dat bepaalt de Heilige Geest, die weet dat tijd sowieso illusoir is.

We zullen mensen altijd met respect moeten accepteren, waar die zich op dat ogenblik ook bevinden, een beroemd coaching axioma parafraserend. Leven als een Leraar van God betekent dat je je ego ontslagen hebt als jouw Leraar, en dat je nu bereid bent de Heilige Geest al je dagelijkse bezigheden zachtmoedig te laten leiden. Alleen op deze manier zullen de (quasi afgescheiden) personen je pad kruisen van wie het de bedoeling is dat ze jou tegenkomen, en omgekeerd. Alleen de Heilige Geest weet hoe tijd perfect te gebruiken om haar tenslotte ongedaan te maken. Een gelukkige leerling evangeliseert Een Cursus in Wonderen niet, maar laat simpelweg de Heilige Geest alle gedachten en bezigheden op zachtaardige wijze leiden. Je kunt of je kunt niet geroepen worden uitdrukkelijk over Een Cursus in Wonderen te onderwijzen, maar in beide gevallen blijft je eigen ware vergeving, geboren uit een houding van loslaten, op je af laten komen, de sleutel.

© Jan-Willem van Aalst, juni 2016, (vertaling: Robert J Visser)

Steeds weer nòg een foutje

De wet van Murphy is feitelijk een verzameling van principes die duidelijk maken dat perfectie onmogelijk is in deze wereld van ons. Typerend wordt ie geciteerd als: Als iets fout kan gaan, zal dat vroeger of later fout gaan. Of, in het geval dat je iets vervaardigt:  Er is altijd nóg een fout, iets wat ingenieurs en computer programmeurs maar al te goed weten. Geen enkele oplossing voor welk probleem ook, werkt de hele tijd. Het werkt wellicht een uurtje, of zelfs een paar dagen, een paar jaar, enkele tientallen jaren, maar uiteindelijk zullen dingen verkeerd uitpakken, zowel persoonlijk als globaal. Verdraaid, we weten dat uiteindelijk zelfs onze geliefde kleine planeet en de zon zullen verdwijnen. Diep binnenin ons weten we dat alles hier geboren wordt om te mislukken. Ongeacht hoe hard we ons best doen, we zullen nimmer blijvende perfectie in wat dan ook voor elkaar krijgen. Dit geldt voor onze bezittingen, onze relaties, ons persoonlijke alsook het collectieve welzijn. En toch blijven we het maar koppig steeds weer proberen, tegen beter weten in hopend dat we vroeger of later die ene uitzondering op de wet van Murphy zullen vinden. De volgende keer krijgen we het voor elkaar; als we het maar lang genoeg blijven uitproberen, zullen we slagen. En natuurlijk lukt ons dat nooit, tenminste niet voor lang.

Een Cursus in Wonderen legt uit dat perfectie per definitie onmogelijk is binnen dualiteit, omdat perfectie van God is en uitsluitend van God. Aangezien deze wereld gemaakt werd als een aanval op God (W-pII.3.2), hebben we het zo ingericht om bij het begin al te falen. In verscheidene scherpe fragmenten vraagt Jezus ons om eerlijk naar deze wereld te kijken en te overwegen of we überhaupt ooit een vervanging voor de volmaakte Liefde van God hebben weten te vinden die de hele tijd voortduurde (vgl. T-29.VIII:1). Het antwoord is, zoals we allen zullen toegeven, “Nee”. Niets in deze wereld functioneert de hele tijd, wat we telkens weer vaststellen, terwijl we ondertussen plannen blijven beramen voor iets beters dat wel zal werken. We blijven op tragische wijze van het ene idool naar het volgende springen, om enkel iedere keer te huilen als we het zien mislukken. Toch blijven we zoeken, zonder ooit perfectie te vinden. De Cursus hertaalt de wet van Murphy dan ook als: “Zoek maar vind niet” (T-16.V.6).

Het eerste duizelingwekkende spirituele inzicht dat Een Cursus in Wonderen ons biedt, is, dat volmaaktheid niet alleen maar onmogelijk is: wij hebben onze wereld opzettelijk zo ingericht. We hebben deze wereld “gemaakt” als een plek waar God – die volmaakte Liefde is – niet binnen zou kunnen komen (W-pII.3.2). Deze wereld is het kwantumeffect van de slapende Zoon zijn hallucinatie dat het loont een poging te wagen uit te zoeken of wij het zonder de Schepper kunnen stellen. Het is onze wens dat deze wereld onvolkomen is, omdat dat het ultieme bewijs is dat onze afscheiding van God gelukt is: we hebben het voor elkaar gekregen! Maar natuurlijk hallucineert ieder schijnbaar afgescheiden fragment van de slapende Zoon van God dat het zelf god is. Op deze manier zijn alle schijnbaar afgescheiden fragmenten onafgebroken in oorlog met elkaar (fysiek of psychologisch), daarbij de beangstigende dualistische “wetten van de chaos” volgend (T-23.II). Kort samengevat betekent dat: zonde is onherroepelijk de waarheid; schuld is een feit; God is een leugen; wij bezitten uitsluitend wat we te pakken kregen, en het is de een of de ander – doden of gedood worden. Dit is overduidelijk een omstandigheid waarbij niets ooit perfect kan of zal werken.

Het tweede duizelingwekkende inzicht dat Een Cursus in Wonderen ons biedt, is, dat deze wereld, hoe illusoir en gebrekkig ze ook mag zijn, je volle aandacht verdient. Ze kan namelijk gebruikt worden als een geweldige leerschool om Verlossing te leren vinden en te accepteren, en daarbij te ontwaken uit de koortsachtige droom van dualiteit. Jezus stelt kort en bondig dat Verlossing simpelweg het besef is – en de aanvaarding van dat besef – dat deze wereld niet ons thuis is (T-25.VI.6). Voor ons ego is dit pure gruwel, omdat het ego zich van niets anders gewaar is dan deze wereld, die de afscheidingsgedachte van God is.  Al onze koortsachtige activiteit dient slechts om het bestaan van Verlossing buiten onze denkgeesten te houden. Tenzij ik vagelijk de gedachte begin te overwegen dat mijn essentie geen lichaam is, maar zuiver geest (W-pI.97), zal ik nooit accepteren dat deze wereld niet mijn thuis is – in tegendeel, ik zal God laten zien hoe zeer ik tegen Zijn Wil in kan gaan! En zo zal ik steeds maar opnieuw, en weer, en nogmaals tegen Murphy’s wet aan botsen… en dat als een gegeven aanvaarden in deze wereld, hoe deprimerend en pijnlijk dat ook mag zijn.

Onze tolerantie voor pijn mag gelukkig dan hoog zijn, ze is niet grenzeloos (T-2.III). Uiteindelijk zal het me duidelijk worden dat er een betere weg moet zijn dan een alsmaar falende wereld. Door Een Cursus in Wonderen ga ik me realiseren dat, als ik kies voor mijn ego, mijn onjuiste denkgeest, waarbij ik focus op afscheiding, ik god speel in mijn eigen miezerige cocon, wat me niet gelukkig gaat maken. Door het gedachtegoed van Jezus te bestuderen en in de praktijk te brengen, wordt het me duidelijk dat de keuzemaker binnen mijn denkgeest er ook voor kan kiezen juist te denken, heerlijk ontspannen niets anders doen dan plaats te maken voor de Stem van de Heilige Geest, die zo gehoord wordt. En doordat de Heilige Geest de bemiddelaar is tussen werkelijkheid en illusie, de “Stem namens God”, kan Zijn advies niet falen. Door ware vergeving te leren en in de praktijk toe te passen, door “los te laten en te laten gebeuren”, ga ik die blijvende innerlijke vrede, die niet van deze wereld is, ervaren. En het wordt nog beter, want door de werkelijke wereld langzaamaan te vatten in mijn denkgeest, zie ik tenslotte met blijde verbazing, dat ik voor al deze vreugde niets heb moeten opofferen (T-16.VI). of, in de woorden van Monty Python’s klassiek geworden lied “Always look on the bright side of life (Bekijk altijd de zonnige kant van het leven)”: Je kwam uit niets; je gaat terug naar niets. Wat heb je verloren? Niets! – behalve dan dat, in de ogen van ECIW, “niets” gelijk staat aan de nondualistische volmaaktheid van God.

© Jan-Willem van Aalst, juni 2016 (vertaling: Robert J Visser)

Ik kies de gevoelens die ik ervaar

De titel van deze blog is niet iets wat de meesten van ons graag geloven. De bewering schijnt zelfs niet eens waar te zijn, zelfs niet voor de meest alledaagse verstoring. Maar kijk eens eerlijk naar je eigen afkeuren. Hoe snel word je geïrriteerd door gedrag van sommige mensen bij je in de buurt? Je echtgenoot wellicht, je ouders, of je collega’s? En hoe snel past je stemming zich aan het weer aan, als je buiten aan het wandelen bent? Of misschien word je gefrustreerd als je moet wachten in de rij voor de toonbank van een kruidenierszaak? Je manier van denken is elke keer hetzelfde: “Als dit of dat (een situatie en/of een persoon) anders zou zijn, zou ik gelukkig zijn”. Wat dan betekent: Ik zou me gelukkig voelen wanneer de dingen gaan zoals ik eis dat ze dat doen, wat steevast in mijn eigen belang is. En dat is precies de reden waarom steeds als je veroordeelt, de gevoelens van schuld niet ver te zoeken zijn, hoewel die dan weer snel weggemoffeld worden met behulp van het effectief  naar buiten projecteren. “Ik ben niet schuldig voor het verliezen van mijn vrede, alles buiten mij is dat!”

Iedereen die een beetje in de psychologie of persoonlijke ontwikkeling gedoken is, realiseert zich dat gevoelens ons niet opgedrongen worden – integendeel, we kiezen ze echt zelf, hoewel onbewust. Elke keer dat we van streek raken, kunnen we onze waarneming van die gebeurtenis of persoon wijzigen. Als we die op je af komende situatie anders beoordelen, zullen onze gevoelens en onze reactie daarop op dezelfde wijze mee veranderen. In Een Cursus in Wonderen is dit fenomeen een belangrijk doel van de leerstof: want tenslotte is het de bedoeling van de Cursus dat je blijvende innerlijke vrede leert ervaren, door je denken over deze wereld compleet te wijzigen. “Verander slechts je denken over wat je wilt zien en heel deze wereld zal onvermijdelijk in overeenstemming hiermee veranderen” (W.pI-132.5.2). Dat proces begint met je te realiseren dat we nimmer onvrede voelen om de reden die we denken (W.pI-5). De Cursus is absoluut onverbiddelijk in hoe onze waarnemingen van gebeurtenissen ontstaan: “Projectie maakt waarneming” (T-21.1.1). We beginnen met onze eigen vreselijke gevoelens van onwaardigheid, schuld en zondigheid te projecteren, waarna we die eigenschappen in iedereen en al het andere menen te zien. Waarna we ons gerechtigd menen in deze wereld alles te minachten en te veroordelen dat ons herinnert aan wat we meenden in onszelf verwijderd te hebben. Vervolgens geloven we dat onze gevoelens van irritatie, woede en haat, plus de terecht daar uit resulterende straf, totaal gerechtvaardigd zijn.

Jezus wijst ons in een Cursus in Wonderen er herhaaldelijk met kracht op te beseffen dat dit alleen maar kan betekenen dat we onszelf hiermee aanvallen (zie: W.pI.26 en W.pI.196: “Ik kan alleen mijzelf maar kruisigen”). Op het door Ken Wapnick zo benoemde metafysische vlak “Niveau Eén” is dit waar, want er is in werkelijkheid niemand anders om aan te vallen: alle figuren die we in de fysieke droomwereld van tijd en ruimte zien bewegen en ageren, zijn gefragmenteerde schaduwafbeeldingen van de slapende Zoon van God. Maar zelfs in het door Ken zo benoemde dualistische “Niveau Twee” vlak, dat uitsluitend onze “waakdroom” in tijd en ruimte behelst, kunnen we merken dat we met iedere afkeer en veroordeling alleen maar onze eigen denkgeest aanvallen. Hoe negatiever we besluiten tegenover anderen te zijn, des te negatiever al je gedachten neigen te worden, tot het punt waar iedereen jou ervaart als alsmaar opvliegend. En dat is simpelweg zelfconditionering.

Wat velen van ons zich zelden realiseren is dat, tenminste binnen de Niveau Twee droomwereld, dergelijk negativisme eveneens je eigen lichaamsfuncties aanvalt (zolang je nog steeds meent een lichaam te zijn). Hoewel de wetenschap over het algemeen langzaam is in het erkennen dat stress direct de werking van je innerlijke organen, je hormonen en ons weerstandssysteem beïnvloedt, beschouwen vele onderzoekers stress als een “factor van belang” om mee rekening te houden bij de uitbraak van ziekte. Heb je ooit bemerkt dat mensen die hoge stressniveaus ervaren (eigenlijk, besluiten te ervaren) gedurende een langere tijdsperiode, eerder ziek worden dan gezonde, positief ingestelde mensen? Op een biochemisch niveau is dit principe simpel, zodra we beseffen dat het brein de ontvanger van gedachten is, plus de vertaler van die gedachten naar de biochemische materie. Negatieve gedachten veroorzaken een onbalans in onze hersengolffrequenties. Deze gestoorde balansen hinderen het normale functioneren van het brein om ons immuunsysteem en de kwaliteit van ons bloed te controleren. Op deze manier injecteren we, via ons brein, letterlijk allerlei soorten ongezonde cortisolen in onze bloedsomloop elke keer dat we in wat voor soort negatieve stemming zijn. Jazeker, jouw negatieve gedachten vergiftigen je bloed! Bovendien is het heden een welbekend feit dat we allemaal een aantal kankercellen in ons lijf met ons mee dragen, iedere dag van ons leven. Onze hersenen weten ze onafgebroken te verwijderen – iedere dag van ons fysieke bestaan! Echter, voortdurende blootstelling aan hoge stressniveaus hinderen het normale proces van ons brein zulke cellen op te ruimen. Dit is waarschijnlijk mede een oorzaak voor het ontstaan van kanker waar we veel serieuzer rekening mee moeten houden dan tot nu toe.

Elke keer dat we veroordelen vormt een dubbele aanval op onszelf: zowel op het niveau van onze denkgeest als op het niveau van het fysieke lichaam, hoe ingebeeld dat ook mag zijn. Veel traditionele wetenschappers koppelen helaas nog steeds geen fysieke ziektesymptomen (die een gevolg zijn) ondubbelzinnig aan de kwaliteit van de gedachten die we kiezen (de oorzaak). En aldus blijven we proberen het lichaam (het gevolg) te repareren zonder werkelijk de gedachten van de denkgeest als een belangrijke oorzaak van de symptomen bloot te leggen. In Een Cursus in Wonderen zou Jezus ons willen doen beseffen dat al die wetenschappelijke inspanningen geen genezing brengen, omdat er in werkelijkheid geen lichaam bestaat. “In geen enkel ogenblik bestaat het lichaam überhaupt.” (T-18.VII.3). Het lichaam wordt niet geboren en sterft niet (T-28.VI.2.4), omdat het alleen maar een beeld in een droom is. Genezen behoort toe aan de denkgeest, en aan niets anders. De Psychotherapie brochure is bijzonder duidelijk op dit punt. Jezus poneert botweg dat alle ziekte niets anders is dan een vermomming van het niet kunnen vergeven – een grimmige weigering om te vergeven. In deze passage die handelt van het genezen van ziekte, lezen we (P.2.VI.5): “ Ziekte neemt evenals niet-vergeven vele vormen aan. De vorm van het één reproduceert slechts de vorm van het ander, want ze vormen dezelfde illusie.  […] een zorgvuldige studie van de vorm die een ziekte aanneemt, geeft heel duidelijk de vorm van niet-vergeven aan, waar deze voor staat. Maar dit inzien zal geen herstel bewerkstelligen. Dat wordt slechts door één enkel inzicht bereikt: dat alleen vergeving niet-vergeven geneest, en dat alleen niet-vergeven enige vorm van ziekte kan doen ontstaan.”

Zo, dus ware vergeving mag dan het koninklijke pad zijn naar het aanvaarden van de Verzoening en het ontwaken uit de droom… Maar in deze illusoire droom is vergeving ook een heel bruikbare praktijk om je eigen fysieke lichaam gezond te houden. Daarmee heb je dus nog een reden om je gedachten wijselijk te kiezen… en om de gewoonte vol te houden je denkgeest te blijven onderzoeken op wat voor verborgen niet-vergeven elementen ook, die daar diep beneden verstopt op de loer liggen.

Veel succes met zoeken & vergeven!

© Jan-Willem van Aalst, juni 2016 (vertaling: Robert J Visser)